Woordenlijst scholieren

Deze lijst is gebaseerd op de VOX-lijst. Gebruik de zoekfunctie om woorden te vinden.

 

 GenitivusGeslachtStamtijdenBetekenisEtymologie NLEtymologie ENGEtymologie FREtymologie DUEtymologie overig
a(b)van(af), doorabnormaal, abrupt (< ab - rumpo 'af-breken'), abces ('etterbuil'; < ab - cessus < ab - cedere 'weggaan'), abuis ('vergissing'; < ab - uti 'verkeerd- gebruiken'), abstract (< abs - traho 'wegtrekken'), aversie ('afkeer'; < a - verto 'wegdraaien, afwenden'), ablaut, af, abdicatie ('troonsafstand'; < abdicare 'afstand nemen van' < ab - dicare 'plechtig verkondigen'), abject ('verwerpelijk'; < ab - iacere 'weg - werpen'), abominabel ('verschrikkelijk'; < ab-omen-ilis 'weg-voorteken-lijk'), aboriginal (oorspr.e bewoners van Australië; < ab - originale 'vanaf het begin')to abuse, to abalienate ('tot vijand maken'), abduction ('ontvoering'; < ab-ducere 'wegnemen'), aberration ('afwijking'; < ab-errare 'af-dwalen), abiotic ('niet levend'), abnormal, to abolish ('afschaffen'), abomination ('walgelijk iets'), ablative, appeasementl'abréviation, abcéder, l'abcès ('etterbuil'; < ab - cessus < ab - cedere 'weggaan')ab, aposteriori, apriorisch, Apriorismus, Asomnie, asozial, Asozialität
ac, atqueen----
accendo (accendĕre)accendi, accensumin brand steken, aanvuren----
incendo (incendĕre)incendi, incensumin brand steken-(to) incense (bewieroken)l'encens ('wierook'), l'encensement ('bewieroking') encenser ('bewieroken'), encensoir ('wierookvat'), l'incendie ('brand'), incendier, incendiaire, l'encenseur-
incendiumincendiin.brand-incendiary--
aceracrisacris, acrehevig, fel vurigacetyl ( < acetum (vinum) 'scherpe wijn' < ac-re < acer), acryl ('scherp/bijtend'), ahorn (onzeker), exacerbatie ('verergering van een ziekte'), vinaigrette (vinum aigre > acer)acerbity, exacerbitation, acetic (vinum acetum < acere < acer), acrylic, eager (< Oudfr. aigre < acrem (acc. van acer)), acridaigu ('scherp, puntig'), aigre ('zuur'), âcre ('zuur'), aigrelet ('nogal zuur'), aigrir, aigreur, acrimonie ('bitterheid, humeurigheid'), l'acide ('zuur'), acidulé, acétate, acéteaux, acerbe, l'exacerbation, aiguiser, aiguille, aiguiller, aiguillette, l'aiguillon, églantier, églantine, acier, acéréAcryl
aciesacieif.slag, slaglinie-edge (van stam *ak- > -acg- > egg- > edg-)--
adnaar, tot, bijadvent kalender (< adventus < ad - venio 'aankomen'), ad rem, advies (< ad visum), additioneel (< additionem), adequaat (< ad-aequare 'gelijkmaken'), adjectief (< ad-icio 'toevoegen, bijvoegen'), appartement (< ad- parte (abl. van pars)), appél (< ad - pello 'zich richten tot'), assistent (< ad - sisto 'erbij staan'), adoptieto add (< ad-do), advertisement, to addict (< ad-dico), addition (< ad-do), adept (ad - apiscor), adjunct (ad - iungo), to admire (ad - mirus), adult (adultus ppp. van adolesco), adolescent (< adolesco < ad-alesco), advocaat (< ad - voco)assemble (< ad-simulo 'gelijkmaken'), allécher ('verleiden'; < ad - lécher), adjacent, adjuger, l'adolescent (ppp. 'opgroeiend'; < adolesco < ad alasco 'opgroeien'), adulte (< adultus (ppp. van adolesco 'opgegroeid zijnde'), l'adhérent ('aanhanger'), l'adhésion ('instemming'), adopter, adorerAbenteuer (< Oudduits aventiure < *adventura (ptc. fut. van advenio), Adjunkt, Adjutant, Administration, Advokat (< ad-voco), affirmativ, Akkusation ('beschuldiging'), Alliteration, assoziieren, Assoziation
ad + gerundi(v)umom te
adeozo, zozeer----
adolescensadolescentism.jonge manadolescentadolescentadolescentadoleszentoorspr. ppa. van adolesco ('hij die aan het opgroeien is'; < ad - alesco 'opgroeien')
adversus (adj)adversa, adversumtoegewend, recht tegenover, ongunstig, vijandigavers ('afgunstig'), aversieadversity, adversary, adverseadverse, adversaire, l'adversité, l'avers ('kant van een munt'), aversion-
adversus, adversumtegen(over), jegensavers ('afgunstig'), aversieadversity, adversary, adverseadverse, adversaire, l'adversité, l'avers ('kant van een munt'), aversion-
aegeraegra, aegrumziek-aegrotat ('bewijs dat een student ziek is'; < aegroto 'ziek zijn' < aeger)--
aegremet moeite, ongaarne----
aequo (aequare)evenaren, gelijk makenadequaat ('overeenkomstig'), equalizer, equatie ('verevening'), equator ('verevenaar'), ijken ('waarmerken'), perequatie ('vereffening'), adequatie, adequerenadequate, equalizer, to equalize, equate, equator ('evenaar')équité, équitableadäquat (< adaequo), eichen
aequenet zo, even----
aequusaequa, aequumgelijk, vlak, billijk, gunstigegaal (< Fr. égal < aequalis < aequus), equivalent (< equi-valens < equi - valeo 'evenveel - waard zijn'), equinox ('dag en nacht evening'), equipollent ('gelijkwaardig'; < aequi - pollens 'net zo - krachtig'), equiteit, perequatie ('vereffening' < 'gelijk maken'), equaalequal, equable, equation, equilibrium, equanimity, equivocation, equivalent (< equi-valens < equi - valeo 'evenveel - waard zijn')equidistant, l'equilibre (evenwicht), equilibrer, égal (< aequalis < aequus)egal (< Fr. égal < aequalis < aequus), Äquivalent, äquivalent, Äquivalenz
iniquusiniqua, iniquumongunstig, onrechtvaardiginiquiteit ('ongelijkheid')iniquity ('ongelijkheid')iniquie, l'iniquité ('ongelijkheid')-
aesaerisn.brons, geldera (van aera: 'aparte getallen van een rekening' > 'aparte getallen' > 'jaren'), ertsera (van aera: 'aparte getallen van een rekening' > 'aparte getallen' > 'jaren')l'airain ('brons'), l'ère (van aera: 'aparte getallen van een rekening' > 'aparte getallen' > 'jaren')-
aestimo (aestimare)schatten, menen-to estimate, to aim-Ästimation, ästimieren
aestusaestusm.deining, hitteeest (smidshaard), estuarium (< aestuarium; riviermond waar eb en vloed sterk merkbaar zijn)estuary (< aestuarium; wijde riviermond), estivate ('de zomer doorbrengen/zomerslaap houden')-Ästuar(ium) (
aetasaetatisf.leeftijd, leven(stijd), periodeMiddeleeuwen (media-aetas, onzeker (zie ook aevum))age (< Vulg. Lat. aetaticum < acc. aetatem), teenagerl'age, éternel, l'éternité, médiéval-
aeternusaeterna, aeternumeeuwig-eternity, eternal, sempiternal (< semper-aeternus 'altijd-eeuwig')-eternisieren (< aeternare < aeternus)
ageragrim.akker, veldakker, agrariër (agrarian, agriculture, pilgrim (< Lat. pelegrinus < peregrinus < peregre ('uit het buitenland') < per-agri 'ver/voorbij het land') zo ook: peregrination, acreagricole, l'agriculteurAgrarier, agrarisch, Agrikultur, Agronomisch (landbouwkundig)ἀγρός (Oudgr.)
aggredior (aggredi)aggredior, aggressus sumzich wenden tot, ondernemen, beginnen, aanvallenagressie, agressor (iemand die aanvalt/begint met geweld gebruiken)aggressive, aggressor (iem. die begint met geweld gebruiken), agress ('aanval')agresser, agressifAggression, aggressiv, aggressor (iem. die begint met geweld gebruiken)
egredior (egredi)egredior, egressus sumweggaanegressief ('gevormd tijdens het uitademen')egress (uitgang, uitweg)--
ingredior (ingredi)ingredior, ingressus sumbinnengaan, beginneningrediënt (< ppa. ingrediens), ingressief ('het begin uitdrukkend')ingredient (< ppa. ingrediens), ingress ('ingang, toegangsrecht')l'ingrédient (< ppa. ingrediens)Ingrediens, ingressiv (het begin uitdrukkend)
progredior (progredi)progredior, progressus sumvoortgaanprogressie, progressief (omschrijving politieke ideologie)progressprogresser, progrèsprogressiv, Progredienz ('zieker worden' < 'de ziekte gaat voort'), Progreß
gradusgradusm.stap, trede, rangordegraad (bij schaalverdelingen), gradatie, gradueel, degraderen (< de-gradus 'stap ergens van af'), retrograde ('in omgekeerde richting gaand'), gradiënt, congres (< con-gredi < con-gradus 'samen-komst')grade, gradual, to graduate, degree, congress (< con-gredi < con-gradus 'samen-komst')le grade, le degré ('trap'), gradation, graduel, retrograde (in omgekeerde richting gaand)Grad, gradual, graduieren, degradieren
ago (agĕre)egi, actumdrijven, (be)handelen, doorbrengenactie (< ppp. actum), agenda (< res agenda: gerundivum van ago 'dingen die gedaan moeten worden'), acteur (< Lat. actor 'iem. die handelt'), agent ('vertegenwoordiger (o.a. van politie)'), akte (< acta 'de behandelde dingen'), navigatie (navis-agere 'schip - leiden'), reageren (< re-agere 'terug - doen'), redactie (action, actor, agility (agir, actionner, réaction (< re-actum 'terug - doen'), actes, l'acteur (< Lat. actor 'iem. die handelt'), l'agent ('vertegenwoordiger (o.a. van politie)'), actif, actuel, l'agenda, réagir, navigation (< navis - agere 'schip - leiden')Agent, aktiv, aktuell, interaktion, Akt, Akte, Agende, Aktie, Aktion, Reaktion, Agenda, Agens, agieren, Aktivität, Interaktion, interaktivἄγω (Oudgr.)
agito (agitare)opjagen, zich bezig houden metagiteren, (vaak gebruikt: geagiteerd 'heftig')to agitate ('prikkelen'), agitationagiter ('prikkelen'), cuider (< cogitare < co-agito)Agitation, agitieren
exigo (exigĕre)exegi, exactumuitdrijven, verjagen, opeisen; volbrengen, doorbrengenexact (< ppp. exactus), essay (< Fr. essai 'poging' < Lat. exagium 'weging' < exigo)exact (< ppp. exactus), essay (< Fr. essai 'poging' < Lat. exagium 'weging' < exigo), exigenceexact, exiger, l'exigence ('eis')exakt
exiguusexigua, exiguumklein, gering-exiguous ('klein')exigu ('klein')Exiguität ('kleinigheid'; < exiguitas < exiguus)
cogo (cogĕre)coegi, coactumbijeenbrengen, dwingencoactie ('dwang'), klatser ('knoeier'; < Fr. cache < Fr. cachier < Lat. coactare < cogere. in betekenis: klanknabootsing van de zweep (=werk slecht doen) < dwingen < voortdrijven)cogent ('noodzakelijk'), squat ('kolonist'; < Fr. esquatir 'neerhurken' < Vulg. Lat coactire < cogere)cacher, le cachot ('gevangenis'), cachet ('stempel' < 'bevel tot arrestatie')-
perago (peragĕre)peregi, peractumvoltooien, behandelen----
agmenagminisn.stoet, kolonne----
aitzeggen, beweren----
aiuntzeggen, beweren----
aliquialiquae, aliquodeen (of ander), enig
aliquandoeens, ooit----
aliquisalicuiusm.iemand, een of andere-hidalgo ('spaanse edelman'; < Sp. fidalgo < filho de algo --
aliusaliusalia, alium(een) anderalias ('bijnaam'), alibi ('bewijs dat men onschuldig is'; < Lat. alibi < alius - ibi ('ergens anders - daar'))alibi ('bewijs dat men ergens anders was' < Lat. alibi < alius-ibi (ergens anders - daar)), alias ('bijnaam')aussi (Vulg. Lat. ale < alid < aliud), aliéner, alibi ('bewijs dat men onschuldig is'; < Lat. alibi < alius - ibi ('ergens anders - daar'))Alibi ('bewijs dat men onschuldig is'; < Lat. alibi < alius - ibi ('ergens anders - daar')), Alias ('bijnaam')Oudgr. ἄλλος
alius ... aliusde een ... de ander----
alii…aliisommige…andere----
alienusaan een ander toebehorend, vreemd, ongunstiggealiëneerd ('waanzinnig'/'onder de macht van een ander staand')alien (bijv. nw. 'vreemd' of zst. nw. 'buitenaards wezen')-Alienation ('vervreemding, verstandsverbijstering')
aliterop een andere wijze, anders----
aliter ac/atqueanders dan----
alo (alĕre)alui, altumvoeden, grootbrengenadolescent (< ad-alesco < alo 'iem. die opgroeit'), coalitie ('verbinding van partijen, bijv. in de regering'; < Lat. coalitium < co-alesco 'samengroeien, zich verbinden'), alimentatie ('bedrag dat gescheiden ouders voor hun kinderen moeten betalen'; < Lat. alimentatio < alimentum ('levensonderhoud') < alo)adolescent (< ad-alesco < alo 'iem. die opgroeit'), alimentary (< alimentum ('levensonderhoud') < alo), aliment ('voedsel'; < alimentum ('levensonderhoud') < alo)l'aliment ('voedsel' < alimentum ('levensonderhoud') < alo), la coalition ('verbinding van partijen, bijv. in de regering' < Lat. coalitium < co-alesco 'samengroeien, zich verbinden')Alimente ('bedrag dat gescheiden ouders voor hun kinderen moeten betalen'; < Lat. alimentatio < alimentum ('levensonderhoud') < alo), Koalition ('verbinding van partijen, bijv. in de regering'; < Lat. coalitium < co-alesco 'samengroeien, zich verbinden'), Proletarier (< pro-alere)
alteralteriusm.de een (c.q. de ander), tweedealternatief (< Lat. alternativus < alternus 'afwisselend' < alter), alterneren ('afwisselen'; < alternus to alter ('veranderen'), to alternate ('afwisselen'), altruism ('het rekening houden met anderen (ethische overtuiging)'),autre, alternatif (< Lat. alternativus < alternus 'afwisselend' < alter)Alteration ('afwisseling'), alternativ (< Lat. alternativus < alternus 'afwisselend' < alter), Altruismus ('het rekening houden met anderen (ethische overtuiging)')
altushoog, diephobo (blaasinstrument < haut bois 'hoog-hout' (de hobo maakt een hoog geluid)), alt (lage vrouwenstem; oorspr. hoge mannenstem < vox alta 'hoge stem'), oud (onzeker), altimeter ('hoogtemeter')to enhance ('vergroten, versterken'; < anhaunsen < Oudfr. enhaucier < Vulg. Lat. inaltiare < in-altare < altus), old (onzeker), to exalt ('verheffen'; < ex-altare < altus)haut, la/le hautbois (blaasinstrument 'hoog-hout' (de hobo maakt een hoog geluid))Alt ((lage vrouwenstem, oorspr. hoge mannenstem < vox alta 'hoge stem'), Altan ('balkon'), Hausse ('koersstijging'), Altimeter ('hoogtemeter')
altitudoaltitudinisf.hoogte, diepte-altitude ('hoogte')--
ambulowandelenambulance ('gaand ziekenhuis, veldziekenhuis'), allure (meestal negatief: 'arrogant' < 'opvallende houding' < 'opvallende manier van lopen'), prealabel ('voorafgaand'; < prae- 'voor' allable < aller < ambuler < ambulare), noctambule ('slaapwandelaar'; < noctis-ambulo (' 's nachts- lopend')), allee (dialect: 'vooruit')alley ('steegje', waar je door kunt lopen), ambulance ('gaand ziekenhuis, veldziekenhuis'), ambulant ('lopend (i.t.t. bedlegerig'))aller, l'ambulance ('gaand ziekenhuis, veldziekenhuis'), le/la noctambule ('slaapwandelaar'; < noctis-ambulo (' 's nachts- lopend'))Allee ('lange omboomde straat'), Allüre ('opvallende houding' < 'opvallende manier van lopen'), Ambulanz ('gaand ziekenhuis, veldziekenhuis'), Somnambuler ('slaapwandelaar'; < somnis-ambulo (' in slaap- lopend'))Oudgr. ἀλάομαι
amnisamnism./f.stroom, rivier----
amo (amare)liefhebben, houden vanamateur ('iem. die iets voor liefhebberij doet'; < amator 'liefhebber, vrouwengek' < amo), aimabel ('lieflijk'; < ama- bilis ('lief - lijk'))amateur ('iem. die iets voor liefhebberij doet'; < amator 'liefhebber, vrouwengek' < amo)aimer, aimable, l'amateur ('iem. die iets voor liefhebberij doet'; < amator 'liefhebber, vrouwengek' < amo)Amateur ('iem. die iets voor liefhebberij doet'; < amator 'liefhebber, vrouwengek' < amo)
amoramorism.liefdeamoureus ('op liefde betrekking hebbend'; < amorosus < amor), Amor (god van de liefde)amourous ('op liefde betrekking hebbend'; < amorosus < amor), paramour ('liefje'; < par amour)amoureux ('op liefde betrekking hebbend'; < amorosus < amor), les amourettes ('liefdesavontuurtjes')Amor (god van de liefde), amourös ('op liefde betrekking hebbend'; < amorosus < amor), Amouren ('liefdesavontuurtjes')It. l'amore
amicus/amicaamici/amicaem.vriend/vriendinamicaal ('vriendschappelijk'; < amicabilis), amice ('vriend')amicable ('vriendelijk'; < amicabilis)l'ami(e) ('vriend'; afkorting van amice), l'amice ('vriend'), amical ('vriendschappelijk'; < amicabilis)-
amicitiaamicitiaef.vriendschap-amity ('vriendschap'; < Vulg. Lat amicitatem < amicitas = amicitia)l'amitié ('vriendschap')-
inimicusinimicim.vijand(ig)-enemy (< in-amicus ('tegen-vriend' (i.e. geen vriend)))l'inimitié ('vijandigheid')-
complector (complecti)complexus sumomarmen, (be)grijpencomplex ('samengesteld geheel'; < ppp. complexus 'bij elkaar genomen'), complice ('medeplichtige'; < complexus 'hij die omarmd wordt/hij die volgt')complex ('samengesteld geheel'; < ppp. complexus 'bij elkaar genomen')le complexe ('samengesteld geheel'; < ppp. complexus 'bij elkaar genomen')Komplex ('samengesteld geheel'; < ppp. complexus 'bij elkaar genomen')
amplusampla, amplumruim, aanzienlijkampel ('breeduit, genoeg'), amplificatie ('vergroting'; < amplificatio < amplius + ficio ('groter maken')), amplitude ('schommeling'; < amplitudo ('grote omvang'))to amplify ('vergroten'; < amplificare < amplius + ficio ('groter maken')), ample ('breeduit, genoeg'), amplitude ('schommeling'; < amplitudo ('grote omvang'))l'amplification ('vergroting'; < amplificatio < amplius+ ficio ('groter maken')), ample ('breeduit, genoeg'), amplitude ('schommeling'; < amplitudo ('grote omvang'))Amplification ('vergroting'; < amplificatio < amplius + ficio ('groter maken')), Amplitude ('schommeling'; < amplitudo ('grote omvang'))
anvraagpartikelof----
angustusangusta, angustumnauw, eng, beperktangst (< angor ('angst'), verwant met angustus)---
animaanimaef.adem, levensadem, leven, zielreanimatie ('iem. weer tot leven wekken'; < re-animo ('opnieuw leven inblazen') < animus), animeren ('vermaken'; < animo ('bezielen')), animatie ('vermaking'; < animo ('bezielen'))to animate ('vermaken, opvrolijken'; < animo ('bezielen')), reanimation ('iem. weer tot leven wekken'; < re-animo ('opnieuw leven inblazen') < animus)l'ame ('ziel, geest'), ranimer ('iem. weer tot leven wekken'; < re-animo ('opnieuw leven inblazen') < animus)Animation ('verlevendiging, beelden in fims tot leven wekken'; < animo ('bezielen')), animieren ('vermaken'; < animo ('bezielen')), Reanimieren ('iem. weer tot leven wekken'; < re-animo ('opnieuw leven inblazen') < animus)Lat. animal ('dier', En. animal) betekent letterlijk 'bezield'
animalanimalisn.levend wezen, dieranimaal ('dierlijk'), mustang ('prairiepaard'; < *mixtanim < Lat. mixta animalia ('loslopende dieren die zich vermengen met de kudde') < misceo ('mengen'))animall'animalAnimalLat. animal betekent letterlijk 'bezield' < anima
animusanimim.ziel, geest; gemoed; moedanimo ('opgewektheid'; < animus ('stemming/gemoed'))animosity ('verbittering, haat'; < animositas ('moed, eerzucht, vijandschap') < animosus ('moedig, trots, hartstochtelijk'))--
annusannim.jaaranno (vaak bij merken, bijv.: anno 1807; lett. 'in het jaar' (gesticht)), decennium ('periode van 10 jaar'; < decennis ('tienjarig') < decem + annus) zo ook millenium, annuarium ('jaarboek'; < annuarius ('jaarlijks')), annaal ('jaarlijks'), kwartaal ('vierde van een jaar'; < quartus + annus ('een vierde + jaar'))decennial ('tienjaarlijks'; < decennis ('tienjarig') < decem + annus), annual ('jaarlijks'), annuity ('geld dat jaarlijks wordt uitgekeerd')l'annuité ('geld dat jaarlijks wordt uitgekeerd'), l'an ('jaar'), l'anniversaire ('verjaardag'; < annus + versus ('jaar + rondgedraaid, voltooid') < verto)Anno (vaak bij merken, bijvoorbeeld: anno 1807; lett. 'in het jaar' (gesticht)), Annuität ('geld dat jaarlijks wordt uitgekeerd')
ante, antea (adv.)tevorenantecedent ('waar een relativum op terugslaat'; < ante-cedens < ante-cedo ('voor-gaan')), anticiperen ('vooruitlopen'; < ante-capio ('voor-nemen/van tevoren nemen')), antipasto ('voorgerecht'; < ante-pasto ('voor-voedsel'))ancestor ('voorouder'; < antecessor < ante-cedo ('voor-gaan')), antecedent ('waar een relativum op terugslaat'; < ante-cedens < ante- cedo ('voor-gaan')), to anticipate ('vooruitlopen'; < ante-capio ('voor-nemen/van tevoren nemen')), anterior ('eerder'; < ante), ancient ('zeer oud'; < Fr. ancien < Vulg. Lat. anteanus < ante), antebellum ('voor de oorlog', vgl. ook interbellum)l'antichambre ('voorvertrek'), l'ancêtre ('voorvader'; < Lat. antecessor < ante-cedo ('voor-gaan')), aîné ('oudst, ouder'), l'antériorité ('het eerder zijn'), ancien ('de oudere, de vroegere volken, oud-leerling'; < Vulg. Lat anteanus < ante)Antezedens ('antecedent, waar iets op terugslaat'; < antecedens < ante-cedo ('voor gaan'))
ante (prep.)voorzie ante (adv.)zie ante (adv.)zie ante (adv.)zien ante (adv.)
antequamvoordat----
antiquusantiqua, antiquumoudantiek, antiquariaat ('winkel waar (zeer) oude boeken verkocht worden')antiquel'antiquitéantik, Antiquariat ('winkel waar (zeer) oude boeken verkocht worden')
aperio (aperire)aperui, apertumopenen, onthullenaperitief ('voorafje, drankje voor de maaltijd'; < aperitivus ('(de maag) openend (voor de maaltijd)')), apert ('duidelijk'; < apertus ('geopend, open en bloot') (ppp. aperio)), ouverture ('inleidend orkeststuk'; < Fr. ouvrir ('openen') < ovrir < aperio)aperitif ('voorafje, drankje voor de maaltijd'; < aperitivus ('(de maag) openend (voor de maaltijd)')), apert ('duidelijk'; < apertus ('geopend, open en bloot') (ppp. aperio)), ouverture ('inleidend orkeststuk'; < Fr. ouvrir ('openen') < ovrir < aperio)ouvrir ('openen'), l'ouverture ('openend orkeststuk'; < ouvrir < aperio)Aperitif ('voorafje, drankje voor de maaltijd'; < aperitivus ('(de maag) openend (voor de maaltijd)')), Ouvertüre ('inleidend orkeststuk'; < Fr. ouvrir ('openen' < ovrir < aperio)
apertusaperta, apertumopen, openbaarapert ('duidelijk')apert ('duidelijk')--
appareo (apparēre)apparuiverschijnen-to appear-appretieren ('afwerken, doen glanzen')
apparethet is duidelijk----
appello (appellare)toespreken, roepen, noemenappelleren ('in hoger beroep gaan'), appel ('beroep')appeal ('beroep, appel')appeller ('noemen')appellieren ('roepen'), Appell ('beroep, aanroep')
apudbij--avec ('met'; < apoque < apu-hoque < apud hoque ('daarbij'))-
aquaaquaef.wateraquajogging ('hardlopen in het water'), aquaduct ( < aqua + ductus (ppp. duco) ('water + wordt geleid')), aquarium (eig: 'drinkplaats voor vee', later in de letterlijke betekenis in gebruik genomen: 'waar water vandaan komt'), aquarel ('waterkleur', verfsoort; < dimin. v. aqua)aquatic ('tot het water behorend'), aquarium (eig: 'drinkplaats voor vee', later in de letterlijke betekenis in gebruik genomen: 'waar water vandaan komt'),l'eau, l'aquarelle ('waterkleur', verfsoort; < dimin. v. aqua), l'aquarium (eig: 'drinkplaats voor vee', later in de letterlijke betekenis in gebruik genomen: 'waar water vandaan komt')Aqua, Aquädukt ( < aqua + ductus (ppp. duco) ('water + wordt geleid')), Aquarell ('waterkleur', verfsoort; < dimin. v. aqua), Aquarium (eig: 'drinkplaats voor vee', later in de letterlijke betekenis in gebruik genomen: 'waar water vandaan komt')
araaraef.altaar----
arbitror (arbitrari)menenarbitrair ('willekeurig' < arbitrarius ('van een oordeel afhangend i.e. onzeker')), arbiter ('scheidsrechter' < 'hij die het oordeel geeft')arbitrator ('jurylid' < 'iem. die zijn mening geeft')l'arbitrage ('scheidsrechterlijke uitspraak, slechting van een geschil'), arbitraire ('willekeurig' < 'onzeker' < 'van een mening afhangend')Arbiter ('scheidsrechter' < 'hij die het oordeel geeft'), arbiträr ('willekeurig' < 'onzeker' < 'van een mening afhangend')
arbitratusarbitrata, arbitratummenend, in de mening datzie arbitrorzie arbitrorzie arbitrorzie arbitror
arborarborisn.boomarboretum ('bomentuin' < 'beboste plek')arborist ('bomenspecialist'), arboretum ('bomentuin' < 'beboste plek')l'arbre ('boom')Arboretum ('bomentuin')
ardeo (ardēre)arsibranden, branden van verlangenardente (muziekterm 'vurig')ardour ('hitte, vurigheid')--
arena/harenaarenae/harenaef.zandarenaarenal'arèneArena
argentumargentin.zilverargument ( < Lat. arguo ('bewijzen, helder maken') < argentum ('het heldere metaal'))argent ('zilver(kleur)')l'argent ('geld')-
armaarmorumn.wapens, tuigagealarm (< Fr. à l'arme ('te wapen! Grijp de wapens!'), armada ('oorlogsvloot'; < Sp. verl. deelw. van armar ('bewapenen') < Lat. armo ('bewapenen')),armor ('bescherming'), zie ook armatusla gendarmerie ('politie'; < gens + arma ('gewapende man'), armée ('gewapend'), l'arme ('wapen, oorlog')Alarm (< Fr. à l'arme ('te wapen! Grijp de wapens!'), Armada ('oorlogsvloot'; < Sp. verl. deelw. van armar ('bewapenen') < Lat. armo ('bewapenen'))
armatusarmata, armatumgewapendzie armaarmy ('leger'; < Lat. armata ('gewapende expeditie')), zie ook armazie armazie arma
arsartisf.ambacht, techniek, wetenschap, kunstartiest ('beoefenaar van kunsten'; < ars + achtervoegsel ist), artefact ('door mensen gemaakt voorwerp'; < arte-factus), artillerie ('geschut'; < artillum ('uitrusting, apperatuur') dimin. v. ars)art, artist ('beoefenaar van kunsten'; < ars + achtervoegsel ist), artifact ('door mensen gemaakt voorwerp'; < arte-factus), artillery ('geschut'; < artillum ('uitrusting, apperatuur') dimin. v. ars)l'art, l'artiste ('beoefenaar van kunsten'; < ars + achtervoegsel ist), l'artillerie ('geschut'; < artillum ('uitrusting, apperatuur') dimin. v. ars)Artist ('beoefenaar van kunsten'; < ars + achtervoegsel ist), Artefakt ('door mensen gemaakt voorwerp'; < arte-factus), Artillerie ('geschut'; < artillum ('uitrusting, apperatuur') dimin. v. ars)
arxarcisf.burcht, citadel----
asperaspera, asperumruw, moeilijkspiritus asper ('harde-adem')asperity ('belediging, ruwheid')âpre ('wrang, bitter')-
astrumastrin.ster(rebeeld)desastreus ('rampzalig'; < dis + astrum ('slecht + ster'), astraal ('de sterren betreffend')disaster ('ramp'; < dis + astrum ('slecht + ster'), astral ('de sterren betreffend')l'astre ('ster'), astral ('de sterren betreffend'), le désastre ('rampzalig'; < dis + astrum ('slecht + ster'), l'astérisque ('*')-Gr. ἀστήρ
atmaar----
ateratra, atrumzwart----
atqui(maar) toch----
audeo (audēre)ausus sum(aan)durven, wagen----
ausus sumik heb gedurfdzie audeozie audeozie audeozie audeo
audaxaudacisaudax, audaxmoedig, overmoedig, brutaal-audacious ('dapper')audacieux ('dapper')-
audio (audire)horenauditie, auditorium ('gehoorzaal'), audiëntie ('ontvangst'; < Lat. audientia ('het aanhoren')), auditeur ('aanklager')audience ('publiek'; < Lat. audientia ('het aanhoren')), audition, audible ('hoorbaar'; < Lat. audibilis < audio), auditorium, auditor ('toehoorder')auditif ('auditief'), l'audition ('proefoptreden'), l'auditeur ('toehoorder'), l'audience ('gehoor, publiek'; < Lat. audientia ('het aanhoren'))auditiv ('auditief'), Auditorium, Auditor ('toehoorder')
augeo (augēre)auxi, auctumvergroten, vermeerderen----
auctorauctorism.(geestelijk) vader, (aan)stichterauteurauthorl'auteurAutor
auctoritasauctoritatisf.gezag, besluit (van de senaat)autoriteitauthorityl'autoritéAutorität
auraauraef.wind, bries, luchtaura ('uitstraling')aura ('uitstraling'), to soar ('zweven, opvliegen'; < Oudfr. essorer < Vulg. Lat. exauro < ex + aura ('uit lucht'))l'essor ('hoge vlucht'; < Oudfr. essorer < Vulg. Lat. exauro < ex + aura ('uit lucht'))-
aurumaurin.goud--l'or ('goud')
aureusaurea, aureumgoudenaureool ('stralenkrans'; < aureolus < aureus)aureole ('stralenkrans'; < aureolus < aureus)l'auréole ('stralenkrans'; < aureolus < aureus)Aureole ('stralenkrans'; < aureolus < aureus)
aurisaurisf.oor--l'oreille ('oor'; < auricula dimin. v. auris)-
autof----
autemmaar, echter----
auxiliumauxiliin.hulp-auxiliary ('behulpzaam')auxiliaire ('behulpzaam')-
auxiliaauxiliorumn.hulptroepen (onz meerv.)zie auxiliumzie auxiliumzie auxiliumzie auxilium
avaritiaavaritiaef.hebzucht, gierigheid-avarice ('gierigheid')l'avarice ('gierigheid')-
avidusavida, avidumbegerig naar-avid ('gretig')avide ('gretig')-
barbarusbarbara, barbarumadi. onbeschaafd, ruw; zst.nw. vreemdelingbarbaar, braaf (oorspr. 'dapper', vgl. Eng. 'brave'), bravo ('goed gedaan!'; afgel. v. Italiaans bravo 'goede jongen'), barbarisme ('leenwoord in strijd met de eigen taalnormen'),barbarian, brave (dapper; etym. onz.)la bravoure ('zelfverzekerdheid'), barbare, la rhubarbe ('rabarber'), brave ('dapper')brav (oorspr. 'dapper', vgl. Engels 'brave'), bravourös (zelfverzekerd), Bravourleistung (grote prestatie), Bravourstück (grote prestatie)Oudgr. βάρβαρος, Ital. bravo
beatusbeata, beatumgelukkig, gezegendbeatificatie (zaligverklaring door de paus), Beatrix (lett. 'zegenende vrouw')beatific (gelukzalig), to beatify (zalig verklaren), beatitude (gelukzaligheid)béat (gelukzalig), béatification (zaligverklaring), béatitude (gelukzaligheid)Beatifikation (zaligverklaring), beatifizieren (zalig verklaren)
bellumbellin.oorloginterbellum, rebel (< re-bello < re-bellum), duel, duelleren (bellum < duellum, betekenisverandering o.i.v. duo)rebel (< re-bello < re-bellum), duel (bellum < duellum, betekenisverandering o.i.v. duo), bellicose ('strijdlustig'), belligerent ('oorlogvoerend')belligerant ('oorlogvoerend'), la bellicisme ('oorlogszuchtigheid'), belliqueux ('oorlogszuchtig')Duell (bellum < duellum, betekenisverandering o.i.v. duo), Rebell (< re-bello < re-bellum), Bellizist ('oorlogszuchtig figuur')
bibo (bibĕre)bibidrinkenbier (etym. onz.)beverage ('drank'), beer (etym. onz.), bibulous ('drankzuchtig')boire ('drinken'), le boisson ('drank'), la buvette ('bar')Bier (etym. onz.)
