Volledige lijst

De hele lijst

Dit is de volledige Janus-etymologieënlijst. Gebruik de zoekfunctie om woorden te vinden.

Datum update: 4 september 2014

 GenitivusGeslachtStamtijdenBetekenisEtymologie NLEtymologie ENGEtymologie FREtymologie DUEtymologie overig
a(b)van(af), doorabnormaal, abrupt (< ab - rumpo 'af-breken'), abces ('etterbuil'; < ab - cessus < ab - cedere 'weggaan'), abuis ('vergissing'; < ab - uti 'verkeerd- gebruiken'), abstract (< abs - traho 'wegtrekken'), aversie ('afkeer'; < a - verto 'wegdraaien, afwenden'), ablaut, af, abdicatie ('troonsafstand'; < abdicare 'afstand nemen van' < ab - dicare 'plechtig verkondigen'), abject ('verwerpelijk'; < ab - iacere 'weg - werpen'), abominabel ('verschrikkelijk'; < ab-omen-ilis 'weg-voorteken-lijk'), aboriginal (oorspr.e bewoners van Australië; < ab - originale 'vanaf het begin')to abuse, to abalienate ('tot vijand maken'), abduction ('ontvoering'; < ab-ducere 'wegnemen'), aberration ('afwijking'; < ab-errare 'af-dwalen), abiotic ('niet levend'), abnormal, to abolish ('afschaffen'), abomination ('walgelijk iets'), ablative, appeasementl'abréviation, abcéder, l'abcès ('etterbuil'; < ab - cessus < ab - cedere 'weggaan') ab, aposteriori, apriorisch, Apriorismus, Asomnie, asozial, Asozialität
ac, atqueen----
accendo (accendĕre)accendi, accensumin brand steken, aanvuren----
incendo (incendĕre)incendi, incensumin brand steken-(to) incense (bewieroken)l'encens ('wierook'), l'encensement ('bewieroking') encenser ('bewieroken'), encensoir ('wierookvat'), l'incendie ('brand'), incendier, incendiaire, l'encenseur-
incendiumincendiin.brand-incendiary--
aceracrisacris, acrehevig, fel vurigacetyl ( < acetum (vinum) 'scherpe wijn' < ac-re < acer), acryl ('scherp/bijtend'), ahorn (onzeker), exacerbatie ('verergering van een ziekte'), vinaigrette (vinum aigre > acer)acerbity, exacerbitation, acetic (vinum acetum < acere < acer), acrylic, eager (< Oudfr. aigre < acrem (acc. van acer)), acridaigu ('scherp, puntig'), aigre ('zuur'), âcre ('zuur'), aigrelet ('nogal zuur'), aigrir, aigreur, acrimonie ('bitterheid, humeurigheid'), l'acide ('zuur'), acidulé, acétate, acéteaux, acerbe, l'exacerbation, aiguiser, aiguille, aiguiller, aiguillette, l'aiguillon, églantier, églantine, acier, acéréAcryl
aciesacieif.slag, slaglinie-edge (van stam *ak- > -acg- > egg- > edg-)--
acutusacuta, acutumscherpacuut, acuïteit ('scherpte')acute, ague ('malaria', betekende eerst letterlijk: 'plotselinge koorts')-akut, Akut
adnaar, tot, bijadvent kalender (< adventus < ad - venio 'aankomen'), ad rem, advies (< ad visum), additioneel (< additionem), adequaat (< ad-aequare 'gelijkmaken'), adjectief (< ad-icio 'toevoegen, bijvoegen'), appartement (< ad- parte (abl. van pars)), appél (< ad - pello 'zich richten tot'), assistent (< ad - sisto 'erbij staan'), adoptieto add (< ad-do), advertisement, to addict (< ad-dico), addition (< ad-do), adept (ad - apiscor), adjunct (ad - iungo), to admire (ad - mirus), adult (adultus ppp. van adolesco), adolescent (< adolesco < ad-alesco), advocaat (< ad - voco)assemble (< ad-simulo 'gelijkmaken'), allécher ('verleiden'; < ad - lécher), adjacent, adjuger, l'adolescent (ppp. 'opgroeiend'; < adolesco < ad alasco 'opgroeien'), adulte (< adultus (ppp. van adolesco 'opgegroeid zijnde'), l'adhérent ('aanhanger'), l'adhésion ('instemming'), adopter, adorerAbenteuer (< Oudduits aventiure < *adventura (ptc. fut. van advenio), Adjunkt, Adjutant, Administration, Advokat (< ad-voco), affirmativ, Akkusation ('beschuldiging'), Alliteration, assoziieren, Assoziation
ad + gerundi(v)umom te
adeozo, zozeer----
adipiscor (adipisci)adeptus sumverkrijgenadept ('ingewijde'; < adeptus (ppp. adipiscor)adept (deskundig, bedreven)--
administro (administrare)beheren, besturenadministratie, administreren, administrateur, administratiefadministrative, to administrate, administrator, administration, to administerl'administration, administrer, administrativeAdministration, administrativ, Administrativenteignung, administrieren
adolescensadolescentism.jonge manadolescentadolescentadolescentadoleszentoorspr. ppa. van adolesco ('hij die aan het opgroeien is'; < ad - alesco 'opgroeien')
adversus (adj)adversa, adversumtoegewend, recht tegenover, ongunstig, vijandigavers ('afgunstig'), aversieadversity, adversary, adverseadverse, adversaire, l'adversité, l'avers ('kant van een munt'), aversion-
adversusadversa, adversumongunstig, vijandig, toegewend, recht tegenoveravers ('afgunstig'), aversieadversity, adversary, adverseadverse, adversaire, l'adversité, l'avers ('kant van een munt'), aversion-
adversus, adversumtegen(over), jegensavers ('afgunstig'), aversieadversity, adversary, adverseadverse, adversaire, l'adversité, l'avers ('kant van een munt'), aversion-
adulteriumadulteriin.overspel-adultery, adulterousadultérer, l'adultère, l'adultérin-
aedesaedisf.vertrek, tempelediel (< aedilis < aedis)edifice ('gebouw'; < aedificum 'gebouw' < aedis)-Ädil (< aedilis < aedes)
aegeraegra, aegrumziek-aegrotat ('bewijs dat een student ziek is'; < aegroto 'ziek zijn' < aeger)--
aegremet moeite, ongaarne----
aequo (aequare)evenaren, gelijk makenadequaat ('overeenkomstig'), equalizer, equatie ('verevening'), equator ('verevenaar'), ijken ('waarmerken'), perequatie ('vereffening'), adequatie, adequerenadequate, equalizer, to equalize, equate, equator ('evenaar')équité, équitableadäquat (< adaequo), eichen