bonusbona, bonummelior, optimusgoed, voornaam, pl. n. goederenbonus ('financiëel voordeel')bonanza ('rijke vindplaats (ook fig.)'), bounty ('gulle gift')bon ('goed'), bonjour ('goedendag'), le bonheur ('geluk'), la bonace ('kalmte op zee'), le bonbon ('snoepje')bongen ('registreren, intekenen'), Bonität ('kredietwaardigheid')
bonabonorumn.pl. n. goederen, sing: goed----
bonumbonin.het goede, iets goeds----
benegoedbon (oorspr. betekenis: 'goed voor ...'), bonafide ('betrouwbaar'), benedictijn ('monnik van een bepaalde kloosterorde')to benefit ('profiteren'), benign ('goedaardig'), benefactor ('weldoener')bien ('goed'), benin ('goedaardig'), le bénéfice ('weldaad'), le bénévole ('vrijwilliger')Belletrist ('iemand die zich bezig houdt met de mooie letteren (=literatuur)'), Belcanto ('zangstijl')
beneficiumbeneficiin.weldaad, dienstbenefiet ('voor de liefdadigheid')beneficiary ('de begunstigde'), beneficial ('voordelig')-Benefizium ('weldaad')
meliormeliorismelior, meliusbetermelioratie ('grondverbetering')to meliorate ('beter maken')meilleur ('beter')Meloriation ('verbetering'), meliorieren ('verbeteren')
meliusbeter (onz./bijw.)----
optimusbeste, zeer goed, voortreffelijkoptimaal, optimistoptimum ('het beste'), optimisml'optim(al)isation, optimal, l'optimum ('het beste'), l'optimisteoptim(alis)ieren, Optimum ('het beste'), Optimismus
bracchiumbracchiin.armbras ('scheepstouw')bracelet ('armband'), to embrace ('omhelzen'), brace ('koppel'), brassiere ('de armen omgevend, beha', afk. bra)le bras ('arm'), embrasser ('omhelzen'), le bracelet ('armband')Brachialgewalt ('bruut geweld'), Bratsche ('altviool')Oudgr. βραχίων
brevisbrevis, brevekortbrief (oorspr. 'kort bericht'), briefen ('in het kort voorlichten'), brevet ('diploma')brief ('kort'), abbreviation ('afkorting'), briefing ('korte voorlichting')bref ('kort'), l'abréviation ('afkorting'), le brevet ('diploma')Brief, Breviar(ium) (gedragsregels in het kloosterleven)
brevi (adv.)(in) korte tijd----
cado (cadĕre)cecidi, casumvallen, sneuvelenkans, kadaver, decadent ('in verval'), kaduuk, cadans ('muziekterm'), cadens ('muziekterm'), recidivist ('crimineel die weer in de fout gaat')cascade, to decay ('afnemen'), chancechoir ('vallen'), le parachute (< Oudgr. para- ('tegen') + chute (volt. deelw. choir)), le récidiviste ('crimineel die opnieuw in de fout gaat'), la chance, l'occident (de plaats waar de zon neergaat -> 'het Westen')Chance, Kadenz, Kaduzierung ('nietigverklaring')
accido (accidĕre)accidigebeuren-accidentl'accidentakzidentell
incido (incidĕre)incidivallen op, terechtkomen in, gebeurenincident, coïncidenteelincident, coïncidentalincident, coïncidenceInzidenz, Koinzidenz
casuscasusm.val, voorval, toeval, ongeval-case, casualcasuelKasus ('naamval')
occasiooccasionisf.gelegenheidoccasion ('koopje'; term uit autoverkoop)occasion ('gelegenheid')occasion ('gunstige gelegenheid')Okkasion ('gunstige gelegenheid', 'koopje')
caecuscaeca, caecumblind-cecum ('blinde darm')le caecum ('blinde darm')-
caedo (caedĕre)cecidi, caesumomhakken, vellen, dodenprecies (< praecisum ('kort samengevat') < ('afgehakt')), cement (''gehakte' steen'), genocideto decide, scissors (< cisor ('snijder')), incision ('insnijding'), suicide, circumcision ('besnijdenis')la cisaille ('schaar'), la concision ('kortheid'), décider, occire ('doden')Insektizid ('insectendodend middel'), Pestizid ('chemisch bestrijdingsmiddel'), Fratrizid ('broedermoord'), Parrizid ('moord op een verwant')
caedesslachting, bloedbad----
occido (occidĕre)occidi, occasumvallen, sneuvelen-occident ('westelijke wereld', lett. 'bij de ondergaande zon')l'occident ('westelijke wereld', lett. 'bij de ondergaande zon')Okzident (lett. 'bij de ondergaande zon'; gebruikt voor het avondland = 'Europa')
caelumcaelin.hemel, lucht-ceiling ('de hemel verbergend'; < celo ('verbergen'))le ciel ('hemel')Ceilometer ('wolkenhoogtemeter')
campuscampim.veld, vlaktekampioen ('winnaar op het sportveld'), kamperen, campagnecampus ('studentenwoningen op universiteitsterrein'), camper ('kampeerwagen')les champs ('veld'), champignon ('op het veld groeiende paddenstoel'), campagne ('veldtocht, (verkiezings)strijd')Camp ('tenten-/vakantie-/gevangenenkamp'), Kampf ('strijd')Oudgr. κάμπτω ('(af)buigen'), Sp. escampar ('ervandoor gaan', lett. 'uit het veld gaan')
candiduscandida, candidumstralend wit, stralendkandidaat (in Rome solliciteerde men in witte toga naar een publiek ambt), kandelaarcandid-camera ('niet-in scène gezette filmopnamen'), candidateincandescent ('roodgloeiend'), la chandelle ('kaars'), le candidatKandidat
caniscanism.hondkanjer (< Oudfr. cagnard ('luiaard'; scheldwoord voor rijke personen > 'voornaam persoon' > 'bijzonder capabel persoon'), kennel ('hondenhuis'; via Fr. chenil), kanarie ('vogel v/d Canarische Eilanden ('hondeneilanden')')canine ('hond(s)'), canaryle chien ('hond'), le chenil ('hondehok'), la canaille ('schurk, ploert')Kanaille ('schurk, ploert')
cano (canĕre)cecini(be)zingen, voorspellenal in de klassieke tijd vervangen door 'cantare', zie daaral in de klassieke tijd vervangen door 'cantare', zie daaral in de klassieke tijd vervangen door 'cantare', zie daaral in de klassieke tijd vervangen door 'cantare', zie daar
cantuscantusm.lied, gezang-chant ('a capella gezang')--
carmencarminisn.lied, gedicht, toverspreukcharmantcharm (lett. 'toverspreuk', ook 'charme'), charmingcharmant ('betoverend' < 'gezang/toverspreuk')charmant
capio (capĕre)cepi, captumpakken, nemen, innemenkabel, anticiperen ('ergens op voorbereid zijn'), kapen, capsule, inkapselencapable ('in staat tot (be)grijpen'), to participate (samenst. met pars), catering (< Eng. to cater ('voedsel verzorgen') < Oudfr. achater ('kopen ter dienstverlening'))capter ('opvangen, iets winnen'), capturer ('gevangen nemen'), chasser ('jagen')kapieren ('snappen'), Kontrazeption ('anticonceptie')It. la caccia ('jacht')
accipio (accipĕre)accepi, acceptumontvangen, krijgenaccepteren, acceptatieto acceptaccepterAkzeptieren
captivuscaptivim.krijgsgevangene-captivecaptiver-
concipio (concipĕre)concepi, conceptumopnemen, zich voorstellenconcept ('idee, voorlopige opzet'), conceptie ('bevruchting')to conceive ('zwanger worden, bedenken'), conceivable ('voorstelbaar'), concept ('idee')concevoir ('zich indenken, bedenken'), concevable ('voorstelbaar'), la conception ('opvatting, bevruchting')Konzept ('idee, voorlopige opzet'), Konzeption ('inval, opvatting, bevruchting'), Konzipieren ('een concept opstellen, plannen, zwanger worden')
excipio (excipĕre)excepi, exceptumuitnemen, uitzonderen, opnemen; opvangen-except, exceptionexceptionnel ('uitzonderlijk'), excepter ('uitzonderen'), s'exciper de ('zich beroepen op')-
incipio (incipĕre)incepi, inceptumbeginnen-inceptionincipit ('beginregel')Incipit ('beginregels')
praecipio (praecipĕre)praecepi, praeceptumvan te voren nemen, voorschrijven----
praeceptumpraeceptin.voorschrift-precept ('voorschrift'), preceptor ('leermeester')le précepte ('voorschrift'), le précepteur ('leermeester')Präzeption ('voorschrift')
recipio (recipĕre)recepi, receptumterugnemen, terugtrekken, opnemen, ontvangen; (met se) zich herstellenreceptie ('gastenbalie / borrel na afloop'), recept, recipiërenreception, recipereçevoir, la réception, le receveur & le recepteur ('ontvanger')Rezept ('recept'), Patentrezept ('voor de hand liggende oplossing'), Rezeption ('opname, gastenbalie'), Rezipient ('ontvanger')
me recipio (se recipĕre)recepi, receptumzich herstellen, (zonder se) terugnemen, terugtrekken; opnemen, ontvangen----
suscipio (suscipĕre)suscepi, susceptumop zich nemen, ondernemen-susceptible ('gevoelig')susceptible ('gevoelig, lichtgeraakt')-
caputcapitisn.hoofd, monding, leider, hoofdstadkapitein (staat "aan het hoofd"), biceps (spier met "twee hoofden"), kaap ('in zee uitstekende landpunt'), recapituleren ('samenvattend herhalen')capital ('hoofdstad'), to decapitate ('onthoofden'), chief (< Oudfr. chief < Ital. capo), chapter ('hoofdstuk')le chef (< Oudfr. chief < Ital. capo), le chapître ('hoofdstuk'), le chevet ('hoofdeinde')Kapitel ('hoofdstuk'), Kapital ('kapitaal'), kapitulieren ('zich overgeven')Ital. da capo (muziekterm: herhaling vanaf het begin)
praeceps, -ipitishals over kop omlaag, overhaastprecipitatie ('neerslag'; scheikundige/weerkundige term)precipitate ('neerslag'), precipitate ('overhaast'), to precipitate ('voorover vallen'), precipice ('steile rotswand', 'afgrond')précipitamment ('hals over kop', 'overhaast'), la précipitation ('haast, neerslag'), le précipice ('afgrond')Präzipitat ('neerslag'; scheikundige term)
careo (carēre)caruimissen, niet hebbencariës ('gaatje in de tanden')caret ('leeg gelaten plek in een boek'), caries ('gaatje in de tanden')la carence ('falen, onvermogen')Karenz ('wachttijd, onthouding')
caruscara, carumduur, geliefd-charity ('liefdadigheid'), to cherish ('koesteren')cher ('geliefd, duur'), chérir ('innig liefhebben'), chéri ('geliefd'), caresser ('liefkozen')karitativ ('weldoener-')
castracastrorumn.kamp----
causacausaef.zaak, proces, reden, oorzaakcausaal ('oorzakelijk'), zich excuseren (< Lat. ex + causa ('aan de rechtszaak onttrekken')), liefkozen (< lief + kozen ('spreken') < ('als (rechts)zaak bespreken'))cause ('oorzaak'), to accuse (< Lat. ad + causa ('voor het gerecht slepen')), to excuse (< ex + causa ('aan de rechtszaak onttrekken'))la chose ('ding, zaak'), causal ('oorzakelijk'), accuser (< Lat. ad + causa ('voor het gerecht slepen')), excuser (< Lat. ex + causa ('aan de rechtszaak onttrekken')), récuser ('verwerpen')Chose ('zaakje, pijnlijke aangelegenheid'), liebkosen (< lief + kozen ('spreken') < ('als (rechts)zaak bespreken'))
causa (postpostie + gen.)omwille van----
caveo (cavēre)cavi, cautumoppassen (voor)caveat ('bericht dat iemand moet oppassen')caution ('voorzichtigheid'), caveat ('bericht dat iemand moet oppassen, inspraak')cautionner ('voorzichtig zijn')Kaution ('borgtocht')
cedo (cedĕre)cessi, cessum(weg)gaan, wijken (voor)precedent ('eerder plaats gevonden hebbend geval'), antecedent ('woordgroep die een betrekkelijke bijzin inleidt'), cessie ('overdracht van een recht')necessary ('noodzakelijk' < 'niet te ontwijken'), ancestor ('voorouder'; < Lat. ante + cedo)la rétrocession ('terugtrekking'), le prédecesseur ('voorganger'), nécessaire ('noodzakelijk' < 'niet te ontwijken')zedieren ('overdragen'), Zession ('overdracht')
accedo (accedĕre)accessi, accessumnaderen, erbij komenaccessoire ('hulpmiddel, toebehoren')access ('toegang'), accessory ('medeplichtige, hulpmiddel')l'accès ('toegang'), l'accessoire ('toebehoren, hulpmiddel')Accessoire ('hulpmiddel, toebehoren')
concedo (concedĕre)concessi, concessumwijken, weggaan, zwichten, toestaanconcessie ('tegemoetkoming')concession ('verlening van een vergunning, tegemoetkoming')le concession ('vergunning, tegemoetkoming')konzedieren ('toestaan')
discedo (discedĕre)discessi, discessumuiteengaan, weggaan----
excedo (excedĕre)excessi, excessumuit-, weggaan, overschrijdenexcessief ('overmatig'), exces ('een geval van overmaat')excess ('overmaat'), excessive ('overmatig')excéder ('overschrijden'), l'excédent ('overschot'), excessif ('bovenmatig'), l'excès ('overmaat')Exzeß ('overmaat')
incedo (incedĕre)incessi, incessumvoortgaan, binnengaan----
procedo (procedĕre)processi, processumvoortgaanproces ('rechtszaak, voortgang'), procedure ('gang van zaken'), processor ('computeronderdeel'), processie ('optocht')process ('rechtszaak, voortgang'), procession ('optocht'), processor ('computeronderdeel')le procès ('rechtszaak', 'voortgang'), le procédé ('werkwijze'), la procédure ('gang van zaken'), le processeur ('computeronderdeel')Prozedur ('gang van zaken'), Prozessor ('computeronderdeel'), Prozeß ('rechtszaak, voortgang')
recedo (recedĕre)recessi, recessumteruggaan, weggaanreces ('vakantie'), recessie ('economische achteruitgang'), recessief ('latent'; biologische term)recess ('uithoek'), recess ('vakantie'), recession ('economische achteruitgang'), recessive ('latent'; biologische term)le recès ('slotprotocol'), récessif ('latent'; biologische term), la récession ('achteruitgang')Rezession ('economische achteruitgang'), rezessiv ('latent'; biologische term)
cesso (cessare)onbenut blijven, dralensussen ('tot rust brengen')to cease ('ophouden'), incessant ('onophoudelijk')cesser ('ophouden', 'onderbreken'), incessant ('onophoudelijk')-
celebro (celebrare)vereren, vieren-celebrity ('beroemdheid')célèbre ('beroemd'), célébrer ('vieren, ophemelen')zelebrieren ('een mis opdragen'), Zelebrität ('beroemd persoon')
celer, -isceleris, celeresnelaccelereren ('versnellen')to accelerate ('versnellen')la célérité ('snelheid'), accélérer ('versnellen')Akzelerieren ('versnellen')
censeo (censēre)censui, censumdenken, vinden, besluitenrecensie ('boekbespreking'), census ('volkstelling')recension ('herziening van een boek')la recension ('boekbespreking', lett. 'herziening van een tekst'), recenser ('tellen', 'een lijst opstellen')zensieren ('censureren, becijferen'), Zensus ('Volkstelling')
centumhonderdcent (lett. 'honderdste deel (van een euro)'), procent ('honderdste deel'), centimeter ('honderdste deel van een meter')century ('eeuw, honderd jaar'), cent (lett. 'honderdste deel (van een dollar)'), percent ('procent')cent ('honderd'), le centimètre ('centimeter')Cent (lett. 'honderdste deel (van een euro)'), Prozent ('honderdste deel'), Zentimeter ('honderdste deel van een meter')
centuriocenturionism.centurio (officier aan het hoofd van een centuria, een afdeling van honderd man)----
cerno (cernĕre)crevi, cretumonderscheiden, zienkrijt (< Lat. terra creta ('gezuiverde aarde')), concern ('groot bedrijf'), discreet ('onopvallend', 'bescheiden')concern ('zorg'), secret ('geheim'; < Lat. secernere ('afzonderen')), to concern ('betrekking hebben op')secret ('geheim'; < Lat. secernere ('afzonderen')), discret ('bescheiden', 'onopvallend'), discerner ('waarnemen', 'onderscheiden')Konzern ('groot bedrijf')
certe (adv)zeker, tenminste, althans----
certuscerta, certumzeker, vastcertificaat ('diploma')certain ('zeker'), certificate ('diploma')certain ('zeker'), certificat ('diploma')Zertifikat ('diploma')
crimencriminisn.beschuldiging, aanklacht; misdaad, vergrijpcrimineel ('misdadiger'), criminaliteit ('georganiseerde misdaad'), zich incrimineren ('zichzelf beschuldigen')crime ('misdaad'), criminal ('misdadiger'), to incriminate ('beschuldigen'), to recriminate ('een tegenbeschuldiging inbrengen')crime ('misdaad'), criminalité ('georganiseerde misdaad'), criminel ('misdadiger')Krimi ('misdaadroman', 'misdaadserie'), Kriminalität ('georganiseerde misdaad'), Krimineller ('misdadiger')Oudgr. κρίνω ('beoordelen')
decerno (decernĕre)decrevi, decretumvaststellen, besluiten; toekennen-décerner ('toekennen', 'uitvaardigen')
discrimendiscriminisn.onderscheid, kritiek moment, gevaardiscrimineren (mensen niet gelijk behandelen op grond van bepaalde niet ter zake doende kenmerken)to discriminate (mensen niet gelijk behandelen op grond van bepaalde niet ter zake doende kenmerken)discriminer ('onderscheiden', mensen niet gelijk behandelen op grond van bepaalde niet ter zake doende kenmerken)diskriminieren (onderscheid maken op grond van bepaalde kenmerken)
incertusincerta, incertumonzeker--incertain ('onzeker'), l'incertain ('wisselkoers')-
certamencertaminisn.wedijver, gevecht----
certo (certare)strijden, wedijverenconcert (oorspr. muziekstuk waarin tussen solo-instrument en orkest gewedijverd wordt)concert (oorspr. muziekstuk waarin tussen solo-instrument en orkest gewedijverd wordt)se concerter ('samen overleggen'), concerter ('afspreken')Konzert (oorspr. muziekstuk waarin tussen solo-instrument en orkest gewedijverd wordt)
ceteruscetera, ceterumoverig----
ceterioverige(n), andere(n)----
ceteraceterorumn.de overige/andere dingenet cetera ('enzovoort')et cetera ('enzovoort')et cetera ('enzovoort')et cetera ('enzovoort')
ceterum (adv)overigens, verder, maar, echter----
cibuscibim.voedsel----Sp. cebada ('gerst')
cingo (cingĕre)cinxi, cinctumomringensingel ('omringende gracht'), ceintuur ('siergordel')succinct ('kort, bondig'; lett. 'strak omringd'), precinct ('gebied afgebakend voor overheidsgebruik'; < praecingo ('omheinen'))la ceinture ('gordel'), enceindre ('omringen'), succinct ('kort, bondig'; lett. 'strak omringd')umzingeln ('insluiten, belagen')
ciniscinerism.as-to cinder ('verbranden')incinérateur ('verbrandingsoven'), incinération ('crematie')-Oudgr. κόνις ('stof', 'as')
circa, circum (prep.)rondom, in de buurt vancirca ('ongeveer')circa ('ongeveer')-zirka ('ongeveer')
circa, circum (adv.)rondom, er omheencirkel ('rond figuur'), circus (oorspr. 'ronde renbaan'), circulatie ('omloop', 'kringloop')circle ('rond figuur'), circus (oorspr. 'ronde renbaan'), to circle ('rondcirkelen')la circulation ('het verkeer'), cercle ('cirkel'), cerceau ('hoepel'), cirque ('circus', 'beestenboel')zirkeln ('precies uitmeten'), Zirkel ('rond figuur'), zirkulieren ('in omloop zijn')
cito (adv.)snel----
civiscivism.burger--civique ('burgerlijk')-
civilisburger-, openbaarciviel ('van de burgers'), civilisatie ('beschaving')civil ('van de burgers'), civilisation ('beschaving')civil ('van de burgers'), civilement ('burgerlijk', 'beleefd')Zivildienst ('dienst in het leger'), Zivilität ('hoffelijkheid')
civitascivitatisf.burgerij, staat, burgerrecht-city ('stad'), citizen ('burger')la cité ('stad'), le citoyen ('burger')-
cladescladisf.nederlaag, ramp----
clamo (clamare)schreeuwen, roepenreclame ('openbare aanprijzing'), claim ('aanspraak'), declamatie ('voordracht')to acclaim ('toejuichen'), claim ('aanspraak')la proclamation ('bekendmaking'), acclamer ('toejuichen')Claim ('aanspraak')
clamorclamorism.(ge)schreeuw--le clameur ('geschreeuw')-
exclamo (exclamare)uitschreeuwen, uitroepen-exclamation mark ('uitroepteken'), to exclaim ('het uitschreeuwen', 'tekeer gaan')exclamer ('het uitschreeuwen')-
clarusclara, clarumhelder, duidelijk; beroemddeclareren (oorspr. 'duidelijk maken'), klaar ('duidelijk')clear ('duidelijk', 'helder'), to declare ('verklaren', 'aankondigen'), to clarify ('ophelderen')clair ('duidelijk', 'helder'), éclairer ('licht geven', 'ophelderen')klar ('duidelijk', 'helder'), Aufklärung ('Verlichting')Ital. clarinetto ('trompetje')
classisclassisf.vlootklas ('groep op school'), klasse ('categorie', 'rang'), classificeren ('indelen in groepen'), klassiek ('antiek', 'monumentaal')class ('groep op school', 'categorie', 'rang'), classic ('antiek', 'monumentaal')classe ('groep op school', 'categorie', 'rang'), déclassé ('aan lager wal geraakt', 'gedegradeerd')Klasse ('groep op school'), klasse ('groots'; bijv. nw.), Klassement ('ranglijst'), klassisch ('antiek', 'monumentaal')
claudo (claudĕre)clausi, clausum(af)sluitenkluis ('afsluitbare kast'), sluis (< 'buitengesloten water' < Lat. aqua exclusa), claustrofobie ('opsluitingsangst')to close ('sluiten'), closet ('kast' < 'afgesloten ruimte')la conclusion ('conclusie', 'slotsom'), clos ('gesloten', 'afgesloten'), éclore ('uit het ei komen')Klausner ('kluizenaar'), Klausur ('isolement'), Klo ('toilet'; voluit: Klosett)
includo (includĕre)inclusi, inclusumin-, opsluiteninclusief ('ergens bij inbegrepen')to include ('bevatten')inclure ('bevatten')inklusive ('ergens bij inbegrepen')
clementiaclementiaef.mildheid, vriendelijkheid, genadeclementie (in machtsuitoefening vertoonde mildheid)clemency (in machtsuitoefening vertoonde mildheid)clémence (in machtsuitoefening vertoonde mildheid), clément ('vergevingsgezind', 'mild')-
coepisse, coeptus sumbeginnen----
cogito (cogitare)(be)denken, zinnen op-to cogitate ('nadenken', 'overwegen')cogiter ('nadenken', 'overwegen')-
cogitatiocogitationisf.overweging-cogitation ('overweging')la cogitation ('overweging')-
cohorscohortisf.cohort, (leger)afdeling-court ('rechtbank', 'koninklijk hof', '(tennis)baan'), courtesy ('hoffelijkheid', 'beleefdheid')la cour ('rechtbank', 'koninklijk hof'), courtois ('hoffelijk', 'beleefd'), le court ('(tennis)baan')Kohorte ('troep'), Court ('tennisbaan')
colliscollism.heuvelkolom (< Lat. columna ('zuil')), kolonel ('militaire rang'), colonne ('troep soldaten'), column ('kort, opiniërend stukje in de krant')column ('zuil', 'kolom', 'kort, opiniërend stukje in de krant'), colonel ('militaire rang')colonne ('zuil', 'kolom'), colonel ('militaire rang')Colonel ('militaire rang'), Kolonnade ('zuilengang'), Kolonne ('troep militairen', 'kolom'), Kolumne ('kort, opiniërend stukje in de krant')
collumcollin.nekdécolleté ('ontbloot gedeelte onder de hals'), kolder ('bovendeel van het harnas'), accolade ('verbindingshaakje: {...}' (vanwege de uitgebeelde omhelzing))collar ('halsband'), décolleté ('met laag uitgesneden hals')le cou ('hals'), le collier ('halsketting', 'halsband'), l'accolade ('ridderslag'), le col ('bergpas', '(flessen)hals')Kollier ('halsketting'), Dékolleté ('ontbloot gedeelte onder de hals'), Akkolade ('verbindingshaakje {...}' (vanwege de uitgebeelde omhelzing))Ital. colle ('bergpas')
colo (colĕre)colui, cultumverzorgen, (ver)eren-domicile ('woonplaats')récoler ('inventariseren')-
agricolaagricolaem.boeragricultuur ('landbouw')agriculture ('landbouw')agriculture ('landbouw')Agrikultur ('landbouw')
cultuscultusm.verering, verzorging, levenswijzecultuur ('beschaving', dat wat volkeren verschillend maakt), cultus ('geheel van rituelen ter verering van een godheid'), cultiveren ('geschikt maken voor landbouw')culture ('beschaving', dat wat volkeren verschillend maakt), cult ('geheel van rituelen ter verering van een godheid'), to cultivate ('geschikt maken voor landbouw')la culture ('beschaving', dat wat volkeren verschillend maakt), cultiver ('geschikt maken voor landbouw'), la culte ('geheel van rituelen ter verering van een godheid')Kultur ('beschaving', dat wat volkeren verschillend maakt), Kultus ('geheel van rituelen ter verering van een godheid'), kultivieren ('geschikt maken voor landbouw')
colorcolorism.kleur, tintkleurcolour ('kleur')couleur ('kleur')Couleur ('aard', 'gekleurdheid', 'troefkaart')
comescomitism.metgezel, vriend, volgeling-constable ('politieagent'; < Lat. comes stabuli ('stalmeester'))le comte ('graaf'; < Laatlat. comes ('landheer'))-
communiscommunis, communegemeenschappelijkcommunicatie (lett. 'iets gemeenschappelijk maken'), communisme ('ideologie van gelijkheid en gemeenschappelijkheid')common ('gemeenschappelijk', 'algemeen'), community ('gemeenschap'), communication (lett. 'iets gemeenschappelijk maken')la communité ('gemeenschap'), la communication (lett. 'iets gemeenschappelijk maken')kommun ('gemeenschappelijk'), kommunal ('van de gemeenschap'), kommunizieren (lett. 'gemeenschappelijk maken')
comprehendo (comprehendĕre)comprehendi, comprehensum(be)grijpen-to comprehend ('begrijpen')comprendre ('begrijpen')-
deprehendo (deprehendĕre)deprehendi, deprehensumgrijpen, betrappen--se deprendre ('zich losmaken van')-
condiciocondicionisf.voorwaarde, toestand, lotconditie ('voorwaarde', 'lichamelijke gesteldheid')condition ('voorwaarde', 'lichamelijke gesteldheid')la condition ('voorwaarde', 'lichamelijke gesteldheid')Kondition ('voorwaarde', 'lichamelijke gesteldheid')
conor (conari)trachten-conation ('streving')--
conor si...proberen of...----
consuetudoconsuetudinisf.gewoonte, vertrouwelijke omgang-customary ('gebruikelijk')la coutume ('gewoonte')-
consulo (consulĕre)consului, consultumberaadslagen, raadplegen; zorgen voorconsulente (adviesbureau), consult (medisch/financiëel advies)consultant (adviseur)consulter (spreekuur houden / om advies vragen), consultant (raadgever / iem. die om raad vraagt)
consiliumconsiliin.overleg, beleid; besluit, plan-counsellor ('advocaat', 'raadsman'), counsel ('raad', 'advies')le conseil ('advies', 'adviseur')Konsilium ('medisch advies')
consulconsulism.consulconsul ('hoofd van de ambassade')consul ('hoofd van de ambassade')consul ('hoofd van de ambassade')Konsul ('hoofd van de ambassade')
consulatusconsulatusm.het ambt van consulconsulaat ('ambassade')consulate ('ambassade')le consulat ('ambassade')Konsulat ('ambassade')
contemno (contemnĕre)contempsi, contemptumverachten, van geen belang vinden-contempt ('minachting')le contempteur ('minachter')-
contra (adv.)er tegenover, daarentegen, anderzijdscontrast ('tegenstelling'; < Lat. contra + stare), controversiëel ('hevig bediscussiëerd', 'taboe'), controleren ('inspecteren en op orde houden'; < Lat. contra + rotulus ('boekrol, register'): men hield in de Middeleeuwen boekhoudingen op orde door er een "tegenkopie" op na te houden)country ( < Vulg. Lat. (terra) contrata ('tegenoverliggend, uitgestrekt land')), contraband ('smokkelwaar'; < Ital. bando ('afkondiging')), counterfeit ('vervalsing'; < Lat. contrafacio ('als kopie vervaardigen'))la contradiction ('tegenspraak'), contrecoeur ('met tegenzin'), rencontrer ('ontmoeten', 'tegenkomen', lett. 'tegenover iemand komen te staan')Konter ('tegenaanval', in de sport), Kontroverse ('discussie', 'meningsverschil'), Kunterbunt ('verwarring'; < contra + punctus: ('tegen de orde in')), kontrolieren ('inspecteren en op orde houden'; < Lat. contra + rotulus ('boekrol, register'): men hield in de Middeleeuwen boekhoudingen op orde door er een 'tegenkopie' op na te houden)
contra (prep.)tegenover, tegencontra (adv.) zie daarcontra (adv.) zie daarcontra (adv.) zie daarcontra (adv.) zie daar
contumeliacontumeliaef.beschimping-contumely ('vernedering', 'minachting'), contumelious ('schaamteloos')--
conviviumconviviin.maaltijd-convivial ('van het feestmaal')le convive ('tafelgenoot'), convier ('te eten uitnodigen', 'aansporen')-
cornucornusn.vleugel (van een leger), hoorn, hoekhoorn ('muziekinstrument'), kornuit ('kameraad'; oorspr. < Lat. cornutus (iemand bij wie 'de horens opgezet zijn', d.i. wiens vrouw is vreemdgegaan))corner ('hoek', 'hoekschop'), horn ('hoorn'), scorn ('hoon', 'smaad'; < Lat. excornare (lett. 'iemands horens afbreken'))la corne ('hoorn', 'claxon'), le cornu ('stier', 'duivel'), le cornard (lett. iemand bij wie 'de horens opgezet zijn', d.i. wiens vrouw is vreemdgegaan)Kornett ('soort trompet'), Horn ('hoorn')Ital. cornetto ('hoorntje')
corpuscorporisn.lichaam, lijkincorporeren ('opnemen', 'inlijven'), corporatie ('vereniging van bedrijven'), corpulent ('dik'), corps ('studentenvereniging'), korps ('groep'; van bijv. politieagenten)corpse ('lijk'), corporation ('vereniging van bedrijven'), corps ('korps'), to incorporate ('opnemen', 'inlijven')corps ('lichaam'), corsage ('bloesje'), corser ('aandikken', lett. 'van een lichaam / van substantie voorzien')Körper ('lichaam'), Korps ('troep' van bijv. politieagenten, 'studentenvereniging'), Korpsgeist ('saamhorigheidsgevoel')
crebercrebra, crebrumtalrijk----
credo (credĕre)credidi, creditumgeloven, vertrouwen, toevertrouwenkrediet ( < creditum (lett. 'het toevertrouwde')), accreditatie ('bewijs van vertrouwen'), credo (christelijke geloofsbelijdenis)credit ( < creditum (lett. 'het toevertrouwde')), incredible ('ongelooflijk'), grant ('schenking'; < Oudfr. granter < Oudfr. créanter ('toewijzen'))croire ('geloven'), incroyable ('ongelooflijk'), crédit ( < creditum (lett. 'het toevertrouwde'))Akkreditierung ('volmachten/krediet geven'), kredenzen ('aanbieden'), Kredit ( < creditum (lett. 'het toevertrouwde'))
cresco (crescĕre)crevi, cretumgroeienrekruteren ('soldaten ronselen', lett. 'de oogst binnenhalen'; < Fr. le récru ('het jaarlijkse groeisel, oogst')), concreet ('duidelijk', 'als vorm herkenbaar'; < Lat. concretum (lett. 'samengegroeid'))concrete ('beton'; < Lat. concretum (lett. 'samengegroeid, verdicht')), crew ('groep samenwerkende mensen')croître ('groeien'), croissant (Franse lekkernij, lett. 'groeiend'; zo vernoemd naar de halve, 'groeiende' maan waar hij op lijkt), la crue ('stijgend water', 'vloed')rekrutieren ('soldaten ronselen', lett. 'de oogst binnenhalen'; < Fr. le récru ('het jaarlijkse groeisel, oogst')), concreet ('duidelijk', 'als vorm herkenbaar'; < Lat. concretum (lett. 'samengegroeid'))Ital. crescendo ('groeiend', lett. 'toenemend in volume'; muziekterm)
crudeliscrudelis, crudelewreed-cruel ('wreed')cruel ('wreed'), cru ('rauw', 'hard', 'choquerend')krud ('grof', 'rauw', 'oneetbaar')
crudelitascrudelitatisf.wreedheid-cruelty ('wreedheid')la crudité ('wreedheid')Krudität ('grofheid', 'grove opmerking')
cruorcruorism.bloed----
culpaculpaef.schuldreprimande ('berisping'; < Fr. reprimande < Lat. culpa reprimenda ('schuld die teruggedrongen moet worden'))culpable ('afkeurenswaardig'), culprit ('beklaagde', 'schuldige')coupable ('afkeurenswaardig'), la coulpe ('berouw')Reprimande ('berisping'; < Fr. reprimande < Lat. culpa reprimenda; ('schuld die teruggedrongen moet worden'))
cum (prep.)metin samenstellingen als con-, bijv. concurrent (iemand met wie je concurreert), compositie ('samenstelling'), collecte ('inzameling')in samenstellingen als con-, bijv. continuous ('aanhoudend'), composition ('samenstelling'), collective ('verzamelde groep mensen')in samenstellingen als con-, bijv. continuer ('doorgaan'), composition ('samenstelling'), le collectif ('verzamelde groep mensen')in samenstellingen als kon-, bijv. Konkurrenz (iemand met wie je concurreert), Komposition ('samenstelling'), Kollektiv ('verzamelde groep mensen')
cum (voegwoord) + ind.toen, wanneer----
cum (voegwoord) + coni.toen, omdat; hoewel, tenzij----
cupio (cupĕre)cupio, cupivi, cupitumbegeren-concupiscence ('hevig verlangen'), to covet ('hunkeren naar')convoiter ('begeren'), la concupiscence ('vleselijke begeerte')-
cupidocupidinism./f.begeerte, verlangenCupido (of Amor, god van de liefde)Cupid (of Amor, god van de liefde)Cupido (of Amor, god van de liefde)Cupido (of Amor, god van de liefde)
cupiduscupida, cupidumbegerig naar----
cupiditascupiditatisf.begeerte, verlangen-cupidity ('begerigheid', 'hebzucht')la cupidité ('hebzucht')-
curwaarom----
curo (curare)verzorgen, zorgen voor, latencurator (beheerder van een museumcollectie)to cure ('genezen'), manicure ('handverzorging')curer ('genezen'), le curateur (beheerder van een museumcollectie), le curé ('priester', oorspr. 'verzorger')Kurator (beheerder van een museumcollectie)
curacuraef.zorgkuuroord ('wellness-centrum'), manicure ('handverzorging'), sinecure (klus die zonder zorg en aandacht kan), curieus ('de aandacht grijpend', 'opvallend')security ('veiligheid', lett. 'het vrij zijn van zorgen'), cure ('mogelijkheid tot genezing'), curious ('nieuwsgierig', oorspr. 'vol zorg', 'aandacht')curieux ('nieuwsgierig'), curiosité ('nieuwsgierigheid'), la sécurité ('veiligheid', lett. 'het vrij zijn van zorgen')Kurort ('wellness-centrum'), Maniküre ('handverzorging'), Sineküre (klus die zonder zorg en aandacht kan)
curro (currĕre)cucurri, cursumrennenkoerier ('bezorger', oorspr. 'ijlbode'), curriculum ('loopbaan', oorspr. 'renbaan'), cursief ('schuinschrift'; < Lat. scripta cursiva (lett. 'lopend schrift')), cursor (een muis op een beeldscherm, oorspr. 'ijlbode')currency ('stroom', 'valuta'), precursor ('voorganger'), current ('momenteel', 'huidig')courir ('rennen'), coureur ('renner', 'racewagenbestuurder'), l'excursion ('uitstapje'), secours ('hulp'; < Fr. secourir ('te hulp komen'))Korridor ('gang'), Curriculum ('loopbaan', oorspr. 'renbaan'), Kurier ('bezorger', oorspr. 'ijlbode')
curruscurrusm.wagen----
cursuscursusm.het hardlopen, loopbaan; koerskoers, cursus ('lesprogramma')course ('koers/cursus')cours ('koers/loop/cursus')Kurs ('koers/cursus')
occurro (occurrĕre)occuri, occursumtegemoet komen, tegengaan, opkomen bij-to occur ('gebeuren')l'occurence ('het geval')-
custodio (custodire)bewaken, passen op----
custodiacustodiaef.bewaking, hechtenis, gevangenis-custody ('bewaring', 'gevangenschap')--
custoscustodism.bewakerkoster ('kerkbeheerder')--Küster ('kerkbeheerder')
damno (damnare)veroordelen-damnla damnationverdammen, Verdammnis
damnumdamnin.schade, verlies-damagedommage ('jammer'; vgl. Eng. damn)
devanaf, overdecadent (< de + cadere ('neervallen')), degradatie (< de + grado), delegeren (< de + legere ('verdelen over')), depressie (< de + pressare, ('neer-drukken')), debakeldecadent (< de + cadere ('neervallen')), decease (< de + cedere ('zich ergens van scheiden')), decision (< de + caedo ('doorhakken'))demander (< de + main), debacle, dégoûtDebakel, deduzieren (< de + duco ('afleiden van')), degradieren
decemtiendecember (lett. 'de tiende maand'), decaan (oorspr. 'hoofdman van tien'), decennium (< decem + annum ('jaar'))december (lett. 'de tiende maand')dix, décembre (lett. 'de tiende maand')Dezember (lett. 'de tiende maand'), Dekan (oorspr. 'hoofdman van tien'), Dezennium (Oudgr. δέκα ('tien')
decetdecuithet past----
decusdecorisn.eer, sieraaddecor, decoratiedecent, to decoratele décorDekor
defendo (defendĕre)defendi, defensumverdedigendefensieto defenddéfendredefensiv
defendithij verdedigt; hij heeft verdedigdzie ook defendozie ook defendozie ook defendozie ook defendo
deindevervolgens----
delecto (delectare)vermaken-delight ('verrukking'; < Oudfr. delit ('vermaak') < delitier ('vermaken') < delectare (freq. van delicere))délecter ('vermaken')delektieren ('vermaken')It. dilettare ('vermaken')
deleo (delēre)delevi, deletusvernietigen, verwoesten-to delete ('verwijderen')--
deniquetenslotte, kortom----
densdentism.tandtandtooth, dentist ('tandarts'), dental ('van/voor tanden')la dent ('tand'), le dentiste ('tandarts')dental ('van/voor tanden')Oudgr. ὀδούς, -όντος ('tand')
descendo (descendĕre)descendi, descensumafdalen-to descend ('afdalen')descendre ('afdalen')Deszendent ('nakomeling')
desero (deserĕre)deserui, desertumverlaten, in de steek latendeserteren ('weglopen uit (militaire) dienst')desert ('woestijn', lett. 'verlaten plaats'), to desert ('weglopen uit (militaire) dienst')le désert ('woestijn', lett. 'verlaten plaats'), déserter ('weglopen uit (militaire) dienst')desertieren ('weglopen uit (militaire) dienst')
desidero (desiderare)missen; verlangen-to desire ('verlangen')désirer ('verlangen')-
desideriumdesideriin.verlangen-desire ('verlangen')la désir ('verlangen')-
destino (destinare)vaststellen, aanstellen-destiny (datgene dat vaststaat, i.e. 'lot'), destination ('bestemming')destiner ('bestemmen')-
deusdeim.godajuus (< Fr. adieu < ad deus; vgl. Eng. goodbye < god by you < god be with you)deity ('goddelijkheid'), deify ('tot god maken'; < deus + facere ('god + maken'))Dieu ('god'), adieu (< ad deus; vgl. Eng. goodbye < god by you < god be with you), déifier ('tot god maken'; < deus + facere ('god + maken'))tschüs (< Fr. adieu < ad deus; vgl. Eng. goodbye < god by you < god be with you)Oudgr. θέος ('god'); Ital. Dio; Sp. Dios, adiós (< ad deus; vgl. Eng. goodbye < god by you < god be with you); ook verwant met gen. sing. Iovis (<*Djews)
deadeaef.godin----
divinusdivina, divinumgoddelijk-divine ('goddelijk')divin ('goddelijk')Divinität ('goddelijkheid')
divusdiva, divumgoddelijkdiva (lett. 'gevierde zangeres')diva (lett. 'gevierde zangeres')la diva (lett. 'gevierde zangeres')Diva (lett. 'gevierde zangeres')
dexterdextra, dextrumrechterambidexter (< ambo + dexter, lett. '(met) twee rechterhanden'), dextrose (< dextrum + -ose (suffix voor suiker); zo genoemd omdat deze glucosevorm licht naar rechts polariseert in spectroscopie)dexterity ('gereedheid', 'behendigheid'; in de antieke tijd werd rechts als goed en links als slecht gezien, zie sinister), ambidextrous (< ambo + dexter, lett. '(met) twee rechterhanden'), dextrose (le destrier ('strijdros'; het ros dat men met de rechterhand kon mennen), dextérité ('gereedheid', 'behendigheid'; in de antieke tijd werd rechts als goed en links als slecht gezien, zie sinister), ambidextre (Dextrose (
dext(e)ra (manus)dext(e)rae (manus)f.rechterhandzie ook dexterzie ook dexterzie ook dexterzie ook dexter
dico (dicĕre)dixi, dictumzeggen, sprekendicterento dictatedire ('zeggen')
dictumdictin.woorddictee, dictiedictionary, dictionla dictionnaire, la dictéeDiktat
diesdieim./f.dag, termijnmeridiaan (cirkel op het aardoppervlak; < meridianus < meridies ('middag') < medius + dies ('midden+dag'))diary (< diarius ('dagelijks')le jour ('dag'), aujourd'hui ('vandaag'), lundi ('maandag'; < lunae + dies ('dag van de maan')), mardi ('dinsdag'; < Martis + dies ('dag van Mars')), mercredi ('woensdag'; < Mercurii + dies ('de dag van Mercurius')), jeudi ('donderdag'; < Iovis + dies ('de dag van Jupiter')), vendredi ('vrijdag'; < Veneris + dies ('de dag van Venus')), samedi ('zaterdag'; lett. 'de dag van de sabbat')Diäten ('presentiegeld', 'daggeld')
dignusdigna, dignumwaard, geschiktdédain ('minachting'; < de-dignus)dainty ('elegantie', 'excellentie')digne ('waardig'), dédain ('minachting'; < de + dignus)-
dignitasdignitatisf.waardigheid-dignity ('waardigheid')la dignité ('waardigheid')Dignität ('waardigheid')
indignusindigna, indignumonwaardig, niet waard-indignity ('onwaardigheid')indigne ('onwaardig')Indignation ('verontwaardigheid')
dirusdira, dirumonheilspellend; gruwelijk, verschrikkelijk-dire ('verschrikkelijk')--
disco (discĕre)didicileren, vernemendiscipel ('leerling')disciple ('leerling')le disciple ('leerling')-Oudgr. διδάσκειν ('leren', 'onderwijzen')
diulang(durig)----
diversusdiversa, diversumtegengesteld, uiteenlopenddiversdiversediversdivers
divesdivitisdives, divesrijk----
divitiaedivitiarumf.rijkdom----
divido (dividĕre)divisi, divisumscheiden, verdelendivisie ('verdeling'), individu, dividend ('winstuitkering'), devies ('zinspreuk'; < Fr. deviser ('keuvelen') < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden'))division ('verdeling'), individual, dividend ('winstuitkering'), devise ('zinspreuk'; < Fr. deviser ('keuvelen') < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden'))la division ('verdeling'), l'individu, le dividende ('winstuitkering'), la devise ('zinspreuk'; < Fr. deviser ('keuvelen') < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden')), deviser ('keuvelen'; < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden'))Division ('verdeling'), Individu, Dividend ('winstuitkering'), Devise ('zinspreuk'; < Fr. deviser ('keuvelen') < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden'))
do (dare)dedi, datumgevendatum, data (lett. 'gegeven zaken'), datief, dateren(to) date, data ('gegeven zaken'), dativela date, le datif, dater ('dateren')Datum, Dativ, datieren
addo (addĕre)addidi, additumtoevoegenaddenda ('bijvoegsels', lett. 'de dingen die toegevoegd moeten worden')to add, addition, addenda ('bijvoegsels', lett. 'die dingen die toegevoegd moeten worden')-Addenda ('bijvoegsels', lett. 'de dingen die toegevoegd moeten worden'), Addition ('toevoeging')
circumdo (circumdare)omgeven----
condo (condĕre)condidi, conditumstichten, opbergen-to abscond ('onderduiken'), scoundrel ('schurk'; < Oudfr. escondre < excondere (etym. onz.))--
dedo (dedĕre)dedidi, deditumovergeven, uitleveren----
dono (donare)donavi, donatumgevendoneren ('geven'), donordonor, donationdonner, pardonner ('vergeven')Pardon (< Fr. pardonner < Vulg. Lat. perdonare ('vergeven'))
donumdonin.geschenk--le don ('cadeau')-
edo (edĕre)edi, esumetenobesitas (< ob + edere ('over eten'))edible (eetbaar), obesity (< ob + edere ('over eten'))l'obesité ( < ob + edere ('over eten'))-Oudgr. ἔδειν ('eten')
prodo (prodĕre)prodidi, proditumtonen, openbaar maken, verraden----
reddo (reddĕre)reddidi, redditum(terug)geven, makenrente ('teruggave'; < Vulg. Lat. rendere)to render ('geven'; < Vulg. Lat. rendere)rendre ('terugkeren'; < Vulg. Lat. rendere), rente ('teruggave' < Vulg. Lat. rendere)Rente ('teruggave';
trado (tradĕre)tradidi, traditumoverdragen, overgeventraditie (datgene wat overgeleverd wordt), treiteren (lett. 'overdragen')tradition (datgene wat overgeleverd wordt) traitor ('verrader' lett. 'degene die overlevert')la tradition (datgene wat overgebracht wordt), le traître ('verrader' lett. 'degene die overbrengt')Tradition (datgene wat overgeleverd wordt)
doceo (docēre)docui, doctumonderwijzen, uiteenzettendocent, doceren, doctor, doctrine ('leer')docent, doctor, doctrine ('leer')le docteur, la doctrineDozent, dozieren, Doktor, Doktrine ('leer')
doleo (dolēre)doluipijn hebben, (be)treurencondoleren (< cum + dolere ('samen rouwen'))to condole ('condoleren'; < cum + dolere ('samen rouwen'))la condoléance (< cum + dolere ('samen rouwen'))kondolieren (
dolordolorism.pijn, verdriet, wrok--la douleur ('pijn')-
dolusdolim.list, bedrog--dolosif ('frauduleus')-
domo (domare)domui, domitumtemmen, bedwingendompteur ('dierentemmer'; < domitare (intens. v. domare))indomitable ('ontembaar')dompter ('temmen'; < domitare (intens. v. domare))Dompteur ('dierentemmer'; < domitare (intens. v. domare))
domusdomusf.huis, woonplaatsdom ('kerk')dome ('koepel')la dôme ('de koepel')Dom ('kerk')Ital. duomo ('domkerk')
domithuis----
dominusdominim.heer des huizes, heerserdomineedon (< Ital. don ('heer'))-Don (< Ital. don ('heer'))It. don ('heer')
domovan huis----
domumnaar huis----
doneczolang als, totdat----
dormio (dormire)slapendormitorium ('slaapzaal')dorm(itory) ('slaapzaal')dormir ('slapen'), dormeur ('slaper')-
dubito (dubitare)onzeker zijn, aarzelen-to doubtdouter ('twijfelen')-
dubiumdubiin.twijfeluitdrukking: in dubio zijndoubtle doute ('twijfel')-
dubiusdubia, dubiumaarzelend, onzekerdubieusdubiousdouteux ('twijfelachtig')dubiös
duco (ducĕre)duxi, ductumleiden, doorbrengen; achten, beschouwen alsintroduceren (lett. 'naar binnen leiden'), produceren (lett. 'voortbrengen'), aquaduct ('waterleiding'), viaduct ('wegleiding')to introduce (lett. 'naar binnen leiden'), to produce (lett. 'voortbrengen'), aquaduct ('waterleiding'), viaduct ('wegleiding')conduire (produzieren (lett. 'voortbrengen'), Aquädukt ('waterleiding'), Viadukt ('wegleiding')
adduco (adducĕre)adduxi, adductumbrengen naar, brengen tot-to adduce--
deduco (deducĕre)deduxi, deductum(omlaag) brengen, meenemendeducerento deducedéduirededuzieren
ducidat. van dux; inf prae. pass. van ducozie ook duxzie ook duxzie ook duxzie ook dux
ducat(hij, zij, het) leidt/brengt (conj. prae.)zie ook ducozie ook ducozie ook ducozie ook duco
ducet(hij, zij, het) zal leiden/brengen (fut.)zie ook ducozie ook ducozie ook ducozie ook duco
ducit(hij, zij, het) leidt/brengt (ind. prae.)zie ook ducozie ook ducozie ook ducozie ook duco
duxducism.leiderdukaat (munt met de beeltenis van een hertog erop)dukele duc, le ducat (munt met de beeltenis van een hertog erop)Dukat (munt met de beeltenis van een hertog erop)Ital. duce ('leider'), doge (Venetiaans leider)
educo (educĕre)eduxi, eductumnaar buiten leideneducatie ('opvoeding'; < educare ('opvoeden'))to educate ('opvoeden'; < educare ('opvoeden'))eduquer ('opvoeden'; < educare ('opvoeden'))Edukation ('opvoeding'; < educare ('opvoeden'))
induco (inducĕre)induxi, inductumbrengen naar, tot iets bewegeninductieto induce, inductioninduire, l'inductionInduktion
perduco (perducĕre)perduxi, perductumbrengen door, - tot----
reduco (reducĕre)reduxi, reductumterugvoerenreducerento reduceréduirereduzieren
dulcisdulcis, dulcezoet, lieflijk--doux-Ital. dolce (bijvoorbeeld in: la dolce vita)
dumterwijl, zolang als; totdat; (+ coni.) mits, als maar----
duoduae, duotweeduet, dualisme (< dualis ('van twee')), dubbel (< duplex), dobbelen ('met twee dobbelstenen gooien'; < duplex)duet, dualism (< dualis ('van twee')), double (< duplex)deux, le dualisme (< dualis ('van twee')), double (< duplex)Duett, Dualismus (< dualis ('van twee'))Ital. due, Oudgr. δύω
durusdura, durumhard; onbeschaafddurum (harde tarwesoort; (niet te verwarren met Turks dürüm ('opgerold')))durum (harde tarwesoort; (niet te verwarren met Turks dürüm ('opgerold')))durDurum (harde tarwesoort; (niet te verwarren met Turks dürüm ('opgerold')))
eamhaar; deze (acc. vrl. van is)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
ecce, enkijk!--ce, cet, ici, ceci (< Lat. ecce hoc ecce hic), celui/celle/ceux (< Lat. ecce + Fr. lui/elle/eux)-"ecce homo" Johan. XIX:5
egoikegocentrisch, egoïsmeegocentricégoïsme, égotisme ('zelfverafgoding'), je ('ik'; < Oudfr. jo < io < Laatlat. eo < ego)Ego ('het ik'), Egoismus ('egoïsme'), egozentrisch ('egocentrisch')ἐγώ, alter ego (Cic.)
egregiusegregia, egregiumuitstekend, voortreffelijk-egregious ('kolossaal, opmerkelijk')--
ei(aan) hem, (aan haar), eraan; aan deze; zij, dezen (nom. mv. mnl.)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
eiuszijn, van hem; (van) haar; van het, zijn, ervan; van deze (gen. van is)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
emo (emĕre)emi, emptumkopenemption ('aankoop'), redemption ('bevrijding'; < redimere < re + emere ('terugkopen')), to redeem ('vrijkopen, verlossen')rédempteur ('verlossend'), rédimer ('vrijkopen'), rédemption ('verlossing', 'vrijkoping')-
exemplumexemplin.voorbeeld, precedentexemplaar, exemplarisch ('bij wijze van voorbeeld')example ('voorbeeld'), exemplification ('verklaring'; < Lat. exemplificatio < exemplum + facere ('doen, maken'))l'exemple ('voorbeeld')Exempel ('voorbeeld')
praemiumpraemiin.beloningpremie ('prijs')premium ('beloning')la prime ('vergoeding'), la préemption ('voorkoop')Prämie ('premie')
enimimmers, want----
eo (ire)ii, itumgaan--futurale vormen j'irai ('ik zal gaan') en j'irais ('ik zou gaan'). NB: 'aller' komt niet van 'ire'-
abeo (abire)abii, abitumweggaan---Abitur ('eindexamen')
adeo (adire)adii, aditumgaan naar, zich wenden tot----
aditusaditusm.toegang-adit ('toegang')--
ambitioambitionisf.politieke campagneambitie, ambitieus (< Lat. ambo ('rond') + ire ('gaan'))ambition (< Lat. ambo ('rond') + ire ('gaan'))ambitieux ('ambitieus' < Lat. ambo ('rond') + ire ('gaan'))Ambition ('ambitie'), ambitioniert ('eerzuchtig')
eat(hij, zij, het) gaat (conj. prae)----
exeo (exire)exii, exitumuitgaan, weggaan--l'exeat ('bewijs van vrijlating, verlof')-exit/exeunt -> termen afgaande acteurs van toneel
exitiumexitiin.ondergang, verderf----
exitusexitusm.het uitgaan, uitgang, afloop, einde-exit ('uitgang'), issue ('uitgave, resultaat'; < Fr. isser < Lat. exire))-Exitus ('uitgang')
ibat(hij, zij, het) ging (impf.)----
ierat(hij, zij, het) was gegaan (pqpf.)----
ierit(hij, zij, het) ging, is gegaan (pf.); (hij, zij, het) ging, is gegaan (conj. pf.)----
iit/it(hij, zij, het) ging, is gegaan (pf.)----
ineo (inire)binnengaanzie initiumzie initiumzie initiumzie initium
initiuminitiin.begininitiatief ('begin, aanzet'), initiaal ('beginletter'), initiëren ('inwijden')initial (adi. 'eerste', subst. 'initiaal')initial ('eerste'), initier ('inleiden'), l'initiation ('inleiding'), l'initiative ('initiatief')Initien ('begin'), Initio ('vanaf het begin')
intereo (interire)interii, interitumte gronde gaan, sterven----
iret(hij, zij, het) ging (conj. impf)----
isset(hij, zij, het) was gegaan (conj. pqpf.)----
it(hij, zij, het) gaat----
pereo perire)perii, peritumte gronde gaan-to perish ('vergaan'), perishable ('vergankelijk')périr ('vergaan'), (im)périssable ('(on)vergankelijk'), dépérir ('wegkwijnen'; < Fr. de + périr)-
praetorpraetorism.praetor (magistraat, voornamelijk belast met de rechtspraak)--le prétoir ('rechtszaal')-pretoriaanse garde ('keizerlijke lijfwacht')
redeo (redire)redii, reditumteruggaan, -komen, terecht komen----
subeo (subire)subii, subitumnaderen, in gedachten komen--subir ('ondergaan, dulden')-
subitoplotselingzie subituszie subituszie subitussubito ('plotseling')
subitussubita, subitumplotseling, onverwachtsubiet ('direct')sudden ('plotseling'; < Oudfr. subdain < Lat. subitaneus < subitus)subit(ement) ('plotseling'), soudain(ement) ('plotseling'; < Oudfr. subdain < Lat. subitus)-
transeo (transire)transii, transitumovergaan, overtrekken, voorbijtrekken; voorbijgaantransitief ('overgankelijk), trance ('toestand van gewijzigd bewustzijn')transition ('overgang'), transit ('reis'), trance ('toestand van gewijzigd bewustzijn')transir ('verkleumen'), le transit ('doorvoer'), transitive ('overgankelijk), la transe ('doodsangst'; < Eng. trance)Trance ('toestand van gewijzigd bewustzijn'), Transit ('overgang')
eorumvan hen, hun; van deze (gen. van is)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
eoshen; dezen (acc. mnl. van is)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
epistulaepistulaef.briefepistel ('brief')epistolary novel ('brievenroman'; populair genre in 18e en 19e eeuw)l'épître ('brief'), l'épistolier ('brievenschrijver')Epistel (brief)Lat. epistula < Gr. ἐπιστολή 'gezonden' < ἐπιστέλλειν 'zenden'
equusequim.paard----zebra < Port./It. zebra < Vulg. Lat. eciferu < Lat. equiferus 'wild paard' < equus + ferus 'wild'
equesequitism.ruiter, ridder-equestrian ('ruiter')-Equestrik ('rijkunst, m.n. in circus')
equitatusequitatusm.ruiterij----
ergodus, dan--ergoter ('muggenziften')-"cogito, ergo sum" - René Descartes
erro (errare)dwalen, zich vergissenaberratie ('afwijking'; < ab + erratum), erratum ('drukfout'), armoede ('gebrek'; < Ned. uitdrukking 'in arren moede' (spijtig) < Middelned. 'in erren moede' < Middelned. 'erre' (in de war, boos, spijtig) < Lat. errare)to err ('dwalen'), aberration ('afwijking'; < ab + erratum)errer ('dwalen'), l'aberration ('afwijking'; < ab + erratum)-
errorerrorism.zwerftocht, dwaling, misvatting-error ('fout')l'erreur ('vergissing'), erroné (verkeerd)Erratum ('drukfout')
eten, ook, zelfs--et ('en')-etc. ('enzovoorts' < et cetera 'en het overige')
etiamook, zelfs----
etiamsiook als----
etsihoewel---
eumhem, deze (acc. mnl. van is)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
evado (evadĕre)evasi, evasumte voorschijn komen, ontsnappenevasie ('ontwijking')to evade ('ontwijken'), evasion ('ontwijking')évader ('ontvluchten'), l'evasion ('ontsnapping')-
invado (invadĕre)invasi, invasumaanvallen, binnendringeninvasie ('vijandelijke inval')invasion ('vijandelijke inval'), to invade ('vijandelijk gebied invallen')envahir ('binnendringen'), l'invasion ('vijandelijke inval')invadieren ('vijandig gebied aanvallen'), Invasion ('vijandelijke inval')
ex, euit, sinds; ten gevolge van, op grond van
excito (excitare)in beweging brengen, opjagenexciteren ('opwekken')to excite ('opjagen'), excited ('opgewonden')l'excitation ('opwinding'), surexcitable ('overprikkelbaar'; < Fr. sur + excitable)-
exerceo (exercēre)exercui, exercitumintensief bezig houden, afmattenexercitie ('militaire oefening'; < exercitium ('training') < exercitare (freq. v. exercere)), exerceren ('manoeuvreren')exercise ('oefening'; < exercitium ('training') < exercitare (freq. v. exercere))exercer ('oefenen'), l'exercise ('oefening, training'; < exercitium ('training') < exercitare (freq. v. exercere))exerzieren ('militaire oefeningen doen'), Exerzitien ('militaire oefening'; < exercitium ('training') < exercitare (freq. v. exercere))
exercitusexercitusm.leger----
existimo (existimare)oordelen, menen----
expedio (expedire)losmaken, bevrijdenexpeditie ('onderzoekingstocht' < expeditionem < expeditum), expediënt ('redmiddel' < ptc. expediens)expedition ('militaire campagne' < subst. expeditionem < ppp. expeditum)expédier ('verzenden'), l'expédition ('onderzoekingstocht' < subst. expeditionem < ppp. expeditum), l'expédient ('uitweg' < ptc. expediens)Expedition ('onderzoekingstocht' < expeditionem < expeditum), spedieren ('verzenden'), Spediteur ('verzender')
expedithet is dienstig, bruikbaar----
expeditusonbelemmerd, slagvaardig, lichtgewapendexpediet ('voortvarend')expeditious ('onbelemmerd')expéditif ('voortvarend')-
impedimentumimpedimentin.belemmering, pl.: bagage--les impediments ('hinderpalen')-
impedio (impedire)belemmerenimpediëren ('verhinderen')impediment ('belemmering'; < Lat. impedimentem < impedire < in + pedes ('voor de voeten'))--
experior (experiri)expertus sumbeproeven, proberen, ervaren, ondervindenexpert ('deskundige'; < expertus), experiment ('proef'; < experimentum < ppp v. experiri)expert ('deskundige'; < expertus), experience ('ervaring'; < experientia), experiment ('proef'; < experimentum < ppp v. experiri)l'expérience ('ervaring'; < experientia), l'expert ('deskundige'; < expertus), l'expertise ('deskundig onderzoek'; < expertus)expert ('deskundige'; < expertus), Expertise ('ervaring'; < expertus)
explico (explicare)uitleggenexpliciet ('uitdrukkelijk'; < explicitus), explicatie ('uitleg')explication ('uitleg'; < explicationem), explicit ('uitdrukkelijk'; modern: 'pornografisch' < explicatus), exploit ('heldendaad, wapenfeit'; < Fr. esploit < Lat. explicitum 'uitgelegd, voltooid ding')expliquer ('uitleggen'), l'explication ('uitleg'; < explicationem), explicite ('ondubbelzinnig'), l'exploit ('topprestatie'; < explicitum)explizieren ('uitleggen'), Explikation ('uitleg'; < explicationem), explizit ('uitdrukkelijk'; < explicatus)
ex(s)iliumex(s)iliin.ballingschap, verbanning-exile ('verbanning' of 'banneling')l'exil ('banneling')Exil ('verbanning')
exstinguo (exstinguĕre)exstinxi, exstinctumuitblussen, vernietigenexstinctie ('doving'; < exstinctio)to extinguish ('blussen'), extinct ('uitgestorven'; < exstinctio)l'extinction ('blussing'; < exstinctio), l'extincteur ('brandblusapparaat')Extinktion ('verdelging'; < extinctionem)
exterus, exteriorextera, exterum; exterior, exteriuszich buiten bevindendexterieur ('buitenkant'; < exterior)exterior ('buitenkant')extérieur ('buiten')Exterieur ('buitenkant')
externusexterna, externumuitwendig, uitheemsextern ('buiten iets liggend')external ('buiten iets liggend')externe ('buiten iets liggend')extern ('buiten iets liggend')
extrabuitenextra ('buitengewoon'), extravagant ('ongewoon uitbundig'; < extra + vagari ('dwalen'))extra ('bijzonder'), strange ('vreemd' < Fr. étranger ('buitenlands') < Lat. extraneus ('buiten liggend) < extra), extravagant ('uitzinnig'; < extra + vagari ('dwalen')), extraordinary ('buitengewoon'; < extraordinarius < extra + ordo ('rij, orde'))étranger ('buitenlands'), extravagant ('uitzinnig' < extra + vagari 'dwalen')extra ('bijzonder'), extravagant ('uitzinnig' < extra + vagari 'dwalen'), extraordinär ('buitengewoon' < extraordinarius < extra + ordo 'rij, orde')
extremusextrema, extremumsuperl.: buitenste, uiterste, laatsteextreem ('uiterst'), extremiteit ('uitersten')extreme ('uiterst')extrême ('uiterst')extrem ('uiterst')
facio (facĕre)facio, feci, factummaken, doen; +2 acc maken totfactor, infectie (< in + facio), chauffeur (< Fr. chauffer < Vulg. Lat. calefacio ('warm maken')), certificaat (< certus ('zeker') + facio), benefiet ('voorstelling of wedstrijd ten bate van een goed doel'; < bene ('goed') + factum)factor, faction, feature (< factura), benefactor ('weldoener'; < bene + facio)faire, sacrifier ('offeren'; < sacrum facio 'offer plegen')Faktor, Fax (< fac + similis ('gelijk')), Disqualifikation (< dis + qualis + facio), Fazit ('conclusie, resultaat'), Zertifikat (< certus + facio)
affectusaffectusm.gemoedsgesteldheid, stemmingaffectie ('aandoening, genegenheid, neiging')to affect ('beïnvloeden')l'affection ('aandoening, genegenheid, neiging')Afffäre (< à faire (Fr.)), Affekt ('aandoening, genegenheid, neiging')
afficio (afficĕre)afficio, affeci, affectumiemand iets aandoenaffectie ('aandoening, genegenheid, neiging')to affect ('beïnvloeden'), affection ('aandoening, genegenheid, neiging')affecter ('beïnvloeden'), l'affection ('aandoening, genegenheid, neiging')affizieren ('beïnvloeden')
conficio (conficĕre)conficio, confeci, confectumafmaken, vernietigenconfetti (< Ital. confetto (snoep dat met carnaval werd uitgedeeld)), konfijten ('in suiker inleggen', < confire (Fr.) < conficio (Lat.)), confectie ('in voorraad gemaakte kleding'; oorspr. 'een (met suiker of stroop) gemaakte artsenij')to discomfit ('verwarren, in verlegenheid brengen'; wrsch. door betekenisverwarring met to discomfort), confection ('maken uit ingrediënten'; van snoep en medicijnen), confectionery ('zoetigheden, snoep')confire ('inmaken'), la confection ('vervaardiging, confectie-industrie')Konfetti, Konfekt ('bonbons'), Konfektion ('confectie, confectiekleding')
deficio (deficĕre)deficio, defeci, defectumafvallen, in de steek laten; oprakendefect, deficiëntie ('tekort, tekortkoming')defect, deficit ('tekort, nadelig saldo, gebrek'), defective ('onvolledig'), deficient ('incompleet, onvolledig'), defector ('overloper, afvallige')le déficit ('tekort, nadelig saldo'), défectueux ('gebrekkig, ondeugdelijk, kapot'), la défection ('afvalligheid'), indéfectible ('altijddurend, onfeilbaar')Defizit ('deficit, tekort')
difficilisdifficilis, difficilemoeilijk-difficult, difficultydifficile, la difficultédiffizil
efficio (efficĕre)efficio, effeci, effectumtot stand brengen, bewerkeneffect, efficiënt ('doelmatig')effect, effective, efficient, efficacy ('werkzaamheid, doeltreffendheid')l'effet, efficient, efficace ('doeltreffend, doelmatig, werkzaam')Effekt, effektiv, effizient
faciesfacieif.gedaante, uiterlijk, gezichtfacet ('vlak van een veelvlakkig voorwerp; kant, aspect'; < Fr. facette < Vulg. Lat. facia), façade ('voorgevel van een gebouw'; < Ital. facciate < Vulg. Lat. facia), interface ('verbinding tussen twee systemen'; < inter + Eng. face)face, superficial ('oppervlakkig'), to efface ('uitwissen'), to deface ('beschadigen, verminken'), surface ('oppervlakte')la surface ('oppervlakte'), superficiel ('oppervlakkig'), la facette ('vlak van een veelvlakkig voorwerp; kant, aspect'; < Vulg. Lat. facia), la façade ('voorgevel van een gebouw'; < Ital. facciate < Vulg. Lat. facia), effacer ('uitwissen, overschaduwen, overtreffen')Facette ('vlak van een veelvlakkig voorwerp; kant, aspect', < facette (Fr.) < facia (Vulg. Lat.)), Fassade ('voorgevel van een gebouw', < facciate (Ital.) < facia (Vulg. Lat.))
facilisfacilis, facilegemakkelijkfaciliteit ('hulpmiddel, voorziening'), faculteit ('hoofdafdeling van een universiteit of hogeschool')facile ('makkelijk'), facility ('hulpmiddel, voorziening'), faculty ('hoofdafdeling van een universiteit of hogeschool; bepaalde wiskundige functie')facile ('makkelijk'), facilité ('hulpmiddel, voorziening'), faculté ('hoofdafdeling van een universiteit of hogeschool; bepaalde wiskundige functie')-
facinusfacinorisn.daad, wandaad----
factumfactin.daad, feitfeitfact, artifact (< ars ('kunst') + factum ('daad')), feat ('daad'), forfeit ('boete, straf'; < foris ('buiten') + factum)le faitfaktisch ('factisch, feitelijk, in feite'), Artefakt  (< ars + factum 'kunst + daad')
factum esthet is gemaakt, het is gedaan; het is gebeurdzie factumzie factumzie factumzie factum
officiumofficiin.taak, plichtakkefietje ('onaangename taak; kleinigheid'; ofwel < aqua + vitae 'water + leven', ofwel < officium door volksetymologie), officieel, officier, officieus ('zogenaamd officieel')official, office, officer, to officiate ('officieel optreden')l'office, officiel, officieux ('niet officieel'), officier ('officieel optreden')Office, offiziell, Offizier
interficio (interficĕre)interficio, interfeci, interfectumdoden--sur ces entrefaites ('inmiddels, intussen')-
perficio (perficĕre)perficio, perfeci, perfectumvoltooienperfectperfectparfaire ('afmaken, voltooien, vervolmaken'), parfait, perfectible ('voor verbetering vatbaar')perfektperfectumstam van het Latijnse/Griekse werkwoord
praefectuspraefectim.opzichter, aanvoerderprefect, prefectuurprefectle préfet ('prefect, rector (Be.)'), la préfecturePräfekt, Präfektur
proficio (proficĕre)proficio, profeci, profectumvorderen; batenprofijt ('voordeel'), proficiatproficient ('vakkundig, bekwaam'), profit ('winst')le profit ('winst')-
sufficio (sufficĕre)sufficio, suffeci, suffectumvoldoende zijn, genoeg zijn-sufficient ('voldoende'), to suffice ('voldoende zijn')suffire ('voldoende zijn'), suffisant ('voldoende, zelfingenomen')suffizient ('voldoende'), süffisant ('zelfgenoegzaam, laatdunkend')
fallo (fallĕre)fefelli, falsumontgaan, misleidenfailliet ('bankroet', < Ital. fallito), falento fail, fallacy ('vergissing, bedrog')faillir ('falen'), falloir ('moeten, nodig hebben'), la faille ('fout')fehlen ('falen, missen'), Fehler ('fout')
falsusfalsa, falsumongegrond, onwaarfout (< Fr. faute < Vulg. Lat. fallita), vals, falsificatie ('vervalsing')fault, falsefalsificier, fautefalsifizieren, falsch
famafamaef.(wat men zegt), gerucht, reputatieban ('straf, in het bijzonder verbanning, betovering'), faam ('reputatie; roem')fame, infamy ('schanddaad')fameux, l'infamie ('schanddaad')Infamie ('schanddaad')Oudgr. φήμι
famesfamisf.honger-famine ('hongersnood, tekort'), famished ('uitgehongerd')faim, famélique ('uitgehongerd, uitgemergeld'), affamer ('uithongeren')-
familiafamiliaef.huishouden, (slaven) personeelfamiliefamilyfamilleFamiliepater familias = hoofd van de familie
fas(onverbuigbaar) onz.n.(goddelijk) recht--faste ('gunstig'), le jour faste ('geluksdag')-
fas esthet is geoorloofd--zie fas-
fatumfatin.(nood) lotfee (< fée (Fr.) < fata ('fee, godin van het lot'), fataal ('noodlottig'), fata morgana ('luchtspiegeling, waanvoorstelling', fata + morgana 'fee Morgana')fate, fatal ('noodlottig')fatal ('noodlottig'), fatidique ('noodlottig', fatum + dico 'lot zeggen')Fee (< fée (Fr.) < fata ('fee, godin van het lot'), fatal ('noodlottig')
nefas(onverbuigbaar) onz.n.zonde-nefarious ('misdadig, schandelijk')néfaste ('noodlottig, rampzalig'), le jour néfaste ('ongeluksdag')-
fateor (fateri)fassus sumbekennenprofessioneel (< professio < pro + fateor ('openlijk verkondigen, doceren')), confessie ('(geloofs)belijdenis'; < confessus, ppp. van con + fateor ('toegeven, openbaren, belijden'))profession (< professio < pro + fateor ('openlijk verkondigen, doceren')), to confess ('toegeven, openbaren, belijden'; < con + fateor ('toegeven, openbaren, belijden'))la profession ('beroep, belijdenis, openbare verklaring'; < professio < pro + fateor ('openlijk verkondigen, doceren')), confesser ('toegeven, openbaren, de biecht afnemen'; < con + fateor ('toegeven, openbaren, belijden'))Profession (< professio < pro + fateor 'openlijk verkondigen, doceren'), Konfession ('confessie, geloofsbelijdenis, kerkgenootschap', < confessus ppp. van con + fateor 'toegeven, openbaren, belijden')
fatigo (fatigare)vermoeien-fatigue ('vermoeidheid'), indefatigable ('onvermoeibaar')la fatigue ('vermoeidheid'), infatigable ('onvermoeibaar')-
fax, facisfacisf.fakkelfakkel (< facula, dimin. van fax)--Fackel (< facula, dimin. van fax)
felixfelicisfelix, felixgelukkig, welvarendzie felicitaszie felicitaszie felicitas-
felicitasfelicitatisf.gelukfeliciteren (< felicito ('gelukkig maken'))to felicitate (< felicito ('gelukkig maken')), felicity ('geluk')féliciter (< felicito ('gelukkig maken'))-
infelixinfelicisinfelix, infelixongelukkig-infelicity  ('ongeluk')--
feminafeminaef.vrouwfeminisme ('vrouwenbeweging')female (< femella, dimin. van femina), feminine ('vrouwelijk'), effeminate ('verwijfd'; < ex + femina)la femme, féminin ('vrouwelijk'), effeminé ('verwijfd'; < ex + femina)feminin ('vrouwelijk'), Feminismus ('vrouwenbeweging')
fere, fermeongeveer, bijna (altijd)----
ferio (ferire)slaaninterferentie ('het op elkaar inwerken; < inter ('onderling') + ferio)to interfere ('op elkaar inwerken, hinderen'; < inter ('onderling') + ferio)sans coup férir ('zonder slag of stoot'), féru ('verzot op, bezeten van'), la férule ('plak'; bijv. être sous la férule de quelq'un ('bij iemand onder de plak zitten'))-
fero (ferre)tuli, latumdragen, brengen, zeggenlucifer (< lux ('licht') + fero), conifeer ('kegeldragende naaldboom'; < conus ('kegel') + fero)legislation ('wetgeving', lex + fero 'wet brengen'), vociferous ('lawaaierig, luidruchtig', < vox + fero 'stem dragen'), somniferous ('slaapverwekkend', < somnum + fero 'slaap brengen'), pestiferous ('schadelijk, verderfelijk, vervelend', < pestis + fero 'ziekte dragen')la législation ('wetgeving', lex + fero 'wet brengen'), somnifère ('slaapverwekkend')Interferenz ('het op elkaar inwerken', < inter + fero 'onderling brengen', zie ook ferio, -ire)
affero (afferre)attuli, allatumergens heen brengen, melden; veroorzaken--afférent ('betrekking hebbend op')-
aufero (auferre)abstuli, ablatumwegnemen, ontnemen-ablation ('verwijdering')l'ablation ('verwijdering')-naamval ablativus
bellum inferreiemand de oorlog aandoenzie bellum & inferozie bellum & inferozie bellum & inferozie bellum & infero
confero (conferre)contuli, collatumbijeenbrengen, vergelijken; (zich) begevenconferentie ('bijeenkomst, vergadering')conference ('bijeenkomst, vergadering'), to confer ('beraadslagen, verlenen')la conférence  ('bijeenkomst, vergadering, lezing'), conférer ('beraadslagen, verlenen'), la collation ('lichte maaltijd')Konferenz ('bijeenkomst, vergadering')aanduiding 'cf.' = confer, imperativus singularis
defero (deferre)detuli, delatum(omlaag) brengen, aanbrengen; (pass.) belandendeferentie ('eerbied, achting')to defer ('zich onderwerpen, uitstellen')déferer ('voor de rechter brengen'), la déference ('eerbied, achting'), la délation ('het aanbrengen, verraad')-
differo (differre)distuli, dilatumverspreiden, verschillen; uitstellendifferentiëren ('zich verschillend ontwikkelen, onderscheid maken; zekere wiskundige bepaling uitvoeren')different, indifferent ('onverschillig')différent, indifférent ('onverschillig'), dilatoire ('uitstellend, vertragend')Differenz
effero (efferre)extuli, elatumnaar buiten dragen, uitspreken; verheffen-to elate ('verrukken, in vervoering brengen')--
infero (inferre)intuli, inlatumbrengen naar, bezorgeninfereren ('afleiden')to infer ('concluderen, impliceren, inhouden'), inference ('gevolgtrekking')inférer ('concluderen')-
offero (offerre)obtuli, oblatumtonen, (aan)biedenofferen, offerte ('prijsopgave')to offeroffrir ('(zich) aanbieden'), l'offre ('aanbieding, voorstel')Offerte ('aanbieding')
perfero (perferre)pertuli, perlatumoverbrengen, verdragen----
praefero (praeferre)praetuli, praelatumverkiezen bovenprefereren ('de voorkeur geven aan'), prelaat ('kerkvorst')to prefer ('de voorkeur geven aan'), prelate ('kerkvorst')préférer ('de voorkeur geven aan'), le prélat ('kerkvorst'), se prélasser ('zijn gemak ervan nemen')Prälat ('kerkvorst')
profero (proferre)protuli, prolatumte voorschijn brengen-to profer ('uitbrengen, uiten, uitspreken')proférer ('uitbrengen, uiten, uitspreken')
refero (referre)rettuli, relatum(terug)brengen, berichten, rapporteren; (met se) terugkerenrelatie ('verhouding'), refereren ('verwijzen'), referaat ('voordracht, verslag'), referendum ('volksstemming'; lett. 'dat wat gerapporteerd moet worden')to relate ('in verband staan met, verhalen, berichten, in verband brengen'), to refer ('verwijzen, terugvoeren tot'), referendum ('volksstemming'; lett. 'dat wat gerapporteerd moet worden')la relation ('verband, betrekking, verslag'), se reférer à ('zich beroepen op, verwijzen naar'), la corrélation ('onderling verband'; lett. 'het zich tot elkaar verhouden')Referenz ('verwijzing'), Referat ('voordracht, verslag, afdeling'), Korrelation ('onderling verband'; lett. 'het zich tot elkaar verhouden'), Referendum ('volksstemming', gerundi(v)um)
referthet is van belangzie referozie referozie referozie refero
transfero (transferre)transtuli, translatumoverbrengentransfereren ('overdragen, overbrengen')to transfer ('overdragen, overbrengen'), to translate ('vertalen, interpreteren, omzetten')transférer ('overdragen, overbrengen'), la translation ('overdracht')transferieren ('overdragen, overmaken')
ferrumferrin.ijzer, zwaard-ferrous ('van ijzer')le fer ('ijzer, ijzeren voorwerp'), ferrer ('beslaan, aan de haak slaan'), la ferraille ('oud ijzer, kleingeld'), la ferronnerie ('(sier)smeedwerk')-in de scheikunde: ferrum = ijzer en ferro- = ijzerhoudend
ferusfera, ferumwild, ruwfier ('zelfbewust, trots'; < Fr. fier ('wild, woest, ongetemd')), zebra (< Port. evra < Vulg. Lat. equiferus (< equus ('paard') + ferus))fierce ('zelfbewust, trots'; < Fr. fier ('wild, woest, ongetemd'), zebra (< Port. evra < Vulg. Lat. equiferus (< equus ('paard') + ferus)), feral ('wild')fier ('trots'), farouche ('wild, fel, schuw')-
feraferaef.wild dierzie feruszie feruszie ferus-
feroxferocisferox, feroxwild, strijdlustig, hooghartig-ferocity ('woestheid, gewelddadigheid')la férocité ('woestheid, wreedheid')-
fessusfessa, fessummoe, uitgeput----
fidesfideif.vertrouwen, betrouwbaarheid; trouw; beschermingfideel ('vertrouwelijk, vrolijk'; < fidelis ('trouw, betrouwbaar')), bonafide ('te goeder trouw'), malafide ('onbetrouwbaar'), op de bonnefooi ('op goed geluk', ofwel < Fr. de bonne foi < Lat. bona fide ('met goed vertrouwen'), ofwel < Fr. bonne voie ('goede weg'))faith, fidelity ('trouw'; < fidelitas ('trouw, betrouwbaarheid')), bona fide ('te goeder trouw')la foi ('geloof, trouw, vertrouwen'), la fidélité ('trouw, betrouwbaarheid'; < fidelitas ('trouw, betrouwbaarheid')), l'infidélitéfidel ('fideel, vrolijk')
fidusfida, fidumtrouw, betrouwbaarzie fideszie fides, to defy ('uitdagen, trotseren'; < Oudfr. desfier < Lat. dis ('ont-') + fidus)zie fides, défier ('uitdagen, trotseren'; < Oudfr. desfier < Lat. dis ('ont-') + fidus), se méfier de ('wantrouwen'; < malus + fidus)-
figo (figĕre)fixi, fixumvasthechten, doorborenfiksen (< fixum, ppp. van figo), fiks ('krachtig, flink'; < fixum, ppp. van figo), fiche ('speelpenning, archiefkaart'; < Fr. fiche (oorspr. 'doorn, stekel)), affiche ('aanplakbiljet'), fixeren ('doen vastzitten')to fix (< fixum, ppp. van figo), to crucify ('kruisigen'; < crux ('kruis') + figo), suffix ('achtervoegsel'), prefix ('voorvoegsel'), to affix ('toevoegen, aanhechten, vastmaken')ficher ('gooien, geven, inhalen'), fixer ('bevestigen, vaststellen, fixeren'), affiche ('aanplakbiljet'), le suffixe ('achtervoegsel'), le préfixe ('voorvoegsel, netnummer')fix ('vlug, snel, vast'; < fixum, ppp. van figo), fixen ('drugs spuiten'; < fixum, ppp. van figo), Fiche ('speelpenning'; < Fr. fiche (oorspr. 'doorn, stekel'))
filiusfiliim.zoon-filial ('kinder-'), affiliation ('band, verwantschap')le fils ('zoon'), filial ('kinder-'), la filiation ('verwantschap, samenhang'), l'affiliation ('toetreding, opname')Filiale ('filiaal')
filiafiliaef.dochterfiliaal ('bijkantoor, depotwinkel' < lett. 'dochtervestiging')zie filiuszie filius, la fille ('dochter')zie filius
fingo (fingĕre)finxi, fictumvormen, verzinnenfictie ('verzinsel'; < fictum, ppp. van fingo), fingeren ('verzinnen, voorwenden'), veinzen ('huichelen, voorwenden'; < Mdd. Ned. vensen < Lat. pf. finxi)fiction ('verzinsel'; < fictum, ppp. van fingo), to feign ('huichelen, voorwenden'; < Fr. feindre ('doen alsof, voorwenden'))la fiction ('verzinsel'; < fictum, ppp. van fingo), feindre ('doen alsof, voorwenden')Fiktion ('verzinsel'; < fictum, ppp. van fingo), fingieren ('verzinnen, fingeren'), Finte ('schijnbeweging, afleidingsmanoeuvre'; < Laatlat. fincta)
finio (finire)(be)eindigen, begrenzenfinanciën ('geldzaken'; < Mdd. Lat. fino, 'geld betalen'), definiëren ('betekenis omschrijven, grenzen bepalen')to finish, finite ('eindig, begrensd, beperkt'; < finitum, ppp. van finio), to define ('betekenis omschrijven, grenzen bepalen')finir ('beeindigen'), infini ('oneindig, onbegrensd'), la finance ('geldwezen, bankwezen'; < Mdd. Lat. fino ('geld betalen')), définir ('betekenis omschrijven, grenzen bepalen')Finanz ('geldwezen, financiers'; < Mdd. Lat. fino ('geld betalen'))
finisfinism.eind, doel, grens; (pl) gebiedfijn (o.i.v. Midd. Lat. finus, 'verfijnd'), finish, finale (< Lat. finalis ('laatste'))fine (o.i.v. Midd. Lat. finus, 'verfijnd'), final (< Lat. finalis ('laatste'))le fin ('einde'), fin ('fijn, verfijnd'; o.i.v. Midd. Lat. finus ('verfijnd')), fignoler ('nauwkeurig afwerken')fein (o.i.v. Midd. Lat. finus ('verfijnd')), Finish, Finesse
fio (fieri)fio, factus sum(gemaakt) worden, gebeurenfiat ('goedkeuring'; lett. 'laat het gebeuren', conj. adhort.)fiat ('goedkeuring'; lett. 'laat het gebeuren', conj. adhort.)--
factusfacta, factumptc. pf. pass. van facio; ptc. pf. van fierizie faciozie faciozie faciozie facio
confirmo (confirmare)versterken, bevestigenconfirmeren ('bevestigen')to confirm ('bevestigen')confirmer ('bevestigen')konfirmieren ('bevestigen')
flammaflammaef.vlamvlam, flamberen ('een gerecht overgieten met een sterk alcoholhoudende drank en deze aansteken'; < Fr. flamber < Lat. flammula ('vlammetje')), flamingo (< Sp. flamenco ('vleeskleurig'))flame, flammable ('brandbaar'), to inflame ('opwinden, kwaad maken')la flamme, le flambeau ('toorts, fakkel, kandelaar'; < Lat. flammula 'vlammetje'), inflammable ('ontvlambaar, brandbaar')flimmern ('flikkeren, glinsteren'), flambieren ('een gerecht overgieten met een sterk alcoholhoudende drank en deze aansteken'; < Fr. flamber < Lat. flammula ('vlammetje'))
flecto (flectĕre)flexi, flexumbuigen, veranderenreflex ('onwillekeurige reactie'; < re ('terug') + flecto), flexibel ('buigzaam'), circumflex ('samentrekkingsteken (^), dakje'; < circum ('rondom') + flecto)flexible ('buigzaam'), reflection ('weerspiegeling, overdenking'), to deflect ('(doen) afbuigen'), circumflex ('samentrekkingsteken (^), dakje'; < circum ('rondom') + flecto)flexible ('buigzaam'), la reflection ('weerspiegeling, overdenking, opmerking'; < re ('terug') + flecto), le réflexe ('onwillekeurige reactie; '< re ('terug') + flecto), circonflexe ('samentrekkingsteken (^), dakje'; < circum ('rondom') + flecto)flexibel ('buigzaam', < flexibilis 'buigzaam'), Flexion ('verbuiging, vervoeging', < flexum ppp. van flecto)
fleo (flēre)(be)wenen-feeble ('zwak'; < flebilis ('betreurenswaardig')), to bleat ('blaten')faible ('zwak'; < flebilis ('betreurenswaardig')), affaiblir ('verzwakken')-
fluctusfluctusm.golffluctueren ('veranderlijk zijn, schommelen'; < fluctuo)fluctuation ('golfbeweging, schommeling'; < fluctuo)la fluctuation ('golfbeweging, schommeling'; < fluctuo)Fluktuation ('golfbeweging, schommeling'; < fluctuo)
fluo (fluĕre)fluxi(voort)stromen-fluid ('vloeibaar'; < fluidus ('stromend')), fluent ('vloeiend'), influence ('invloed'), superfluous ('overbodig'; < super ('eroverheen') + fluo), affluent ('rijk, welvarend')fluide ('vloeibaar', < fluidus 'stromend'), l'influence ('invloed', < in + fluo 'in stromen'), superflu ('overbodig', < super + fluo 'overheen stromen'), affluer ('toestromen, samenstromen', < ad + fluo 'naar stromen'), l'effluve ('uitwaseming, uitstraling', < ex + fluo 'uit stromen')fluid ('vloeibaar', < fluidus 'stromend')scheikundig element fluor
flumenfluminisn.rivier----
fluviusfluviim.rivier--la fleuve ('de rivier')-
foedusfoederisn.verdrag, verbondfederatie ('bondgenootschap'; < foedero 'verbinden')federation ('bondgenootschap'; < foedero ('verbinden'))la fédération ('bondgenootschap'; < foedero ('verbinden')), la confédération ('statenbond')Föderation ('bondgenootschap'; < foedero ('verbinden'))
foedusfoeda, foedumafschuwelijk, schandelijk----
fonsfontism.bronfontein (< fontanus ('bij een bron behorend'))fountain (< fontanus ('bij een bron behorend'))la fontaine (< fontanus ('bij een bron behorend'))Fontäne (< fontanus ('bij een bron behorend'))
formaformaef.vorm, uiterlijk, schoonheidvorm, formeel ('vormelijk'), formule ('vaste regel'; < formula 'vormpje'), formulier (< formula 'vormpje'), conform ('in overeenstemming met'; < cum + forma), informeren (< in + forma, lett. 'de vorm (voor iemand) duidelijk maken'), uniform ('eenvormig'; < unus + forma)form, formal ('vormelijk'), formula ('vaste regel', < formula 'vormpje'), to inform (< in + forma, lett. 'de vorm (voor iemand) duidelijk maken'), uniform ('eenvormig', < unus + forma 'één vorm')la forme, formel ('vormelijk'), la formule ('vaste regel', < formula 'vormpje'), la fromage ('kaas'; < formage, gemaakt in een vorm), conformer ('in overeenstemming brengen met, aanpassen aan'; < cum + forma), uniforme ('eenvormig'; < unus + forma)Form, formell ('vormelijk'), Formel ('formule, formulering', < formula 'vormpje')
fortetoevallig----
fortunafortunaef.lot, toeval, geluk, (pl.) fortuin, bezitfortuin ('lot, kapitaal')fortune ('lot, geluk, rijkdom')la fortune ('lot, kans, fortuin')-
fortisfortis, fortedapper, sterk, krachtigfors, fort, forceren ('doordrijven, openbreken'; < Vulg. Lat. fortio < Laatlat. fortia ('geweld')), comfort ('materieel gemak'; < Oudfr. confort ('moed') < Lat. cum + fortis)force, fortress ('fort'), effort ('inspanning', < ex + fortis 'uit sterk'), to comfort ('troosten, bemoedigen', < cum + fortis 'met sterk'), to fortify ('versterken, verstevigen', < fortis + facio 'sterk maken')fort ('sterk, stevig'), forcer ('kracht zetten, dwingen, forceren', < fortio (Vulg. Lat.) < fortia (Laatlat. 'geweld')), l'effort ('kracht, moeite', < ex + fortis 'uit kracht'), la forteresse ('vesting, gevangenis'), conforter ('versterken', < cum + fortis 'met sterk')forsch ('krachtig, energiek'), Fort ('fort'), forcieren ('doordrijven, openbreken', < fortio (Vulg. Lat.) < fortia (Laatlat. 'geweld'))
fortiteradv. van fortiszie fortiszie fortiszie fortiszie fortis
forumforin.markt, plein, het openbare levenforum ('groep discussiërende deskundigen, website om op te discussiëren'), forensisch ('gerechtelijk'; < forensis 'tot het forum/de gerechtsplaats behorend')forum ('groep discussiërende deskundigen, website om op te discussiëren'), forensic ('gerechtelijk'; < forensis 'tot het forum/de gerechtsplaats behorend')le forum ('forum(discussie)'), le for intérieur ('geweten')Forum ('groep discussiërende deskundigen, website om op te discussiëren')
frango (frangĕre)fregi, fractumbreken, vernietigenfractie ('gedeelte'; < fractum, ppp. van frango), fragment ('deel'; < fragmentum ('afgebroken stuk')), fractuur ('botbreuk'), refrein (< Oudfr. refraindre ('breken, verzachten, moduleren') < Lat. refringere ('breken'))fragment ('deel'; < fragmentum ('afgebroken stuk')), fracture ('botbreuk'), fraction ('breuk, gedeelte'; < fractum, ppp. van frango), refrain ('refrein; < Oudfr. refraindre ('breken, verzachten, moduleren') < Lat. refringere ('breken')), to infringe ('schenden, overtreden, inbreuk maken'), to defray ('financieren, betalen'; < Fr. defraier < Lat. defrango)la fraction ('breuk, gedeelte', < fractum ppp. van frango), le fragment ('deel', < fragmentum 'afgebroken stuk'), fracture ('botbreuk'), le refrain ('refrein', < refraindre (Oudfr., 'breken, verzachten, moduleren') < refringere 'breken'), l'infraction ('schending, overtreding', < in + frango 'in breken'), l'effraction ('inbraak', < ex + frango 'uit breken')Fraktion ('gedeelte', < fractum ppp. van frango), Fraktur ('botbreuk')
fraterfratrism.broerbroer, frater ('lid van een geestelijke orde'), confrater ('ambtgenoot')brother, friar ('monnik, broeder'), fraternity ('broederschap'), fratricide ('broedermoord'; < frater + caedo ('doden'))le frère ('broer, monnik'), la fraternité ('broederschap'), le fratricide ('broedermoord'; < frater + caedo ('doden')), le confrère ('collega, ambtsgenoot')Frater ('lid van een geestelijke orde'), Fraternität ('broederschap')
frausfraudisf.bedrog, misleidingfraude ('valsheid in geschrifte'), frauduleus ('oneerlijk, bedrieglijk')fraud ('valsheid in geschrifte')la fraude ('valsheid in geschrifte')-
frequenstalrijk, regelmatig (voor)komendfrequent ('herhaaldelijk')frequent ('herhaaldelijk'), infrequent ('zeldzaam')fréquent ('herhaaldelijk')frequent ('herhaaldelijk')
frigusfrigorisn.kou, koelheid-fridge (afk. v. refrigerator ('koelkast')), refrigeration ('afkoeling, invriezing')refroidir ('koelen, afschrikken')
frigidusfrigida, frigidumkoud, koelfrigide ('koud, koel, seksueel ongevoelig')frigid ('koud, koel, onvriendelijk')froid ('koud'), frileux ('kouwelijk')frigide ('koud, koel, seksueel ongevoelig')
fronsfrontisf.voorhoofd, gezicht, voorzijdefront ('voorzijde'), confronteren ('met iets onaangenaams in aanraking brengen'; lett. 'naar iemands voorhoofd brengen')front ('voorzijde'), to confront ('confronteren, het hoofd bieden aan'; lett. 'voorhoofden samen brengen'), effrontery ('brutaliteit'; lett. 'het voorhoofd naar voren brengen'), to affront ('beledigen'; lett. 'naar iemands voorhoofd brengen')le front ('voorzijde'), confronter ('confronteren, het hoofd bieden aan'), affronter ('beledigen'; lett. 'naar iemands voorhoofd brengen'), effronté ('schaamteloos, brutaal', lett. 'met het voorhoofd naar voren')Front ('voorzijde, voorgevel'), konfrontieren ('confronteren, het hoofd bieden aan'), Affront ('belediging'; lett. 'naar iemands voorhoofd gebracht')
fruor (frui)fructus sumgenieten-fruition ('vervulling, realisatie')--
fructusfructusm.vruchtvrucht, fruit (< Fr. fruit < fructus)fruit (< Fr. fruit < fructus)le fruit ('vrucht, opbrengst, winst'), fructueux ('vruchtbaar, succesvol')Frucht
frumentumfrumentin.koren, voedsel--le froment ('tarwe')-
frustratevergeefs, zonder redenfrustreren ('dwarsbomen, belemmeren'; < Lat. frustro ('misleiden, teleurstellen'))to frustrate ('dwarsbomen, belemmeren'; < Lat. frustro ('misleiden, teleurstellen'))frustrer ('tekortdoen, teleurstellen')frustrieren ('dwarsbomen, belemmeren', < Lat. frustro ('misleiden, teleurstellen'))
fugafugaef.vlucht, verbanning--fugace ('vluchtig, voorbijgaand')-
effugio (effugĕre)effugio, effugiwegvluchten, ontlopenzie fugiozie fugiozie fugiozie fugio
fugio (fugĕre)fugivluchtencentrifuge ('wasdroger', lett. 'toestel met middelpuntvliedende beweging')fugitive ('vluchteling'), refuge ('toevluchtsoord')fuir ('vluchten'), le refuge ('toevluchtsoord'), le/la transfuge ('overloper')Zentrifuge ('wasdroger', < centrum + fugio 'midden vluchten')