aequenet zo, even----
aequoraequorisn.zee(oppervlak)----
aequusaequa, aequumgelijk, vlak, billijk, gunstigegaal (< Fr. égal < aequalis < aequus), equivalent (< equi-valens < equi - valeo 'evenveel - waard zijn'), equinox ('dag en nacht evening'), equipollent ('gelijkwaardig'; < aequi - pollens 'net zo - krachtig'), equiteit, perequatie ('vereffening' < 'gelijk maken'), equaalequal, equable, equation, equilibrium, equanimity, equivocation, equivalent (< equi-valens < equi - valeo 'evenveel - waard zijn')equidistant, l'equilibre (evenwicht), equilibrer, égal (< aequalis < aequus)egal (< Fr. égal < aequalis < aequus), Äquivalent, äquivalent, Äquivalenz
iniquusiniqua, iniquumongunstig, onrechtvaardiginiquiteit ('ongelijkheid')iniquity ('ongelijkheid')iniquie, l'iniquité ('ongelijkheid')-
aëraërism.(beneden)luchtmalaria (< mala aria < malus aer 'slechte lucht'), aerodynamisch, aerobics, ariaaer, aerobatics, aerobic, aircraft, aeroplane, aerosol, aerospace, aeration, aerialaura, aéroplane, air, aérer, aérage, aérien, aéromètre, aérostat, aérostation, aérolithe, aéronauteAir, Airbus, Airport, Arie, MalariaGrieks leenwoord
aëriusaëria, aëriumvan -, in de lucht-aerial--
aesaerisn.brons, geldera (van aera: 'aparte getallen van een rekening' > 'aparte getallen' > 'jaren'), ertsera (van aera: 'aparte getallen van een rekening' > 'aparte getallen' > 'jaren')l'airain ('brons'), l'ère (van aera: 'aparte getallen van een rekening' > 'aparte getallen' > 'jaren')-
aestasaestatisf.zomerestivatie ('zomerslaap/manier waarop de bladeren van een bloemknop elkaar bedekken')to estivate ('de zomer doorbrengen/zomerslaap houden')--
aestimo (aestimare)schatten, menen-to estimate, to aim-Ästimation, ästimieren
aestusaestusm.deining, hitteeest (smidshaard), estuarium (< aestuarium; riviermond waar eb en vloed sterk merkbaar zijn)estuary (< aestuarium; wijde riviermond), estivate ('de zomer doorbrengen/zomerslaap houden')-Ästuar(ium) (
aetasaetatisf.leeftijd, leven(stijd), periodeMiddeleeuwen (media-aetas, onzeker (zie ook aevum))age (< Vulg. Lat. aetaticum < acc. aetatem), teenagerl'age, éternel, l'éternité, médiéval-
aeternusaeterna, aeternumeeuwig-eternity, eternal, sempiternal (< semper-aeternus 'altijd-eeuwig')-eternisieren (< aeternare < aeternus)
aetheraetherism.(boven)lucht, hemeletheretherl'étherÄther
aevumaevin.tijd, leven(sduur)eeuw (niet rechtstreeks afgeleid, slechts verwant (zie ook aestus)), Middeleeuwen (< media-aevum, onzeker)medieval (< medium-aevum), coeval (< co-aevum (met dezelfde leeftijd))-mediäval, Mediävist
ageragrim.akker, veldakker, agrariër (agrarian, agriculture, pilgrim (< Lat. pelegrinus < peregrinus < peregre ('uit het buitenland') < per-agri 'ver/voorbij het land') zo ook: peregrination, acreagricole, l'agriculteurAgrarier, agrarisch, Agrikultur, Agronomisch (landbouwkundig)ἀγρός (Oudgr.)
agrestisagrestis, agrestetot de akker behorend, onbeschaafdagrest ('nog onrijpe druiven/landelijk')---
aggredior (aggredi)aggredior, aggressus sumzich wenden tot, ondernemen, beginnen, aanvallenagressie, agressor (iemand die aanvalt/begint met geweld gebruiken)aggressive, aggressor (iem. die begint met geweld gebruiken), agress ('aanval')agresser, agressifAggression, aggressiv, aggressor (iem. die begint met geweld gebruiken)
digredior (digredi)digredior, digressus sumuiteengaan, afdwalendigressie ('uitweiding')digression ('uitweiding'), to digressla digression ('uitweiding')Digression ('uitweiding')
egredior (egredi)egredior, egressus sumweggaanegressief ('gevormd tijdens het uitademen')egress (uitgang, uitweg)--
ingredior (ingredi)ingredior, ingressus sumbinnengaan, beginneningrediënt (< ppa. ingrediens), ingressief ('het begin uitdrukkend')ingredient (< ppa. ingrediens), ingress ('ingang, toegangsrecht')l'ingrédient (< ppa. ingrediens)Ingrediens, ingressiv (het begin uitdrukkend)
progredior (progredi)progredior, progressus sumvoortgaanprogressie, progressief (omschrijving politieke ideologie)progressprogresser, progrèsprogressiv, Progredienz ('zieker worden' < 'de ziekte gaat voort'), Progreß
gradusgradusm.stap, trede, rangordegraad (bij schaalverdelingen), gradatie, gradueel, degraderen (< de-gradus 'stap ergens van af'), retrograde ('in omgekeerde richting gaand'), gradiënt, congres (< con-gredi < con-gradus 'samen-komst')grade, gradual, to graduate, degree, congress (< con-gredi < con-gradus 'samen-komst')le grade, le degré ('trap'), gradation, graduel, retrograde (in omgekeerde richting gaand) Grad, gradual, graduieren, degradieren
ago (agĕre)egi, actumdrijven, (be)handelen, doorbrengenactie (< ppp. actum), agenda (< res agenda: gerundivum van ago 'dingen die gedaan moeten worden'), acteur (< Lat. actor 'iem. die handelt'), agent ('vertegenwoordiger (o.a. van politie)'), akte (< acta 'de behandelde dingen'), navigatie (navis-agere 'schip - leiden'), reageren (< re-agere 'terug - doen'), redactie (action, actor, agility (agir, actionner, réaction (< re-actum 'terug - doen'), actes, l'acteur (< Lat. actor 'iem. die handelt'), l'agent ('vertegenwoordiger (o.a. van politie)'), actif, actuel, l'agenda, réagir, navigation (< navis - agere 'schip - leiden')Agent, aktiv, aktuell, interaktion, Akt, Akte, Agende, Aktie, Aktion, Reaktion, Agenda, Agens, agieren, Aktivität, Interaktion, interaktivἄγω (Oudgr.)
age (imper. bij agĕre)vooruit!----
agito (agitare)opjagen, zich bezig houden metagiteren, (vaak gebruikt: geagiteerd 'heftig')to agitate ('prikkelen'), agitationagiter ('prikkelen'), cuider (< cogitare < co-agito)Agitation, agitieren
exagito (exagitare)opjagen, geen rust laten----
exigo (exigĕre)exegi, exactumuitdrijven, verjagen, opeisen; volbrengen, doorbrengenexact (< ppp. exactus), essay (< Fr. essai 'poging' < Lat. exagium 'weging' < exigo)exact (< ppp. exactus), essay (< Fr. essai 'poging' < Lat. exagium 'weging' < exigo), exigenceexact, exiger, l'exigence ('eis')exakt
exiguusexigua, exiguumklein, gering-exiguous ('klein')exigu ('klein')Exiguität ('kleinigheid'; < exiguitas < exiguus)
cogo (cogĕre)coegi, coactumbijeenbrengen, dwingencoactie ('dwang'), klatser ('knoeier'; < Fr. cache < Fr. cachier < Lat. coactare < cogere. in betekenis: klanknabootsing van de zweep (=werk slecht doen) < dwingen < voortdrijven)cogent ('noodzakelijk'), squat ('kolonist'; < Fr. esquatir 'neerhurken' < Vulg. Lat coactire < cogere)cacher, le cachot ('gevangenis'), cachet ('stempel' < 'bevel tot arrestatie')-
perago (peragĕre)peregi, peractumvoltooien, behandelen----
subigo (subigĕre)subegi, subactumonderwerpen, dwingen----
agmenagminisn.stoet, kolonne----
agnusagnim.lam, jong schaap--l'agneau ('lam')-
aitzeggen, beweren----
aiuntzeggen, beweren----
alaalaef.vleugel (van een vogel), vleugel (van een leger)aileron ('rolroer'; < verkleinw. van Fr. aile 'vleugel' < ala), -l'aile ('vleugel'), aleter-
alesalitisf.gevleugeld, vogel---
albusalba, albumwitalbino ('zonder pigment'), album ('boek met lege bladeren', bijvoorbeeld voor poëzie, foto's of postzegels. Via betekenis 'boek met een verzameling' > 'verzameling' > grammofoonplaat of CD), Alpen (gebergte), aubade ('ochtendhulde met zang'; < auba 'dageraad' < alba), abeel (populiersoort; < Lat. abellus 'witachtig' < albus)albino ('zonder pigment'), album ('boek met lege bladeren', bijvoorbeeld voor poëzie, foto's of postzegels. Via betekenis 'boek met een verzameling' > 'verzameling' > grammofoonplaat of CD), aubade ('ochtendulde met zang' < auba 'dageraad' < alba)l'aube ('dageraad'), l'album ('boek met lege bladeren', bijvoorbeeld voor poëzie, foto's of postzegels.), albinos ('zonder pigment')Albino ('zonder pigment'), Album ('boek met lege bladeren', bijvoorbeeld voor poëzie, foto's of postzegels. Via betekenis 'boek met een verzameling' > 'verzameling' > grammofoonplaat of CD), Alb ('bergweide')Albus Perkamentus (onecht Latijn; naam), Oudgr. ἀλφός
aliquialiquae, aliquodeen (of ander), enig
alioquioverigens----
aliquandoeens, ooit----
aliquisalicuiusm.iemand, een of andere-hidalgo ('spaanse edelman'; < Sp. fidalgo < filho de algo --
aliusaliusalia, alium(een) anderalias ('bijnaam'), alibi ('bewijs dat men onschuldig is'; < Lat. alibi < alius - ibi ('ergens anders - daar'))alibi ('bewijs dat men ergens anders was' < Lat. alibi < alius-ibi (ergens anders - daar)), alias ('bijnaam')aussi (Vulg. Lat. ale < alid < aliud), aliéner, alibi ('bewijs dat men onschuldig is'; < Lat. alibi < alius - ibi ('ergens anders - daar'))Alibi ('bewijs dat men onschuldig is'; < Lat. alibi < alius - ibi ('ergens anders - daar')), Alias ('bijnaam')Oudgr. ἄλλος
alius ... aliusde een ... de ander----
alii…aliisommige…andere----
alienusaan een ander toebehorend, vreemd, ongunstiggealiëneerd ('waanzinnig'/'onder de macht van een ander staand')alien (bijv. nw. 'vreemd' of zst. nw. 'buitenaards wezen')-Alienation ('vervreemding, verstandsverbijstering')
aliterop een andere wijze, anders----
aliter ac/atqueanders dan----
alo (alĕre)alui, altumvoeden, grootbrengenadolescent (< ad-alesco < alo 'iem. die opgroeit'), coalitie ('verbinding van partijen, bijv. in de regering'; < Lat. coalitium < co-alesco 'samengroeien, zich verbinden'), alimentatie ('bedrag dat gescheiden ouders voor hun kinderen moeten betalen'; < Lat. alimentatio < alimentum ('levensonderhoud') < alo)adolescent (< ad-alesco < alo 'iem. die opgroeit'), alimentary (< alimentum ('levensonderhoud') < alo), aliment ('voedsel'; < alimentum ('levensonderhoud') < alo)l'aliment ('voedsel' < alimentum ('levensonderhoud') < alo), la coalition ('verbinding van partijen, bijv. in de regering' < Lat. coalitium < co-alesco 'samengroeien, zich verbinden')Alimente ('bedrag dat gescheiden ouders voor hun kinderen moeten betalen'; < Lat. alimentatio < alimentum ('levensonderhoud') < alo), Koalition ('verbinding van partijen, bijv. in de regering'; < Lat. coalitium < co-alesco 'samengroeien, zich verbinden'), Proletarier (< pro-alere)