fundo (fundĕre)fudi, fusumgieten, storten, uiteenslaanfusie ('ineensmelting'; < fusum, ppp. van fundo), diffuus ('verspreid, vaag, onscherp'; < dis ('uiteen') + fundo), fondue (< Fr. fondre ('gieten') < fundo)fusion ('ineensmelting'; < fusum, ppp. van fundo), diffusion ('verspreiding, diffusie'; < dis ('uiteen') + fundo), to refund ('terugbetalen'), to confound ('verbazen, verwarren'; lett. 'samengieten' -> 'onoverzichtelijk maken')fondre ('smelten, gieten'), fuser ('branden, afdruipen (van een kaars)', < fusum ppp. van fundo), la fusion ('smelting, fusie',< fusum ppp. van fundo), la foison ('overvloed')Fondue (< fondre (Fr.) < fundo)
effundo (effundĕre)effudi, effusumuitgieten, uitstorten-effusion ('ontboezeming, uitstroming')l'effusion ('ontboezeming')-
infundo (infundĕre)infudi, infusumgieten in/opinfuus ('vloeistof bestemd om in de aderen te brengen')to infuse ('ingieten, bezielen')l'infusion ('aftreksel, kruidenthee, het laten trekken')Infusion ('vloeistof bestemd om in de aderen te brengen')
funusfunerisn.dood, begrafenisfunest ('noodlottig, verderfelijk'), funerair ('betreffende een begrafenis')funeral ('begrafenis')funèbre ('somber, doods, treurig'), funeste ('fataal, verderfelijk')-
furo (furĕre)bezeten zijnzie furorzie furorzie furorzie furor
furorfurorism.razernij, hartstochtfurie ('razende woede'), furore ('grote opgang, succes'; < Ital. furore)fury ('razende woede')la fureur ('woede, hartstocht')Furor ('razende woede'), Furore ('grote opgang, succes'; < Ital. furore)
gaudeo (gaudēre)gavisus sumblij zijn-to rejoice ('verheugen' < Oudfr. rejoiss- < rejoir < re + joir < gaudere), to enjoy ('vermaken' < Oudfr. enjoir < en + joir < gaudere)jouir ('genieten' < Oudfr. joier < Lat. gaudere), réjouir ('verheugen' < re + jouir)-
gaudiumgaudiin.blijdschapjoyeus ('vrolijk'; < Fr. joyeux ('blij') < Lat. gaudia)joy ('vreugde'; < Oudfr. joie < Lat. gaudia)la joie ('vreugde'), joyeux ('blij')-
gavisusgavisa, gavisumzich verheugend----
gavisus sumik heb me verheugd----
gero (gerĕre)gessi, gestumdragen, doen, zich gedragen; (met se); zich gedragensuggestie ('voorstel'; < Fr. suggestion < Lat. suggestionem < suggerere ('onder iets brengen, aanbieden') < sub + gerere), congestie ('ophoping'; < Fr. congestion < Lat. congestio < congerere 'bijeenbrengen' < con + gerere), gesticuleren ('gebaren maken'; < Fr. gesticuler < Lat. gesticulari 'gebaren maken' < gesticulus (dimin.) < gestus 'beweging' < gerere)gest ('verhaal, beroemde daad'; < Fr. geste < Lat. gestum), to congest ('bij elkaar brengen'; < Lat. congerere ('samenbrengen') < cum + gerere), register ('register' < Mdd. Lat. registrum < regesta ('opgetekende dingen') < regerere 'terugbrengen, noteren' < re + gerere)gérer ('...'), le geste ('...'; < gestum), digérer ('...'; < dis + gerere), suggestion ('voorstel'; < Lat. suggestionem < suggerere 'onder iets brengen, aanbieden' < sub + gerere)sich gerieren ('zich gedragen')gerundium en gerundivum
bellum gerooorlog voeren----
gigno (gignĕre)genui, genitumvoortbrengengenitaliën ('voortplantingsorganen'; < Lat. geno (parallelvorm v. gigno), genitief ('betrekking hebbend op afkomst'; < ppp. genitus)genitals ('voortplantingsorganen'; < Lat. geno (parallelvorm v. gigno), genitive ('betrekking hebbend op afkomst'; < ppp. genitus)génital ('geslachts-'; Genital ('voortplantingsorgaan'; < Lat. geno (parallelvorm v. gigno), Genetiv ('betrekking hebbend op afkomst'; < ppp. genitus)Oudgr. γίγνομαι ('worden')
genitorgenitorism.vader----
gensgentisf.geslacht, volk, land-gentle ('goedgeboren', i.e. uit een goed geslacht; < Oudfr. gentil ('nobel'))les gens ('mensen'), la gendarme ('politie'; -
genusgenerisn.afkomst, geslacht, soortgeneraal ('algemeen'; < Lat. generalis ('met betrekking tot allen', itt. specialis) < gen. generis), generiek ('eigen aan de soort'; < gen. generis), genereus ('vrijgevig'; < Midfr. généreux ('nobel') < generis + osus ('vol van'))generic ('behorend tot een grote groep objecten'; < gen. generis), general ('algemeen'; général ('algemeen'; general ('algemeen'; < Lat. generalis ('met betrekking tot allen', itt. specialis) < gen. generis), generös ('vrijgevig';
ingeniumingeniin.aanleg, karakter, talentingenieus ('vernuftig'), ingenieur ('afgestudeerde aan een hogere technische school')ingenious ('vernuftig'), engineer ('afgestudeerde aan een hogere technische school')ingénieux ('vernuftig'), l'ingénieur ('afgestudeerde aan een hogere technische school')ingeniös ('vernuftig'), Ingenieur ('afgestudeerde aan een hogere technische school')
gladiusgladiim.zwaardgladiator ('zwaardvechter'; gladiator ('zwaardvechter'; le gladiateur ('zwaardvechter'; Gladiator ('zwaardvechter';
gloriagloriaef.roemglorie ('roem'), glorieus ('roemrijk'; glory ('roem'), glorious ('roemrijk'; la gloire ('roem'), glorieux ('roemrijk'; Glorie ('roem'), glorios ('roemrijk';
Graecus (bijv. nw.)GrieksGrieks, grecisme ('ontleend aan het Grieks')Greek, grecism ('ontleend aan het Grieks')le grec ('het Grieks')griechisch ('Grieks')
Graecus (zst. nw.)Graecim.GriekGriekGreekle Grec ('de Griek')Grieche ('Griek')
gratiagratiaef.gunst, charme, dank; (+ gen.) omwille vangratie ('gunst'), gratis (< gratiis ('voor dank')), gracieus ('bevallig'; grace ('gunst'), gracious ('bevallig'; la grâce ('bevalligheid'), gracieux ('bevallig'; < Lat. gratiae + osus ('vol van')), gratuit ('gratis')gratis ('gratis'; It. grazie ('bedankt'), Sp. gracias ('bedankt')
gratia (+gen).omwille van----
gratusgrata, gratumdankbaar, aangenaam----
ingratusingrata, ingratumondankbaar----
gravisgravis, gravezwaar, ernstiggrief ('klacht'; gravity ('zwaarte(kracht)'; < Lat. gravitas), grief ('verdriet'; grave ('ernstig, gewichtig'), la gravité ('zwaarte(kracht)'; -
grexgregism.kudde, groepsegregatie ('afzondering'; to segregate ('isoleren'; la ségrégation ('afzondering'; Segregation ('afzondering';
habeo (habēre)habui, habitumhebben, houden, beschouwenrehabilitatie ('eerherstel'), melaats ('aan lepra lijdend'; verbastering v. Fr. malade < male-habitum ('er slecht aan toe' > 'ziek'))able ('in staat'; < habilis ('in staat tot hanteren', 'geschikt')), inhibition ('officiëel verbod')avoir ('hebben'), habile ('bevoegd', 'knap', 'handig'), malade (< male-habitum ('er slecht aan toe' > 'ziek'))Habilitation ('doceerrecht aan de universiteit')
adhibeo (adhibēre)adhibui, adhibitumer bij halen, aanwenden, gebruiken----
debeo (debēre)debui, debitumverschuldigd zijn, moetendebet ('financiële schuld')debt ('schuld'), due ('verplicht'), duty ('verplichting'), to endeavour ('doorzetten'; < Fr. mettre en dever ('iets in het moeten plaatsen' > 'zich tot iets verplichten'))dévoir ('moeten'), les dévoirs ('huiswerk'), débiteur ('schuldenaar')Debet ('schuld'), Debitor ('schuldenaar')
habito (habitare)wonen, bewonenhabitat ('leefomgeving van een dier'), cohabiteren ('geslachtsgemeenschap hebben')habitat ('leefomgeving van een dier'), inhabitant ('inwoner'), cohabitation ('geslachtsgemeenschap')l'habitat ('leefomgeving van een dier'), inhabitable ('onbewoonbaar')Habitat ('leefomgeving van een dier'), Kohabitation ('geslachtsgemeenschap')
habitushabitusm.toestand, houding, kledinghabijt ('monniksgewaad')habit ('gewoonte')l'habitude ('gewoonte'), s'habiller ('zich kleden')Habit ('monniksgewaad'), habituell ('bij wijze van gewoonte')
praebeo (praebēre)praebui, praebitumaanbieden, (met se) zich betonenprebende ('kerkelijke functie waar men salaris voor krijgt'; < praebenda ('dingen die gegeven moeten worden'))-la prébende ('kerkelijke functie waar men salaris voor krijgt'; < praebenda ('dingen die gegeven moeten worden'))-
prohibeo (prohibēre)prohibui, prohibitumafhouden van, verhinderenprohibitiestelsel ('beleid tegen het invoeren van buitenlandse producten')to prohibit ('verbieden'), Prohibition ('verbod op alcohol begin 20e eeuw in de Verenigde Staten')prohiber ('verbieden')Prohibition ('verbod'), Prohibitivsystem ('beleid tegen de invoer van buitenlandse producten')
haecnom. ev. vrl. van hic 'deze'; nom./acc. mv. onz. van hic 'deze'----
haereo (haerĕre)haesi, haesumvast blijven zittencoherent ('samenhangend'), cohesie ('onderlinge aantrekkingskracht van moleculen')coherent ('samenhangend'), cohesion ('samenhang', 'onderlinge aantrekkingskracht van moleculen')cohérent ('samenhangend'), cohésion ('samenhang', 'onderlinge aantrekkingskracht van moleculen')Kohärent ('samenhangend'), Kohärenz ('onderlinge aantrekkingskracht van moleculen')
haudniet----
herbaherbaef.gras, kruidherbivoor ('planteneter'), salade (< Lat. herba salata ('gezouten groente'))herb ('kruid'), salad (< Lat. herba salata ('gezouten groente')), herbicide ('onkruidverdelgingsmiddel')l'herbe ('gras', 'planten'), herbeux ('grasrijk')herbikol ('op planten levend'; < herba + colo ('bewonen')), Herbivore ('planteneter')
hercules/herclebij Hercules! (uitroep)----
hic, haec, hocdeze, ditad hoc ('voor een specifiek geval'), hocus-pocus (verbastering van Kerklat. hoc est corpus ('dit is het lichaam (van Christus)'))ad hoc ('voor een specifiek geval'), hocus-pocus (verbastering van Kerklat. hoc est corpus ('dit is het lichaam (van Christus)'))Langue d'Oc ('Occitaans'; taal in Zuid-Frankrijk waarin men voor het woord 'ja' het woord 'oc' (deze, dit) gebruikt)ad hoc ('voor een specifiek geval'), Hocus-Pocus (verbastering van Kerklat. hoc est corpus ('dit is het lichaam (van Christus)'))
hic (bijw.)hier-hic et nunc ('hier en nu')ici ('hier'), hic et nunc ('onmiddelijk')-
hinchiervandaan, hierdoor-encore ('nog'; < Vulg. Lat. hinc ad horam ('vanaf hier tot aan het (juiste) moment'))encore ('nog'; < Vulg. Lat. hinc ad horam ('vanaf hier tot aan het (juiste) moment'))-
huchierheen--hucher ('de honden roepen')-
hiemshiemisf.winter, storm-hiemal ('winters')hiémal ('winters')hiemal ('winters')
hocnom./acc./abl. ev. onz. van hic 'deze'; abl. ev. mnl. van hic 'deze'--Langue d'Oc ('Occitaans'; taal in Zuid-Frankrijk waarin men voor het woord 'ja' het woord 'oc' (deze, dit) gebruikt)-
homohominism.mens, manhommage ('eerbetoon'; i/d Middeleeuwen had "man" specifiek de betekenis "leenheer")homage ('eerbetoon'; i/d Middeleeuwen had "man" specifiek de betekenis "leenheer")l'homme ('mens', 'man'), l'hommage ('eerbetoon'; i/d Middeleeuwen had "man" specifiek de betekenis "leenheer")Hommage ('eerbetoon'; i/d Middeleeuwen had "man" specifiek de betekenis "leenheer")Sp. hombre ('man', 'mens')
humanushumana, humanummenselijk, beschaafd, ontwikkeldhumaan ('menswaardig')human ('menselijk'), humane ('menswaardig'), humanity ('de mensheid')humain ('menselijk', 'menswaardig'), l'humanité ('de mensheid')human ('menswaardig')
honorhonorism.eer, aanzien, hoger ambthonorabel ('eerbiedwaardig'), honorarium ('salaris'), honoreren ('belonen', 'goedkeuren')honour ('eer'), honoree ('geëerde'), honourable ('eerbiedwaardig')l'honneur ('eer', 'eerbewijzen'), honorable ('eerbiedwaardig'), déshonorer ('onteren')Honneur ('eerbewijs'), honorabel ('eerbiedwaardig'), honorieren ('belonen', 'goedkeuren')
honestumhonestin.het eervolle, het moreel goedezie honestuszie honestuszie honestuszie honestus
honestushonesta, honestumeervol-honest ('eerlijk')honnête ('eerlijk')honett ('netjes')
horahoraef.uur, seizoenuur, horloge ('klokje'; < hora + Gr. lego ('vertellen')), horoscoop (uit de stand van de sterren tijdens jouw geboorte-uur afgeleide toekomstvoorspelling)hour ('uur'), year ('jaar'; oorspr. 'ieder terugkerend tijdstip' > 'jaar', 'seizoen', 'uur')l'heure ('uur', 'tijdstip'), alors ('nu goed', 'welaan'; < lett. 'naar het (huidige) moment')Uhr ('tijdstip', 'klok')
hortor (hortari)aansporen-exhortation ('aansporing')l'exhortation ('aansporing', 'vermaning')-
horumgen. mnl./onz. mv. van hic 'deze'----
hostishostism.(staats)vijandhostiel ('vijandig')hostile ('vijandig')hostile ('vijandig')hostil ('vijandig')
huiusgen./dat. ev. mnl./onz. van hic 'deze'----
humus f.humif.grondhumus (bepaald bodemtype, veel in de tropen gevonden), postuum ('na iemands dood', lett. 'na de grond' > 'na de begrafenis')inhumation ('begrafenis'; lett. 'in de grond stoppen')l'inhumation ('begrafenis', lett. 'in de grond stoppen')Humus (bepaald bodemtype, veel in de tropen gevonden), postum ('na iemands dood', lett. 'na de grond' > 'na de begrafenis')
humilishumilis, humilelaag, onaanzienlijk-to humiliate ('vernederen'), humble ('bescheiden')humiliant ('vernederend'), l'humilité ('nederigheid')humil ('nederig')
iaceo (iacēre)iacuiliggen-gist ('hoofdgedachte', 'essentie', 'kern'; < Oudfr. gist ('het ligt') < Lat. iacet), adjacent ('nabijliggend', 'aangrenzend'), joist ('steunbalk'; < Oudfr. giste < Oudfr. gesir < Lat. iaceo)adjacent ('aangrenzend')-
iacio (iacĕre)werpen, gooientraject (< trans ('over') + iacio), injectie ('inspuiting'), ejaculeren ('zaad uitstorten'; < e + iacio 'uit gooien'), abject ('laag, verachtelijk'; < ab ('weg') + iacio)to reject ('afwijzen, verwerpen'; < re ('terug') + iacio), to inject ('injecteren, inbrengen'), to eject ('uitwerpen'), interjection ('tussenwerpsel, kreet'), trajectory ('baan (van projectielen)'; < trans ('over') + iacio)le trajet ('afstand, tocht'; < trans ('over') + iacio), l'injection ('injectie'), rejeter ('teruggooien, verwerpen, wegwerpen'; < re ('terug) + iacio)-
adicio (adicĕre)adicio, adieci, adiectumtoevoegen-adjective ('bijvoeglijk naamwoord'; < ad ('bij') + iacio)l'adjectif ('bijvoeglijk naamwoord'; < ad ('bij') + iacio)Adjektiv ('bijvoeglijk naamwoord'; < ad ('bij') + iacio)
deicio (deicĕre)deicio, deieci, deiectumomlaag werpen-to deject ('omlaag werpen')déjeter ('krom maken')-
iacto (iactare)werpen, slingeren, pochen opjet ('straalvliegtuig'; < Fr. jeter < iacto)jet ('straalvliegtuig'; < Fr. jeter < iacto)jeter ('gooien')-
obicio (obicĕre)obicio, obieci, obiectumvoor iemand (iets) neergooien, verwijtenobject (< ob ('tegemoet') + iacio)object (< ob ('tegemoet') + iacio)l'objet (< ob +iacio 'tegemoet gooien')Objekt (< ob ('tegemoet') + iacio)
iamreeds, al, weldra--déjà ('sinds', < dès + Fr. ja ('reeds') < iam), jamais ('ooit', < Fr. ja + Fr. mais ('meer'))-
ibidaar--y ('er, erheen, eraan, erdoor')-
ictusictusm.stoot, slag----
ideodaarom----
igiturdus----
ignisignism.vuur-to ignite ('ontbranden, aansteken')--
illedie--il, elle, le, la, les-
illicdaar----
illucdaarheen----
imagoimaginisf.beeld, gestalteimago ('beeld van iets of iemand in de publieke opinie'), imaginair ('denkbeeldig')image ('beeld, reputatie')l'image ('beeld, reputatie')Imago ('beeld van iets of iemand in de publieke opinie')
imitor (imitari)nabootsenimiteren ('nabootsen, namaken')to imitate ('nabootsen, namaken')imiter ('nabootsen, namaken')imitieren ('nabootsen, namaken')
immensusimmensa, immensumonmetelijkimmens ('onmetelijk, ontzaglijk')immense ('onmetelijk, ontzaglijk')immense ('onmetelijk, ontzaglijk')immens ('onmetelijk, ontzaglijk')
immineo (imminēre)imminuizich verheffen boven, bedreigenimminent ('dreigend, op handen zijnd')imminent ('dreigend, op handen zijnd')imminent ('dreigend, op handen zijnd')imminent ('dreigend, op handen zijnd')
immointegendeel, liever gezegd, sterker nog----
impero (imperare)bevelen-imperative ('noodzakelijk, dwingend, autoritair'; < imperatus, ppp. van impero)imperative ('gebiedend, dwingend'; < imperatus, ppp. van impero)-
imperatorimperatorism.opperbevelhebber, keizer-emperor ('keizer')l'empereur ('keizer')-
imperiumimperiin.heerschappij, opperbevel; rijkimperium ('groot rijk')empire ('groot rijk')l'empire ('groot rijk')Imperium ('groot rijk')
impleo (implēre)(ver)vullen-to implement ('toepassen, verwezenlijken')--
compleo (complēre)(ver)vullencompleet (< completus, ppp. van compleo), compliment (< Oudsp. complimiento ('plichtsvervulling, beleefdheid')), complement ('aanvulling')complete (< completus, ppp. van compleo), compliment (< Oudsp. complimiento ('plichtsvervulling, beleefdheid')), to accomplish ('vervullen'), to comply ('gehoorzamen'), complement ('aanvulling')complet (< completus, ppp. van compleo), le compliment (< Oudsp. complimiento ('plichtsvervulling, beleefdheid')), accomplir ('vervullen'), le complément ('aanvulling')komplett (< completus, ppp. van compleo), Kompliment (< Oudsp. complimiento ('plichtsvervulling, beleefdheid')), Komplement ('aanvulling')
in+ abl.: in, op, + acc.: naar; jegensin, inbeelden, incident ('storend voorval'; < in + cadere ('vallen')), infuus ('vloeistof bestemd om in de aderen te brengen'; < in + fundo ('gieten')), inheems ('binnenlands')in, to insert ('invoegen'; < in + sero ('verbinden')), to infuse ('ingieten, bezielen'; < in + fundo ('gieten')), investigation ('onderzoek'; < in + vestigo ('zoeken'))en, entrer, l'infusion ('aftreksel, kruidenthee, het laten trekken', < in + fundo ('gieten'))in, Implantat ('implantaat'; < in + planto ('stekken')), Implosion ('implosie'; < in + plaudo ('slaan'))
inanisinanis, inaneleeg, ijdel-inane ('leeg, zinloos')l'inanité ('leegte, zinloosheid')-
incolumisincolumis, incolumeongedeerd----
indedaarvandaan, daarna, ten gevolge daarvan----
inferiorinferiorisinferior, inferiuslager, minderinferieur ('lager')inferior ('lager')inférieur ('lager')inferior ('lager')
inferiinferorumm.bewoners van de onderwereldzie inferiorzie inferiorzie inferiorzie inferior
ingensingentisingens, ingensreusachtig----
inquam, inquitik zeg, hij zegt, - zei----
insulainsulaef.eiland-isle ('eiland'), isolated ('geïsoleerd', < Ital. isolato < Lat. insulatus ('tot een eiland gemaakt')), peninsula ('schiereiland'; < Lat. paene insula 'bijna een eiland')l'île ('eiland'), isolé ('geïsoleerd', < isolato (Ital.) < insulatus (Lat., 'tot een eiland gemaakt'), la péninsule ('schiereiland, < paene insula 'bijna eiland')Insel ('eiland'), Isolation ('isolatie', < isolato (Ital.) < insulatus (Lat., 'tot een eiland gemaakt')
intertussen, tijdensintern ('inwendig, inwonend'), introduceren ('invoeren'; < inter + duco ('leiden'))to intervene ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen')), interlude ('pauze, tussenspel'; < inter + ludo ('spelen'))interdire ('verbieden'; < inter + dico ('zeggen')), international (< inter + natio ('land'))Interaktion ('interactie'; < inter + actio ('handeling')), Intervention ('tussenkomst', < inter + venio ('komen'))
inter seonderling, (met) elkaar----
interdumsoms----
intereaintussen----
interimintusseninterim ('tussentijds, tijdelijk')interim ('tussentijds, tijdelijk')interim ('tussentijds, tijdelijk')interim ('tussentijds, tijdelijk')
intrabinnenzie introzie introzie introzie intro
intro (intrare)binnenkomenentree, enteren ('een vijandig schip aanklampen'; < Sp. entrar ('binnenvallen, veroveren') < intro)to enterentrerentern ('binnengaan')
invitusinvita, invitumniet willend----
invito (invitare)uitnodigeninviteren ('uitnodigen')to invite ('uitnodigen')inviter ('uitnodigen')invitieren ('uitnodigen')
irairaef.woede--l'ire ('woede')-
irascor (irasci)boos worden/zijn-irascible ('prikkelbaar'; < Laatlat. irascibilis < Lat. irascor)irascible ('prikkelbaar'; < Laatlat. irascibilis < Lat. irascor)-
iratusirata, iratumboos-irate ('boos')--
is, ea, iddeze, dit, hij, zij, het----
idemdezelfdeidentiteit (< Laatlat. identitas < Lat. identidem ('steeds weer') < idem et idem)identity (< Laatlat. identitas < Lat. identidem ('steeds weer') < idem et idem)l'identité (< Laatlat. identitas < Lat. identidem ('steeds weer') < idem et idem)Identität(< Laatlat. identitas < Lat. identidem ('steeds weer') < idem et idem)
idem ac/atquedezelfde alszie idemzie idemzie idemzie idem
ipsezelf, juist, precies--même ('dezelfde'; < Fr. meïsme < Vulg. Lat. metipse ('geheel dezelfde'))-
iste, ista, istuddie, dat----
itazo----
itaque(en) daarom, dus----
itemop dezelfde wijzeitem ('programmapunt'; in Mdd. Lat. en Mdd. Ned. gebruikt in opsommingen, vanuit En. betekenis 'programmapunt')item ('programmapunt'; adj. gebruikt in opsommingen en zo betekenisverschuiving naar 'punt uit een opsomming')-Item ('programmapunt'; in Mdd. Lat. en Mdd. Ned. gebruikt in opsommingen, vanuit En. betekenis 'programmapunt')
ItaliaItaliaef.ItaliëItaliëItalyl'ItalieItalien
iter, itinerisitinerisn.reis, mars, weg, route-itinerant ('rondreizend'; < Laatlat. itinero ('rondreizen' < iter)errer ('dwalen'; < Laatlat. itinero < iter-
iterumweer-to reiterate ('herhalen'; < re + iterare ('weer herhalen')réitérer ('herhalen'; < re + iterare ('weer herhalen')iterieren ('herhalen'; < itero ('herhalen'))
iubeo (iubēre)iussi, iussumbevelen----
iussumiussin.bevel, dat wat bevolen is----
iugumiugin.juk, bergrugjuk ('tuig van trekdieren, last')subjugation ('onderwerping'; < subiugo < sub + iugum ('onder juk'))--
iungo (iungĕre)iunxi, iunctumverbindenjoint ('hasjsigaret'; oorsp. 'geheime samenkomst', betekenisverandering door associatie met roken van opium), junta ('besturend comité'; < iuncta ppp. van iungo ('samenkomst'))to join (< Oudfr. joindre < iungo), juncture ('toestand'; < iunctura pfa. van iungo), junction ('verbinding, knooppunt'), joint ('verbinding, hasjsigaret'; oorsp. 'geheime samenkomst', betekenisverandering door associatie met roken van opium), junta ('besturend comité'; < iuncta ppp. van iungo ('samenkomst'))joindre ('verbinden'), la jointure ('gewricht, naad'; < iunctura pfa. van iungo), la jonction ('verbinding'), disjoindre ('scheiden'; < dis + iungo ('uiteen verbinden')), rejoindre ('teruggaan naar'; < re + iungo ('terug verbinden')Junta ('besturend comité'; < iuncta ppp. van iungo ('samenkomst'))
cuncticunctae, cunctaalle(n)
cunctacunctorumn.alles
coniungo (coniungĕre)coniunxi, coniunctumverbindenconjunctivus ('aanvoegende wijs')conjunctive ('aanvoegende wijs')la conjonction ('voegwoord, ontmoeting'), la conjoncture ('omstandigheden'; < coniunctura pfa. van coniungo)Konjunktiv ('aanvoegende wijs')
coniunxconiugism.echtgenoot, echtgenote----
IuppiterIovism.Juppiterjoviaal ('hartelijk'; < iovialis ('betreffende Jupiter')jovial ('hartelijk'; < iovialis ('betreffende Jupiter')-jovial ('hartelijk'; < iovialis ('betreffende Jupiter')
iusiurisn.rechtjury (< Oudfr. jurer < Lat. iuro ('zweren')), juridisch ('rechtskundig'; < iuridicus < ius + dico ('recht spreken')), jurisprudentie ('rechtsopvatting'; < ius + prudentia ('recht kennis'))jury (< Oudfr. jurer < Lat. iuro ('zweren')), jurisdiction ('rechtspraak, rechtsbevoegdheid'; < ius + dico ('recht spreken')), juridical ('rechtskundig'; < iuridicus < ius + dico ('recht spreken'))jury (< Oudfr. jurer < Lat. iuro ('zweren')), juridique ('rechtskundig'; < iuridicus < ius + dico ('recht spreken')), la jurisprudence ('rechtspraak'; < ius + prudentia ('recht kennis'))Jury (< Oudfr. jurer < Lat. iuro ('zweren')), juridisch ('rechtskundig'; < iuridicus < ius + dico ('recht spreken')), Jurisprudenz ('rechtsopvatting'; < ius + prudentia ('recht kennis'))
iniuriainiuriaef.onrecht-injury ('verwonding')l'injure ('belediging, schade')-
iudexiudicism.rechter--le juge ('rechter')-
iudico (iudicare)oordelen-to judge ('oordelen'; < Oudfr. juger < Lat. iudico)juger ('oordelen'), le jugement ('oordeel, vonnis'),-
iudiciumiudiciin.proces, oordeel; vonnisjudicieel ('rechtelijk')prejudice ('vooroordeel'; < prae + iudicium ('voortijdig oordeel'), judicial ('rechtelijk')prejudice ('nadeel'; < prae + iudicium ('voortijdig oordeel'), judicial ('rechtelijk')judiziell ('rechterlijk')
iuremet recht, terecht----
iustusiusta, iustumrechtvaardigjuist (< Fr. juste < iustus), justitie ('rechterlijke macht'; < justitia ('rechtvaardigheid'))just (< Fr. juste < iustus), justice ('rechtvaardigheid'; < justitia), to justify ('rechtvaardigen'; < iustus + facio ('rechtvaardig maken'))juste, la justesse ('juistheid'), la justice ('rechtvaardigheid'; < justitia), justifier ('rechtvaardigen'; < iustus + facio ('rechtvaardig maken'))-
iuventusiuventutisf.jeugd, jonge mensen----
iuvenisiuvenism.jonge man (tussen 20 en 40 jaar)junior (comp. van iuvenis)juvenile ('jeugdig'), junior (comp. van iuvenis)jeune ('jong'), juvénile ('jeugdig'), junior (comp. van iuvenis)juvenil ('jeugdig')
iuvo (iuvare)iuvi, iutumhelpen----
adiuvo (adiuvare)adiuvi, adiutumhelpenadjudant ('onderofficier'; < Sp. ayudar < Lat. adiuto freq. van adiuvo)aid (< Oudfr. aide < adiuta ppp. van adiuvo), adjutant ('onderofficier'; < adiuto freq. van adiuvo)aider (< adiutum ppp. van adiuvo), l'adjudant ('onderofficier'; < Sp. ayudar < Lat. adiuto freq. van adiuvo)-
iuvat meik heb plezier in----
labor (labi)lapsus sum(weg)glijden, instortenlabiel ('met onevenwichtige persoonlijkheid'), lawine ('vallende sneeuw'; < Laatlat. labina ('het uitglijden, val'))to collapse ('vallen', 'uitglijden'), to elapse (verstrijken')le laps ('verloop')Lawine ('vallende sneeuw'; < Laatlat. labina ('het uitglijden, val'))
laborlaborism.inspanning, beproeving-labour ('arbeid'), elaborate ('in detail uitgewerkt')le labeur ('hard werk'), laborieux ('ijverig'), le labour ('het omploegen'), les labours ('omgeploegd land')-
laboro (laborare)zich inspannen, het zwaar te verduren hebbenlaboratorium (lett. 'werkplaats'), collaboratie ('samenwerking met de vijand')laboratory (lett. 'werkplaats')le laboratoire (lett. 'werkplaats'), la collaboration ('samenwerking met de vijand')laborieren ('zich inspannen', 'lijden'), Labor / Laboratorium (lett. 'werkplaats')
lacrimo (lacrimare)huilen-lachrymator ('traangas')larmoyant ('droevig', 'huilerig')-
lacrimalacrimaef.traanlachrymose ('huilerig', 'droevig')la larme ('traan', 'verdriet')-
laedo (laedĕre)laesi, laesumkwetsen, beledigendwarslaesie ('kwetsuur aan de rugzenuwbaan'), elisie ('uitstoting'; < elido < Lat. e(x) + laedere)to collide ('botsen'), lesion ('kwetsuur', 'verwonding')léser ('benadelen', 'schaden'), la collision ('botsing'), l'élision ('uitstoting'; < elido < Lat. e(x) + laedere)lädieren ('beschadigen')
laetuslaeta, laetumvrolijk, glanzend--la liesse ('vreugde', 'uitbundigheid')-
lapislapidism.steenlapidair ('kort en krachtig'; vanwege de bondige taal van inscripties in steen)lapidation ('steniging')la lapidation ('steniging'), lapidaire ('kort en krachtig'; vanwege de bondige taal van inscripties in steen)lapidar ('kort en krachtig'; vanwege de bondige taal van inscripties in steen)
lateo (latēre)latuiverborgen zijnlatent ('verborgen', 'onderhuids aanwezig')latent ('verborgen', 'onderhuids aanwezig')latent ('verborgen', 'onderhuids aanwezig')latent ('verborgen', 'onderhuids aanwezig')
latuslaterisn.zijde, zijkantbilateraal ('van twee kanten')collateral ('onderpand'; oorspr. 'van dezelfde kant', d.w.z. 'deel van dezelfde ruil'), bilateraal ('van twee kanten')lez ('dichtbij', lett. 'aan de kant van'; alleen in plaatsnamen bijv. Peronne-lez-Binche), equilateral ('van beide kanten')bilateral ('van twee kanten')
latuslata, latumbreed, ruim, uitgestrektlatifundiaat ('grootgrondbezit'; < latus ('breed') + fundus ('bodem'))latitude ('breedtegraad')la latitude ('breedtegraad')Latitüde ('breedtegraad')
latewijd en zijd, breed----
laudo (laudare)prijzen---Laudatio ('lofrede')
laus, laudislaudisf.lof, roemcum laude ('met lof')cum laude ('met lof')cum laude ('met lof')cum laude ('met lof')
legatuslegatusm.onderbevelhebber, gezant; gouverneurdelegeren ('uitbesteden', lett. 'iemand op pad sturen'), delegatie ('gezantschap'), legaat ('afgezant')legate ('afgezant'), delegate ('vertegenwoordiger')le légat ('afgezant'), la délegation ('gezantschap')Legat ('afgezant')
legiolegionisf.legioenlegioen ('legerafdeling'), legio ('in groten getale'; door de assocatie met een leger ontstaan)legion ('groot aantal', 'legioen')la légion ('groot aantal', 'legioen')Legion ('groot aantal', 'legioen')
lego (legĕre)legi, lectumverzamelen, (uit)kiezen; lezenselecteren, lectuur, legende ('sage', lett. 'dat wat gelezen moet worden'), les (< Fr. la leçon)lesson ('les'; < Lat. lectionem 'voorlezing'), to select, legend ('sage', lett. 'dat wat gelezen moet worden'), lecture ('lezing')les légumes ('groente', lett. 'de bijeengezochten', 'geplukten'), la leçon ('les'), la lectureLegende ('sage', lett. 'dat wat gelezen moet worden'), Lektion ('les'), Lektüre
colligo (colligĕre)collegi, collectumverzamelencollectie ('verzameling'), collecte ('inzameling')collection ('verzameling')la collection ('verzameling'), colliger ('verzamelen')Kollektion ('verzameling'), Kollekte ('inzameling')
deligo (deligĕre)delegi, delectum(uit)kiezen----
eligo (eligĕre)elegi, electumuitkiezenelite ('bovenlaag van de bevolking'; < Fr. élit < Lat. electum ('uitgekozen')), electoraat ('kiezers')elections ('verkiezingen')élite ('bovenlaag van de bevolking'), les élections ('verkiezingen')Elite ('bovenlaag van de bevolking'; < Fr. élit < Lat. electum ('uitgekozen'))
intellego (intellegĕre)intellexi, intellectumbemerken, begrijpenintelligent ('slim'), intellect ('verstand')intelligence, intellectuall'intelligence, intelligible ('begrijpelijk')intelligent ('slim'), Intellektueller ('een intellectueel')
neglego (neglegĕre)neglexi, neglectumverwaarlozen-negligence ('verwaarlozing'), to neglect ('verwaarlozing')négliger ('verwaarlozen')negligieren ('verwaarlozen')
lentuslenta, lentumlangzaam, traag, soepel-to relent ('minder streng worden', lett. 'weer soepel worden')lentement ('langzaam')-lento, rallentando
levislevis, levelicht, gering (NB: levis (met lange e) = glad)levitatie ('het zich buiten de zwaartekracht bevinden')relief ('opluchting', 'verlichting')léger ('licht', 'dun'), l'élève ('leerling', lett. 'degene die "verheven" moet worden')leger ('ontspannen', 'nonchalant' < Fr. léger ('ontspannen') < Vulg. Lat. leviarius)
levo (levare)oprichten, ondersteunen, verlichten, verminderenrelevant ('belangrijk', lett. 'zich verheffend'), reliëf ('zich verheffend patroon'; < Lat. relevare ('zichzelf lichter maken'))relevant ('belangrijk', lett. 'zich verheffend'), elevator ('lift', lett. 'verlichter', 'optiller'), Carnival ('carnaval'; eig. vleesvrije vooravond van de vastperiode < carne ('vlees') + levare ('verwijderen'))le relèvement ('herstel'), lever ('optillen')relevant ('belangrijk', lett. 'zich verheffend'), Relief ('zich verheffend patroon'; < Lat. relevare ('zichzelf lichter maken'))
lexlegisf.wet(svoorstel), voorschrift, regel; voorwaardelegaal ('volgens de wet toegestaan'), loyaal ('trouw'; oorspr. 'wettig' > 'trouw aan de wet'), legitiem ('wettig'), privilege ('bijzonder voorrecht'; < privus ('op zichzelf staand') + lex ('wet'))legal ('volgens de wet toegestaan'), loyal ('trouw'; oorspr. 'wettig' > 'trouw aan de wet'), legitimate ('wettig')loyal ('trouw', lett. 'trouw aan de wet'), légal ('volgens de wet toegestaan'), legitime ('wettig')legal ('volgens de wet toegestaan'), loyaal ('trouw'; oorspr. 'wettig' > 'trouw aan de wet'), legitiem ('wettig'), Privileg ('bijzonder voorrecht'; < privus ('op zichzelf staand') + lex ('wet'))
liberlibera, liberumvrijliberalisme (politieke stroming die zo veel mogelijk vrijheid voor het individu voorstaat)liberalism (politieke stroming die zo veel mogelijk vrijheid voor het individu voorstaat)la libéralisme (politieke stroming die zo veel mogelijk vrijheid voor het individu voorstaat)Liberalismus (politieke stroming die zo veel mogelijk vrijheid voor het individu voorstaat)
libero (liberare)bevrijdenleveren ('verschaffen'; < Laatl. liberare ('bevrijden van schulden/lasten') > ('verschaffen'))to deliver ('verschaffen'; < Laatl. liberare ('bevrijden van schulden/lasten') > ('verschaffen')), to liberate ('bevrijden')livrer ('bevrijden'), délivrer ('verlossen van een kind', 'overhandigen'), la livraison ('levering')liefern ('verschaffen'; < Laatl. liberare ('bevrijden van schulden/lasten') > ('verschaffen'))
libertaslibertatisf.vrijheid-liberty ('vrijheid')la liberté ('vrijheid')Libertät ('vrijheid')
libertuslibertim.vrijgelaten slaaflibertijn ('vrijdenker')libertine ('vrijdenker')le libertin ('vrijdenker')libertin ('lichtzinnig')
liberlibrim.boek-library ('bibliotheek')le livre ('boek'), la librairie ('bibliotheek')-It. libretto
liberiliberorumm.kinderen----
libetlibuit, libitum estgraag willen--la lubie ('gril', lett. datgene wat men graag wil; < Oudlat. lubet (= Lat. libet))-
libidolibidinisf.begeerte, willekeurlibido ('geslachtsdrift')libido ('geslachtsdrift')la libido ('geslachtsdrift'), libidineux ('wellustig')Libido ('geslachtsdrift')
licetlicuit, licitum esthet is geoorloofd, het is mogelijk-illicit ('verboden'; < Lat. in- ('on-') + licet ('(het is) geoorloofd'))licite ('geoorloofd')-
limenliminisn.drempelelimineren ('verwijderen'; < ex + limen lett. ('de drempel af-, de deur uitzetten')), subliminaal (('onderbewust'); eig. ('onder de bewustzijnsdrempel'))to eliminate ('verwijderen'; < ex + limen lett. ('de drempel af-, de deur uitzetten'))liminaire ('inleidend'; lett. 'bij wijze van drempel'), éliminer (('verwijderen'); < ex + limen lett. ('de drempel af-, de deur uitzetten'))eliminieren ('verwijderen'; < ex + limen lett. ('de drempel af-, de deur uitzetten'))
lingualinguaef.tong, taallinguïstiek ('taalkunde')language ('taal')la langue ('tong, taal'), la linguistique ('taalkunde')Linguïstik ('taalkunde')
relinquo (relinquĕre)reliqui, relictumachterlatenrelict ('overblijfsel van een heilige')to relinquish ('verlaten'), relic ('overblijfsel van een heilige')le reliquat ('saldo'; lett. 'overschot')relikt ('in resten voorkomend'), Relikt ('antiek overblijfsel')
reliquusreliqua, reliquumover(gebleven), overigrelikwie ('antiek overblijfsel'; < Lat. reliquium ('het achtergelatene'))-la relique ('antiek overblijfsel'; < Lat. reliquium ('het achtergelatene'))Reliquie ('overblijfsel van een heilige')
litteralitteraef.letter, pl.: brief, pl.: wetenschap, literatuurletter, literatuur, alliteratie ('stafrijm'; meerdere woorden met dezelfde beginletter na elkaar)letter ('letter'), letter ('brief'), to obliterate ('uitwissen, doen verdwijnen'; < lett. ('een letter doorstrepen'))la lettre ('letter'), la literature, oblitérer ('uitwissen, doen verdwijnen'; < lett. ('een letter doorstrepen'))Letter ('drukletter'), Literatur, Alliteration ('stafrijm'; meerdere woorden met dezelfde beginletter na elkaar)
litterae (plur.)litterarumf.pl. wetenschap, literatuur, pl.: brief; sing: letterbelletrie ('literatuur'; lett. ('de mooie letteren'))-la belletrie ('literatuur'; lett. ('de mooie letteren'))Belletrie ('literatuur'; lett. ('de mooie letteren'))
lituslitorisn.strand, kust-littoral ('aan een kust gelegen')littoral ('aan een kust gelegen, van de kust')-
locusloci (pl. ook loca, -orum)m.plaats, positie, toestand; gelegenheid, ruimtelokaal ('plaatselijk'), lokaal ('ruimte'), loco- ('in plaats van, vervangend')local ('plaatselijk')lieu ('plek'), local ('plaatselijk'), le local ('ruimte')lokal ('plaatselijk'), Lokal ('zaak'; een café of restaurant)
colloco (collocare)plaatsenkoest ('rustig!'; < Fr. couche toi ('ga liggen') < Lat. colloca te), collocatie ('gedwongen opname van patiënten')couch ('bank'; < Fr. coucher ('neerleggen') < Lat. collocare)coucher ('(zich) neerleggen'), le coucheur ('versierder'; lett. ('neerlegger')), le couchant ('het westen'; waar de zon ondergaat, 'zich neerlegt')kuschen ('zich rustig houden'; < Fr. se coucher ('gaan liggen') < Lat. se collocare), Couch ('bank')
longuslonga, longumlanglang, prolongeren ('verlengen')long, longitude ('lengtegraad')longue, allonger ('langer maken')lang, prolongieren ('verlengen')
longever, lang, + superl.: verreweg--loin ('ver'), éloigner ('verwijderen', lett. ('ver weg maken'))-
longe + superl.verreweg----
loquor (loqui)locutus sumspreken, noemen-soliloquy ('monoloog'), ventriloquist ('buikspreker')loquace ('spraakzaam'), grandiloquent ('man van veel woorden')-
eloquentiaeloquentiaef.welsprekendheideloquent ('welsprekend')eloquence ('welsprekendheid')l'éloquence ('welsprekendheid')Eloquenz ('welsprekendheid')
luctusluctusm.rouw(klacht)----
ludo (ludĕre)lusi, lusumspelen, zich amuserenillusie ('waanbeeld'; < illudo ('bespotten, voor de gek houden')), allusie ('verwijzing, zinspeling')illusie ('waanbeeld'; < illudo ('bespotten, voor de gek houden')), ludicrous ('bespottelijk')éluder ('ontwijken'), l'illusion ('waanbeeld'; < illudo ('bespotten, voor de gek houden'))Illusion ('waanbeeld'; < illudo ('bespotten, voor de gek houden'))
ludusludim.spelprélude ('inleiding op een muziekstuk'; < lett. ('voorspel')), interlude ('tussendeel in een muziekstuk')prelude ('inleiding op een muziekstuk'; < lett. ('voorspel')), interlude ('tussendeel in een muziekstuk')prélude ('inleiding op een muziekstuk'; < lett. ('voorspel')), interlude ('tussendeel in een muziekstuk')Präludium ('inleiding op een muziekstuk'; < lett. ('voorspel')), Interludium ('tussendeel in een muziekstuk')
lumenluminisn.licht, ooglumineus ('schitterend, briljant')illumination ('geestelijke verlichting')la lumière ('licht'), allumer ('aansteken'; lett. ('licht brengen'))luminös ('schitterend, briljant'), Illumination ('(geestelijke) verlichting')
luxlucisf.licht, levenlucifer (lett. 'lichtbrenger')lucid ('helder, duidelijk')luire ('blinken, glinsteren'), lucide ('helder, scherpzinnig')luzid ('helder, duidelijk')