almusalma, almumvoedend, weldadig-Alma Mater ('milde/gevende moeder', naam voor universiteit)--
alteralteriusm.de een (c.q. de ander), tweedealternatief (< Lat. alternativus < alternus 'afwisselend' < alter), alterneren ('afwisselen'; < alternus to alter ('veranderen'), to alternate ('afwisselen'), altruism ('het rekening houden met anderen (ethische overtuiging)'), autre, alternatif (< Lat. alternativus < alternus 'afwisselend' < alter)Alteration ('afwisseling'), alternativ (< Lat. alternativus < alternus 'afwisselend' < alter), Altruismus ('het rekening houden met anderen (ethische overtuiging)')
altushoog, diephobo (blaasinstrument < haut bois 'hoog-hout' (de hobo maakt een hoog geluid)), alt (lage vrouwenstem; oorspr. hoge mannenstem < vox alta 'hoge stem'), oud (onzeker), altimeter ('hoogtemeter')to enhance ('vergroten, versterken'; < anhaunsen < Oudfr. enhaucier < Vulg. Lat. inaltiare < in-altare < altus), old (onzeker), to exalt ('verheffen'; < ex-altare < altus)haut, la/le hautbois (blaasinstrument 'hoog-hout' (de hobo maakt een hoog geluid))Alt ((lage vrouwenstem, oorspr. hoge mannenstem < vox alta 'hoge stem'), Altan ('balkon'), Hausse ('koersstijging'), Altimeter ('hoogtemeter')
altitudoaltitudinisf.hoogte, diepte-altitude ('hoogte')--
amboambae, ambobeide (tezamen)ambidexter ('zowel links als rechtshandig (zijn)'; < ambo-dexter ('beide-handen')), ambivalent ('dubbelzinnig, tegenstrijdig'; < ambi-valens < ambo-valeo 'beide - waard zijn')ambidextrous ('zowel links als rechtshandig (zijn)'; < ambo-dexter ('beide-handen')), ambivalence ('dubbelzinnig, tegenstrijdig'; < ambi-valens < ambo-valeo 'beide - waard zijn')ambidextre ('zowel links als rechtshandig (zijn)'; < ambo-dexter ('beide-handen')), ambivalent ('dubbelzinnig, tegenstrijdig'; < ambi-valens < ambo-valeo 'beide - waard zijn')Ambivalent ('dubbelzinnig, tegenstrijdig' < ambi-valens < ambo-valeo 'beide - waard zijn'), Ambition ('eerzucht' < ambitio 'najagen, rondgaan om stemmen te verwerven' < ambire < ambi-ire 'rondom-gaan' < ambo)Oudgr. ἄμφω
ambulowandelenambulance ('gaand ziekenhuis, veldziekenhuis'), allure (meestal negatief: 'arrogant' < 'opvallende houding' < 'opvallende manier van lopen'), prealabel ('voorafgaand'; < prae- 'voor' allable < aller < ambuler < ambulare), noctambule ('slaapwandelaar'; < noctis-ambulo (' 's nachts- lopend')), allee (dialect: 'vooruit')alley ('steegje', waar je door kunt lopen), ambulance ('gaand ziekenhuis, veldziekenhuis'), ambulant ('lopend (i.t.t. bedlegerig'))aller, l'ambulance ('gaand ziekenhuis, veldziekenhuis'), le/la noctambule ('slaapwandelaar'; < noctis-ambulo (' 's nachts- lopend'))Allee ('lange omboomde straat'), Allüre ('opvallende houding' < 'opvallende manier van lopen'), Ambulanz ('gaand ziekenhuis, veldziekenhuis'), Somnambuler ('slaapwandelaar'; < somnis-ambulo (' in slaap- lopend'))Oudgr. ἀλάομαι
amnisamnism./f.stroom, rivier----
amo (amare)liefhebben, houden vanamateur ('iem. die iets voor liefhebberij doet'; < amator 'liefhebber, vrouwengek' < amo), aimabel ('lieflijk'; < ama- bilis ('lief - lijk'))amateur ('iem. die iets voor liefhebberij doet'; < amator 'liefhebber, vrouwengek' < amo)aimer, aimable, l'amateur ('iem. die iets voor liefhebberij doet'; < amator 'liefhebber, vrouwengek' < amo)Amateur ('iem. die iets voor liefhebberij doet'; < amator 'liefhebber, vrouwengek' < amo)
amoramorism.liefdeamoureus ('op liefde betrekking hebbend'; < amorosus < amor), Amor (god van de liefde) amourous ('op liefde betrekking hebbend'; < amorosus < amor), paramour ('liefje'; < par amour)amoureux ('op liefde betrekking hebbend'; < amorosus < amor), les amourettes ('liefdesavontuurtjes')Amor (god van de liefde), amourös ('op liefde betrekking hebbend'; < amorosus < amor), Amouren ('liefdesavontuurtjes')It. l'amore
amicus/amicaamici/amicaem.vriend/vriendinamicaal ('vriendschappelijk'; < amicabilis), amice ('vriend')amicable ('vriendelijk'; < amicabilis)l'ami(e) ('vriend'; afkorting van amice), l'amice ('vriend'), amical ('vriendschappelijk'; < amicabilis)-
amicitiaamicitiaef.vriendschap-amity ('vriendschap'; < Vulg. Lat amicitatem < amicitas = amicitia)l'amitié ('vriendschap')-
inimicus inimicim.vijand(ig)-enemy (< in-amicus ('tegen-vriend' (i.e. geen vriend)))l'inimitié ('vijandigheid')-
amarusamara, amarumbitter, grievendamper ('ternauwernood'; < 'bitter, wrang, onaangenaam'), morel ('kers'; < amarellus < amarus), amarel ('soort kersenboom'; < amarellus < amarus)morello ('kers'; < amarellus < amarus)amer ('bitter')Amarelle ('kers'; < amarellus < amarus)