luxurialuxuriaef.(zucht naar) weeldeluxe ('weelde')luxury ('weelde')le luxe ('weelde')Luxus ('weelde')
maestusmaesta, maestumbedroefd----It. mesto ('bedroefd')
magistratusmagistratusm.ambt, magistraatmagistraatmagistratele magistratMagistrat
magnusmagna, magnummaior, maximusgroot, belangrijkmagnaat ('iemand met veel invloed'), meier ('rentmeester'; mayor ('burgermeester'; Charlemagne ('Karel de Grote'; Magnat ('iemand met veel macht'), magnifik ('magnifiek';
magismeer----
magnitudomagnitudinisf.grootte, omvangmagnitude ('omvang')magnitude ('omvang')la magnitude ('omvang')Magnitude ('omvang')
maioresmaiorumm.voorouders----
maximevooral, het meest----
maximusmaxima, maximumgrootste, zeer grootmaximum ('het uiterste'), maximaalmaximum ('het uiterste')la maximum ('het uiterste'), maximalmaximalIt. massimo
malusmala, malumpeior, pessimusslechtmalaria ('moeraskoorts'; < It. mala + aria ('lucht') < Lat. mala + aer), malaise ('gedruktheid'; < Fr. mal + aise ('gemak, welbehagen')),malice ('boosaardigheid'; < Oudfr. malice ('zondigheid')), malaria ('moeraskoorts'; < It. mala + aria ('lucht') < Lat. mala + aer),mal ('slecht'), malaise ('gedruktheid'; < mal + aise ('gemak, welbehagen')), malade ('ziek'), le malice ('spot, boosaardigheid')Malaria ('moeraskoorts'; < It. mala + aria ('lucht') < Lat. mala + aer)
maleslechtmaligne ('kwaadaardig'; < Lat. malignus < male + gignere ('voortbrengen'))te vinden in samenstellingen als mal-, bijv. malfunction ('storing')malin ('kwaadaardig'; < Lat. malignus < male + gignere ('voortbrengen')), te vinden in samenstellingen als mal-, bijv. malheureux ('ongelukkig')maligne ('kwaadaardig'; < Lat. malignus < male + gignere ('voortbrengen'))
malummalin.slechte daad, ramp----
peiorpeiorispeior, peiusslechterpejoratief ('een ongunstige betekenis hebbend')pejorative ('een ongunstige betekenis hebbend')péjoratif ('een ongunstige betekenis hebbend')pejorativ ('een ongunstige betekenis hebbend')
pessimuspessima, pessimumslechtste, zeer slechtpessimist ('iemand die altijd het slechtst mogelijke verwacht')pessimist ('iemand die altijd het slechtst mogelijke verwacht')le pessimiste ('iemand die altijd het slechtst verwacht')Pessimist ('iemand die altijd het slechtst verwacht')
mando (mandare)opdragen, gelasten, toevertrouwen-mandatory ('verplicht'), to demand ('eisen'; < Fr. demander < Vulg. Lat. demandare ('vragen'))mander ('ontbieden'), demander ('vragen'; < Vulg. Lat. demandare ('vragen'))-Oudgr. μένειν ('wachten')
maneo (manēre)mansi, mansumblijven, voortduren, te wachten staanpermanent ('blijvend'; < per ('gedurende') + manere)manor ('landhuis'; < subst. van Oudeng./Oudfr. maneir ('wonen')), permanent ('blijvend'; < per ('gedurende') + manere), to remain ('overblijven'; < Lat. remanere ('achterblijven'))manoir ('kasteeltje'; vgl. Eng. manor), permanent ('blijvend'; < per ('gedurende') + manere)permanent ('blijvend'; < per ('gedurende') + manere)It. rimanere
manesmaniumm.zielen van de overledenen, schimmenmanisme ('verering van de gestorvenen')---
infestusinfesta, infestumvijandig, dreigend-to infest ('onveilig maken')infester ('teisteren')-
manusmanusf.hand, bendemanuscript ('handschrift'; < manus + scriptus ('geschreven')), manicure ('verzorger van handen en nagels'; < manus + cura ('zorg')), manier ('wijze'; < Fr. manière < manier ('(be)handelen')), manoeuvre ('handgreep'; < Mdd. Lat. manuopera ('herendienst'))manuscript ('handschrift'; < manus + scriptus ('geschreven')), manual ('gebruiksaanwijzing', 'handboek'; adj. 'handmatig'), manicure ('verzorger van handen en nagels'; < manus + cura ('zorg')), to maintain ('onderhouden'; < Lat. manu tenere ('in de hand houden'))main ('hand'), manuel ('handmatig'), le manuscrit ('handschrift'; < manus + scriptus ('geschreven')), maintenir ('onderhouden'; < Lat. manu tenere ('in de hand houden')), manoeuvre ('handgreep'; < Mdd. Lat. manuopera ('herendienst'))Manuskript ('handschrift'; < manus + scriptus ('geschreven')), Maniküre ('verzorger van handen en nagels'; < manus + cura ('zorg')), Manöver ('handgreep'; < Mdd. Lat. manuopera ('herendienst'))It. mano
maremarisn.zeemarinier ('zeesoldaat'; < Lat. marinus ('van de zee')), maritiem ('van de zee')marine ('behorend tot de zee'; < Lat. marinus ('van de zee')), maritime ('van de zee')la mer ('zee'), marin ('zeeman'), maritime ('van de zee')Marine ('zeemacht'; < Lat. marinus ('van de zee')), maritim ('met betrekking tot de zee')Lat. mare nostrum (lett. 'onze zee'; de Middellandse zee), verw. m. marineren, marinade
maritusmaritim.echtgenootmaritaal ('van de echtgenoot')to marry ('trouwen'; < Fr. marier ('trouwen') < Lat. maritare ('huwen')), marital ('van de echtgenoot')marier ('trouwen'; < Lat. maritare ('huwen'))-It. maritare ('trouwen'), Sp./Port. maridar ('trouwen')
matermatrisf.moederalma mater ('eretitel voor hogescholen'), matriarchaat ('rechtstoestand via de vrouwelijke lijn'; < Lat. mater/Oudgr. μήτηρ + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))maternal ('moederlijk'; < Vulg. Lat. *maternalis < Lat. maternus), maternity leave ('zwangerschapsverlof'), matrimony ('huwelijk')la mère ('moeder'), maternité ('moederschap')Matriarchat ('rechtstoestand via de vrouwelijke lijn'; < Lat. mater/Oudgr. μήτηρ + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))Oudgr. μήτηρ, Sp. madre
matronamatronaef.(getrouwde) vrouw--la matrone-
materia/materiesmateriae/materieif.materie, materiaalmaterie ('grondstof'), materialist ('iemand die waarde hecht aan fysieke zaken'), materiaalmatter ('grondstof')la matière ('grondstof'), immatériel ('niet fysiek')Materie ('grondstof'), Materialist ('iemand die waarde hecht aan fysieke zaken'), Material
memij (acc./abl.)zie ook egozie ook egozie ook egozie ook ego
mecummet mij----
medicusmedicim.doktermedicijn, medicinaal ('geneeskundig')medication ('medicijnen'), medicine ('medicijn')médicinal ('geneeskundig'), le médecin ('dokter')Medizin ('geneesmiddel'), Mediziner ('arts')
mediusmedia, mediumin het middenintermediair ('tussenliggend'), mediaan ('zwaartelijn van een driehoek'), medio ('in het midden van'), mediterraan ('met betrekking tot de Middellandse Zee'), milieu ('omgeving'; < medius locus ('middenpunt'))medieval ('middeleeuws'; < Neolat. mediaevus < medius + aevus ('eeuw')), mediocre ('middelmatig'; < Lat. mediocritas ('matigheid')), medium ('middelgroot'), intermediate ('tussenliggend'), Mediterranean ('met betrekking tot de Middellandse Zee')moyenne, midi ('twaalf uur 's middags'; < Lat. medium + dies ('midden op de dag')), médiocre ('middelmatig'; < Lat. mediocritas ('matigheid')), minuit ('middernacht'), la milieu ('midden'; < Lat. medius locus ('middenpunt'))medio ('in het midden van'), mediterran ('met betrekking tot de Middellandse Zee'), Milieu ('omgeving'; < medius locus ('middenpunt'))It. intermezzo ('tussenspel')
mediummediin.openbaarheidmedia ('communicatiemiddelen')media ('communicatiemiddelen')les media ('communicatiemiddelen')-
meivan mij (gen. van ego); gen. mnl./onz. ev. van meus 'mijn'; nom. mnl. mv. van meus 'mijn'zie ook egozie ook egozie ook egozie ook ego
membrummembrin.lichaamsdeelmembraan ('vlies'; i.e. dat wat de leden bedekt)member ('lid van een groep'; oorspr. voortplantingsorgaan; < membrum virilis), membrane ('vlies'; i.e. dat wat de leden bedekt)le membre ('ledemaat', 'lid'), la membrane ('vlies'; i.e. dat wat de leden bedekt), membré ('potig')Membrane ('vlies'; i.e. dat wat de leden bedekt)
memini (meminisse)zich herinneren----memento mori ('gedenk te sterven'; Mdd. lijfspreuk)
memoro (memorare)melding maken vanmemo (afk. v. memorandum ('datgene dat herinnerd/gemeld moet worden')), verw. m. mijmerenremember ('zich herinneren'), memo (afk. v. memorandum ('datgene dat herinnerd/gemeld moet worden'))remembrer ('zich herinneren'), le mémorandum ('datgene dat herinnerd/gemeld moet worden')Memo (afk. v. Memorandum ('datgene dat herinnerd/gemeld moet worden'))
memoriamemoriaef.geheugen, herinnering; tijd die men zich kan herinnerenmemoires ('levensherinneringen')memory, memorial ('gedachtenisplechtigheid')la mémoire ('herinnering')Memoires ('levensherinneringen')
mensmentisf.geest, verstand, gedachtementaal ('geestelijk'), mentaliteit ('houding'), dement ('zwakzinnig'; < de ('weg van') + mens)mental ('geestelijk'), verw. m. mind ('geest')mental ('geestelijk'), mentalité ('houding')mental ('geestelijk'), Mentalität ('houding')
mensamensaef.tafelmensa ('eetzaal van een universiteit')--Mensa ('eetzaal in een universiteit')
mensismensisf.maandmenstruatie (< Lat. menstruus ('maandelijks')), semester ('half jaar'; < Lat. sex menses ('zes maanden'))semester ('half jaar'; < Lat. sex menses ('zes maanden')), menstrual ('maandelijks'; < Lat. menstruus ('maandelijks'))le mois ('maand'), mensuel ('maandelijks'), le semestre ('half jaar'; < Lat. sex menses ('zes maanden'))Menstruation (< Lat. menstruus ('maandelijks')), Semester ('half jaar'; < Lat. sex menses ('zes maanden'))
mercatormercatorism.handelaar----
mereo (merēre)merui, meritumverdienen, dienenemeritus ('zijn ambt neergelegd hebbend'; < Lat. ex ('helemaal uit') + merere)emeritus ('zijn ambt neergelegd hebbend'; < Lat. ex ('helemaal uit') + merere)mériter ('verdienstelijk zijn', 'verdienen'), l'émérite ('zijn ambt neergelegd hebbend'; < Lat. ex ('helemaal uit') + merere)Emeritus ('zijn ambt neergelegd hebbend'; < Lat. ex ('helemaal uit') + merere)
meritummeritin.verdienste-merit ('verdienste')le mérit ('verdienste')-
metuo (metuĕre)metuibang zijn, vrezen----
metuo ne + conj.ik ben bang dat..----
metusmetusm.angstmeticuleus ('nauwgezet'; < Fr. méticuleux ('angstvallig', 'nauwgezet') < Lat. metus + osus ('vol van'))meticulous ('nauwgezet'; < Fr. méticuleux ('angstvallig', 'nauwgezet') < Lat. metus + osus ('vol van'))méticuleux ('angstvallig', 'nauwgezet'; < Lat. metus + osus ('vol van'))-
meusmea, meummijn, van mij--mon, ma-It. mio
mihi(aan) mij (dat.)zie ook egozie ook egozie ook egozie ook ego
milesmilitism.soldaat----
militarismilitaris, militarekrijgs-, soldaten-militairmilitaryle militairMilitär
militiamilitiaef.krijgsdienstmilitie ('krijgsmacht')militia ('systeem van militaire discipline')milice ('hulpleger')Miliz ('volksleger')
milleduizendmillennium ('periode van duizend jaar'; < Lat. mille + annus ('jaar')), miljoen (< It. mi(l)lione (comp. v. mille)), samenstellingen met 'mili-'millennium ('periode van duizend jaar'; < Lat. mille + annus ('jaar')), million ('miljoen'; < It. mi(l)lione (comp. v. mille)), samenstellingen met 'milli-'mille ('duizend'), le millennium ('periode van duizend jaar'; < Lat. mille + annus ('jaar')), million ('miljoen'; < It. mi(l)lione (comp. v. mille)), samenstellingen met 'milli-'Millennium ('periode van duizend jaar'; < Lat. mille + annus ('jaar')), Million ('miljoen'; < It. mi(l)lione (comp. v. mille)), samenstellingen met 'Milli-'
miliaduizend (onz. meerv.)mijl ('lengtemaat van duizend passen'; < milia passuum)mile ('lengtemaat van duizend passen'; < milia passuum)le mile ('lengtemaat van duizend passen'; < milia passuum)Meile ('lengtemaat van duizend passen'; < milia passuum)
minor (minari)(be)dreigenpromenade ('brede weg waarover oorspronkelijk ossen geleid werden'; o.i.v. Vulg. Lat. *minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)'))promenade ('brede weg waarover oorspronkelijk ossen geleid werden'; o.i.v. Vulg. Lat. *minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)'))mener ('leiden naar'; o.i.v. Vulg. Lat. minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)')), la promenade ('brede weg waarover oorspronkelijk ossen geleid werden'; o.i.v. Vulg. Lat. *minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)'))Promenade ('brede weg waarover oorspronkelijk ossen geleid werden'; o.i.v. Vulg. Lat. *minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)'))
minaeminarumf.(be)dreigingvervangen door minacia, zie ook minaxvervangen door minacia, zie ook minaxvervangen door minacia, zie ook minaxvervangen door minacia, zie ook minax
miror (mirari)zich verwonderen, bewonderenmirakel ('wonder'), miraculeus ('wonderbaarlijk'; < Fr. miraculeux < Lat. miracula ('wonder') + osus ('vol van'))mirror (< Vulg. Lat. *mirare ('kijken naar')), miracle ('wonder')mirer ('oplettend bekijken'; < Vulg. Lat. *mirare ('bekijken')), le miracle ('wonder'), miraculeux ('wonderbaarlijk'; < Lat. miracula ('wonder') + osus ('vol van')), le miroir ('spiegel'; < Vulg. Lat. *mirare ('bekijken'))Mirage ('luchtspiegeling'), Mirakel ('wonder'), miraculös ('wonderbaarlijk'; < Fr. miraculeux < Lat. miracula ('wonder') + osus ('vol van'))
(ad)mirabilis(ad)mirabilis, (ad)mirabilewonderbaarlijkadmiratie ('bewondering')admiration ('bewondering')admirable ('bewonderlijk')-
misceo (miscēre)miscui, mixtumdoor elkaar mengen, in beroering brengenmixen (< Eng. to mix < Fr. mixte < Lat. mixtum), promiscue ('vrij door elkaar'; < Lat. pro ('door elkaar') + miscere)to mix (< Fr. mixte < Lat. mixtum), miscellaneous ('gemengd'), to meddle ('mengen'; < Oudfr. mesler < Vulg. Lat. *misculare), promiscuous ('vrij door elkaar'; < Lat. pro ('door elkaar') + miscere)mêler ('mengen'; < Oudfr. mesler < Vulg Lat. *misculare), la mêlée ('handgemeen', 'warboel'), promiscue ('vrij door elkaar'; < Lat. pro ('door elkaar') + miscere), le mélange ('mengsel')mischen ('mengen'), promiscue ('vrij door elkaar'; < Lat. pro ('door elkaar') + miscere)
misermisera, miserumongelukkigmiezerig (oorspr. 'regenachtig'; o.i.v. Lat. miser ook 'nietig')---
misericordiamisericordiaef.medelijden--la miséricorde ('barmhartigheid')-
mitismitis, mitezachtmitigeren ('lenigen'; < Lat. mitigare ('zacht maken'))to mitigate ('pijn verzachten'; < Lat. mitigare ('verzachten'))mitiger ('verzachten'; < Lat. mitigare ('zacht maken'))-
mitto (mittĕre)misi, missumwerpen, zenden, laten gaanmissie ('zending'), missionaris ('zendeling')mission ('zending'), missile ('werptuig'), message ('bericht')mettre ('zetten', 'leggen'), la mission ('opdracht'), le message ('bericht'), le missile ('werptuig')Mission ('zending'), Missile ('werptuig'), Missionar ('zendeling')It. mettere ('leggen'), messaggio ('bericht')
admitto (admittĕre)admisi, admissumtoelaten, toestaanadmissie ('toelating')to admit ('toegeven')admettre ('toelaten')Admission ('toelating')
amitto (amittĕre)amisi, amissumverliezen----
committo (committĕre)commisi, commissum(gevecht) aangaan, begaan; toevertrouwencommissaris ('gevolmachtigde'), commissie ('toevertrouwde opdracht')to commit ('aangaan', 'toevertrouwen')commettre ('begaan'), la commission ('opdracht'), le comité ('commissie')Kommission ('opdracht'), Kommissar ('gevolmachtigde')
demitto (demittĕre)demisi, demissumlaten vallen, naar beneden sturendemissionair ('aftredend')demise ('overlijden')démettre ('afwijzen')Demission ('terugtrede der ministers')
dimitto (dimittĕre)dimisi, dimissumuiteenzenden, laten gaan-to dismiss ('wegzenden')--
emitto (emittĕre)emisi, emissumlaten weggaan, loslatenemissie ('uitgifte (van obligaties)')to emit ('uitgeven')émettre ('uiten'), l'émission ('uitzending')Emissär ('boodschapper')
mittathij zendt, stuurt (conj. prae.)zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'
mittethij zal zenden, sturen (fut.)zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'
mittithij zendt, stuurt (indic. prae.)zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'
omitto (omittĕre)omisi, omissusterzijde leggen, achterwege latenomissie ('verzuim')to omit ('weglaten')omettre ('weglaten'), l'omission ('weglating')Omission ('verzuim')
permitto (permittĕre)permisi, permissumtoevertrouwen, toestaanpermissie ('toestemming'), permitteren ('veroorloven')to permit ('toestemming geven'), permission ('toestemming')permettre ('toestaan'), le permis ('vergunning')-
promissumpromissin.dat wat beloofd is, belofte-promisela promesse ('belofte')-
promitto (promittĕre)promisi, promissumbeloven-to promisepromettre ('beloven')-
remitto (remittĕre)remisi, remissumterugsturen, doen verslappenremise ('gelijkspel'; de partij moet opnieuw worden gespeeld, de spelers worden teruggezonden)to remit ('vergeven')remettre ('weer op zijn plaats zetten'), la remise ('gelijkspel'; de partij moet opnieuw worden gespeeld, de spelers worden teruggezonden)remittieren ('terugzenden'), Remise ('gelijkspel'; de partij moet opnieuw worden gespeeld, de spelers worden teruggezonden)
modusmodim.maat, maniermode ('trend'), grosso modo ('ruw geschat'; dat. van grossus ('dik, ruw') modus), mal/model (< Fr. moule/modèle < Lat. modulus (dimin. v. modus))mode ('manier', 'trend'), to modify ('veranderen'; < Lat. modus + facere), model/mould ('mal/model'; < Fr. moule/modèle < Lat. modulus (dimin. v. modus)), moderate ('binnen de grenzen')le mode ('manier', 'trend'), le moule/modèle ('mal/model'; < Lat. modulus (dimin. v. modus)), modérer ('matigen'), modifier ('veranderen'; < Lat. modus + facere)Mode ('trend', 'gebruik'), Model (< Fr. modèle < Lat. modulus (dimin. v. modus)), moderat ('gematigd'), modifizieren ('veranderen'; < Lat. modus + facere)
modicusmodica, modicummatig, gematigd----
modo (adv.)slechts, zoëven; (voegw): mitsmodern ('tot de nieuwe tijd behorend'; < Laatlat. modernus ('nieuw'))modern ('tot de nieuwe tijd behorend'; < Laatlat. modernus ('nieuw'))moderne ('tot de nieuwe tijd behorend'; < Laatlat. modernus ('nieuw'))modern ('tot de nieuwe tijd behorend'; < Laatlat. modernus ('nieuw'))
modo ... modonu eens ... dan weer----
moeniamoeniumn.(stads)murenmunitie ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen'))ammunition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen'))la munition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen'))Munition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen'))
molesmolisf.grote last, moeite, groot voorwerp, massamolecuul (< Laatlat. molecula (dimin. v. moles)), molesteren ('kwellen')molecule (< Laatlat. molecula (dimin. v. moles)), to molest ('kwellen')la molécule (< Laatlat. molecula (dimin. v. moles)), molester ('kwellen')Molekül (< Laatlat. molecula (dimin. v. moles))
mollismollis, mollezacht, buigzaammol (muziekterm), mollig ('dikkig'), miss. verw. m. mal ('zot')to mollify ('verzachten'; < mollis + facere)mou ('slap'), mollir ('slap worden')Moll (muziekterm), mollig ('dikkig')
moneo (monēre)monui, monitumherinneren aan, waarschuwenmonitor (< Eng. monitor < Lat. monitor ('waarschuwer', 'adviseur'))monitor (< Lat. monitor ('waarschuwer', 'adviseur')), to summon ('oproepen'; < Mdd. Lat. summonere ('opwekken', 'oproepen'))le moniteur ('instructeur'; < Lat. monitor ('waarschuwer', 'adviseur'))Monitor (< Eng. monitor < Lat. monitor ('waarschuwer', 'adviseur'))
admoneo (admonēre)admonui, admonitumwijzen op, aansporen-to admonish ('vermanen')--
monsmontism.bergmonteren ('in elkaar zetten'; < Fr. monter ('bestijgen', 'inrichten'))mountain ('berg'; < Oudfr. montaigne < Vulg. Lat. *montanea ('berg(rug)')), to mount ('bestijgen'; < Fr. monter ('bestijgen', 'inrichten')), promontory ('voorgebergte')le mont ('berg'; denk aan Montmartre ('de martelaarsberg')), la montagne ('berg(rug)'), monter ('bestijgen', 'naar boven gaan', 'inrichten')montieren ('in elkaar zetten'; < Fr. monter ('bestijgen', 'inrichten'))
monstrummonstrin.wonderlijk verschijnselmonstermonsterle monstreMonster
morbusmorbim.ziektemorbide ('ziekelijk')morbid ('ziekelijk')morbide ('ziekelijk')morbid ('ziekelijk')
moror (morari)vertragen, ophouden, talmen, treuzelen--demeurer ('verblijven', 'wonen')-
moramoraef.vertraging, uitstel----
morsmortisf.dood-to mortify ('vernederen'; < mortis + facere)la mort ('de dood'), mortifier ('vernederen')-morsdood (oneig. etym.; < Mdd. Ned. murstot, geassocieerd met Lat. mors)
immortalisbijv. nw. onsterfelijk; zst. nw. goden-immortal ('onsterfelijk')immortel ('onsterfelijk')-
morior (mori)morior, mortuus sumsterven--mourir ('sterven')-
mortalismortalis, mortalesterfelijk, stervelingmortaliteit ('sterftecijfer')mortal ('sterfelijk')mortel ('sterfelijk'), mortalité ('sterftecijfer')postmortal ('na de dood betreffend'), Mortalität ('sterftecijfer')
mortuusmortua, mortuumdoodmortuarium ('rouwcentrum')mortuary ('rouwcentrum')mortuaire ('doden-')Mortuarium ('rouwcentrum')
mosmorism.zede, gewoontemoraal ('zedenleer')moral ('zedenleer')le moral ('zedenleer')Moral ('zedenleer')
moresmorumm.karakter, levenswijze, gedragiemand mores leren ('iemand een lesje leren')-les moeurs ('gewoonten')jmdn. Mores lehren ('iemand een lesje leren')
moveo (movēre)movi, motumbewegen (ook overdrachtelijk!)motor ('machine die beweegkracht levert'), moven ('wegwezen'; < Eng. to move), promoveren ('bevorderen'; < Lat. pro ('voor') + movere), meute ('mensenmassa'; < Mdd. Lat. meuta, mota, mueta < motare (intens. v. movere))to move ('bewegen'), movement ('beweging'), motor ('machine die beweegkracht levert'), to promote ('bevorderen')mouvoir ('bewegen'), le mouvement ('beweging'), le moteur ('machine die beweegkracht levert')Motor ('machine die beweegkracht levert'), Meute ('mensenmassa'; < Mdd. Lat. meuta, mota, mueta < motare (intens. v. movere)), promovieren ('bevorderen')
admoveo (admovēre)admovi, admotumergens heen brengen/voeren----
motusmotusm.bewegingmotie ('uitspraak in een vergadering'), motief ('beweegreden'), commotie ('opschudding')motive ('beweegreden'), motion ('beweging'), commotion ('opschudding')la motion ('voorstel'), le motif ('beweegreden')Motion ('voorstel'), Motive ('beweegreden')
removeo (removēre)removi, remotumverwijderen-to remove ('verwijderen')--
moxspoedig----
multusmulta, multumplures, plurimiveelte vinden in samenstellingen als multi-, bijv. multinationaalto multiply ('vermenigvuldigen') multiple ('verscheidene'), te vinden in samenstellingen als multi-, bijv. multinationalmultiplier ('vermenigvuldigen') multiple ('verscheidene'), te vinden in samenstellingen als multi-, bijv. multinationalte vinden in samenstellingen als multi-, bijv. multinational
multimultorummultae, multavele(n)zie 'multus'zie 'multus'zie 'multus'zie 'multus'
multitudomultitudinisf.menigte-multitude ('menigte')la multitude ('menigte')-
multoveel (bijw.)----
multumzeer, erg, veel (bijw.)----It. molto
pleriqueplerumquepleraeque, pleraquede meesten, zeer velen----
plerumquemeestal----
plurespluriumplures, plurameer, meerdere(n)pluraliteit ('verscheidenheid'), pluriform ('veelvormig')plural ('meervoud'), plurality ('meervoudigheid')plural ('meervoudig')Pluralität ('verscheidenheid')Lat. pluralis ('meervoud')
plurimusplurima, plurimummeest, (zeer) veel----
plus + geneen grotere hoeveelheid, meerplusplusplus, la plupart ('het grootste deel'; < Lat. plus + pars)plus
plus (bijw)meer--ne plus ('niet meer')-Lat. plusquamperfectum ('meer dan perfectum')
mundusmundim.wereldmondiaal ('wereld-'; < Fr. mondiale < Lat. mundialis), mondain ('werelds'; < Fr. mondain < Lat. mundanus)mundane ('werelds'; < Fr. mondain < Lat. mundanus)le monde ('wereld'), mondial ('wereld-'; < Lat. mundialis), mondain ('werelds'; < Lat. mundanus)mondial ('wereld-'; < Fr. mondial < Lat. mundialis), mondän ('werelds'; < Fr. mondain < Lat. mundanus)
munusmunerisn.taak, geschenk----
murusmurim.muurmuraal ('met betrekking tot de wand')mural ('wandschilderij')le mur, murer ('ommuren')Mauer
muto (mutare)veranderen, verwisselenmutatie ('verandering'), muitenmutation ('verandering')muer ('veranderen'), la mutation ('verandering')Mutation ('verandering')
nam, namquewant----
narro (narrare)vertellennarratief ('verhalend' < Fr. narratif < Lat. adi. narrativus < ptc. narratum)to narrate ('vertellen'), narrator ('verteller' < Lat. narrator), narration ('vertelling' < Lat. narratio), narrative ('verhalend' < Lat. adi. narrativus < ptc. narratum)narrer ('vertellen'),la narration ('verhaal' < Lat. narratio), le narrateur ('verteller'< Lat. narrator), narratif ('verhalend' < Lat. adi. narrativus < ptc. narratum)Narration ('vertelling' < Lat. narratio), Narrator ('verteller' < Lat. narrator), narrativ ('verhalend' < Lat. adi. narrativus < ptc. narratum)
nascor (nasci)natus sumgeboren wordennaïef ('onnozel' < Fr. naïf ('natuurlijk, onnozel') < Lat. adi. nativus 'geboren, aangeboren' < ptc. natus), renaissance ('wedergeboorte' < Fr. la renaissance < Lat. renascor < re + nascor),Renaissance ('renaissance' < Fr. la renaissance < Lat. renascor < re + nascor)naître ('geboren worden'), la naissance ('de geboorte')-Sp. navidad ('Kerstmis')
nationationisf.stam, volknatie ('staat' < Fr. la nation < Lat. subst. natio ('stam, volk') < adi. natus), nationaal ('volks, staats' < Fr. national < Lat. natio)nation ('staat' < Fr. la nation < Lat. subst. natio 'stam, volk' < adi. natus)la nation ('staat'), national ('staats-')Nation ('staat'), Nationalsozialismus ('nationaal-socialisme' < Lat. natio + socialis)
naturanaturaef.natuur, aardnatuur, natuurlijk, naturaliseren ('opnemen als staatsburger'), naturelnature ('natuur'), natural ('natuurlijk'), supernatural ('bovennatuurlijk' , Lat. supra + natura)la natur ('natuur'), le naturel ('aard'), naturel ('natuurlijk')Natur ('natuur, materie, aard'), natürlich ('natuurlijk'), naturell ('naturel' < Lat. adi. naturalis'), Naturalismus ('naturalisme' (kunststroming))
natusnatim.zoon----
navisnavisf.schipnavigeren (< Fr. naviguer ('zeilen') < Lat. navigo ('zeilen') < navis + ago ('drijven')), navaal ('scheeps-' < Fr. naval < Lat. navis)nave ('naaf, schip (deel v/e kerk)'), naval ('scheeps-'), navigation ('navigatie' < Fr. naviguer 'zeilen' < Lat. navigo 'zeilen' < navis + ago ('drijven'))la navire ('schip'), la nef ('naaf, schip (deel v/e kerk)'), naviguer ('zeilen' < Lat. navigo < navis + ago ('drijven'))navigieren ('zeilen' < Lat. navigo < navis + ago ('drijven'))
-nesoms?, (in afh. vraag) of----
neniet (ontkenning bij imerativi, conj. prohibitivus en optativus)----
ne + conj.opdat niet, om niet----
ne ... quidemzelfs niet, niet eens, ook niet----
nec, nequeen niet, nochnegotie ('koopwaar' < nec + otium ('vrije tijd'))negotiation ('zakendoen' < nec + otium ('vrije tijd'))négliger ('verwaarlozen' < Lat. neglego ('veronachtzamen') < nec + lego ('kiezen'))neglegieren ('verwaarlozen' < Lat. neglego ('veronachtzamen') < nec + lego ('kiezen'))
nec ... necnoch ... noch, en niet ... en ook niet----
nihilnihilisn.nietsnihil ('niets' < ne + hilum ('iets kleins'))nihilism ('nihilisme' < Lat. nihil < ne + hilum ('iets kleins'))le nihilisme ('nihilisme' < Lat. nihil < ne + hilum ('iets kleins'))Nihilismus ('nihilisme' < Lat. ne + hilum ('iets kleins'))
nequeen niet, ook niet, noch----
neque ... nequenoch ... noch, en niet ... en ook niet----
nisi, nials niet, behalve----
necessenodig--nécessiter ('nodig maken')-
necessariusnecessaria, necessariumnoodzakelijk, onvermijdelijk-necessary ('noodzakelijk')nécessaire ('noodzakelijk')-
necessitasnecessitatisf.noodzaak, dwangnecessiteit ('noodzakelijkheid' < Fr. nécessité)necessity ('noodzakelijkheid')la nécessité ('noodzaak')-
neco (necare)doden-internecine ('dodelijk' < adi. internecinus < inter (werkt versterkend) + neco)noyer ('verdrinken')-
nego (negare)ontkennen, weigerennegeren, negatie ('ontkenning'; < Lat. ptc. negatum), negatief ('ontkennend'; < Lat. adi. negativus < ptc. negatum)to negate ('ontkennen'), negation ('ontkenning'), negative ('ontkennend'; < Lat. adi. negativus < ptc. negatum), to deny ('weigeren'; < Fr. denoiir 'weigeren' < Lat. de + nego)nier ('ontkennen'), dénier ('weigeren'; < Lat. de + nego)negieren ('ontkennen'), negativ ('ontkennend'; < Lat. adi. negativus < ptc. negatum), Negation ('ontkenning'; < Lat. ptc. negatum)
nemoneminism.niemand----
nemini/neminem/nullodat./acc./abl. van nemo----
nemusnemorisn.bos, woud----
neposnepotism.kleinzoonnepotisme ('begunstigingen van familieleden'), neef (< Fr. neveu 'neef' < Lat. nepos)nepotism ('begunstiging van familieleden'), nephew ('neef' < Fr. neveu < Lat. nepos), niece ('nicht' < Eng. niepce < Lat. neptia < neptis 'kleindochter' < nepos)le neveu ('neef'), le népotisme ('begunstiging van familieleden')Nepotismus ('begunstiging van familieleden')
nigernigra, nigrumzwartneger ('persoon met donkere huidskleur'), denigrerend ('kleinerend' < Lat. denigro ('zwart maken, bezoedelen') < de + nigro)Negro ('persoon met donkere huidskleur'), to denigrate ('beschamen, bezoedelen' < Lat. denigro < de + nigro), necromancy ('dodenbezwering' < Mdd. Lat. nigromantia < Lat. necromantia < Gr. νεκρόν ('dode') + μαντεία ('toverkunst'))le nègre ('persoon met donkere huidskleur'), le négrier ('slavenhandelaar'), noir ('zwart')Neger ('persoon met donkere huidskleur'), Nigromantie ('zwarte toverkunst' , niger + Gr. μαντεία ('toverkunst')), Noir ('zwart' < Fr. noir)
nimis, nimiumte, te veel-nimiety ('overvloed' < Lat. nimietas < nimius < nimis)--
nimiumal te zeer (bijw.)----
nimiusnimia, nimiumte veel, te groot----
nitor (niti)nisus, nixus sumsteunen op (+ abl.), zich inspannen----
nobilisnobilis, nobileaanzienlijk, beroemdnobel ('edel' < Fr. noble < Lat. nobilis)noble ('edel')noble ('edel')nobel ('edel' < Fr. noble),
nobilitasnobilitatisf.adel-nobility ('adelstand')la noblesse ('adel')Nobilität ('adelstand')
nobiscum(samen) met ons----
noceo (nocēre)nocui, nocitumschaden, benadelen-innocent ('onschuldig' < Lat. innocens < in + noceo), nuisance ('schade' < Fr. nuire < noceo)nuire ('schade aanrichten/aandoen'), l'innocence ('onschuldigheid' < Lat. innocens < in +noceo)-
nomennominisn.naam, titelnaam (heeft een gemeenschappelijke stam met Lat. nomen), pronomen ('voornaamwoord' < Lat. pro + nomen)name ('naam', heeft een gemeenschappelijke stam), noun ('zelfstandig naamwoord' < Fr. nom 'naam' < Lat. nomen),le nom ('naam'), le nominal ('voornaamwoord')nominaal ('in naam')
nonnietnon- (in samenstellingen, zoals non-actief, non-conform, non-verbaal), nonchalant ('achteloos' < Fr. nonchaloir ('niet warm zijn') < Lat. non + calere ('warm zijn')), nonsens ('onzin' < Lat. non + sensus ('waarneming, verstand'))non- (in samenstelling, zoals non-existent ('niet bestaand'), non-fiction ('geen fictie'), non-violent ('geweldloos')), none ('geen enkele'), nonchalant ('achteloos' < Fr. nonchaloir ('niet warm zijn') < Lat. non + caleo ('warm hebben'))non ('nee'), non- (in samenstellingen, zoals non-combattant ('niet strijdend' (term in Napoleontische tijd)), non-éxecution ('niet nakomen'), non-violence ('geweldloosheid')), nonobstant ('desondanks, niettegenstaande' < Lat. non + obstant ('staan')), non-sens ('onzin' < Lat. non + sensus ('waarneming, verstand'))non- (in samenstellingen, zoals nonkonformistisch, nonverbal), Nonchalance ('achteloos' < Fr. nonchalance < Lat. non + caleo ('warm zijn')), Nonsens ('onzin' < Lat. non + sensus), Umpire ('scheidsrechter' < Fr. nompair < Lat. non + par ('gelijk'))
non iamniet meer, niet langer----
non modo ... sed etiamniet alleen ... maar ook----
non solum ... sed etiamniet alleen ... maar ook----
nondumnog niet----
nonne ... ?toch wel? (bevestigend antwoord wordt verwacht)----
noswijons (bezit eenzelfde talige stam als nos)-nous ('wij')-
nosteronze--nôtre-
nosco (noscĕre)novi, notusleren kennennotie ('besef' < Fr. notion < Lat. notio ('kennisneming') < notus), notitie ('aantekening' < Lat. notitia < notus), notaris ('ambtenaar' < Mdd. Lat. notarius < Lat. noto) annotatie ('aantekening' < Lat. annatatio < annoto < ad + noto (vgl. notus))notice ('informatie' < Lat. notitia < notus), notion ('idee' < Lat. notio < notus), notorious ('berucht' < Lat. notorius ('nogal bekend') < notus)la notion ('idee'), la notice ('uiteenzetting'), notifier ('aanzeggen'), l'annotation ('aantekening' < Lat. ad + noto)notabel ('opmerkenswaardig' < Lat. notabilis < notus)
agnosco (agnoscĕre)agnovi, agnitumherkennen, inzien, erkennenagnitie ('erkenning' < Lat. agnitio < agnitum)--agnoszieren ('waarnemen')
cognosco (cognoscĕre)cognovi, cognitumleren kennen, onderzoeken, vernemenconnaisseur ('kenner' < Fr. connaître < Lat. cognosco), cognitie ('herkenning' < Lat. cognitio < cognitum), incognito ('onherkenbaar' < Lat incognitus < in + cognitus)cognition ('begrip' < Lat. cognitio < cognitum), to recognize ('herkennen' < Fr. recognizance < Lat. recognosco < re + cognosco), incognito ('onherkenbaar' < Lat. incognitus < in + cognitus), connoisseur ('kenner' < Fr. connoisseur < Lat. cognosco), quaint ('oubollig, raar' < Fr. cointe ('herkenbaar') < cognitus)connaître ('kennen'), le connaisseur ('kenner'), inconnu ('onbekend'), incognito ('onherkenbaar')Connaiseur ('kenner' < Fr. connaître < Lat. cognosco), Kognition ('kenvermogen' < Lat. cognitio < cognitum)
cognovi (cognovisse)kennen----
ignarusignara, ignarumonwetend----
ignoro (ignorare)niet weten, niet kennenignorant ('onwetend')ignorant ('onwetend')ignorer ('niet weten')ignorant ('onwetend'), ignorieren ('niet willen weten')
ignosco (ignoscĕre)ignovi, ignotumvergeven + dat----
ignotusignota, ignotumonbekend----
notusnota, notumbekendnotie ('besef' < Fr. notion < Lat. notio ('kennisneming') < notus), notitie ('aantekening' < Lat. notitia < notus), annotatie ('aantekening' < Lat. annatatio < annoto < ad + noto (vgl. notus)), connotatie ('bijbetekenis' < Lat. connotatio < cum + notatio)notice ('informatie' < Lat. notitia < notus), notion ('idee' < Lat. notio < notus), notorious ('berucht' < Lat. notorius ('nogal bekend') < notus)la notion ('idee'), la notice ('uiteenzetting'), notifier ('aanzeggen'), l'annotation ('aantekening' < Lat. ad + noto)notabel ('opmerkenswaardig' < Lat. notabilis), Notar ('notaris' < Med. Lat. notarius), Konnotation ('bijbetekenis' < Lat. connotatio < cum + notatio)
novi (novisse)kennen, weten----
novusnova, novumnieuwnieuw (deelt een gemeenschappelijke stam met Latijnse novus), nova ('ster' < Lat. nova [stella] ('nieuwe ster') (fautief, zou novae stella moeten zijn)), novelle ('kort prozaverhaal' < Lat. novella ('nieuwe dingen') < novellus dimin. v. novus), novice ('nieuweling in het klooster' < Lat. novicius), noviteit ('nieuwigheid' < Lat. novitas), renoveren ('vernieuwen' < Lat. renovo)to innovate ('vernieuwen' < Lat. innnovo < in + novo), renovation ('vernieuwing' < Lat. renovo < re + novo), novel ('roman' < Lat. novella ('nieuwe dingen') < novellus dimin. v. novus)neuf ('nieuw'), nouveau ('nieuw'), innover ('vernieuwen'), novelle ('roman' < Lat. novella ('nieuwe dingen') < nubellus dimin. v. novus)Nova ('ster' < Lat. nova [stella] ('nieuwe ster') (fautief, zou novae stella moeten zijn)), Novelle ('roman' < Lat. novella ('kleine dingen') < novellus dimin. v. novus), Novität ('nieuwigheid' < Lat. novitas), Novize ('leerling i/d kerk' < Lat. novicius), innovieren ('vernieuwen' < Lat. innovo < in + novo)
nox, noctisnoctisf.nachtnoctambule ('slaapwandelaar' < Fr. noctambule < nox + ambulo)-la nuit ('nacht'), le noctambule ('slaapwandelaar' < Lat. nox + ambulo ('wandelen'))-
nocte, noctu's nachts----
nubesnubisf.wolknuance ('schakering' < Fr. nuance < nue ('wolk') < Lat. nubes)nuance ('schakering' < Fr. nuance < nue ('wolk') < Lat. nubes)nue ('wolk'), nuance ('schakering'), nuageux ('bewolkt')Nuance ('nuance' < Fr. nue ('wolk') < Lat. nubes)
nudusnuda, nudumnaaktnudisme ('recreëren zonder kleding'), nudist ('naaktloper')nude ('naakt'), nudity ('naaktheid' < Fr. nudité)nu ('naakt'), nudité ('naaktheid')Nudismus ('recreëren zonder kleding'), Nudität ('naaktheid')
nullusnulliusnulla, nullumgeennul ('niets'), annuleren ('vernietigen' < Lat. annulo < ad + nullus), nullificeren ('teniet doen' < Lat. nullificio < nullus + facio)null ('niets'), to nullify ('teniet doen' < Lat. nullificio < nullus + facio)nul ('niets'), annuler ('vernietigen' < Lat. annulo < ad + nullus)Null ('niets'), nullifizieren ('ongeldig verklaren' < Lat. nullus + facio), Nulltarif ('nultarief, vrijstelling' < Lat. nullus + Arab. ta'rif)
nonnullinonnullorumnonnullae, nonnullasommige(n)----
nulliusgen. ev. van nullus; gen. van nemozie nulluszie nulluszie nulluszie nullus
numtoch niet? (ontkennend antwoord wordt verwacht)----
numennuminisn.goddelijke krachtnumineus ('goddelijk')numinous ('goddelijk')-numinos ('goddelijk')
numero (numerare)tellennumereren ('tellen', later ingekort tot nummeren), enumeratie ('opsomming' < Fr. énumeration < Lat. enumeratio < ex + numero)to numerate ('tellen'), numerator ('noemer' < Lat. numeratus) innumerable ('ontelbaar' < Lat. in + numerabilis)nombrer ('tellen'), innombrable ('ontelbaar' < Lat. in + numerabilis), l'énumeration ('opnummering' < Lat. ex + numero)numerieren ('tellen'),
numerusnumerim.getal, aantalnummer, numeriek ('door getallen uitgedrukt' < Fr. numérique < Lat. numerus)number ('getal' < Fr. nombre < Lat. numerus), No. (afkorting 'getal' < Lat. abl. numero)le nombre ('nummer'), la numération ('telling')Nummer ('getal')
nuncnunu (heeft een gemeenschappelijke stam met nunc)now (Oud-Engels: nu, heeft een gemeenschappelijke stam met nunc)--hic et nunc ('hier en nu')
nuntio (nuntiare)berichtenannonceren ('aankondigen' < Fr. annoncer < Lat. annuntio), denonceren ('aangeven' < Fr. dénoncer < Lat. denuntio), prononceren ('uitspreken' < Fr. prononcer < Lat. pronuntio), renonceren ('afstand doen van' < Fr. renoncer < Lat. renuntio)to announce ('verkondigen' < Lat. annuntio < ad + nuntio), to denounce ('afkondigen' < Lat. denuntio), to pronounce ('uitspreken' < Lat. pronuntio), to renounce ('opgeven' < Lat. renuntio)annoncer ('aankondigen < Lat. adnuntio), denoncer ('aangeven' < Lat. denuntio), énoncer ('uitdrukken' < Lat. enuntio), prononcer ('uitspreken' < Lat. pronuntio)Annonce ('aankondiging' < Fr. annoncer < Lat. annuntio < ad + nuntio), Denunziation ('aankondiging' < Fr. denoncer < Lat. denuntio), prononcieren ('uitspreken' < Fr. prononcer < Lat. pronuntio)
nuntiusnuntiim.koerier, berichtzie nuntiozie nuntiozie nuntiozie nuntio
nuperniet lang geleden----
obvoor, wegens, omwille vanobstakel ('hinderpaal'; < Lat. obstaculum < obstare ('in de weg staan')), obesitas ('overgewicht'; < Lat. obesus ('volgegeten') < obedere), obscuur ('duister'; < Lat. obscurus), observeren ('waarnemen'; < Lat. observare < ob + servare ('in het oog houden')), obstinaat ('koppig'; < Lat. obstinatus < obstinare ('vastbesloten zijn')), obligaat ('verplicht'; < Lat. obligatus < obligare ('vastleggen', 'verbinden') < ob + ligare ('binden')), occasion ('koopje'; < Lat. occasionem < occadere ('naar toe vallen') < ob + cadere), offeren ('a/e godheid schenken'; < Lat offere < ob + ferre), voorwerp ('zaak'; directe ontlening aan Lat. obiectum < ob + iacere ('werpen'))obvious ('duidelijk zichtbaar'; < obvius < ob + via ('weg')), to obey ('gehoorzamen'; < Lat. obedire < ob + audire ('luisteren')), obesity ('overgewicht'; < Lat. obesitas ('volgegeten') < obedere < ob + edere ('eten')), object ('voorwerp'; < Lat. obiectum < ob + iacere), obituary (obituary ('overlijdensbericht'; < Mdd. Lat. obituarius ('betrekking hebbend op de dood') < Lat. obitum ('gestorven') < obire), obscene ('beledigend'; < Lat. obscenus < ob + caenum ('viezigheid'; onz.)), obsession ('abnormale belangstelling'; < Lat. obsessus < obsidere ('belegeren', 'bezetten'))l'obésité ('overgewicht'; < Lat. obesitas ('volgegeten') < obesitum < obedere ('voleten')), obligatoire ('verplicht'; < Lat. obligatus < obligare < ob + ligare ('vastbinden')), l'object ('voorwerp'; < Lat. obiectum < ob + iacere), obscène ('aanstootgevend'; < Lat. obscenus < ob + scenum ('vuil'; onz.)), occuper ('bezetten'; < Lat. occupere < ob + capere ('nemen'))Objekt ('voorwerp'; < Lat. obiectus < obicere < ob + icere ('werpen')), Obligation ('verplichting'; < Lat. obligatio < obligare < ob + ligare ('vastleggen', 'binden')), observieren ('bekijken'; < Lat. observare < ob + servare ('in het oog houden')), Obstitation ('koppigheid'; < Lat. obstinatio < ob + stare ('standvastig blijven'))
obliviscor (oblivisci)oblitus sumvergeten-oblivion ('vergetelheid'; < Lat. oblivionem < oblitus)oublier ('vergeten')-
oblitus + genvergetend, niet denkend aan----
obscurusobscura, obscurumduisterobscuurobscureobscurobskur
occultusocculta, occultumverborgenoccultoccultoccultokkult
occupo (occupare)in bezit nemenoccupatie ('bezetting')to occupy ('bezetten')occuper ('bezighouden met')Okkupation ('bezetting'), Okkupant ('bezetter')
oceanusoceanim.oceaanoceaanoceanl'ocean-Komt van Oudgr. ὠκεανός
oculusoculim.oogocel ('puntoog van insecten'), binocle ('verrekijker'; < Fr. < Lat. bis ('dubbel') + oculus)binocle ('verrekijker'; < Fr. < Lat. bis ('dubbel') + oculus)l'oeil ('oog'), le binocle ('verrekijker'; < Lat. bis ('dubbel') + oculus)Binokel ('verrekijker'; < Lat. bi ('dubbel') + oculus), okular ('met betrekking tot de ogen')monocle ('kijkglas voor één oog') komt van de samenstelling van het Oudgr. μόνος + Lat. oculus
odi (odisse)haten----
odiumodiin.haat--ennuyer ('vervelen'; < Lat. inodiare < in + odium)odiös ('ontuitstaanbaar')
olimvroeger, later----
omnisomnis, omneieder, elk (meervoud: alle)omnibus ('bundelboek'; betekent lett. 'voor allen'), omnivoor ('alleseter'; < Lat. omnis + vorare ('eten'))omnipotent ('almachtig'; < Lat. omnis + potentia ('macht')), omniscience ('alwetendheid'; < Lat. omnis + scientia ('kennis')), omnibus ('voertuig'; < Lat. omnibus ('voor allen'))l'omnipotence ('almacht'; < Lat. omnis + potentia ('macht')), omnivore ('alleseter'; < Lat.omnis + vorare ('eten'))omnipotent ('almachtig'; < Lat. omnis + potens ('machtig')), Omnivore ('alleseter'; < Lat. omnis + vorare ('eten')), omnipräsent ('overal aanwezig'; < Lat. omnis + praesens ('aanwezig zijnde'))Airbus ('passasgiersvliegtuig'; < Oudgr. ἀήρ ('lucht') + Lat. omnibus ('voor allen'))
omnesomniumomnes, omniaalle(n) (mv.)zie omniszie omniszie omniszie omnis
omniaomniumalle(s) (mv. onz.)zie omniszie omniszie omniszie omnis
onusonerisn.last----
operaoperaef.moeite, inspanning----
operaook: nom./acc. mv. van opuszie opuszie opuszie opuszie opus
operam dozich moeite geven om, zich inspannen om----
opusoperisn.werk, moeite, verschansingopera ('muziekstuk'), opereren ('te werk gaan'), coöperatie ('samenwerking'; < Lat. cooperatio < cum + operatio), manoeuvre ('handgreep'; < Mdd. Lat. manuopera < manus ('hand') + opera), oeuvre ('gezamenlijk werk'; < Fr. oevre < Lat. opera)operation ('taak'; < Lat. operationis < opera), corvee ('onbetaalde taak'; < Mdd. Lat. corrogata [opera] < corrogare 'vragen')l'oevre ('verzameld werk'; < Lat. opera), le coopération ('samenwerking'; < Lat. cooperationis < cum + operatio < opera), operator ('bestuurder v/e machine'; < Lat. operator ('werker'))Oper ('muzikaal werk'), Operation ('chirurgische ingreep'; < Lat. operatio < operare), Operator ('degene die een machine bestuurt'; < Lat. operator ('werker'))
opus est (+abl.)het is nodig, er is behoefte aan----
opinioopinionisf.mening, naam, reputatieopinie ('mening')opinion ('mening')l'opinion ('mening'), opiniâtre ('koppig'), opiner ('menen')-
oportetoportuithet behoort----
oppidumoppidin.stad----
ops, opisopisf.hulp, (pl.) hulpmiddelen, rijkdom, machtkopie ('afschrift'; < Fr. copie < Lat. copia ('voorraad') < cum + ops), copieus ('overvloedig'; < Lat. copiosus < copia ('voorraad') < cum + ops), opulent ('zeer rijk'; < Lat. opulentus ('rijk') < ops)-opulent ('rijk')opulent ('rijk')
copiacopiaef.voorraad, overvloed, gelegenheid; (pl.) troepenkopie ('afschrift'; < Fr. copie < Lat. copia), copieus ('overvloedig'; < Lat. copiosus < copia)copy ('kopie'; < Fr. copie < Lat. copia), copious ('overvloedig'; < Lat. copiosus ('voorradig'))copie ('kopie'), copieux ('overvloedig')Kopie ('afschrift'; < Fr. copie < Lat. copia)
copiae (pl.)copiarumf.(pl.) troepen----
inopiainopiaef.gebrek, armoede----
opemet behulp van, door middel van----
opes (pl.)opumf.hulpmiddelen, rijkdom, macht, (sg.) hulpzie opszie opszie opszie ops
opto (optare)wensenoptie ('mogelijkheid'; < Lat. optio), adoptie ('aannemen als kind'; < Lat. adoptio < ad + optare)option ('mogelijkheid'; < Lat. optio), to opt ('kiezen'), adoption ('aanneming (v/e kind)'; < Lat. adoptionem < ad + optare), optative ('gewenst'; < Lat. optativus)opter ('kiezen'), l'option ('keuze'), optionnel ('mogelijk')optieren ('kiezen'), Optant ('vrijwilliger')
oraoraef.kust, rand--l'orée ('rand')-
oratioorationisf.taal, redevoeringoratie, proza ('ongebonden stijl'; < Lat. prosa ('rechttoe') < afkorting van oratio prosa)oration, prose ('verhaal'; < Lat. prosa ('rechttoe') < afkorting van oratio prosa)l'oraison ('redevoering'), oratoir ('retorisch')Oration
oratororatorism.redenaar; woordvoerderoratororatorl'orateurOrator, oratorisch
oro (orare)(be)pleiten, smekenoreren, orakel ('godsspraak'; < Lat. oraculum ('goddelijk zegsel') < orare + instrumenteel suffix -culu-)to orate ('spreken'), to adore ('aanbidden'; < Laatlat. adorare ('aanbidden') < Klas. Lat. adorare ('formeel aanspreken') < ad + orare), oracle ('orakel'; < Lat. oraculum ('goddelijk zegsel') < orare + instrumenteel suffix - culu-)pérorer ('oreren'; < Lat. perorare ('concluderen')), l'oracle ('orakel'; < Lat. oraculum ('goddelijk zegsel') < orare + instrumenteel suffix - culu-), adorer ('aanbidden'; < Laatlat. adorare ('aanbidden') < Klas. Lat. adorare ('formeel aanspreken') < ad + orare)Orante ('thema i/d kunst, smekend persoon'; < Lat. orans)
orbisorbisf.kring, cirkelexorbitant ('buitensporig'; < Lat. exorbitans < ex + orbita ('wagenspoor') < orbis)orb ('rond voorwerp'), orbit ('baan'; < Lat. orbita ('wagenspoor') < orbis)l'orbe ('bol'), l'orbite ('baan'; < Lat. orbita ('wagenspoor') < orbis)Orbit ('omloopbaan'), orbital
orbis terrarumorbis terrarumf.wereld----
ordoordinisf.(volg)orde, orde, geld; rang, klasseorde, coördinatie ('onderlinge afstemming'; < Lat. coordinatio < cum + ordinatio ('regeling')), ordinair ('gewoon'; < Lat. ordinarius ('regelmatig'))order ('orde'), ordinal ('regulier'; < Lat. ordinalis < ordo), coordination ('onderlinge afstemming'; < Lat. coordinatio < cum + ordinatio ('regeling') < ordo), ordinary ('regulier', 'gewoon' < Lat. ordinarius ('gebruikelijk'))l'ordre ('orde'), ordinaire ('gewoon'; < Lat. ordinarius ('regelmatig')), ordinateur ('computer')Orden ('orde'), Order ('bevel'; < Fr. ordre ('bevelen')), ordinär ('gewoon'; < Fr. ordinaire < Lat. ordinarius), Ordner ('opbergmap'), ordnen ('ordenen'; < ordinare)
orior (oriri)ortus sumontstaan, opkomenabortus ('ontijdige geboorte'; < Lat. abortus < ab + ortus)abortion ('ontijdige geboorte'; < Lat. abortus < ab + oriri)l'abortif ('abortus'; < Lat. abortus < ab + oriri)Abort ('ontijdige geboorte'; < Lat. abortus < ab + ortus)
oriensorientism.het oostenoriëntaal ('oostelijk'; < Lat oriens ('oosten', lett.: 'oprijzend'; de zon komt in het oosten op))Orient ('het Oosten'; < Lat oriens ('oosten', lett.: 'oprijzend'; de zon komt in het oosten op))l´orient ('het Oosten'; < Lat oriens ('oosten', lett.: 'oprijzend'; de zon komt in het oosten op))Orient ('het verre oosten', lett. 'oprijzend'; de zon komt in het oosten op)
os, orisorisn.mond, gezicht, uiterlijkoraal ('mondeling')oral ('mondeling')oral ('mondeling'; < Lat. oralis < os), orifice ('opening'; < Lat. os + facere)oral ('mondeling')
os, ossisossisn.bot--l'os ('bot'), osseux ('benig'), ossifié ('verhard')-In medische termen wordt alles met betrekking tot beenderen vaak aangeduid met het Oudgriekse ὀστέον
otiumotiin.vrije tijd, rust-otiose ('overbodig')--
negotiumnegotiin.bezigheid, zaak, moeilijkheid, moeitenegotie ('koopwaar')negotiation ('zakendoen')le negoce ('koophandel'), negociable ('onderhandelbaar')-
paenebijnapetinentie ('boete'; < paenitet ('het berouwt') < paene (nevenbet. 'met moeite'))penitence ('boete'; < paenitet ('het berouwt') < paene (nevenbet. 'met moeite'))la pénitence ('berouw'; < paenitet ('het berouwt') < paene (nevenbet. 'met moeite'))Pönitenz ('boete'; < paenitet ('het berouwt') < paene (nevenbet. 'met moeite'))
parparispar, pargelijk aan, opgewassen tegen; billijkpaar ('stel'; elkaars gelijke), umpire ('scheidsrechter'; < Eng. umpire < Fr. nounpere < Lat. non par)pair ('stel'; elkaars gelijke), peer ('gelijke in rang'), umpire ('scheidsrechter'; < Fr. nounpere < Lat. non par)le pair ('gelijke'), la paire ('stel'; elkaars gelijke), pareil ('gelijk')Paar ('stel'; elkaars gelijke) Umpire ('scheidsrechter'; < Eng. umpire < Fr. nounpere < Lat. non par)
paritergelijk; evenzeer; tegelijk----
parco (parcĕre)pepercisparen----
pareo (parēre)paruigehoorzamen----
pario (parĕre)peperi, partumvoortbrengen, verwerventransparant ('doorschijnend'; < Fr. paraître ('verschijnen'))to appear ('verschijnen'), viper ('adder'; vivus ('levend') + parere; men dacht dat de adder geen eieren legde, i.e. zijn jongen levend baarde)paraître ('verschijnen'), transparant ('doorschijnend')parieren ('bereiden', 'afweren'), transparant ('doorschijnend'; < Fr. paraître ('verschijnen'))
parensparentism.ouder (subst.)-parentle parent-
reperio (reperire)repperi, repertumvinden, te weten komenrepertoire ('lijst met stukken van kunstenaars'; < Fr. répertoire)repertoire ('lijst met stukken van kunstenaars'; < Fr. répertoire)le répertoire ('lijst met stukken van kunstenaars')Repertoire ('lijst met stukken van kunstenaars'; < Fr. répertoire)
paro (parare)voorbereiden, voorbereidingen treffenprepareren ('voorbereiden'; < prae ('voor') + parare), repareren ('herstellen'; < re ('opnieuw') + parare), apparaat (< ad ('naar ... toe') + parare)to prepare ('voorbereiden'; < prae ('voor') + parare), to repair ('repareren'; < re ('opnieuw') + parare), apparatus (< ad ('naar ... toe') + parare)parer ('maatregelen nemen tegen'), préparer ('voorbereiden'; < prae ('voor') + parare), l'apparat (< ad ('naar ... toe') + parare)präparieren ('voorbereiden'; < prae ('voor') + parare), reparieren (< re ('opnieuw') + parare), Apparatus (< ad ('naar ... toe') + parare)
comparo (comparare)vergelijken, verwervencomparatief ('vergelijkend')to compare ('vergelijken')comparer ('vergelijken')komparabel ('vergelijkbaar')
paratusparata, paratumvoorbereid, gereedparaat, parade ('vertoon', 'schouwspel')parade ('vertoon', 'schouwspel')la parade ('vertoon', 'schouwspel')parat, Parade ('vertoon', 'schouwspel')
parspartisf.deel, kant; partij (meestal mv.)part ('deel'), portie, partieel ('deels'), partikel ('deeltje'), participeren ('deelnemen'; < pars + cipare (nevenv. v. capere))part ('deel'), portion ('portie'), partial ('partijdig'), particle ('deeltje')la part ('deel'), la portion ('portie'), la partie ('gedeelte'), partial ('partijdig')Partie ('deel'), Partikel ('deeltje'), partizipieren ('deelnemen'; < pars + cipare (nevenv. v. capere)), Portion ('portie')
parvusparva, parvumminor, minimusklein----
minimeallerminst (bijw.)----
minimusminima, minimumhet kleinst, zeer kleinminiem, minimaalminimumminime, minimalminimal, Minimum
minorminorisminor, minusminder-minority ('minderheid')moindre ('minder'), la minorité ('minderheid')Minorität ('minderheid')gebruikt om onderscheid te maken tussen twee personen met dezelfde naam, bijv. Plinius maior en minor
minusminder (onz. bijw.)min, minuscuul ('zeer klein'; < minusculus (dimin. v. minus))minus, minuscule ('zeer klein')moins ('minder')minus, Minuskel ('kleine letter')
parumniet genoeg----
pateo (patēre)patuiopenstaanpatio ('open terras'), patent ('octrooi'; < Fr. (lettre) patente ('privilegebrief', eig. 'open brief'))patio ('open terras'), patent ('octrooi'; < Fr. (lettre) patente ('privilegebrief', eig. 'open brief'))patent ('duidelijk'), le patio ('open terras')Patio ('open terras'), Patent ('octrooi'; < Fr. (lettre) patente ('privilegebrief', eig. 'open brief'))
paterpatrism.vader; (plur.) senatorenpatronage ('bescherming')patronage ('bescherming')le père ('vader'), le patronage ('bescherming')Patron ('beschermheer')Oudgr. πάτηρ ('vader')
paternuspaterna, paternum(voor)vaderlijk-paternity ('vaderschap')paternité ('vaderschap')-
patrespatrumm.ook: senatorenpatriciër ('aanzienlijke')patrician ('aanzienlijke')le patriecien ('aanzienlijke')Patrizier ('aanzienlijke')
patriapatriaef.vaderlandpatriot ('iemand die zijn vaderland mint')patriot ('iemand die zijn vaderland mint'), expat ('iemand die buiten zijn vaderland opgroeit'; < ex ('uit') + patria)la patrie ('vaderland'), le patriote ('iemand die zijn vaderland mint')Patriot ('iemand die zijn vaderland mint')
patriuspatria, patriumvan de vader, traditioneelpatriarchaat ('rechtstoestand via de mannelijke lijn'; < Lat. pater + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))patriarchate ('rechtstoestand via de mannelijke lijn'; < Lat. pater + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))le patriarcat ('rechtstoestand via de mannelijke lijn'; < Lat. pater + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))Patriarchat ('rechtstoestand via de mannelijke lijn'; < Lat. pater + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))
patior (pati)patior, passus sumverdragen, toestaanpatient ('lijdende'; < ppa v. patiens), passie ('hartstocht', 'lijden'; < ppp. v. passus), passief ('verdragend')patient ('lijdende'; < ppa v. patiens), passion ('hartstocht', 'lijden'; < ppp. v. passus), passive ('verdragend')pâtir ('lijden'), le patient ('lijdende'; < ppa. v. patiens), la passion ('hartstocht'; < ppp. v. passus), passif ('verdragend')Patient ('lijdende'; < ppa v. patiens), Passion ('hartstocht', 'lijden'; < ppp. v. passus), passiv ('verdragend')
patientiapatientiaef.geduld, volharding-patience ('geduld')la patience ('geduld')-
paucipaucorumm.weinigen----
paulumweinig, een beetje----
paulatimlangzamerhand----
pauloweinig, een beetje (bijw.)----
paulo postkorte tijd later----
paulo antekorte tijd eerder, kort geleden----
pauperpauperispauper, pauperarmpover ('arm'; < Fr. pauvre), verpauperen ('arm worden')poor ('arm'; < Fr. pauvre)pauvre ('arm')Pauperisierung ('verarming')
paupertaspaupertatisf.armoede-poverty ('armoede')la pauvreté ('armoede')-
pax, pacispacisf.vredepacificeren ('vrede herstellen'; < pax + facere), pacifist ('iemand die vrede wil')peace, to pacify ('vrede herstellen'; < pax + facere), pacifist ('iemand die vrede wil')la paix ('vrede'), pacifier ('vrede herstellen'; < pax + facere), pacifiste ('vredelievend')Pazifismus ('stroming die elke oorlog afkeurt')
pecco (peccare)een fout makenpecadille ('kleine zonde'; < Sp. pecadillo (dimin. v. peccado) < Lat. peccatum ('zonde'))pecadillo ('kleine zonde'; < Sp. pecadillo (dimin. v. peccado) < Lat. peccatum ('zonde'))pécher ('zondigen'), le pécheur ('zondaar'), la pecadille ('kleine zonde'; < Sp. pecadillo (dimin. v. peccado) < Lat. peccatum ('zonde'))-
pectuspectorisn.borst, inborst, hartpectoraal ('borst-')pectoral ('borst-')la poitrine ('borst')pektoral ('borst-')It. petto ('borst'; denk aan 'in petto hebben')
pecuspecorisn.vee-peculiar ('eigen aan bepaald persoon'; < peculiaris ('van iemands eigendom'))le pécore ('heikneuter')-
pecuniapecuniaef.geld--pécuniaire ('geld-')pecuniär ('geld-')
pello (pellĕre)pepuli, pulsumvoortdrijven, verdrijvenpropeller ('voortduwer'; < pro ('voor') + pellere), pols ('kloppen van slagaders'; < ppp. pulsum), pulseren ('kloppen'; < Lat. pulsare (intens. v. pellere))propeller ('voortduwer'; < pro ('voor') + pellere), pulse ('klopping', 'hartslag'; < ppp. pulsum), to repel ('wegdrijven'; < re ('terug') + pellere)le pouls ('hartslag'; < ppp. pulsum), pousser ('duwen', 'drukken'; < Lat. pulsare (intens. v. pellere)), la pousée ('duw')Propeller ('voortduwer'; < pro ('voor') + pellere)
expello (expellĕre)expuli, expulsumuitdrijven, verdrijvenexpulsie ('uitdrijving')to expel ('verdrijven')expulser ('uitdrijven')-
impello (impellĕre)impuli, impulsumin beweging brengenimpuls ('prikkel'; < ppp. impulsum)to impel ('aanzetten'), impulse ('prikkel'; < ppp. impulsum)impulsif ('snel reagerend op prikkels'; < ppp. impulsum)Impuls ('prikkel'; < ppp. impulsum)
pendeo (pendēre)pependi(af) hangen (van), in spanning verkerenpendant ('tegenhanger'), appendix ('aanhangsel'; < ad + pendere), dependance ('bijgebouw'; < de ('van ... af') + pendere)to pend ('hangen'), to depend ('afhangen'; < de ('van ... af') + pendere), to suspend ('opschorten'; < sub ('onder') + pendere)pendre ('hangen'), dépendre ('afhangen'; < de ('van ... af') + pendere), suspendre ('opschorten'; < sub ('onder') + pendere)Pendant ('tegenhanger'), Appendix ('aanhangsel'; < ad + pendere)
perdoor (... heen), gedurende; door middel vanper ('door middel van'), per se ('stellig'; lett. 'door zichzelf'), in samenstellingen als perceptie ('waarneming'; per se ('stellig'; lett. 'door zichzelf'), in samenstellingen als to perceive ('waarnemen'; < per + capere), percent ('procent'; < per centum ('per honderd'))par ('door ... van'), in samenstellingen als parvenu ('iemand van lage afkomst die rijk, maar niet beschaafd is')per ('door middel van'), in samenstellingen als perfekt (< per + facere)
perdo (perdĕre)perdidi, perditumte gronde richten, verliezen--perdre ('verliezen')-
pergo (pergĕre)perrexi, perrectum(voort)gaanpergola ('terras'; < Lat. pergula ('aanbouw'))pergola ('terras'; < Lat. pergula ('aanbouw'))-Pergola ('terras'; < Lat. pergula ('aanbouw'))
periculumpericulin.gevaarperikel ('gevaar')peril ('gevaar')le péril ('gevaar')-
perpetuusperpetua, perpetuumononderbrokenperpetuum mobile ('toestel dat, in beweging gezet, eeuwig blijft bewegen'; z. mobilis)perpetual ('eeuwigdurend')perpétuel ('eeuwigdurend')-
persuadeo (persuadēre)persuasi, persuasumovertuigen, overreden-to persuade ('overtuigen')persuader ('overtuigen')-
pespedisf.voetpedaal ('hefboom met de voet bediend'; < acc. pedem), pedicure ('voetverzorger'; < pes + curare)pedal ('hefboom met de voet bediend'; < acc pedem), pedicure ('voetverzorger'; < pes + curare)le pied ('voet'), la pédale ('hefboom met de voet bediend'; < acc. pedem), le pédicure ('voetverzorger'; < pes + curare)Pedal ('hefboom met de voet bediend'; < acc. pedem), Pediküre ('voetverzorger'; < pes + curare)
pedespeditism.infanterist, voetsoldaatpion ('schaakstuk'; < Mdd. Lat. pedonem ('voetsoldaat'; acc. v. pedo))pawn ('schaakstuk'; < Mdd. Lat. pedonem ('voetsoldaat'; acc. v. pedo))le pion ('schaakstuk'; < Mdd. Lat. pedonem ('voetsoldaat'; acc. v. pedo))Pionier ('wegbereider'; < Mdd. Lat. pedonem ('voetsoldaat'; acc. v. pedo))
peto (petĕre)petivi, petitumtrachten te bereiken, trachten te verkrijgen; + abl vragen aanpetitie ('verzoekschrift'), competent ('bekwaam'; < cum ('samen met') + petere)petition ('verzoekschrift'), competent ('bekwaam'; < cum ('samen met') + petere)la pétition ('verzoekschrift'), la compétence ('bekwaamheid'; < cum ('samen met') + petere)Petition ('verzoekschrift'), kompetent ('bekwaam'; < cum ('samen met') + petere)
repeto (repetĕre)repetivi, repetitumterugverlangenrepeteren ('oefenen', 'herhalen')repetition ('herhaling')repéter ('oefenen', 'herhalen')-
impetusimpetusm.aanval, aandrang, opwellingimpetueus ('onstuimig'; < Fr. impétueux < Lat. impetus + osus ('vol van'))impetuous ('onstuimig'; < Fr. impétueux < Lat. impetus + osus ('vol van'))impétueux ('onstuimig'; < impetus + osus ('vol van'))-
pietaspietatisf.vroomheid, plichtsbetrachting; liefdepiëteit ('eerbied')piety ('vroomheid')la piété ('vroomheid')Pietät ('vroomheid')
impiusimpia, impiumgoddeloos-impious ('goddeloos')impie ('goddeloos')-
piuspia, piumvroom, plichtsgetrouw, liefdevol-pious ('vroom')pieux ('vroom'; pius + osus ('vol van'))-
placeo (placēre)placui, placitumbevallenplacebo ('nepmedicijn'; < fut. placebo), plezier (< Fr. la plaisir ('genot'))placebo ('nepmedicijn'; < fut. placebo), pleasure ('genot'; < Fr. la plaisir ('genot')), to please ('naar de zin maken')plaire ('behagen'), la plaisir ('het plezier')Placebo ('nepmedicijn'; < fut. placebo), Pläsier ('plezier'; < Fr. la plaisir ('genot'))Vl. plezant
placetplacuithet behaagt, men besluit--s'il vous plaît ('alstublieft'; lett. 'als het u behaagt')-It. mi piace ('ik vind leuk')
placidusplacida, placidumvredig, kalm-placid ('rustig')placide ('rustig')-
plebsplebisf.de gewone mensenplebs-la plèbe ('plebs')Plebs ('plebs')
plenusplena, plenumvolplenair ('voltallig'; < Mdd. Lat. plenarius)plenty ('genoeg'; < plenitas ('volheid')), to replenish ('bijvullen'; < re ('opnieuw') + plenus)plein ('vol')plenär... ('voltallig'; < Mdd. Lat. plenarius)
poenapoenaef.genoegdoening, boetepenibel ('pijnlijk', 'tot straf dienend'; < Fr. pénible), penalty ('strafschop'; < Eng. penalty kick < Mdd. Lat. penalitas < poenalis ('tot straf dienend'))to punish ('straffen'; < Lat. poenire ('straffen'))le peine ('straf'), punir ('straffen'), pénible ('pijnlijk', 'tot straf dienend')penibel ('pijnlijk', 'tot straf dienend'; < Fr. pénible), Penalty ('strafschop'; < Eng. penalty kick < Mdd. Lat. penalitas < poenalis ('tot straf dienend'))
poetapoetaem.dichter-poet ('dichter')le poète ('dichter')-
pondusponderisn.gewichtpond ('gewichtseenheid')pound ('gewicht', 'munteenheid'; < oorspr. een pond zilver)pondérer ('wegen')Pond ('gewichtseenheid')
pono (ponĕre)posui, positumleggen, plaatsen, neerleggenponeren ('zetten', 'leggen'), positie ('plaats'; < Lat. positio), postuur ('houding'; < Lat. positura (pfa. v. ponere))posture ('houding'; < Lat. positura (pfa. v. ponere)), position ('plaats'; < Lat. positio)poser ('vragen')-
compono (componĕre)composui, compositumbij elkaar plaatsen, schrijven; tot rust brengencomponeren ('samenstellen'), component ('deel van een samenstelling'), composiet ('samengesteld materiaal')to compose ('samenstellen'), composite ('samengesteld')composer ('samenstellen'), composite ('samengesteld')komponieren ('samenstellen'), Komponente ('deel van een samenstelling')
depono (deponĕre)deposui, depositumneerleggen, deponerendeponeren, deponens ('act. ww. in pass. vorm'; dwz. zijn actieve betekenis afgelegd hebbend)deposit ('storting')déposer ('storten'), le dépôt ('bergplaats')deponieren ('deponeren'), Deponens ('act. ww. in pass. vorm'; dwz. zijn actieve betekenis afgelegd hebbend)
dispono (disponĕre)disposui, dispositumverspreid opstellen, ordenendisponeren ('beschikken', 'regelen')to dispose ('beschikken')disposer ('weggooien')Disposition ('verordening')
impono (imponĕre)imposui, impositumplaatsen op, -in, opleggenimponeren ('gezag inboezemen'), imposant ('indrukwekkend')impostor ('bedrieger')imposer ('gezag inboezemen'), l'imposteur ('bedrieger')imponieren ('gezag inboezemen'), imposant ('indrukwekkend')
propono (proponĕre)proposui, propositumopenbaar maken, voor ogen stellenproponent ('beroepbaar theoloog')to propose ('voorstellen')proposer ('voorstellen')Proponent ('aanvrager')
propositumvoornemenpropositie ('voorstel')proposition ('voorstel')à propos ('over')Proposition ('voorstel')
ponspontism.brug--le pont ('brug')-
populuspopulim.volkgepeupel ('gewone volk'; < Oudfr. peuple), publiek ('algemeen'; < Oudlat. poplicus ('van het volk'))people ('volk'; < Oudfr. peuple), public ('algemeen'; < Oudlat. poplicus ('van het volk'))le peuple ('volk'), public ('algemeen'; < Oudlat. poplicus ('van het volk'))Pöbel ('gewone volk'; Oudfr. peuple), publik ('algemeen'; < Oudlat. poplicus ('van het volk'))Sp. pueblo ('indianendorp')
portaportaef.poortpoort, portaal ('deurnis', 'gang'), portier ('deurwachter')portal ('deurnis', 'gang'), porch ('veranda'; < porticus ('zuilengang')), porter ('deurwachter')la porte ('deur'), le porche ('veranda')Portal (deurnis', 'gang), Portier ('deurwachter')
porto (portare)dragenportemonnee (< portare + Fr. monnaie ('geld')), portofoon ('walkie-talkie'; < portare + Oudgr. ἡ φωνή ('stem')), export ('uitvoer'; < ex ('uit') + portare)portable ('draagbaar'), to transport ('transporteren'; < trans ('over') + portare), export ('uitvoer'; < ex ('uit') + portare)porter ('dragen'), portable ('draagbaar'), portefeuille ('portemonnee'; < portare + folium ('blad'))Portefeuille ('portemonnee'; < portare + folium ('blad'))
portusportusm.havenpaspoort ('nationaliteitsbewijs'; < Fr. passe-port (lett. 'laat door de haven, grens gaan'))port ('haven')le port ('haven'), passe-port ('nationaliteitsbewijs'; lett. 'laat door de haven, grens gaan')Passeport ('nationaliteitsbewijs'; < Fr. passe-port (lett. 'laat door de haven, grens gaan'))
posco (poscĕre)poposcieisen, vragenverv. door postulare, zie daarverv. door postulare, zie daarverv. door postulare, zie daarverv. door postulare, zie daar
postulo (postulare)eisenpostulaat ('voorgelegde stelling')to postulate ('eisen')postuler ('eisen')postulieren ('opstellen')
possum (posse)potuikunnen-possible ('mogelijk')pouvoir ('kunnen'; < Vulg. Lat. potere), possible ('mogelijk')-
posset(hij, zij, het) kon (conj. impf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
possit(hij, zij, het) kan (conj. prae.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potenspotentispotens, potensmachtigpotent ('met seksueel vermogen')potent ('met seksueel vermogen')potent ('met seksueel vermogen')potent ('met seksueel vermogen')
potentiapotentiaef.macht, invloedpotentie ('vermogen'), potentiëel ('mogelijk')potential ('mogelijk')-Potenz ('vermogen'), potentiell ('mogelijk')
poterat(hij, zij, het) kon (impf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potest(hij, zij, het) kanzie possumzie possumzie possumzie possum
potestaspotestatisf.macht, bevoegdheid, gelegenheid----
potuerat(hij, zij, het) had gekund (pqpf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potuerit(hij, zij, het) kon, heeft gekund (conj. pf.); (hij, zij, het) zal gekund hebben (fut. ex.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potuissete hebben gekund (inf. pf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potuisset(hij, zij, het) had gekund (conj. pqpf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potuit(hij, zij, het) kon, heeft gekund (pf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
post, posteadaarna, later--puis ('vervolgens')-
post (prep)achter, nain samenstellingen als 'post-', post scriptum (lett. 'na het geschrevene')in samenstellingen als 'post-', post scriptum (lett. 'na het geschrevene'), post meridium ('na het middaguur'; in tijdsaanduidingen PM)in samenstellingen als 'post-', post scriptum (lett. 'na het geschrevene')in samenstellingen als 'post-', post scriptum (lett. 'na het geschrevene')
posteriposterorumm.nakomelingen-posterity ('toekomst', 'nageslacht'; < posteritas)la postérité ('nageslacht'; < posteritas)-
posteriorposteriorisposterior, posteriuslatera posteriori ('achteraf')posterior ('later')le postérieur ('achterste')a posteriori ('achteraf')
posteruspostera, posterumvolgend, later-preposterous ('absurd'; < praeposterus (lett. 'het eerste het laatst'))--
postquamnadat----
postremotenslotte (bijw.)----
potiorpotissimusliever, verkieslijker----
praevoor; wegens, doorin div. samenstellingen als 'pre-', zoals precedent ('zich eerder voorgedaan hebbend geval'; < prae + cedere ('gaan')), precies (< prae + cisus ('afgehakt')), prehistorie (lett. 'vóór de geschiedenis'; < prae + historia)in div. samenstellingen als 'pre-', zoals to precede ('voorgaan'; < prae + cedere ('gaan')), precise (< prae + cisus ('afgehakt')), preposterous ('absurd'; < praeposterus (lett. 'het eerste het laatst')), pregnant ('zwanger')in div. samenstellingen als 'pré-', zoals précéder ('voorgaan'; < prae + cedere ('gaan')), prégnante ('zwanger')in div. samenstellingen als 'prä-', zoals in Präzedenz ('zich eerder voorgedaan hebbend geval'; < prae + cedere ('gaan')), präzise (< prae + cisus ('afgehakt')), Prähistorie (lett. 'vóór de geschiedenis'; < prae + historia)
praedapraedaef.buitprooi ('buit')prey ('prooi'), predator ('roofdier')la proie ('prooi')-
praetervoorbij, behalve-in samenstellingen als 'preter-', zoals preterite ('te maken hebben met het verleden')in samenstellingen als 'prétér', zoals prétérite ('betrekking hebbend op het verleden')-
praetereabovendien----
precor (precari)bidden, smeken-to pray ('bidden'; < Oudfr. preier ('bidden')prier ('vragen')-It. pregare ('vragen')
precesprecumf.smeekbedeprecair ('hachelijk'; < precarius ('afgebedeld'))prayer ('gebed')la prière ('gebed')prekär ('hachelijk'; < precarius ('afgebedeld'))
premo (premĕre)pressi, pressumdrukkenpressie ('druk'), deprimeren ('neerdrukken'; < de ('neer') + premere), prent ('afdruk'; < Oudfr. preindre ('drukken'))to press ('drukken'), pression ('druk'), to print ('afdrukken'; < Oudfr. preindre ('drukken'))presser ('drukken'), la pression ('druk')Printe ('afdruk'; < Oudfr. preindre ('drukken'))
opprimo (opprimĕre)oppressi, oppressumneerdrukken, overweldigenoppressie ('onderdrukking')to oppress ('onderdrukken')opprimer ('onderdrukken'), l'oppression ('onderdrukking')Oppression ('onderdrukking')
pretiumpretiin.betaling, prijs, waardeprijs (< Oudfr. pris ('prijs')), apprecieren ('op prijs stellen'; < ad ('naar ... toe') + pretium)precious ('kostbaar'; < pretium + osus ('vol van')), prize ('prijs'; < Oudfr. pris), to appreciate ('op prijs stellen'; < ad ('naar ... toe') + pretium)le prix ('prijs'), apprécier ('op prijs stellen'; < ad ('naar ... toe') + pretium), précieux ('kostbaar'; < pretium + osus ('vol van'))Preise ('prijs'; < Oudfr. pris ('prijs')), preziös ('kostbaar'; < pretium + osus ('vol van'))
primusprima, primumeersteprimair ('voornaamst'), primeur, primaat ('hoge geestelijke')primary ('voornaamst'), prime ('eerste')primaire ('voornaamst'), premier ('eerst'), le printemps ('lente'; < primus tempus ('de eerste tijd (dwz. seizoen) van het jaar'))primär ('voornaamst'), Primat ('hoge geestelijke')
primo (adv.)eerstz. primusz. primusz. primusz. primus
primum (bijw.)eerst, voor het eerstz. primusz. primusz. primusz. primus
princepsprincipism.eerste, voornaamste, keizerprinsprince, principal ('schoolhoofd')le prince, principalPrinz
principiumprincipiin.beginprincipe ('beginsel')principle ('beginsel')le principe ('beginsel')Prinzip ('beginsel')
priorpriorisprior, priuseerder, beterprioriteit ('voorrang')priority ('voorrang'), prior ('overste')prieur ('eerder'), la priorité ('voorrang')Priorität ('voorrang')
priuseerder, vroeger, tevoren; liever (onz./bijw.)----
priusquamvoordat----
privatusprivata, privatumvan een gewoon burger, particulierprivacy ('persoonlijke vrijheid'; < Eng. privacy), privé ('eigen'), privaat ('wc'; < afk. v. domus privata)privacy ('persoonlijke vrijheid'), private ('eigen')privé ('eigen')privat ('eigen')
provóór, in de plaats van, als; in verhouding tot'pro' zijn ('ergens voor zijn'), in samenstellingen als 'pro-' (e.g. progressie (in samenstellingen als 'pro-' (e.g. pronoun ('voornaamwoord')-'Pro' sein ('ergens voor zijn'), in samenstellingen als 'pro-' (e.g. Progression (quid pro quo ('het ene voor het andere')
probo (probare)goedkeuren, aannemelijk makenproberen, proeven (< Oudfr. prover ('proberen'))to prove ('bewijzen'), proof ('bewijs'; < Oudfr. preuve < Lat. proba), probable ('mogelijk')prouver ('bewijzen'), la preuve ('bewijs'), probable ('mogelijk')probieren ('proberen')
proculop enige afstand----
proeliumproeliin.gevecht----
proficiscor (proficisci)profectus sumvertrekken----
promptusprompta, promptumopenbaar, beschikbaar; snel; geneigd totprompt ('vlot')prompt ('vlot')-prompt ('vlot')Sp. & It. pronto
prope (adv)dichtbij, bijna----
prope (prep)dichtbij----
propinquuspropinqua, propinquumnabij----
propiorpropiorispropior, propiusdichterbij--proche ('dichterbij')-
propero (properare)zich haasten, haastig doen----
propriuspropria, propriumeigenpropriëtieit ('eigendom'; < proprietas), proper ('zindelijk')property ('eigendom, land'), proper ('geschikt')la proprieté ('eigendom'), propre ('eigen')-
propterwegens----
protinusdirect (adv.)----
provinciaprovinciaef.ambtsterrein, provincieprovincieprovincela province, la ProvenceProvinz
proximusproxima, proximumnaaste, dichtstbijproximiteit ('nabijheid')proximity ('nabijheid')la proximité ('nabijheid')-
proximi (mv.)proximae, proximanaaste verwanten----
publicuspublica, publicumvan het volk, openbaarpubliek ('openbaar'), publiciteitpublic ('openbaar'), publicity, to publish ('uitbrengen')public ('openbaar'), la publicité ('openbaarheid')publik ('openbaar'), Publizität ('publiciteit')
pudorpudorisf.schaamte, eergevoel--la pudeur ('bescheidenheid')-
pudet meik schaam mij----
puellapuellaef.meisje----
puerpuerim.jongenpueriel ('kinderlijk')puerile ('kinderlijk')puéril ('kinderlijk')pueril ('kinderlijk')
pugnapugnaef.gevecht--le poing ('vuist')-
expugno (expugnare)veroveren----
pugno (pugnare)vechten----
pulcherpulchra, pulchrummooi----
puto (putare)menendispuut ('redetwist'; < dis ('uit elkaar') + putare)dispute ('redetwist'; < dis ('uit elkaar') + putare), deputy ('vice-'; < de ('van ... af') + putare)la dispute ('redetwist'; < dis ('uit elkaar') + putare)impfen ('vaccineren'; in + putare)
quawaar (langs)qua ('in de hoedanigheid van')qua ('zoals')-qua ('middels')
quaero (quaerĕre)quaesivi, quaesitumzoeken, vrageninquisitie ('kerkelijke rechtbank' < Lat. in + quaesitum), kwestie ('vraag' < Lat. quaesitum), enquête ('onderzoek' < Fr. < Lat. in + quaesitum)question ('vraag'), quest ('zoektocht'), to inquire ('vragen naar' < Lat. in + quaero)quérir ('zoeken'), l'acquisition ('het verkrijgen' < Lat. ad + quaesitum), l'inquisition ('streng onderzoek'< Lat. in + quasitum), l'enquête ('vragenonderzoek' < Lat. in + quaesitum)Quästion ('kwestie' < Lat. quaesitum)
qualisqualis, qualehoedanig?, zodanig alskwalificatie ('toekenning v/e eigenschap' < Lat. qualificatio < qualis + facio), kwaliteitto qualify ('kwalificeren' < Lat. qualificatio < qualis + facio), quality ('kwaliteit')quel, qualifier ('kwalificeren'), la qualité ('kwaliteit')Disqualifikation ('uitsluiting v/e wedstrijd' < Lat. dis + qualis + facio)
quamhoe(zeer), zoals; (na compar.) dan----plusquamperfectum ('meer dan voltooid' < Lat. plus + quam + perfectum)
quamquamhoewel--le cancan ('roddel')-
quamvis (voewg.)hoewel , hoe ... ook (adv.)----
quandowanneer?, eens, ooit; omdatcue ('aanwijzing voor acteur' < Eng. cue = q < Lat. quando)cue ('aanwijzing voor acteurs' < afkorting quando)quand ('wanneer')-
quantusquanta, quantumhoe groot?, zo groot alskwantum ('hoeveelheid'), kwantiteit ('hoeveelheid'), kwantificeren ('hoeveelheid aangeven' < Lat. quantus + facio)quantum ('aantal'), to quantify ('hoeveelheid vaststellen' < Lat. quantus + facio), quantity ('hoeveelheid')quant ('hoeveel'), la quantité ('hoeveelheid'), quantitatif ('hoeveelheid aangevend')Quantum ('aantal'), quantifizieren ('hoeveelheid vaststellen' < Lat. quantus + facio)