amplector (amplecti)amplexus sumomarmen, omvatten----
complector (complecti)complexus sumomarmen, (be)grijpencomplex ('samengesteld geheel'; < ppp. complexus 'bij elkaar genomen'), complice ('medeplichtige'; < complexus 'hij die omarmd wordt/hij die volgt')complex ('samengesteld geheel'; < ppp. complexus 'bij elkaar genomen')le complexe ('samengesteld geheel'; < ppp. complexus 'bij elkaar genomen')Komplex ('samengesteld geheel'; < ppp. complexus 'bij elkaar genomen')
complexuscomplexusm.omarmingzie complectorzie complectorzie complectorzie complector
amplusampla, amplumruim, aanzienlijkampel ('breeduit, genoeg'), amplificatie ('vergroting'; < amplificatio < amplius + ficio ('groter maken')), amplitude ('schommeling'; < amplitudo ('grote omvang'))to amplify ('vergroten'; < amplificare < amplius + ficio ('groter maken')), ample ('breeduit, genoeg'), amplitude ('schommeling'; < amplitudo ('grote omvang'))l'amplification ('vergroting'; < amplificatio < amplius+ ficio ('groter maken')), ample ('breeduit, genoeg'), amplitude ('schommeling'; < amplitudo ('grote omvang'))Amplification ('vergroting'; < amplificatio < amplius + ficio ('groter maken')), Amplitude ('schommeling'; < amplitudo ('grote omvang'))
anvraagpartikelof----
anguisanguism.slang----
angustusangusta, angustumnauw, eng, beperktangst (< angor ('angst'), verwant met angustus)---
animaanimaef.adem, levensadem, leven, zielreanimatie ('iem. weer tot leven wekken'; < re-animo ('opnieuw leven inblazen') < animus), animeren ('vermaken'; < animo ('bezielen')), animatie ('vermaking'; < animo ('bezielen'))to animate ('vermaken, opvrolijken'; < animo ('bezielen')), reanimation ('iem. weer tot leven wekken'; < re-animo ('opnieuw leven inblazen') < animus)l'ame ('ziel, geest'), ranimer ('iem. weer tot leven wekken'; < re-animo ('opnieuw leven inblazen') < animus)Animation ('verlevendiging, beelden in fims tot leven wekken'; < animo ('bezielen')), animieren ('vermaken'; < animo ('bezielen')), Reanimieren ('iem. weer tot leven wekken'; < re-animo ('opnieuw leven inblazen') < animus)Lat. animal ('dier', En. animal) betekent letterlijk 'bezield'
animadvertereanimadverti, animadversumop-/aanmerkingen maken op, straffen-animadversion ('kritiek')l'animadversion ('afkeuring')-
animalanimalisn.levend wezen, dieranimaal ('dierlijk'), mustang ('prairiepaard'; < *mixtanim < Lat. mixta animalia ('loslopende dieren die zich vermengen met de kudde') < misceo ('mengen'))animall'animalAnimalLat. animal betekent letterlijk 'bezield' < anima
animusanimim.ziel, geest; gemoed; moedanimo ('opgewektheid'; < animus ('stemming/gemoed'))animosity ('verbittering, haat'; < animositas ('moed, eerzucht, vijandschap') < animosus ('moedig, trots, hartstochtelijk'))--
annusannim.jaaranno (vaak bij merken, bijv.: anno 1807; lett. 'in het jaar' (gesticht)), decennium ('periode van 10 jaar'; < decennis ('tienjarig') < decem + annus) zo ook millenium, annuarium ('jaarboek'; < annuarius ('jaarlijks')), annaal ('jaarlijks'), kwartaal ('vierde van een jaar'; < quartus + annus ('een vierde + jaar'))decennial ('tienjaarlijks'; < decennis ('tienjarig') < decem + annus), annual ('jaarlijks'), annuity ('geld dat jaarlijks wordt uitgekeerd')l'annuité ('geld dat jaarlijks wordt uitgekeerd'), l'an ('jaar'), l'anniversaire ('verjaardag'; < annus + versus ('jaar + rondgedraaid, voltooid') < verto)Anno (vaak bij merken, bijvoorbeeld: anno 1807; lett. 'in het jaar' (gesticht)), Annuität ('geld dat jaarlijks wordt uitgekeerd')
ante, antea (adv.)tevorenantecedent ('waar een relativum op terugslaat'; < ante-cedens < ante-cedo ('voor-gaan')), anticiperen ('vooruitlopen'; < ante-capio ('voor-nemen/van tevoren nemen')), antipasto ('voorgerecht'; < ante-pasto ('voor-voedsel'))ancestor ('voorouder'; < antecessor < ante-cedo ('voor-gaan')), antecedent ('waar een relativum op terugslaat'; < ante-cedens < ante- cedo ('voor-gaan')), to anticipate ('vooruitlopen'; < ante-capio ('voor-nemen/van tevoren nemen')), anterior ('eerder'; < ante), ancient ('zeer oud'; < Fr. ancien < Vulg. Lat. anteanus < ante), antebellum ('voor de oorlog', vgl. ook interbellum)l'antichambre ('voorvertrek'), l'ancêtre ('voorvader'; < Lat. antecessor < ante-cedo ('voor-gaan')), aîné ('oudst, ouder'), l'antériorité ('het eerder zijn'), ancien ('de oudere, de vroegere volken, oud-leerling'; < Vulg. Lat anteanus < ante)Antezedens ('antecedent, waar iets op terugslaat'; < antecedens < ante-cedo ('voor gaan'))
ante (prep.)voorzie ante (adv.)zie ante (adv.)zie ante (adv.)zien ante (adv.)
antequamvoordat----
antiquusantiqua, antiquumoudantiek, antiquariaat ('winkel waar (zeer) oude boeken verkocht worden')antiquel'antiquitéantik, Antiquariat ('winkel waar (zeer) oude boeken verkocht worden')
antrumantrin.grot-antrum ('beenderholte' (van een lichaam, dus een 'lichaamsholte' in de anatomieleer)--
anxiusanxia, anxiumbezorgd, angstiganxiolyticum ('een angstwerend middel'; Lat. anxius + Oudgr. λυτικος (lutikos): 'angst + werend')anxious ('angstig')--
aperaprim.wild zwijn----
aperio (aperire)aperui, apertumopenen, onthullenaperitief ('voorafje, drankje voor de maaltijd'; < aperitivus ('(de maag) openend (voor de maaltijd)')), apert ('duidelijk'; < apertus ('geopend, open en bloot') (ppp. aperio)), ouverture ('inleidend orkeststuk'; < Fr. ouvrir ('openen') < ovrir < aperio)aperitif ('voorafje, drankje voor de maaltijd'; < aperitivus ('(de maag) openend (voor de maaltijd)')), apert ('duidelijk'; < apertus ('geopend, open en bloot') (ppp. aperio)), ouverture ('inleidend orkeststuk'; < Fr. ouvrir ('openen') < ovrir < aperio)ouvrir ('openen'), l'ouverture ('openend orkeststuk'; < ouvrir < aperio)Aperitif ('voorafje, drankje voor de maaltijd'; < aperitivus ('(de maag) openend (voor de maaltijd)')), Ouvertüre ('inleidend orkeststuk'; < Fr. ouvrir ('openen' < ovrir < aperio)
apertusaperta, apertumopen, openbaarapert ('duidelijk')apert ('duidelijk')--
apisapisf.bijapicultuur ('bijenkwekerij'; < apis + cultura ('bijen + (het) kweken')), apitoxine ('bijengif')apiary ('bijenstal')l'abeille ('honingbij'; < apicula, dimin. v. apis), l'apiculture ('bijenkwekerij'; < apis + cultura ('bijen + (het) kweken'))-
appareo (apparēre)apparuiverschijnen-to appear-appretieren ('afwerken, doen glanzen')
apparethet is duidelijk----
appello (appellare)toespreken, roepen, noemenappelleren ('in hoger beroep gaan'), appel ('beroep')appeal ('beroep, appel')appeller ('noemen')appellieren ('roepen'), Appell ('beroep, aanroep')
aptusapta, aptumgeschiktattitude ('houding'; < acc. aptidudinem ('geschiktheid, geschikte houding') < aptitudo < aptus), inept ('ongerijmd'; < in-eptus ('niet geschikt/in orde')), adapteren ('aanpassen'; < adapto ('naartoe-vastmaken') < ad-aptus ('naar-vastgemaakt/geschikt'))to adapt ('aanpassen' < ad-apto ('geschikt maken') < ad-aptus ('naar-geschikt (toe)')), inept ('ongerijmd'; < in-eptus ('niet geschikt/in orde'))apte ('geschikt'), l'attitude ('houding'; < acc. aptidudinem ('geschiktheid/geschikte houding') < aptitudo < aptus), adapter ('aanpassen' < ad-apto ('geschikt maken') < ad-aptus ('naar-geschikt (toe)')), inepte ('ongerijmd'; < in-eptus ('niet geschikt/in orde'))-
apudbij--avec ('met'; < apoque < apu-hoque < apud hoque ('daarbij'))-
aquaaquaef.wateraquajogging ('hardlopen in het water'), aquaduct ( < aqua + ductus (ppp. duco) ('water + wordt geleid')), aquarium (eig: 'drinkplaats voor vee', later in de letterlijke betekenis in gebruik genomen: 'waar water vandaan komt'), aquarel ('waterkleur', verfsoort; < dimin. v. aqua)aquatic ('tot het water behorend'), aquarium (eig: 'drinkplaats voor vee', later in de letterlijke betekenis in gebruik genomen: 'waar water vandaan komt'), l'eau, l'aquarelle ('waterkleur', verfsoort; < dimin. v. aqua), l'aquarium (eig: 'drinkplaats voor vee', later in de letterlijke betekenis in gebruik genomen: 'waar water vandaan komt')Aqua, Aquädukt ( < aqua + ductus (ppp. duco) ('water + wordt geleid')), Aquarell ('waterkleur', verfsoort; < dimin. v. aqua), Aquarium (eig: 'drinkplaats voor vee', later in de letterlijke betekenis in gebruik genomen: 'waar water vandaan komt')
araaraef.altaar----
aratrumaratrin.ploeg----
arbitror (arbitrari)menenarbitrair ('willekeurig' < arbitrarius ('van een oordeel afhangend i.e. onzeker')), arbiter ('scheidsrechter' < 'hij die het oordeel geeft')arbitrator ('jurylid' < 'iem. die zijn mening geeft')l'arbitrage ('scheidsrechterlijke uitspraak, slechting van een geschil'), arbitraire ('willekeurig' < 'onzeker' < 'van een mening afhangend')Arbiter ('scheidsrechter' < 'hij die het oordeel geeft'), arbiträr ('willekeurig' < 'onzeker' < 'van een mening afhangend')
arbitratusarbitrata, arbitratummenend, in de mening datzie arbitrorzie arbitrorzie arbitrorzie arbitror
arbitriumarbitriin.oordeel, beslissingzie evt. arbitrorzie evt. arbitrorzie evt. arbitrorArbitrium ('scheidsrechterlijke uitspraak')
arborarborisn.boomarboretum ('bomentuin' < 'beboste plek')arborist ('bomenspecialist'), arboretum ('bomentuin' < 'beboste plek')l'arbre ('boom')Arboretum ('bomentuin')