quantohoeveel, hoezeer----
quanto ... tantohoe ... des te----
quantum (bijw.)hoeveel, hoezeerzie quantuszie quantuszie quantuszie quantus
quarewaarom?----
quasialsofquasi ('zogenaamd')quasi- ('soort van'), as if! (uitdrukking, letterlijke vertaling quasi)quasi ('alsof')quasi ('alsof')
excutio (excutĕre)excutio, excussi, excessumafstoten, afschudden----
quattuor (onverbuigbaar)vierkwadraat ('vierkant'; < Lat. quadratum ('vierkant') < quattuor), katern ('deel v/e boek'; < Lat. quaterni ('telkens vier', vellen papier werden viermaal gevouwen i/d M.E.)), kader ('lijst'; < It. quadro < Lat. quadrum ('vierkant') < quattuor)quad- ('vier-'), quatrain ('vierregelig stanza'), quadrant ('zes uur' < Lat. quadrans < quattuor)quatre ('vier'), le cahier ('schrift' < Lat. quaterna ('vier vellen') < quaterni ('telkens vier')), le cadre ('kader)-
quartusquarta, quartumvierdekwart ('één vierde'), kwartaal ('drie maanden'), kwartetquarter ('één vierde'), quartet ('muzikaal ensemble')quart ('vierde'), le quartier ('wijk'), le quartet ('muzikaal ensemble')Quartal ('drie maanden'), Quartier ('onderkomen' < Fr. quartier ('wijk'))
-queen----
quemadmodumhoe?; zoals----
queor (queri)questus sumklagen--quereller ('ruzie maken')-
qui, quae, quod (pron. rel.)cuiusdie, dat, (pron. interrogativum) welke--qui, que-
quiaomdat----
quicumque, quaecumque, quodcumquecuiuscumqueieder(e) willekeurige, wie ook maar, wat ook maar--quiconque ('ieder die')-
quidam (zelfst.)cuiusdamquiddamiemand, een zekere--le quidam ('individu')-
quidam (bijv.)cuiusdamquaedam, quoddamzekere; enkele, enige----
quidem(benadrukt voorgaand woord), althans----
quidem ... sedweliswaar ... maar----
quiesquieif.rust, slaap-quiescent ('rustig'), tranquility ('kalmte' < Lat. tranquilitas < trans + quies)la quiétude ('rust')-
quietusquieta, quietumrustigkwijt ('verloren hebbend' < Fr. quitte ('vrij van') < Lat. quietus)quiet ('stil')quitte ('vrij van')quieto ('rustig')
quin + conj.waarom niet?, (na ontkennende hoofdzin) dat, of; die niet----
quin etiamja zelfs----
quinquevijfkwintet ('muzikaal ensemble')quintet ('muzikaal ensemble')cinq, quinze, le quintette ('muzikaal ensemble')-Spaanse/Portugese quinta ('boerderij' < eenvijfde deel was bedoeld voor huur)
quippeimmers-quip ('geestigheid' < ironisch gebruik van quippe)--
quis, quid (zst.)cuiuswie, wat, welke, na si, nisi, num, ne: = aliquiskwibus ('dwaas' < Lat. quibus), quiz ('vragenspel' < Eng. < Lat. quis es)quiz ('vragenspel' < Lat. quis es)--Q.E.D. ('hetgeen dat bewezen moest worden', wiskundige uitdrukking < Quod Erat Demonstrandum)
qui, qua/quae, quod (bijvoegl.)cuiuseen (of ander), enig----
quis?cuiuswie?, wat?----
quid?cuiuswat?; waarom?-quidnunc ('roddelaar' < Lat. quid + nunc (iemand die steeds 'wat nu' vraagt))quoi-
qui? (bijvoegl.)cuiuswelke?----
quisquam, quicquamcuiusquamiets (met nadruk, in negatieve zin); ook: et quis----
(unus)quisque (zst.)(unius)cuiusqueieder(een), (+ superl) juist----
(unus)quisque + superlativus(unius)cuiusquejuist----
quisque (bijvoegl.)cuiusqueieder, elk----
quisquis, quidquidwillekeurig wie, wie ook maar----
quowaarheen, naarmate; +coni.: opdat (daardoor)----
quo +coni.:opdat (daardoor), (zonder coni.) waarheen; naarmate----
quod (voegw.)omdat, dat----
quomodohoe; zoals--comme ('zoals' < Vulg. Lat. como < Lat. quomodo)-
quondameens----
quoniamaangezien, omdat----
quoqueook----
quot (onverbuigbaar)hoeveel?; zoveel alsquota ('aandeel'), quotatie ('aanhaling' < Mdd. Lat. quotatio ('cijfers i/d rand v/e boek aanbrengen'))quote ('aanhaling' < Mdd. Lat. quotatio ('nummers aanbrengen i/d kantlijn v/e boek'))le quota ('aandeel'), la cote ('cijfer'), quotidien ('dagelijks' < Lat. quot + dies)-
quotienshoe vaak?, zo vaak alsquotiënt ('uitkomst v/e som')quotient ('uitkomst v/e som')le quotient ('uitkomst v/e som)Quotient ('uitkomst v/e som')
rapio (rapĕre)rapio, rapui, raptummeesleuren, rovenravijn (< Fr. ravin ('bergkloof') < Fr. ravine ('bergkloofbeek') < Oudfr. raviner ('zich neerstorten') < Oudfr. ravine ('gewelddadige gebeurtenis') < Lat. rapina ('roof')), ravage ('verwoesting'; < Fr. ravir < Vulg. Lat. rapio (v. rapire))to rape, rapacity ('roofzucht'; < Lat. rapax ('roofzuchtig')), surreptitious ('stiekem'; < sub + rapio ('van onderen roven'))le rapt ('ontvoering'), ravir ('roven'), ravage ('verwoesting'; < Vulg. Lat. rapio (v. rapire)), la rapine ('roof'), le rapace ('roofvogel'; < Lat. rapax ('roofzuchtig'))-
eripio (eripĕre)eripio, eripui, ereptumwegrukken, ontroven----
rarusrara, rarumverspreid, zeldzaam, schaarsraar, rariteit ('zeldzaamheid'; < Lat. raritas)rare ('zeldzaam'), rarity ('zeldzaamheid'; < Lat. raritas)rare ('zeldzaam'), la rareté ('zeldzaamheid'; < Lat. raritas), rarissime ('heel zeldzaam'; < rarissimus (superl. v. rarus))rar, Rarität ('zeldzaamheid'; < Lat. raritas)
ratiorationisf.(be)rekening, verantwoording; verstand; planratio ('rede'), rantsoen ('portie voor één persoon')ratio ('rede'), ration ('rantsoen', 'portie voor één persoon'), rational ('rationeel')la raison ('rede'), la ration ('rantsoen', 'hoeveelheid'), rationnel ('rationeel')Ration ('rantsoen'), rationell ('rationeel')
recensrecentisrecens, recensvers, nieuwrecentrecent, to rinse ('uitspoelen'; < Oudfr. reincier < Vulg. Lat. recentio ('vers maken')récent-
rego (regĕre)rexi, rectumregeren, leiden, sturenregeren, regel (< Lat. regula < rego), regime ('regeringsstelsel'; < Lat. regimen < rego), regiment ('legerafdeling'; < Fr. régiment < Lat. regimentum ('bestuur'))rule (< Lat. regula ('regel') < rego), regent, rail ('balk'; < Oudfr. reille < Lat. regula ('maatstaf') < rego), regiment ('legerafdeling'; < Fr. régiment < Lat. regimentum ('bestuur')), regime ('regeringsstelsel'; < Lat. regimen < rego)régir, le régent, le régiment ('legerafdeling'; < Lat. regimentum ('bestuur')), le régime ('regeringsstelsel'; < Lat. regimen < rego), la règle (< regula ('regel') < rego)Regent, Regiment ('legerafdeling'; < Fr. régiment < Lat. regimentum ('bestuur')), Regime ('regeringsstelsel'; < Lat. regimen < rego)
rectusrecta, rectumrecht, goed, juistrecht, rectificeren ('rechtzetten'; < rectus + facio ('recht zetten'))to rectify ('rechtzetten'; < rectus + facio ('recht zetten'))rectifier ('rechtzetten'; < rectus + facio ('recht zetten'))rektifizieren ('rechtzetten'; < rectus + facio ('recht zetten'))
regat(hij, zij, het) leidt/regeert (conj. prae.)zie regozie regozie regozie rego
reget(hij, zij, het) zal leiden/regeren (fut.)zie regozie regozie regozie rego
regidat. enk. van rex; inf. prae. pass. van regozie rexzie rexzie rexzie rex
reginareginaef.koningin----
regit(hij, zij, het) leidt/regeert (ind. prae.)zie regozie regozie regozie rego
regiusregia, regiumkoninklijk----
regno (regnare)koning zijn, heersen-to reign, regnant ('heersend')--
regnumregnin.koningschap, koninkrijk-reign--
rex, regisregism.koning-regal ('koninklijk')le roi (< Oudfr. rei)-
surgo (surgĕre)surrexi, surrectumzich oprichten, opstaan-to surge ('golven', 'dringen', 'opwellen'), source ('bron')surgir ('verrijzen'), la source ('bron')-
regioregionisf.richting, streekregioregionla régionRegion
remediumremediin.(genees)middelremedieremedyle remède ('geneesmiddel')Remedium
repenteplotseling----
reor (reri)ratus summenen----
ratus + A.C.I.rata, ratumin de mening dat ...----
resreif.zaak, gebeurtenis; ding, gevalreëel, rebusreal, rebusreél, le rébusreell, Rebus
res adversaererum adversarumf.tegenspoed----
res gestaererum gestarumf.daden, maatregelen, krijgsdaden----
res novaererum novarumf.revolutie, omwenteling----
res publicarei publicaef.staatrepubliekrepublicla républiqueRepublik
res secundaererum secundarumf.voorspoed----
respondeo (respondēre)responsi, responsumantwoorden, beantwoorden, vergeldenrespons ('reactie'), correspondentie ('briefwisseling'; < con + respondeo ('met antwoorden'))response ('reactie'), responsible ('verantwoordelijk'), correspond ('overeenkomen', 'corresponderen'; < con + respondeo ('met antwoorden'))la réponse ('reactie'), responsable ('verantwoordelijk'), répondre ('antwoorden')Korrespondenz ('briefwisseling'; < con + respondeo ('met antwoorden'))
reusreim.aangeklaagde, schuldige----
rideo (ridēre)risi, risumlachenriant ('aantrekkelijk', 'ruim'; < Fr. riant ('bekoorlijk') < Fr. rire ('lachen') < Lat. rideo)ridiculous ('lachwekkend'; < Lat. ridiculosus), derision ('spot'; < de + rideo ('omlaag lachen'))rire ('lachen'), ridicule ('lachwekkend'; < Lat. ridiculosus), la dérision ('spot'; > de + rideo ('omlaag lachen'))-
riparipaef.oeverrivier (< Vulg. Lat. riparia ('gebied langs een waterloop') < riparius ('bij de oever gelegen') < ripa), arriveren ('aankomen'; < Oudfr. ariver ('aan land gaan') < Vulg. Lat. arripo < ad + ripa ('naar oever'))to arrive ('aankomen'; < Oudfr. ariver ('aan land gaan') < Vulg. Lat. arripo < ad + ripa ('naar oever'))la rive ('oever'), la rivière (< Vulg. Lat. riparia ('gebied langs een waterloop') < riparius ('bij de oever gelegen') < ripa), arriver ('aankomen'; < Oudfr. ariver ('aan land gaan') < Vulg. Lat. arripo < ad + ripa ('naar oever'))Revier ('gebied'; < Vulg. Lat. riparia ('gebied langs een waterloop') < riparius ('bij de oever gelegen') < ripa), arrivieren ('aankomen'; < Oudfr. ariver ('aan land gaan') < Vulg. Lat. arripo < ad + ripa ('naar oever'))
roburroborisn.hard hout, kracht; het sterkste deelrobuust ('stevig'; < Lat. robustus < robur)to corroborate ('verstevigen'; < con + robur ('samen kracht')), robust ('stevig'; < Lat. robustus < robur)corroborer ('verstevigen'; < con + robur ('samen kracht')), robuste ('stevig'; < Lat. robustus < robur)robust ('stevig'; < Lat. robustus < robur)
rogo (rogare)vragenarrogant (< ad + rogo ('erbij vragen')), karwei (< Fr. corvée < Lat. corrogata (ppp. v. corrogo) < con + rogo ('samen vragen')), corvee (< Fr. corvée < Lat. corrogata (ppp. v. corrogo) < con + rogo ('samen vragen')), surrogaat ('vervangingsmiddel'; < sub + rogo ('onder vragen'))arrogant (< ad + rogo ('erbij vragen')), corvee (< Fr. corvée < Lat. corrogata (ppp. v. corrogo) < con + rogo ('samen vragen')), surrogate ('vervangingsmiddel'; < sub + rogo ('onder vragen'))arrogant (< ad + rogo ('erbij vragen')), la corvée (< Lat. corrogata (ppp. v. corrogo) < con + rogo ('samen vragen')), déroger ('afwijken'; < de + rogo ('uit vragen'))arrogant (< ad + rogo ('erbij vragen')), Surrogat ('vervangingsmiddel'; < sub + rogo ('onder vragen'))
Romamnaar Rome (bij ww. van gaan)----
Romaete Rome----
Romanus (bijv. nw.)RomeinsRomeins, Romaans, roman (< Oudfr. romanz < Vulg. Lat. romanice scribo ('in het Latijn schrijven') < Lat. romanicus < Romanus)Roman, romance (< Oudfr. romanz < Vulg. Lat. romanice scribo ('in het Latijn schrijven') < Lat. romanicus < Romanus)romain, roman, le roman (< Oudfr. romanz < Vulg. Lat. romanice scribo ('in het Latijn schrijven') < Lat. romanicus < Romanus)römisch, Roman
Romanus (zst. nw.)RomeinRomeinRomanromainRomane
rumorrumorism.gerucht, gepraatrumoerrumor-Rumor
rumpo (rumpĕre)rupi, ruptumbrekenabrupt ('opeens'; < abruptum (ppp. v. abrumpo) < ab + rumpo ('weg breken')), route (< Fr. rute <* Lat. via rupta ('gebaande weg')), ruiter (< Oudfr. rotier ('struikrover') < rote ('kleine groep krijgslieden') < Mdd. Lat. rupta ('struikroverbende') < ruptum (ppp. v. rumpo)), interrumperen ('onderbreken'; < inter + rumpo ('tussen breken')), bankroet ('failliet'; < Fr. banqueroute < It. banca rotta < ruptum (ppp. v. rumpo))abrupt ('opeens'; < abruptum (ppp. v. abrumpo) < ab + rumpo ('weg breken')), route (< Fr. rute <* Lat. via rupta ('gebaande weg')), to interrupt ('onderbreken'; < inter + rumpo ('tussen breken')), bankrupt ('failliet'; < Fr. banqueroute < It. banca rotta < ruptum (ppp. v. rumpo)), rupture ('breuk'), to disrupt ('verscheuren', 'verstoren'; < dis + rumpo ('uiteen breken'))rompre ('breken'), la route (< Fr. rute <* Lat. via rupta ('gebaande weg')), la rupture ('breuk'), abrupt ('opeens'; < abruptum (ppp. v. abrumpo) < ab + rumpo ('weg breken')), interrompre ('onderbreken'; < inter + rumpo ('tussen breken'))Route (< Fr. rute <* Lat. via rupta ('gebaande weg'))
corrumpo (corrumpĕre)corrupi, corruptumvernielen, bederven, omkopencorrumperen ('bederven')to corrupt ('bederven')corrompre ('bederven')korrumpieren ('bederven')
rupesrupisf.rots----
ruo (ruĕre)rui, rutuminstorten, zich in iets storten--ruer ('achteruitslaan')-
obruo (obruĕre)obrui, obrutumbegraven, bedelven----
ruinaruinaef.instorting, val, ondergangruïne ('bouwval'; < ruina ('neervallen van een bouwwerk') < ruo)ruin ('bouwval'; < ruina ('neervallen van een bouwwerk') < ruo)la ruine ('bouwval'; < ruina ('neervallen van een bouwwerk') < ruo)Ruine ('bouwval'; < ruina ('neervallen van een bouwwerk') < ruo)
rursusopnieuw, terug (adv.)----
sacersacrisacra, sacrumheilig, gewijdsacraal ('heilig')sacred ('heilig'), sacrilege ('heiligschennis' < Lat. sacer + legere ('stelen')), to sacrifice ('offeren' < Lat. sacer + facere)sacre ('heilig'), sacrer ('vloeken'), le sacrifice ('opoffering' < Lat. sacer + facere)sakral ('heilig'), Sakrilegium ('heiligschennis' < Lat. sacer + legere ('stelen'))sacrum ('heiligbeen', relikwie i/e kerk)
saeculumsaeculin.generatie, tijdperk, eeuwseculair ('wereldlijk')secular ('wereldlijk')séculier ('wereldlijk')säkular ('buitengewoon')
saepedikwijls----
saevitiasaevitiaef.wreedheid, woestheid----
saevussaeva, saevumwoest, hardvochtig----
sagittasagittaef.pijl----Sagittarius ('boogschutter', sterrenbeeld)
salussalutisf.behoud, gezondheidsalubriteit ('gezondheid')salubrious ('gezond'), salutary ('gunstig')-salü ('groet')
saluto (salutare)begroeten (als)saluerento salute ('groeten'), salute ('groet')salut ('groet'), saluter ('groeten')Salutation ('begroeting'), salutieren ('groeten')
sanctussancta, sanctumonschendbaar, eerbiedwaardigsint ('heilige'), sanctificatie ('heiligmaking' < Lat. sanctus + facere)saint ('heilige'), to sanctify ('heiligmaken' < Lat. sanctus + facere), sanctuary ('heiligdom' < Lat. sanctus + area ('binnenplaats'))saint ('heilig'), la sanctuaire ('heiligdom' < Lat. sanctus + area ('binnenplaats')), sanctifier ('heiligmaken' < Lat. sanctus + facere)Sanktus ('heilig')
sanguissanguinism.bloedpur sang ('van zuiver ras' < Lat. purus & sanguis)sanguine ('bloedrood'), sanguinary ('bloederig')le sang ('bloed'), sanguin ('bloedrood'), saigner ('bloeden')sanguinisch ('levendig')Sp. sangria ('koude drank van wijn')
sapienssapientissapiens, sapienswijs, verstandig-sapient ('wijs')--
sapientiasapientiaef.wijsheid-sapience ('wijsheid')la sapience ('wijsheid')-
satisgenoeg, nogal, tamelijkzat ('genoeg')to satisfy ('voldoen' < Lat. satis + facere)satisfaire ('voldoen' < Lat. satis + facere), la satisfaction ('voldoending' < Lat. satis + facere)Satisfaktion ('voldoening' < Lat. satis + facere)
saxumsaxin.rots(blok)----
scelusscelerisn.misdaad----
scilicetvanzelfsprekend, zeker----
scio (scire)weten--savoir ('weten'), escient ('verstandig' < Lat. ptc. sciens)-
conscientiaconscientiaef.medeplichtigheid, bewustzijn-conscience ('geweten')la conscience ('geweten')-
nescio (nescire)nesci(v)iniet weten-nescient ('onwetend' < Lat. ptc. nesciens)--
scribo (scribĕre)scripsi, scriptumschrijvenschrijven, scribent ('schrijver'), script ('film-manuscript'), inscriptie ('opschrift' < Lat. inscribere ('opschrijven') < in + scribere), manuscript ('handschrift' < Lat. manus + scribere), postscriptum ('naschrift' < Lat. post + scribere), proscriptie ('vogelvrijverklaring' < Lat. proscriptio ('openlijk te koop aanbieden van veroordeeld persoon'))to scribble ('pennen'), scribe ('schrijver'), script ('geschreven stuk'), description ('beschrijving' < Lat. de + scribere), inscription ('opschrijving' < Lat. inscribere ('opschrijven')), prescription ('recept, voorschrift' < Lat. praescribere ('vooraf schrijven'))écrire ('schrijven'), l'écriture ('schrift'), la transcription ('overschrijving' < Lat. trans + scribere), la description ('beschrijving' < Lat. de + scribere)schreiben ('schrijven'), Schrift ('schrift'), Manuskript ('geschreven werk' < Lat. manus + scribere)
seco (secare)secui, sectumsnijdensectie ('indeling, afdeling'), sector ('afdeling'), sekte ('religieuze aanhangers'), set ('stel, tennisterm' < Fr. sette < Lat. sectus), bissectrice ('lijn die hoek in tweeën deelt' < Lat. bis ('dubbel') + sectare), risico ('gevaar' < Lat. resecare ('afsnijden')), insect (< Lat. insectare ('insnijden'), vanwege gescheiden delen van insectenlichaam)section ('afdeling'), intersection ('kruising' < Lat. inter 'tussen, over' + sectus), dissection ('ontleding' < Lat. di 'uiteen' + sectare), insect (< Lat. insectare 'insnijden'', vanwege gescheiden delen insectenlichaam')scier ('snijden'), le segment ('onderdeel' < Mdd. Lat. segmentum < Lat. sectare), disséquer ('ontleden' < Lat. dissectare), l'insecte (< Lat. insectare ('insnijden'), vanwege gescheiden delen insectenlichaam), l'intersection ('kruising')Sekante ('snijlijn' < Lat. ptc. secans), sezieren ('ontleden'), Vivisektion ('ontleding' < Lat. vivus + secare)
securussecura, securumzonder zorg, onbezorgdzeker, secuur ('zorgvuldig')secure ('veilig'), sure ('zeker'), to assure ('zeker maken' < Fr. assurer < Vulg. Lat. assecurar < ad + securus)la sécurité ('veiligheid'), sûr ('zeker'), assurer ('verzekeren' < Vulg Lat. assecurar < ad + securus)sicher ('zeker'), Assekuranz ('verzekering' < Lat. ad + securus)
sedmaar----
sedeo (sedēre)zittensessie ('zitting'), séance ('spirituele bijeenkomst' < Fr.), sediment ('bezinksel < Fr.')session ('zitting'), sedentary ('zittend')seoir ('passen, worden'), la séance (zitting'), le sédiment ('bezinksel')-
assiduusassidua, assiduumonafgebroken-assidiuous ('onafgebroken')assidu ('regulier')-
consido (considĕre)consedi, consessumgaan zitten----
insidiaeinsidiarumf.hinderlaag-insidious ('verraderlijk')insidieux ('verraderlijk')-
obsesobsidis en vrl.m.gijzelaar----
obsideo (obsidēre)obsedi, obsessumbelegeren, bezet houdenobsessieobsessionl'obsession, obséder ('bezeten zijn')Obsession ('ziekelijke interesse' < Lat. obsessio < obsideo)
possideo (possidere)possedi, possessusbezittenpossessivumto possess ('bezitten'), possession ('bezit'), possessive ('bezittelijk')posséder ('bezitten'), la possession ('bezit'), possessifPossession ('bezit')
praesidiumpraesidiin.bescherming, bezetting, garnizoen---Präsidium ('voorzittend orgaan')
sedessedisf.(zit)plaats, zetelzadelseat ('stoel, zitplaats'), sedan ('draagstoel'), saddle ('zadel')la selle ('zadel')-
semeleenmaal----
singulisingulae, singulaeen voor een, afzonderlijksingulier ('afzonderlijk'), single ('alleenstaand)single ('alleenstaand')singulier ('afzonderlijk')Single ('alleenstaand persoon' < Fr. < Eng.), singulär ('eigenaardig')
semperaltijd----
senexsenism.oud, oude manseniel ('oud, afgetakeld')senile ('oud'), senior ('oudere' < Lat. comp.)le seigneur ('heer'), sénile ('seniel'), monsieur ('mijnheer')-
senatorsenatorism.senatorsenatorsenatorle sénateurSenator
senectussenectutisf.ouderdom----
senatussenatusm.(toegang tot de) senaatsenaatsenatele sénatSenat
sentio (sentire)sensi, sensumwaarnemen, merken; oordelensensatie ('gewaarwording'), sensor ('waarnemend apparaat' < Eng. < Lat. sensum), sentiment ('gevoel' < Laatlat. sentimentum < sentire)to resent ('kwalijk nemen' < Lat. re + sentire), sentient ('levend')sentir ('voelen'), le sentiment ('gevoel'), le ressentiment ('wrok')Sentiment ('gevoel' < Mdd. Lat sentimentum), Ressentiment ('wrok' < Fr.)
sensussensusm.waarnemingsvermogen, gevoelsensueel ('zinnelijk'), nonsens ('onzin' < Lat. non + sensus)sense ('gevoel'), sensitive ('gevoelig'), sensation ('gewaarwording')le sens ('zintuig'), la sensation ('gewaarwording'), la sensibilité ('gevoeligheid'), sensuel ('zinnelijk')sensitiv ('gevoelig'), Sensor ('waarneemapparaat'), Nonsens ('onzin' < Lat. non + sensus)
sententiasententiaef.meningsententie ('uitspraak')sentence ('zin')la sentence ('vonnis')Sentenz ('spreuk, uitspraak')
septemzevenzevensevensept, la semaine ('week' < Lat. septimana ('zeven dagen'))Septett ('muzikaal stuk voor zeven spelers')September was de zevende maand in de Romeinse kalender
sequor (sequi)secutus sumvolgen, najagensequentie ('opeenvolging')sequent ('volgend'), sequel ('vervolg'), to sue ('aanklagen' < Fr. suer < Laatlat. sequere)suivre ('volgen'), la sequelle ('gevolg')Sequenz ('volgorde' < Lat. sequentia < sequor)
secundusvolgende, tweede, gunstigseconde ('zestigste deel v/e minuut')second ('zestigste deel v/e minuut'), secondary ('tweede')second ('tweede')Sekunde ('seconde'), sekundär ('volgend, tweede')
consequor (consequi)consecutus sumvolgen, bereiken, inhalenconsequentie ('gevolg'), consecutief ('opeenvolgend'), inconsequent ('onregelmatig' < Lat. in + consequentem)consecutive ('volgend'), consequence ('gevolg')la conséquence ('gevolg'), l'inconsequence ('onregelmatigheid')konsequent ('volhardend, voortdurend' < Lat. consequens < consequi)
exsequor (exsequi)exsecutus sumvolgen, nastreven, ten uitvoer brengenexecuteren ('vonnis voltrekken')to execute ('uitvoeren'), execution ('terechtstelling')l'exécution ('terechtstelling')exekutieren ('ter dood brengen')
persequor (persequi)persecutus sumvolgenpersecuteren ('vervolgen' < Fr. < Lat.)to persecute ('vervolgen')persécuter ('volgen')-
sermosermonism.gesprek, (spreek)taal-sermon ('preek')le sermon ('preek')Sermon ('redevoering')
servo (servare)bewaren, behouden, redden; in het oog houdenconserveren ('bewaren'), reserveren ('bewaren')to preserve ('bewaren'), to reserve ('weerhouden'), to observe ('aanschouwen')conserver ('bewaren'), observer ('aanschouwen'), préserver ('behouden')konservieren ('bewaren'), observieren ('aanschouwen')
servusservim.slaafabactis ('secretaris' < Lat servus ab actis ('slaaf van de handelingen'))serf ('dienaar'), serve ('slaaf')le serf ('lijfeigene')-
servaservaef.slavinzie servuszie servuszie servuszie servus
servio (servire)slaaf zijn, dienenserveren ('opdienen'), servies, conciërge ('huisbewaarder' < Fr. concerge < Lat. concergius ('paleiswachter') < cum + servire)to serve ('dienen'), servient ('dienstig'), to deserve ('verdienen' < Lat. deservire ('goed dienen'))servir ('dienen'), desservir ('verdienen')servieren ('dienen'), Server ('degene die begint in tennis)
servitiumservitiin.slavernij, de slavenservice ('dienst')service ('dienst')la service ('dienst')-
servitusservitutisf.slavernij, onderworpenheid----
sexzessemester ('halfjaar' < Lat. semenstris < sex + mensis ('maand')), sextant ('instrument voor plaatsbepaling')-six, sixième, le semestre ('semester')-Spaans: siësta ('middagslaap')
sivoor het geval dat, als, of (misschien)quasi ('zogenaamd' < Lat. qua + si)-quasi ('alsof'), sinon ('anders')-
seu, siveof, hetzij----
siveof, hetzij----
sive ... sive(hetzij) ... hetzij, (of) ... of----
siczo----
sicut(net) zo als----
sidussiderisn.ster, sterrebeeld-to consider ('overwegen' < Lat. considerare ('in ogenschouw nemen') < cum + siderare), desire ('verlangen' < Lat. desideratum < desiderare ('sterren missen'))sidéral ('sterren-'), considérer ('overwegen'), désirer ('verlangen')-
signumsignin.teken, veldteken; beeldsignaal ('teken'), sein ('teken' < Fr. seigne < Lat.), resigneren ('een ambt neerleggen' < Lat. resignare ('zegel verwijderen, aftreden') < re + signare), significant ('veelbetekenend' < Lat. significans < signum + facere), zegel (< Lat. sigillum ('beeldje, zegel') < signum)sign, design ('ontwerp' < Fr. desseign < Lat. designare ('afbeelden') < de + signare), to assign ('toekennen' < Lat. assignare < ad + signare)le signe ('teken'), signer ('ondertekenen'), le seing ('zegel'), l'insignifiance ('onbeduidendheid')Segen ('zegen', via christelijke traditie en beeld v/h kruis), signifikant ('belangrijk' < Lat. significare < signum + facere)
insignisinsignis, insigneopvallend, bekendinsigne ('onderscheidingsteken')-l'insigne ('blazoen')Insignien ('blazoen')
silentiumsilentiin.stilte-silence ('stilte')le silence ('stilte')Silentium ('stilte')
silvasilvaef.bos-savage ('wild' < Fr. sauvage < salvage < Lat. silvaticus ('ongetemd') < silva)sauvage ('wild' < Lat. silvaticus < silva)-
similisgelijk, gelijkend-similar ('vergelijkbaar')le similitude ('gelijkenis')similär ('gelijkend')
simul (adv.)tegelijk, (voegw.) zodraensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))ensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))ensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))simultan ('gelijktijdig')
simul (voegw.)zodra, (adv.) tegelijkensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))ensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))ensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))simultan ('gelijktijdig')
simulo (simulare)doen alsofsimuleren ('veinzen')simulator ('nabootser')sembler ('gelijken')Simulation ('nabootsing'), simulieren
sinezonder----
sino (sinĕre)sivi, situm(toe)laten----
desino (desinĕre)desii, desitumophouden--la désinence ('(naamvals)uitgang')-
sinussinusm.welving, boezem (kleed), binnenste; baaisinus ('meetkundige term'), insinuatie ('zijdelingse verdachtmaking' < Lat. insinuatio ('voor zich winnen van een publiek') < in + sinus 'borst, innerlijk')sinus ('holte'), to insinuate ('verdachtmaken')le sein ('borst'), la sinuosité ('kromming')Sinus ('meetkundige term')cosinus ('meetkundige term' < Lat. cum + sinus)
sociussociim.bondgenoot, deelgenootsociaal, sociologie ('gedragsleer'), sociëteit ('vereniging'), associëren ('verbinden'), socialistsocial ('sociaal'), society ('maatschappij'), to associate ('verbinden' < Lat. ad + sociare), to socialize ('omgaan met mensen')social ('sociaal'), la société ('maatschappij'), socialiser ('socialiseren'), la sociologie, le socialiste ('socialist)sozial ('sociaal'), Sozialismus ('socialisme'), Sozietät ('maatschappij, groep'), Soziologie, Sozius ('vriend')
solsolism.zonparasol ('zonnescherm'), solarium ('zonnebad'), zolder ('bovenste ruimte in een huis' < Lat. solarium ('plek waar zon wordt gevangen, terras, plat dak'))solar ('zonne-')la soleil ('zon'), le parasol ('zonnescherm')Solar- ('zonne-')
solaciumsolaciin.troost-solace ('troost')--
soleo (solēre)solitus sumgewoon zijn-insolent ('brutaal' < Lat. insolens < in + solere), obsolete ('overbodig' < Lat. obsolescere ('verslijten') < ob + solere)l'insolence ('onbeschaamdheid')-
solitus sumik heb de gewoonte gehad, ik deed gewoonlijk (pf.)----
sollicitussollicita, sollicitumverontrust, bezorgdsolliciteren ('naar een betrekking dingen' < Fr.)solicitous ('bezorgd'), to solicit ('lastigvallen')solliciter ('verzoeken')-
solussoliussola, solumalleensolist ('muzikant'), solo ('individueel muziekstuk'), solitaire ('éénpersoons kaartspel')sole ('enig'), solitary ('eenzaam'), solitude ('eenzaamheid'), solo ('individueel muziekstuk')seul ('alleen'), la solitude ('eenzaamheid'), désoler ('verlaten' < Lat. desolare)Solist ('muzikant'), Solo ('individueel muziekstuk'), solitär ('eenzaam')
non solum ... sed etiamniet alleen ... maar ook----
solum(adv.) slechts, alleen----
solumsolin.bodem, grondzool ('onderste deel van een voet')sole ('zool'), soil ('aarde')le sol ('terrein')Sohle ('zool')
solvo (solvĕre)solvi, solutumlosmaken, betalensolutie ('oplossing'), absolutie ('verlossing')solution ('oplossing'), to solve ('oplossen'), to dissolve ('opbreken')la solution ('oplossing'), solvable ('oplosbaar'), la dissolution ('ontbinding')Solvieren ('oplossen')
somnussomnim.slaapinsomnie ('slapeloosheid'), somnambule ('slaapwandelaar' < Lat. somnum + ambulare)insomnia ('slapeloosheid')la somme ('slaap'), sommeiller ('sluimeren'), la somnolence ('slaperigheid')Asomnie ('slapeloosheid')
somniumdroom----
sono (sonare)sonui, sonitumgeluid geven, klinkensonant ('lettergreepvormde klank'), consonant ('medeklinker'), persoon ('individu' < Lat. persona < per + sonare ('doorklinken'), te maken met maskers in Romeins theater)sound ('geluid' < Fr. son < Lat.), dissonant ('vals, niet overeenstemmend' < Lat. dissonare)sonner ('luiden'), la sonnette ('belletje')sonor ('welluidend'), Sonar ('onderwaterdetectiemiddel')
sororsororisf.zuster-cousin ('neef, nicht' < Lat. consobrinus ('nicht') < con + sobrinus 'neef'), sorority ('vrouwengemeenschap')la soeur ('zus')-
sorssortisf.lot, orakelsoort ('categorie' < Fr. < Lat.), assortiment ('aanbod' < Fr. assortir ('naar soort bijeenzoeken') < Lat. ad + sortiri 'loten')sort ('soort'), to sort ('uitzoeken'), sorcery ('tovenarij' < Mdd. Lat. sortarius ('tovenaar, waarzegger'))le sort ('lotsbestemming'), la sorte ('soort'), sortir ('uitgaan, uitkomen'), sorcier ('betoveren')Sorte ('soort'), sortieren ('verdelen, indelen' < Lat. sortiri < sors), Ressort ('afdeling, gebied' < Fr. ressortir < Lat.)
spargo (spargĕre)sparsi, sparsum(be)strooienspaars ('zeldzaam')sparse ('vespreid')épars ('verstrooid')-
spatiumspatiin.ruimte, afstand; tijdsduurspatie ('tussenruimte'), spatiaal ('ruimtelijk')space ('ruimte'), spacious ('ruim')l'espace ('ruimte')spazieren ('slenteren')
specto (spectare)(be)kijken, het oog hebben op, beogenspectakel ('schouwspel'), spectrum ('scala')spectacle ('aangezicht, spectakel'), spectator ('aanschouwer'), to expect ('verwachten' < Lat. expectare)le spectateur ('aanschouwer')retrospektiv ('terugkijkend' < Lat. retro + spectare)
aspicio (aspicĕre)aspicio, aspexi, aspectumaanschouwenaspect ('aanzicht')aspectl'aspect ('aanblik')-
conspectusconspectusm.aanblik, gezicht----
conspicio (conspicĕre)conspicio, conspexi, conspectumontwaren-conspicuous (opvallend')--
exspecto (exspectare)afwachten, verwachtenexpectatief ('afwachtend'),to expect ('verwachten'), expactation ('verwachting')l'expectative ('vooruitzicht'), expectant ('afwachtend')-
respicio (respicĕre)respcio, respexi, respectumomkijken naar, zorgen voorrespect ('eerbied'), respectievelijk ('opeenvolgend'), respijt ('uitstel' < Fr. respit)to respect ('waarderen'), respective ('respectvol')respecter ('waarderen'), respectif ('respectievelijk'), respectable ('achtenswaardig')-
speciesspecieif.aanblik, schijnspecerij ('kruid' < Mdd. Lat. species ('handelswaar')), speciaal ('bijzonder'), specificeren ('afzonderlijk opgeven' < Mdd. Lat. specificare < species + facere)species ('soort'), spice ('kruid'), especial ('bijzonder' < Lat. specialis), specific ('bijzonder')l'épice ('kruid'), spécial ('bijzonder'), spécifier ('afzonderlijk aangeven' < Mdd. Lat. specificare < species + facere)Spezerei ('kruiden') < Mdd. Lat. species ('goederen'))
spectaculumspectaculischouwspelspectakel ('schouwspel')spectacle ('spectakel')le spectacle ('spectakel')Spectakel
spesspeif.hoop--l'espoir ('hoop')-
spero (sperare)hopendesperaat ('wanhopig' < Lat. desperare ('wanhopen') < de + sperare)desperate ('wanhopig' < Lat. desperare ('wanhopen') < de + sperare'), to prosper ('bloeien' < Lat. prosperare ('voorspoedig verlopen') < pro + sperare)espérer ('hopen'), prospérer ('bloeien')Sperenzchen ('moeilijkheden')Esperanto ('kunsttaal')
spiritusspiritusm.adem, geest; hoogmoedesprit ('geest'), spiritisme ('geloof in contact met de doden'), spiritueel ('geestig')spirit ('geest', later ook 'sterke drank'), spiritual ('geestelijk')l'esprit ('geest'), spirituel ('geestelijk')Spiritismus ('geestenleer'), Spirituosen ('sterkedranken')
statuastatuaef.standbeeld-statue ('beeld')la statue ('beeld')Statue ('standbeeld')
statuo (statuĕre)statui, statutumplaatsen, vaststellen; besluitenstatuut ('voorschrift'), statueren ('verordenen'), substituut ('plaatsvervanger'), prostitueren ('hoereren')destitute ('verlaten' < Lat. destituere ('achterlaten') < de + statuere), substitution ('vervanger'), to prostitute ('hoereren')statuer ('verordenen')statuieren ('opstellen')
constituo (constituĕre)constitui, constitutumopstellen, vaststellen, bepalenconstitueren ('vaststellen')to constitute ('vormen')la constitution ('oprichting')Konstitution ('opbouw'), konstituieren ('vastzetten')
instituo (instituĕre)instellen, oprichten, beginnen; onderwijzeninstituut ('instelling')institution ('instelling')l'institution ('instelling')instituieren ('regelen')
sterno (sternĕre)stravi, stratumuitspreiden, ter aarde werpen, effenenstraat ('weg' < Lat. strata < stratum), consternatie ('ontsteltenis' < Lat. consternere < cum + sternere)street ('weg' < Lat. strata < stratum), consternation ('ontsteltenis')l'estrade ('weg')Straße ('weg')
sto (stare)steti, statumstaan, blijven bijstaan, staat ('toestand'), statief ('voetstuk'), status ('maatschappelijk aanzien'), statistiek ('gegevensinterpratieleer'), constant ('onveranderlijk' < Lat. constare < cum + stare), resteren ('overblijven' < Fr. < Lat. restare < re + stare)to stay ('blijven'), constant ('blijvend' < Lat. constare < cum + stare), distance ('afstand' < Lat. distare ('uit elkaar staan')), substance ('essentie, materiaal' < Lat. substantia < sub + stare)ester ('staan'), la distance ('afstand' < Lat distare ('uit elkaar staan'))Statistiek ('gegevensinterpratieleer'), Statist ('bijrol'), Stativ ('ondersteuningspaaltje'), Kontrast ('tegenstelling' < Lat. contra + stare)
constatconstitithet staat vast + A.C.I.constateren ('vaststellen')-constater ('vaststellen')konstatieren ('vaststellen')
insto (instare)institiop de hielen zitten, aandringeninstantie ('rechtbank' < Mdd. Lat. instantia ('rechtsgang'))instant ('direct')l'instance ('autoriteit')Instanz ('rechtsbank' < Lat. instantia)
obsto (obstare)obstiti, obstatumstaan voor, hinderenobstakel ('hindernis')obstacle ('hindernis')l'obstacle ('hindernis')-
praestathet is beter----
praesto (praestare)praestiti, praestatumuitblinken, aan de dag leggenpresteren ('verrichten')-la prestance ('aanwezigheid')-
consisto (consistĕre)constitigaan staan, blijven staanconsistent ('duurzaam')to consist ('bestaan (uit)'), consistence ('samenhang')consister ('bestaan')konsistent ('duurzaam')
resisto (resistĕre)restitistil staan, weerstand biedenresistent ('weerstandig')to resist ('weerstaan'), resistance ('weerstand')résister ('weerstaan')Resistenz ('weerstand'), resistent ('weerstandig')
statimmeteen, direct----
strepitusstrepitusm.lawaai----
instruo (instruĕre)instruxi, instructumordenen, voorzien vaninstructie ('opdracht')to instruct ('opdragen')instruire ('opdragen')instruieren ('leren'), Instruktion ('opdracht')
studiumstudiin.inzet, ijver, streven, toewijding, sympathiestudie ('bestudering v/e bepaald vak'), studio ('atelier')study ('bestudering v/e vak'), studio ('atelier')l'étude ('studie')Studie ('leerrichting')
stultusstulta, stultumdom----
suadeo (suadēre)suasi, suasumaanraden, (ervan) overtuigen-persuasion ('overtuiging' < Lat. persuadere < per + suadere)persuasif ('overtuigend')-
sub + abl.onder, aan de voet van, tijdens----
sub + acc.onder, kort voor of na----
sui, sibi, sezichzelfsuïcide ('zelfmoord' < Lat. sui + caedere)suicide ('zelfmoord' < Lat. sui + caedere)se ('zich'), suicide ('zelfmoord' < Lat. sui + caedere)Suizid ('zelfmoord')
sezich, hem, haar, hen; in A.c.I.: hij, zij (enk.), zij (mv.); abl. ev./mv. van seper se ('stellig')per se ('stellig')--
secumis: cum se----
sibidat. enk./mv. van se----
suussua, suumzijn, haar, hun eigen--son, sa-
suisuorumsuae, suade zijnen (hunnen), zijn (hun) verwanten, aanhangers----
sum (esse)fuibestaan, zijn (als koppelww)essentie ('het wezen'), essence ('aromatisch aftreksel', vanuit alchemie overgenomen), entiteit ('het wezenlijke' < Mdd. Lat. entitas < esse)essence ('wezen'), entity ('wezen'), present ('heden')être, l'entité ('wezen')Essenz ('wezen'), essentiell ('wezenlijk'')
absum (abesse)afuiafwezig -, verwijderd zijnabsent ('afwezig')absence ('afwezigheid')absent ('afwezig')absent ('afwezig')
adsum (adesse)adfuiaanwezig zijn, steunen, bijstaan----
desum (deesse)defuiontbreken, te kort schieten----
erat(hij, zij, het) was----
erant(zij) waren (impf.)----
erit(hij, zij, het) zal zijn----
esset(hij, zij, het) was (conj. impf.)----
est(hij, zij, het) is----
forete zullen zijn (= futurum esse)----
fuerat(hij, zij, het) was geweest (pqpf.)----
fuerit(hij, zij, het) is geweest, was (conj. pf.); (hij, zij, het) zal zijn geweest (fut. ex.)----
fuissete zijn geweest (inf. pf.)----
fuisset(hij, zij, het) was geweest (conj. pqpf.)----
fuit(hij, zij, het) is geweest, was (pf.)----
futurusfutura, futurumptc. fut. van essefuturisme ('kunstrichting')future ('toekomst')le futur ('toekomst')futurisch ('toekomstig')
futurum essete zullen zijn----
intersum (interesse)interfuiliggen tussen, verschillen, aanwezig zijninteresseinterest ('interesse')intéresser ('aandacht hebben voor')interessant ('aandachtswaardig'), interessieren ('aandacht besteden')
interesthet maakt verschil, het is van belanginteresseinterest ('interesse')l'intérêt ('belang')interessant ('aandachtswaardig'), interessieren ('aandacht besteden')
praesenspraesentispraesens, praesensaanwezig, tegenwoordigpresent ('aanwezig')present ('heden, aanwezig')presenter ('aanwezig zijn')präsent ('aanwezig')
prosum (prodesse)profuivoordelig zijnproost (prosit = praes. con. 3.ev.)proud ('trots' < Laatlat. prode ('gunstig'))preux ('dapper'), prudent ('voorzichtig')prosit ('proost' = praes. con. 3. ev.)