arceo (arcēre)arcuiweren-arcane ('geheim, mysterieus' < 'geweerd')--
coerceo (coercēre)coercui, coercitumbinnen grenzen houden, bedwingen-to coerce ('dwingen, onderdrukken')coercitif ('dwinge-, bedwingend')Koerzitivkraft (kracht die nodig is om een magneet tegen te werken: 'dwangkracht, bedwingkracht')
arcesso (arcessĕre)arcessivi, arcessitumontbieden, laten komen----
arcusarcusm.boogarcade ('boogstelling'; < arcada ('galerij met bogen')), arco (muziekterm 'met de strijkstok over de snaren van een instrument strijken'; < arco ('boog, strijkstok')), erker ('uitbouw'; < arcuarium ('uitbouwsel voor boogschutters') < arcuarius ('boogschutter'))arch ('boog'), archer ('boogschutter')l'arc ('boog'), l'arche ('boog')Arkade ('boogstelling'; < arcada ('galerij met bogen')), Arkus ('boog'), Erker ('uitbouw'; < arcuarium ('uitbouwsel voor boogschutters') < arcuarius ('boogschutter'))
ardeo (ardēre)arsibranden, branden van verlangenardente (muziekterm 'vurig')ardour ('hitte, vurigheid')--
arduusardua, arduumsteil, moeilijk-arduous ('moeilijk, steil')ardu ('moeilijk, lastig')-
arena/harenaarenae/harenaef.zandarenaarenal'arèneArena
argentumargentin.zilverargument ( < Lat. arguo ('bewijzen, helder maken') < argentum ('het heldere metaal'))argent ('zilver(kleur)')l'argent ('geld')-
argutusarguta, argutumscherp(zinnig)----
aridusarida, aridumdroog, dor-aridity ('droogte'), arid ('dor')aride ('droog, dor')arid ('droog, dor'), Aridität ('droogte, dorheid')
aristaaristaef.(koren)aar--l'arête ('bergkam'; < 'bovenkant van een aar')-
armaarmorumn.wapens, tuigagealarm (< Fr. à l'arme ('te wapen! Grijp de wapens!'), armada ('oorlogsvloot'; < Sp. verl. deelw. van armar ('bewapenen') < Lat. armo ('bewapenen')), armor ('bescherming'), zie ook armatusla gendarmerie ('politie'; < gens + arma ('gewapende man'), armée ('gewapend'), l'arme ('wapen, oorlog')Alarm (< Fr. à l'arme ('te wapen! Grijp de wapens!'), Armada ('oorlogsvloot'; < Sp. verl. deelw. van armar ('bewapenen') < Lat. armo ('bewapenen'))
armatusarmata, armatumgewapendzie armaarmy ('leger'; < Lat. armata ('gewapende expeditie')), zie ook armazie armazie arma
armentumarmentin.kudde----
arrigo (arrigĕre)arrexi, arrectumopsteken----
arsartisf.ambacht, techniek, wetenschap, kunstartiest ('beoefenaar van kunsten'; < ars + achtervoegsel ist), artefact ('door mensen gemaakt voorwerp'; < arte-factus), artillerie ('geschut'; < artillum ('uitrusting, apperatuur') dimin. v. ars)art, artist ('beoefenaar van kunsten'; < ars + achtervoegsel ist), artifact ('door mensen gemaakt voorwerp'; < arte-factus), artillery ('geschut'; < artillum ('uitrusting, apperatuur') dimin. v. ars)l'art, l'artiste ('beoefenaar van kunsten'; < ars + achtervoegsel ist), l'artillerie ('geschut'; < artillum ('uitrusting, apperatuur') dimin. v. ars)Artist ('beoefenaar van kunsten'; < ars + achtervoegsel ist), Artefakt ('door mensen gemaakt voorwerp'; < arte-factus), Artillerie ('geschut'; < artillum ('uitrusting, apperatuur') dimin. v. ars)
artusartuumm.ledematenartikel (< 'klein onderdeel'; dimin. v. artus), exarticulatie ('afzetting van het gewricht'; < ex-articulus (dimin. v. artus))article (< 'klein onderdeel'; dimin. v. artus), articulation ('verbinding, gewricht'; < articulus (dimin. v. artus))l'article (< 'klein onderdeel'; dimin. v. artus)Artikel (< 'klein onderdeel'; dimin. v. artus)
arvumarvin.bouwland, akker----
arxarcisf.burcht, citadel----
asperaspera, asperumruw, moeilijkspiritus asper ('harde-adem')asperity ('belediging, ruwheid')âpre ('wrang, bitter')-
astrumastrin.ster(rebeeld)desastreus ('rampzalig'; < dis + astrum ('slecht + ster'), astraal ('de sterren betreffend')disaster ('ramp'; < dis + astrum ('slecht + ster'), astral ('de sterren betreffend')l'astre ('ster'), astral ('de sterren betreffend'), le désastre ('rampzalig'; < dis + astrum ('slecht + ster'), l'astérisque ('*')-Gr. ἀστήρ
atmaar----
ateratra, atrumzwart----
atroxatrocisatrox, atroxgrimmig, dreigend-atrocity ('afschuwelijkheid')l'atrocité ('afschuwelijkheid')-
atqui(maar) toch----
audeo (audēre)ausus sum(aan)durven, wagen----
ausus sumik heb gedurfdzie audeozie audeozie audeozie audeo
audaciaaudaciaef.(over)moed-audacity ('dapperheid')l'audace ('dapperheid')-
audaxaudacisaudax, audaxmoedig, overmoedig, brutaal-audacious ('dapper')audacieux ('dapper')-