sit(hij, zij, het) is (conj. prae.)----
supersum (superesse)superfuiover blijven----
summussumma, summumgrootste, hoogste-summit ('top')--summa cum laude ('met de hoogste lof', uitdrukking bij uitreiking van excellente diploma's)
summasummaef.hoofdzaak, totaalsom ('totaal'), summier ('beknopt')sum ('totaal'), summary ('sammenvatting')la somme ('totaal'), le sommaire ('inhoudsopgave')Summe ('totaal'), summieren ('samenvatten')
sumo (sumĕre)sumpsi, sumptumnemenresumeren ('samenvatten' < Lat. re + sumere)sumptuous ('weelderig'), presumption ('aanname' < Lat. pre + sumere), assume ('aannemen' < Lat. ad + sumere)présumer ('veronderstellen' < Lat. prae + sumere), résumer ('samenvatten')-
consumo (consumĕre)consumpsi, consumptumverbruiken, opmaken, bestedenconsumptie ('verbruik'), consumeren ('verbruiken')consumption ('verbruik'), to consume ('verbruiken')consumer ('verbruiken')konsumieren ('verbruiken'), Konsument ('gebruiker')
super (prep)boven (op), behalve
supero (superare)overtreffen, overwinnen, overblijven-insuperable ('onveroverbaar')--
superbiasuperbiaef.trots, overmoed----
superbussuperba, superbumhoogmoedig, tirannieksuperbe ('prachtig' < Fr. < Lat.)superb ('uitstekend')superbe ('prachtig')superb ('prachtig')
superisuperorumm.(hemel)goden----
superussupera, superumzich bevindend boven, zich boven bevindendsuperieur ('hoger'), sopraan ('hoogste vrouwenstem' < It. < Lat.), souverein ('vorst' < Fr. souverain < Lat. superanus < super)-super ('te gek'), le souverain ('vorst')-
supra(er)boven (bijw. en bijv. nw.)----
suppliciumsuppliciin.smeekbede, (dood)straf--la supplication ('smeekbede')Supplikation ('smeekbede')
taceo (tacēre)tacuizwijgen--taire ('zwijgen')-
tacitustacita, tacitumzwijgend, verzwegen, onbesproken-tacit ('stil')tacite ('stil')-
talistalis, taledergelijke, zulke----
talis ... qualiszo(danig) ... als----
tamzo (zeer)----
tamentoch, echter----
tamquamzoals, alsof, als het ware----
tandemtenslotte, (uit)eindelijktandem ('tweepersoonsfiets'; betekenisverandering 'eindelijk' > 'lange rij' > 'achter elkaar')tandem ('tweepersoonsfiets'; betekenisverandering 'eindelijk' > 'lange rij' > 'achter elkaar')tandem ('tweepersoonsfiets'; betekenisverandering 'eindelijk' > 'lange rij' > 'achter elkaar')Tandem ('tweepersoonsfiets'; betekenisverandering 'eindelijk' > 'lange rij' > 'achter elkaar')
tango (tangĕre)tetigi, tactumaanrakentact (< tactum (ppp. v. tango)), intact ('onbeschadigd'; < in + tactum ('niet aangeraakt'))tact (< tactum (ppp. v. tango)), intact ('onbeschadigd'; < in + tactum ('niet aangeraakt')), tactile ('tastbaar')le tact (< tactum (ppp. v. tango)), intact ('onbeschadigd'; < in + tactum ('niet aangeraakt')), tactile ('tastbaar')Takt (< tactum (ppp. v. tango)), intakt ('onbeschadigd'; < in + tactum ('niet aangeraakt')), taktil ('tastbaar')
contingo (contingĕre)contigi, contactumaanrakencontact (< contactum (ppp. v. contingo)), contingent ('legergroep')contact (< contactum (ppp. v. contingo))contact (< contactum (ppp. v. contingo)), contingent ('legergroep')Kontakt (< contactum (ppp. v. contingo))
contingithet valt te beurt, het overkomt--contingent ('toevallig')-
tantustanta, tantumzo groot, zo veel----
tantumzoveel--tant ('zoveel')-
tantum ... quantumzoveel ... als----
tantus ... quantuszo groot ... als----
tardustarda, tardumlangzaam-tardy ('traag')tard ('traag')-
taurustaurim.stier--le taureau ('stier')-
tejou, u--te ('jou')-
tecumis: cum te----
tego (tegĕre)texi, tectumbedekken, verbergen, beschermentegel, detecteren ('opsporen'; < detego < de + tego ('uit verbergen'))tile ('tegel'), to detect ('opsporen'; < detego < de + tego ('uit verbergen')), to protect ('beschermen'; < protego < pro + tego ('voor beschermen'))la tuile ('tegel'), détecter ('opsporen'; < detego < de + tego ('uit verbergen')), protéger ('beschermen'; < protego < pro + tego ('voor beschermen'))Ziegel ('tegel')
tectumtectin.daktectyl ('antiroestmiddel')-le toit ('huis')-
tellustellurisf.aarde----
telumtelin.werptuig, speer----
tempero (temperare)in de juiste verhouding brengen, regelen, maat houden, zich matigentemperatuur (< temperatura ('juiste menging')), temperament ('karakter'; < temperamentum ('juiste menging')), temperen ('matigen')temperature (< temperatura ('juiste menging')), temperament ('karakter'; < temperamentum ('juiste menging')), to temper ('matigen'), temperance ('gematigdheid'; < temperantia < tempero)la température (< temperatura ('juiste menging')), le tempérament ('karakter'; < temperamentum ('juiste menging')), tempérer ('matigen'), la tempérance ('gematigdheid'; < temperantia < tempero), tremper ('nat maken'; oorspr. 'water drinken in plaats van wijn')Temperatur (< temperatura ('juiste menging')), Temperament ('karakter'; < temperamentum ('juiste menging')), temperieren ('matigen, op temperatuur brengen')
templumtemplin.gewijd domein, tempeltempel, contemplatie ('overdenking'; < contemplor ('beschouwen') < con + templum ('met waarnemingsveld'))temple, contemplation ('overdenking'; < contemplor ('beschouwen') < con + templum ('met waarnemingsveld')), template ('sjabloon'; < Fr. templet (dimin. v. temple) < Lat. templum)le temple, la contemplation ('overdenking'; < contemplor ('beschouwen') < con + templum ('met waarnemingsveld'))Tempel
tempto (temptare)onderzoeken, proberen, aanvallententamen (< temptamen ('beproeving'))to tempt ('verleiden'), temptation ('verleiding'), to attempt ('proberen'; < attempto < ad + tempto ('naar proberen'))tenter ('verleiden', 'proberen'), la tentation ('verleiding'), la tentative ('poging')-
tempustemporisn.tijd, situatie, omstandighedentempo, contemporain ('hedendaags'; < contemporaneus ('in dezelfde tijd') < con + tempus ('samen tijd'))tempo, contemporary ('hedendaags'; < contemporarius ('in dezelfde tijd') < con + tempus ('samen tijd')), temporary ('tijdelijk'; < temporarius < tempus)le temps ('tijd', 'weer'), temporel ('tijdelijk'), temporaire ('tijdelijk'; < temporarius < tempus), temporiser ('uitstellen'), contemporaire ('hedendaags'; < contemporarius ('in dezelfde tijd') < con + tempus ('samen tijd')), le contretemps ('tegenvaller'; < contra + tempus ('tegen tijd'))Tempo, temporär ('tijdelijk'; < temporarius < tempus)
tempestastempestatisf.tijd, weer, storm-tempest ('storm')la tempête ('storm'), tempêter ('razen')-
tendo (tendĕre)tetendi, tentumspannen, uitstrekken, streventent (< Fr. tente < Mdd. Lat. tenta < Lat. tentum (ppp. v. tendo)), tendens ('trend'), tenderen ('neigen')tent (< Fr. tente < Mdd. Lat. tenta < Lat. tentum (ppp. v. tendo)), tense ('gespannen'), tendency ('trend'), to tend ('neigen')tendre ('strekken', 'neigen'), la tente (< Mdd. Lat. tenta < Lat. tentum (ppp. v. tendo)), la tension ('spanning'), la tenture ('wandbekleding')Tendenz ('trend')
contendo (contendĕre)contendi, contentumzich inspannen, zich haasten; strijdencontentieus ('betwist')to contend ('strijden')le contentieux ('geschil')-
intendo (intendĕre)intendi, intentumspannen, richtenintendance ('legerafdeling'; verkorting v. Mdd. Lat. superintendentia ('toezicht'))to intend ('bedoelen')l'intention ('bedoeling')Intendant ('toneeldirecteur')
intentusintenta, intentum(in)gespannen, in gespannen verwachting, oplettendintens ('hevig'), intensief ('krachtig')intense, intensiveintense, intensifintensiv
ostendo (ostendĕre)ostendi, ostentumtonen, onder ogen brengen-ostentation ('vertoon')l'ostentation ('vertoon')-
tenebraetenebrarum (vrl. mv.)f.duisternis-tenebrous ('donker')les ténèbres ('duisternis')-
teneo (tenēre)tenui, tentumvasthoudenteneur ('strekking'), tenue ('uniform')to maintain ('onderhouden'; < manu teneo ('in de hand houden'))tenir ('vasthouden'), tenace ('vasthoudend'), tenailler ('vastklemmen'), maintenir ('handhaven'), maintenant ('nu')-
contentuscontenta, contentumtevredencontent ('tevreden')content ('tevreden')content ('tevreden')-
contineo (continēre)continui, contentum(bijeen) houdencontainer, continent ('vasteland'), continu, incontinent (< in + contineo ('niet bijeen houden'))to contain ('bevatten'), continent ('vasteland')contenir ('bevatten'), le continent ('vasteland'), continuContainer
obtineo (obtinēre)obtinui, obtentumbezet -, vast houden, in bezit nemen-to obtain ('verkrijgen')obtenir ('verkrijgen')-
pertineo (pertinēre)pertinui, pertentumzich uitstrekken, betrekking hebben op, van belang zijn voorpertinent ('stellig', 'relevant')to pertain ('betrekking hebben op')pertenir ('betrekking hebben op')-
retineo (retinēre)retinui, retentumtegenhouden, vasthouden-to retain ('terughouden')retenir ('terughouden')-
sustineo (sustinēre)sustinui, sustentum(om)hoog houden, uithouden, verdragensouteneurto sustain ('ondersteunen', 'volhouden')soutenir ('ondersteunen', 'volhouden'), souteneur-
tenertenera, tenerumfijn, teertengertender--
tenuistenuis, tenuedun, fijn, nietig, armzalig-tenuous ('dun'), to extenuate ('verzachten'; < extenuo ('uitdunnen'))ténu ('dun'), atténuer ('verzachten'; < attenuo ('verdunnen')), exténuer ('uitputten'; < extenuo ('uitdunnen'))-
tergumtergin.rug----
terraterraef.land, aarde; grondterras, terrein, terriër (< terrarius ('buiten opgegroeid')), territorium, terrarium, souterrain ('kelderverdieping'; < sub + terra ('onder aarde')), parterre ('benedenverdieping'; < Fr. par terre ('op de grond'))terrace, terrain, terrier (< terrarius ('buiten opgegroeid')), terrestrial ('aards'), territory, terrarium, subterranean ('onderaards'; < sub + terra ('onder aarde'))la terre, la terrasse, le terrain, le terrier (< terrarius ('buiten opgegroeid')), le terreau ('potgrond'), le territiore, le souterrain ('kelderverdieping'; < sub + terra ('onder aarde')), parterre ('benedenverdieping'; < Fr. par terre ('op de grond')), atterrir ('landen'; < ad + terra ('naar land')), enterrer ('begraven'; < in + terra ('in aarde')), déterrer ('opgraven'; < de + terra ('uit aarde'))Terrasse, Terrain, Terrier (< terrarius ('buiten opgegroeid')), Terrarium, Parterre ('benedenverdieping'; < Fr. par terre ('op de grond'))
terreo (terrēre)terrui, territumbang maken-to deter ('afschrikken'; < de + terreo ('weg doen schrikken'))--
terribilisterribilis, terribileverschrikkelijk-terribleterrible-
terrorterrorism.angstterreur, terroristterror, terroristla terreur, le/la terroristeTerror, Terrorist
testistestism.getuige----
tibi(aan) jou, (aan) u (dat.)zie tuzie tuzie tuzie tu
timeo (timēre)timuibang zijn, bezorgd zijn voor----
timeo ne + conj.vrezen, bang zijn (voor)zie timeozie timeozie timeozie timeo
timidustimida, timidumangstig, schuchtertimide, intimideren (< in + timidus ('naar angstig'))timid, to intimidate (< in + timidus ('naar angstig'))timide, intimider (< in + timidus ('naar angstig'))Timidität
timortimorism.angst-timorous ('angstig')timoré ('angstig')-
tollo (tollĕre)sustuli, sublatumopheffen, wegnemen; beëindigen----
tolero (tolerare)verdragentolererento toleratetolérertolerieren
torqueo (torquēre)torsi, tortumdraaien, slingeren; martelen, kwellentaart (< Mdd. Lat. torta ('brood', 'baksel')), toorts ('fakkel'; < Fr. torche < Lat. torqua ('iets wat ineengewikkeld is')), torderen ('ineendraaien zodat een spiraalvorm ontstaat'), torsen ('dragen'; < Oudfr. torser ('bij elkaar pakken') < Vulg. Lat. torso < Lat. torqueo)torture, torch ('fakkel'; < Fr. torche < Lat. torqua ('iets wat ineengewikkeld is')), extortion ('afpersing'; < ex + torqueo ('uit draaien')), to distort ('verdraaien'; < dis + torqueo ('uiteen draaien')), to contort ('verwringen'; < con + torqueo ('samen draaien')), to retort ('antwoorden'; < re + torqueo ('terug draaien'))tordre ('draaien'), la tortue ('schildpad'), tortiller ('draaien', 'krullen'), la torture, la torche ('fakkel' < Lat. torqua ('iets wat ineengewikkeld is')), la contorsion ('bocht, lenige beweging'; < con + torqueo ('samen draaien'))-
totzoveel----
totustotiustota, totumgeheeltotaaltotaltouttotal
traho (trahĕre)traxi, tractumtrekken, rekkenabstract (< ab + traho ('weg trekken'), attractie ('aantrekkingskracht'; < ad + traho ('naar toe trekken')), extract ('uittreksel'; < ex + traho ('uit trekken')), traceren ('nasporen'; < Fr. tracer < Vulg. Lat. tractio < Lat. tractus < traho), tractor, trainen (< Fr. traîner ('meeslepen') < Vulg. Lat. *tragino < *trago < Lat. traho))trace ('spoor'; < tractum (ppp. v. traho)), abstract (< ab + traho ('weg trekken'), to attract ('aantrekken'; < ad + traho ('naar trekken')), to extract ('uittrekken'; < ex + traho ('uit trekken')), tractor, to distract ('afleiden'; < dis + traho ('uiteen trekken'))traire ('melken'), tracer ('nasporen'; < Vulg. Lat. tractio < Lat. tractus < traho), traîner ('meeslepen'; < Vulg. Lat. *tragino < *trago < Lat. traho)), l'attraction ('aantrekkingskracht'; < ad + traho ('naar trekken')), l'extraction ('uittrekken'; < ex + traho ('uit trekken'))Traktor, abstrakt (< ab + traho ('weg trekken'), Attraction ('aantrekkingskracht'; < ad + traho ('naar trekken'))
contraho (contrahere)contraxi, contractumsamentrekken, verenigencontract, contraheren ('zich samentrekken')contractle contrat, contracter ('samentrekken')Kontrakt, Kontraktion
detraho (detrahere)detraxi, detractumer van afrukken, wegnemen-to detract ('verminderen')--
tracto (tractare)behandelentraktaat ('verhandeling'), trakteren, trachten ('proberen')treaty ('verdrag'; < Fr. traitié < Lat. tractatus)traiter ('behandelen')Traktat ('verhandeling'), traktieren ('pesten'), trachten ('proberen')
tremo (tremĕre)tremuitrillentrammelant ('ruzie'; < tremulant ('trilllende toon') < Fr. trémuler < Lat. tremulus ('trillend'))to tremble ('trillen'; < Vulg. Lat. tremulo), tremulous ('trilllend'), tremendous ('enorm'; < tremendus (gerundivum v. tremo)), tremor ('huivering')trembler ('trillen'; < Vulg. Lat. tremulo)-
trepidustrepida, trepidumangstig, zenuwachtig-intrépide ('onverschrokken'; < in + trepidus ('niet angstig'))intrépide ('onverschrokken'; < in + trepidus ('niet angstig'))-
trestriumdrie----
tertiustertia, tertiumderde----
trigintadertig----
tribuo (tribuĕre)tribui, tributumverlenen, toekennendistribueren ('uitdelen'; < dis + tribuo ('uiteen verlenen')), contribueren ('bijdragen'; < con + tribuo ('samen verdelen')), attribuut ('kenmerkende eigenschap of voorwerp'; < ad + tribuo ('naar verdelen'))to distribute ('uitdelen'; < dis + tribuo ('uiteen verlenen')), to contribute ('bijdragen'; < con + tribuo ('samen verdelen')), attribute ('kenmerkende eigenschap of voorwerp'; < ad + tribuo ('naar verdelen')), retribution ('vergelding'; < re + tribuo ('terug verlenen'))distribuer ('uitdelen'; < dis + tribuo ('uiteen verlenen')), contribuer ('bijdragen'; < con + tribuo ('samen verdelen')), l'attribut ('kenmerkende eigenschap of voorwerp'; < ad + tribuo ('naar verdelen')), rétribuer ('vergelden'; < re + tribuo ('terug verdelen'))-
tribunustribunim.leider (van een tribus), officiertribunaal ('rechtbank')tribunal ('rechtbank')le tribunal ('rechtbank')Tribunal ('rechtbank')
tribunus militum/militaristribuni militum/militarism.officier, krijgstribuunzie tribunuszie tribunuszie tribunuszie tribunus
tribunus plebistribuni plebism.volkstribuunzie tribunuszie tribunuszie tribunuszie tribunus
trististristis, tristeonvriendelijk, nors, droevigtriest-tristetrist
tujij, u----
tuustuijouw, uw----
tueor (tueri)beschouwen, kijken, beschermentutortutor, tuition ('onderwijs')le tuteur, la tutelle ('voogdij')Tutor
tum, tunctoen, op dat ogenblik, vervolgens, verder----
tumultustumultusm.rumoer, oproer, rebellietumulttumultla tumulteTumult
turbaturbaef.verwarring, verwarde massaturbulent ('woelig'), troebel (< Oudfr. trouble < Vulg. Lat. *turbulus < Lat. turbidus)turbulent ('woelig'), turbid ('troebel')la tourbe ('menigte'), turbulent ('woelig'), trouble (< Vulg. Lat. *turbulus < Lat. turbidus)turbulent ('woelig')
turbo (turbare)in verwarring brengen, verwarren-to perturb ('verstoren'; < per + turbo ('helemaal verwarren')), to disturb ('verstoren'; < dis + turbo ('uiteen verwarren'))la perturbation ('verstoring'; < per + turbo ('helemaal verwarren'))-
turpisturpis, turpelelijk, schandelijk-turpitude ('schande')la turpitude ('schande')-
turristurrisf.torentoren (< Oudfr. tour < Lat. turris)tower (< Ouden. torr < Lat. turris), turret ('torentje'; < Oudfr. torete (dimin. v. tour) < Lat. turris)la tour ('toren')Turm ('toren')
tutustuta, tutumveilig----
ubiwaar, zodra, wanneer----
ubi primumzodra alszie ubizie ubizie ubizie ubi
ubiqueoveralzie ubizie ubizie ubizie ubi
ullusulliusulla, ullumenig, iemand----
ultimusultima, ultimumuiterste, laatsteultiemultimateultime-
ultra (bijw.)verder, langerultra-ultra-outre ('behalve')ultra-
ultra (bijv. nw.)aan gene zijde van, over, meer danzie ultra (bijw.)zie ultra (bijw.)zie ultra (bijw.)
ultrobovendien, sterker nog, uit eigen beweging, ongevraagd----
umbraumbraef.schaduw, schim van de dodesombrero (< Sp. sombra ('schaduw')), lommer ('schaduw van gebladerte'; < Fr. l'ombre ('schaduw'))umbrella (< Laatlat. umbrella < Lat. umbella (dimin. v. umbra))l'ombre ('schaduw'), l'ombrelle ('parasol'; < Laatlat. umbrella < Lat. umbella (dimin. v. umbra))sombrero (< Sp. sombra ('schaduw'))
umerusumerin.schouder----in de biologie, humerus = opperarmbeen
umquamooit----
numquamnooit----
undaundaef.golf, waterinundatie ('overstroming'); < in + unda ('naar water'))to abound ('overvloedig zijn'; < ab + undo ('weg stromen')), to surround ('omringen'; < super + undo ('boven stromen')), redundant ('overbodig'; < re + undo ('opnieuw stromen')), inundation ('overstroming'); < in + unda ('naar water'))l'onde ('golf'), abondant ('overvloedig'; < ab + undo ('weg stromen')), redondant ('overbodig'; < re + undo ('opnieuw stromen')),l'inondation ('overstroming'); < in + unda ('naar water'))-
undewaarvandaan----
undiqueoveral vandaan, aan alle kanten----
unusuniusuna, unumeen, (als) enige, alleen-unionun, l'unionUnion
unategelijkertijd, samen----
unus ex + abl.één vanzie unuszie unuszie unuszie unus
urbsurbisf.stad-suburb ('buitenwijk'; < sub + urbs ('onder stad')--
urgeo (urgere)dringen, in het nauw brengenurgent ('dringend')urgent ('dringend'), to urge ('aansporen')urgent ('dringend')urgent ('dringend')
uro (urĕre)ussi, ustumverbranden, verteren, kwellen-combustion ('verbranding'; < cum + uro ('met verbranden'))la combustion ('verbranding'; < cum + uro ('met verbranden'))-
usquamergens----
nusquamnergens----
usquehelemaal----
usque ad + acc.tot aanzie usquezie usquezie usquezie usque
ut + ind.zoals, zodra----
ut+ coni.opdat, om te, zodat----
ut primum + ind. pf.zodra (als)----
uterqueutriusqueutraque, utrumquebeide(n)----
utrum (... an)(inleiding van een tweeledige vraag)----
utor (uti)usus sumgebruiken, hebben----
usususa, usumgebruikend (ptc. pf. van utor)-to useuser-
ususususm.gebruik, praktijk; nut-usage ('gebruik'), usualles us ('gebruiken'), l'usage ('gebruik'), usuelusuell
utilisutilis, utilenuttig, geschikt-utile ('nuttig')utile ('nuttig')-
utilitasutilitatisf.nut, voordeel, belang-utilityl'utilité-
utinam(inleiding van wenszin)----
utiquehoe dan ook, tenminste----
uxoruxorisf.echtgenote----
vaco (vacare)vrij zijn vanvakantie, vacant ('onbezet')vacation, vacant ('onbezet')vaquer ('leeg zijn'), la vacance, vacant ('onbezet')Vakanz, vakant ('onbezet')
vacuusvacua, vacuumonbezet, leeg, vrij vanvacuüm, evacueren ('ontruimen'; < ex + vacuo ('uit leeg maken'))vacuum, evacuate ('ontruimen'; < ex + vacuo ('uit leeg maken'))la vacuité, évacuer ('ontruimen'; < ex + vacuo ('uit leeg maken'))Vakuun
vagusvaga, vagumzwervend, onbestendigvaagvague, vagabond ('zwerver')vague, vagabond ('zwerver')Vagabund ('zwerver')
valdeerg, zeer----
valeo (valēre)valuigezond, krachtig zijn, in staat zijn; waard zijnvalentie ('bindingswaarde'), ambivalent ('tweestrijdig'; < ambi + valeo ('van beide kanten gelden')), equivalent ('gelijkwaardig'; < aequus + valeo ('gelijk gelden')), evalueren ('beoordelen'; < Fr. avaluer < a value ('op waarde') < valoir < Lat. valeo), valuta ('munteenheid'; < It. valuta < Lat. valeo)value ('waarde'), to prevail ('gelden'; < prae + valeo ('voor gelden')), valor ('dapperheid'), valence ('bindingswaarde'), ambivalence ('tweestrijdigheid'; < ambi + valeo ('van beide kanten gelden')), equivalence ('gelijkwaardigheid'; < aequus + valeo ('gelijk gelden'))valoir ('gelden'), ambivalent ('tweestrijdig'; < ambi + valeo ('van beide kanten gelden')), equivalent ('gelijkwaardig'; < aequus + valeo ('gelijk gelden')), évaluer ('beoordelen'; < Fr. avaluer < a value ('op waarde') < valoir < Lat. valeo)revalidieren ('herstellen')
valegegroet (bij afscheid)----carnaval (< carne + vale ('gegroet vlees'; na carnaval begon de vastingstijd))
valetudovaletudinisf.gezondheid, ziekte----
validusvalida, validumkrachtigvalide, invalidevalid, invalidvalide, invalidevalide, Invalide
vanusvana, vanumleeg; onbetekenend, bedrieglijk-vain ('leeg', 'ijdel'), to vanish ('verdwijnen'), vanity ('ijdelheid')vain ('leeg', 'ijdel'), s'évanouir ('verdwijnen'), la vanité ('ijdelheid')-
variusvaria, variumafwisselendvariërenvariety, to varyvarier, la variétévariieren, Variationvariabele (in de wiskunde) is wat kan variëren in de vergelijking
vastusvasta, vastumwoest, verlaten; wijd, ontzaglijk-waste ('wijd')vaste ('wijd')-
vatesvatism./f.waarzegger; dichter----
-veof----
veho (vehĕre)vexi, vectumvervoeren; varen, rijdenvehikelvehiclela voiture, le véhiculeVehikel
velof; (bij superlativus ter versterking)----
vel ... vel(of) ... of----
velumvelin.zeil-veil ('sluier')la voile ('sluier')-
velutzoals; alsof, als het ware----
venenumvenenin.vergifvenijn ('gif', 'boosaardigheid')venomle venin ('gif', 'venijn')-
venio (venire)veni, ventumkomeninterveniëren ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen tussen')to intervene ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen tussen'), to prevent ('voorkomen'; < prae + venio ('voor komen'))venir, intervenir ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen tussen')intervenieren ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen tussen')
contiocontionisf.bijeenkomst---
convenio (convenire)conveni, conventumsamenkomen, overeenkomenconventie ('overeenkomst', 'vergadering'), convent ('klooster')convention ('overeenkomst', 'vergadering'), convent ('klooster')la convention ('overeenkomst')Konvention ('overeenkomst', 'vergadering'), Konvent ('klooster')
evenio (evenire)eveni, eventumgebeurenevenement ('gebeurtenis'), eventueelevent ('gebeurtenis'), eventuall'événement ('gebeurtenis'), éventueleventuell
invenio (invenire)inveni, inventumvinden, ontdekkeninventie ('uitvinding'), inventaristo invent ('uitvinden')l'invention ('uitvinding')Invention ('uitvinding')
pervenio (pervenire)perveni, perventumaankomenparvenu ('opgeklommen persoon'; < Fr. parvenu < Lat. pervenio)parvenu ('opgeklommen persoon'; < Fr. parvenu < Lat. pervenio)le parvenu ('opgeklommen persoon')Parvenü ('opgeklommen persoon'; < Fr. parvenu < Lat. pervenio)
venithij komt; hij is gekomen/kwamzie veniozie veniozie veniozie venio
adventusadventusm.aantocht, aankomstavontuur (< Vulg. Lat. adventura)adventure (< Vulg. Lat. adventura)l'aventure (< Vulg. Lat. adventura)Abenteuer (< Vulg. Lat. adventura)
ventusventim.windventilator (< ventus + latus (ppp. v. fero) ('windbrenger'))to ventilate (< ventus + latus (ppp. v. fero) ('windbrengen'))le vent, le ventilateur (< ventus + latus (ppp. v. fero) ('windbrenger'))Ventilator (< ventus + latus (ppp. v. fero) ('windbrenger'))
verbumverbin.woordverbaalverb, verballe verbe, verbalverbal
vereor (vereri)veritus sumvrezenreverentie ('eerbied')reverence ('eerbied')la révérence ('eerbied', 'buiging')-
vereor ne + conj.ik ben bang dat ...zie vereorzie vereorzie vereorzie vereor
veritusuit vrees, vrezend----
verto (vertĕre)vertidraaien, veranderen, wenden; (pass.) zich bevindenversie, extravert ('naar buiten gekeerd'), introvert ('naar binnen gekeerd'), inversie ('omkering'; < in + verto ('draaien naar'))version, extrovert ('naar buiten gekeerd'), introvert ('naar binnen gekeerd'), inversion ('omkering'; < in + verto ('draaien naar'))la version, l'inversion ('omkering'; < in + verto ('draaien naar')), la perversion ('verdorvenheid'; < per + verto ('draaien door')Version
averto (avertere)averti, aversumafwendenadvertentie (< Mdd. Lat. advertentia ('aanmerking')), aversie ('afkeer')advertisement (< Mdd. Lat. advertentia ('aanmerking'))l'avertissement ('waarschuwing'; < Mdd. Lat. advertentia ('aanmerking')), l'aversion ('afkeer')Aversion ('afkeer')
converto (convertĕre)converti, conversum(om)draaien, veranderenconverteren ('omzetten')to convert ('omzetten')convertir ('omzetten')konvertieren ('omzetten')
me vertozich omdraaienzie vertozie vertozie vertozie verto
verso (versare)wentelen; behandelen, bezig zijn-versed ('geoefend')verser ('gieten'), versant ('kant', 'helling')-
revertor (reverti)reversus sum en revertiterugkeren----
verusvera, verumwaar, werkelijk; juist, behoorlijkverifiëren ('op juistheid onderzoeken'; < Mdd. Lat. verificare < Lat. verus + facere ('waar maken'))to verify ('op juistheid onderzoeken'; < Mdd. Lat. verificare < Lat. verus + facere ('waar maken'))la vérité ('waarheid'), verifiér ('op juistheid onderzoeken'; < Mdd. Lat. verificare < Lat. verus + facere ('waar maken'))verifizieren ('op juistheid onderzoeken'; < Mdd. Lat. verificare < Lat. verus + facere ('waar maken'))
verowerkelijk, inderdaad; echterzie veruszie veruszie veruszie verus
verum(voegw.) maarzie veruszie veruszie veruszie verus
vestigiumvestigiin.(voet)spoor-investigation ('onderzoek'; < in vestigium ('in voetsporen'))le vestige ('spoor'), l'investigation ('onderzoek'; < in vestigium ('in voetsporen'))-
vestisvestisf.kledingstuk, kleedvestvest ('hemd')la veste ('jasje')Weste ('vest')
veto (vetare)vetui, vetitumverbiedenveto ('verbod')veto ('verbod')le veto ('verbod')Veto ('verbod')
vetusveterisvetus, vetusoudveteraanveteranvieux, le vétéranVeteran
vestustiorvetustiorisvetustior, vetustiusouderzie vetuszie vetuszie vetuszie vetus
viaviaef.weg, straat; reis; methodevia, deviatie ('afwijking'; < de + via ('uit weg'))via, deviation ('afwijking'; < de + via ('uit weg'))la voie ('weg'), la déviation ('afwijking'; < de + via ('uit weg'))via
obviusobvia, obviumtegemoet (adj.)-obvious ('duidelijk')--
in vicemop mijn beurt; beurtelingszie viciszie viciszie viciszie vicis
video (vidēre)vidi, visumzien; erop toezienvideo, evident ('duidelijk'), visumvideo, to review ('herzien'; < re + video ('opnieuw zien')), evident ('duidelijk'), visa ('visum')voir, visa ('visum')Video, Visum
invidiainvidiaef.afgunst, haat-envy ('jaloezie'; < Fr. envie < Lat. invidia)l'envie ('neiging', 'jaloezie')-
invisusinvisa, invisumgehaat--envieux ('jaloers')-
provideo (providēre)providi, provisumvoorzien, zorgen voorprovisie ('voorraad', 'voorzorg')to provide ('voorzien van')la provision ('voorraad')Provision ('provisie')
videor (videri)(visus sum)schijnen; goed toeschijnen---
vigintitwintig--vingt ('twintig')-
vilisvilis, vilegoedkoop-vile ('walgelijk')vil ('laag')-
villavillaef.hoeve, landgoedvillavilla, village (< Oudfr. vilage < Lat. villaticum ('land rondom een villa') < villa), villain ('slechterik'; < Oudfr. vilain ('boer') < Lat. villanus < villa)la ville ('stad'), la village (< Oudfr. vilage < Lat. villaticum ('land rondom een villa') < villa), vilain ('gemeen'; < Oudfr. vilain ('boers') < Lat. villanus ('tot de villa behorend') < villa), la villaVilla, Weiler ('gehucht')
vincio (vincire)vinxi, vinctumbinden, ontwikkelen----
vinculumvinculin.hand, boei----
vinco (vincĕre)vici, victusoverwinnen-invincible ('onverslaanbaar'; < invincibilis), to convince ('overtuigen'; < con + vinco ('bijeen overwinnen'))vaincre ('overwinnen'), convaincre ('overtuigen'; < con + vinco ('bijeen overwinnen'))-
victorvictorism.overwinnaar, overwinnend----
victoriavictoriaef.overwinningvictorievictoryla victoireViktoria
vindico (vindicare)afspraak maken op; straffen, wreken; beschermenrevanche ('vergelding'; < Oudfr. revengier < vengier < Lat. vindico)to revenge ('wreken'; < Oudfr. revengier < vengier < Lat. vindico), vengeance ('wraak'; < Oudfr. vengeance < vengier < Lat. vindico), to avenge ('wreken'; < Oudfr. avengier < ad + vindico ('wreken naar')), vindicative ('wraakzuchtig')venger ('wreken'), la vengeance ('wraak'; < Oudfr. vengeance < vengier < Lat. vindico), vindicatif ('wraakzuchtig')Revanche ('vergelding'; < Oudfr. revengier < vengier < Lat. vindico)
vinumvinin.wijnwijnwine, vinegar ('azijn'; < Fr. vinaigre ('zure wijn') < Lat. vinum acetum), vine ('wijnstok'; < vinea < vinum)le vin, le vinaigre ('azijn'; < Fr. vinaigre ('zure wijn') < Lat. vinum acetum), la vigne ('wijnstok'; < vinea < vinum)Wein
virvirim.manviriel ('mannelijk')virile ('mannelijk')viril ('mannelijk')viril ('mannelijk')
virtusvirtutisf.moed, voortreffelijkheid; deugd-virtue ('deugd')la vertu ('deugd')-
virgovirginisf.maagd, meisje-virgin ('maagd')la vierge ('maagd')-
vis(afwijkende verbuiging)f.geweld, kracht; macht, invloed; menigte----
vitiumvitiin.ondeugd; vergrijp, fout, gebrekvicieus ('gebrekkig'; < Fr. vicieux < Lat. vitiosus < vitium)vice ('ondeugd'), vicieus ('wreed'; < Fr. vicieux < Lat. vitiosus < vitium)le vice ('ondeugd'), vicieux ('gebrekkig'; < vitiosus < vitium)vitiös ('gebrekkig'; < Fr. vicieux < Lat. vitiosus < vitium)
vito (vitare)vermijden-inevitable ('onvermijdelijk'; < inevitabilis < in + ex + vito ('niet uit vermijden)éviter ('vermijden'; < ex + vito ('uit vermijden')), inévitable ('onvermijdelijk'; < inevitabilis < in + ex + vito ('niet uit vermijden)-
vivo (vivĕre)vixi, victumlevenvijver (< vivarium ('plaats waar levende dieren gehouden worden') < vivo)to revive ('doen herleven'; < re + vivo ('opnieuw leven')), to survive ('overleven'; < super + vivo ('boven leven'))vivre, la viande ('vlees'; < vivanda ('levensmiddelen') < vivo)), revivre ('herleven'; < re + vivo ('opnieuw leven')), survivre ('overleven'; < super + vivo ('boven leven'))-
vitavitaef.levenvitaal ('levendig'), vitamine (< vita + amine (men dacht dat het bestond uit aminozuren))vital ('essentieel', 'levendig'), vitamin (< vita + amine (men dacht dat het bestond uit aminozuren))la vie, vital ('levendig'), la vitamine (< vita + amine (men dacht dat het bestond uit aminozuren))vital ('levendig'), Vitamin (< vita + amine (men dacht dat het bestond uit aminozuren))
vivusviva, vivumlevendvief ('levendig')vivid ('levendig'; < vividus < vivus)vif ('levendig'), vivace ('levendig'), vivifier ('tot leven wekken'; < vivus facio ('levend maken'))-
vixnauwelijks----
vobiscum(samen) met julliezie voszie voszie voszie vos
voco (vocare)roepen, noemenadvocaat (< ad + voco ('bij roepen'))vocation ('roeping'), advocate (< ad + voco ('bij roepen')), to invoke ('aanroepen'; < Mdd. Fr. invoquer < Lat. in + voco ('bij roepen'))la vocation ('roeping'), l'avocat (< ad + voco ('bij roepen')), invoquer ('aanroepen'; < Mdd. Fr. invoquer < Lat. in + voco ('bij roepen'))-vocativus = aanspreekvorm
convoco (convocare)bijeenroepenconvocatie ('samenroeping'; < con + voco ('bijeen roepen'))convocation ('samenroeping'; < con + voco ('bijeen roepen'))la convocation ('samenroeping'; < con + voco ('bijeen roepen'))-
revoco (revocare)terugroepen-to revoke ('terugroepen'; < Oudfr. revoquer < Lat. revoco)révoquer ('terugroepen'; < Oudfr. revoquer < Lat. revoco)-
vox, vocisvocisf.stem; woord, uitlatingvocaalvoice, vocalla voix, vocalvokal
volo (velle)volo, voluiwillen-benevolence ('welwillendheid'; < bene + volens (ppa. v. volo; 'goed willend')), malevolence ('kwaadwillendheid'; < male + volens (ppa. v. volo; 'slecht willend'))vouloir, bénévole ('welwillend'; < bene + volens (ppa. v. volo; 'goed willend')), malévole ('kwaadwillend'; < male + volens (ppa. v. volo; 'slecht willend'))-
malo (malle)liever willen----
nolo (nolle)nolo, noluiniet willen----
volunt(zij) willenzie volozie volozie volozie volo
voluntasvoluntatisf.wil; gezindheid-voluntary ('vrijwillig')la volonté ('wil')-
vult(hij, zij) wilzie volozie volozie volozie volo
voluptasvoluptatisf.lust, genoegenvoluptueus ('sensueel')voluptuous ('sensueel')voluptueux ('sensueel')voluptös ('sensueel')
volvo (volvĕre)volvi, volutumwentelen; overwegenevolutie ('ontwikkeling'; < e + volvo ('rollen uit')), revolutie ('omwenteling'; < re + volvo ('opnieuw rollen')), volte ('wending'), volume ('inhoud'; < volumen ('boekrol') < volvo)evolution ('ontwikkeling'; < e + volvo ('rollen uit')), revolution ('omwenteling'; < re + volvo ('opnieuw rollen')), volume ('boekdeel'; < volumen ('boekrol') < volvo), vault ('gewelf'; < Oudfr. voute < Vulg. Lat. volvita < volutus (ppp. v. volvo))l'évolution ('ontwikkeling'; < e + volvo ('rollen uit')), la révolution ('omwenteling'; < re + volvo ('opnieuw rollen')), le volume ('boekdeel'; < volumen ('boekrol') < volvo)Evolution ('ontwikkeling'; < e + volvo ('rollen uit')), Revolution ('omwenteling'; < re + volvo ('opnieuw rollen')), Volumen ('boekdeel'; < volumen ('boekrol') < volvo)
vosjullie, u--vous-
vestervestra, vestrumuw, jullie--votre-
votumvotin.gelofte; gebed, wensvotief ('van een gelofte')to vote ('stemmen'), to vow ('zweren'; < Oudfr. voe < Lat. votum), devotion ('trouw')le voeu ('gelofte', 'wens'), votif ('van een gelofte'), la dévotion ('trouw'), vouer ('beloven'; < voto < votum), voter ('stemmen'; < Eng. to vote)-
vulgusvulgin.het volk, de mensenvulgair ('lomp')vulgar ('lomp')vulgaire ('lomp')vulgär ('lomp')
vulnero (vulnerare)verwonden-vulnerable ('kwetsbaar')--
vulnusvulnerisn.wond; schade, ongeluk----
vultusvultusm.gezicht, gelaatstrekken----