audio (audire)horenauditie, auditorium ('gehoorzaal'), audiëntie ('ontvangst'; < Lat. audientia ('het aanhoren')), auditeur ('aanklager')audience ('publiek'; < Lat. audientia ('het aanhoren')), audition, audible ('hoorbaar'; < Lat. audibilis < audio), auditorium, auditor ('toehoorder')auditif ('auditief'), l'audition ('proefoptreden'), l'auditeur ('toehoorder'), l'audience ('gehoor, publiek'; < Lat. audientia ('het aanhoren'))auditiv ('auditief'), Auditorium, Auditor ('toehoorder')
augeo (augēre)auxi, auctumvergroten, vermeerderen----
auctorauctorism.(geestelijk) vader, (aan)stichterauteurauthorl'auteurAutor
auctoritasauctoritatisf.gezag, besluit (van de senaat)autoriteitauthorityl'autoritéAutorität
auguraugurism.ziener (van vogeltekens), voorspellerinauguratie ('inwijding')inauguration ('inwijding')l'inauguration ('inwijding')Inauguration ('inwijding')
auraauraef.wind, bries, luchtaura ('uitstraling')aura ('uitstraling'), to soar ('zweven, opvliegen'; < Oudfr. essorer < Vulg. Lat. exauro < ex + aura ('uit lucht'))l'essor ('hoge vlucht'; < Oudfr. essorer < Vulg. Lat. exauro < ex + aura ('uit lucht'))-
aurumaurin.goud--l'or ('goud')
aureusaurea, aureumgoudenaureool ('stralenkrans'; < aureolus < aureus)aureole ('stralenkrans'; < aureolus < aureus)l'auréole ('stralenkrans'; < aureolus < aureus)Aureole ('stralenkrans'; < aureolus < aureus)
aurisaurisf.oor--l'oreille ('oor'; < auricula dimin. v. auris)-
auroraauroraef.de dageraad, het oosten--l'aurore ('dageraad')-
AusterAustrim.zuidenwind, zuiden----Australië (< australis ('zuidelijk'))
autof----
autemmaar, echter----
AutumnusAutumnim.herfst-autumn ('herfst')l'automne ('herfst')-
auxiliumauxiliin.hulp-auxiliary ('behulpzaam')auxiliaire ('behulpzaam')-
auxiliaauxiliorumn.hulptroepen (onz meerv.)zie auxiliumzie auxiliumzie auxiliumzie auxilium
avaritiaavaritiaef.hebzucht, gierigheid-avarice ('gierigheid')l'avarice ('gierigheid')-
avidusavida, avidumbegerig naar-avid ('gretig')avide ('gretig')-
avusavim.grootvader, voorvader----
axisaxisf.as, hemel(as)asaxis ('as')l'axe ('as')-
barbarusbarbara, barbarumadi. onbeschaafd, ruw; zst.nw. vreemdelingbarbaar, braaf (oorspr. 'dapper', vgl. Eng. 'brave'), bravo ('goed gedaan!'; afgel. v. Italiaans bravo 'goede jongen'), barbarisme ('leenwoord in strijd met de eigen taalnormen'),barbarian, brave (dapper; etym. onz.) la bravoure ('zelfverzekerdheid'), barbare, la rhubarbe ('rabarber'), brave ('dapper')brav (oorspr. 'dapper', vgl. Engels 'brave'), bravourös (zelfverzekerd), Bravourleistung (grote prestatie), Bravourstück (grote prestatie)Oudgr. βάρβαρος, Ital. bravo
beatusbeata, beatumgelukkig, gezegendbeatificatie (zaligverklaring door de paus), Beatrix (lett. 'zegenende vrouw')beatific (gelukzalig), to beatify (zalig verklaren), beatitude (gelukzaligheid)béat (gelukzalig), béatification (zaligverklaring), béatitude (gelukzaligheid)Beatifikation (zaligverklaring), beatifizieren (zalig verklaren)
bellumbellin.oorloginterbellum, rebel (< re-bello < re-bellum), duel, duelleren (bellum < duellum, betekenisverandering o.i.v. duo)rebel (< re-bello < re-bellum), duel (bellum < duellum, betekenisverandering o.i.v. duo), bellicose ('strijdlustig'), belligerent ('oorlogvoerend')belligerant ('oorlogvoerend'), la bellicisme ('oorlogszuchtigheid'), belliqueux ('oorlogszuchtig')Duell (bellum < duellum, betekenisverandering o.i.v. duo), Rebell (< re-bello < re-bellum), Bellizist ('oorlogszuchtig figuur')
imbellisimbellis, imbelleweerloos----
bestiabestiaef.beest, dierbeest, bestialiteit ('beestachtigheid')beast, bestial ('beestachtig')la bête ('beest'), le bétail ('vee'), bestial ('beestachtig'), le bestiau ('vee')bestialisch ('beestachtig'), Bestialität ('beestachtigheid'), Bestie ('beestje'), Intelligenzbestie ('stuudje')
bibo (bibĕre)bibidrinkenbier (etym. onz.)beverage ('drank'), beer (etym. onz.), bibulous ('drankzuchtig')boire ('drinken'), le boisson ('drank'), la buvette ('bar')Bier (etym. onz.)
bistweemaalbiseksueel, beschuit (< bis + coctum ('aan twee kanten gebakken')), balans (< bis + lanx ('weegschaal')), combineren (lett. 'twee samen brengen')binary ('uit twee delen bestaand'; < Lat. binarius), balance (< bis + lanx ('weegschaal'))bisannuel ('tweejaarlijks'), le biscuit ('koekje'; lett. 'aan twee kanten gebakken'), la bajoue ('hangwang')bilateral ('van twee kanten'), bilingual ('tweetalig'), Biënnale ('tweejaarlijks')
blandusblanda, blanduminnemend, lieflijk-bland ('vriendelijk, mild'), blandishment ('vleierij')-bland ('zacht, niet-besmettelijk')
bonusbona, bonummelior, optimusgoed, voornaam, pl. n. goederenbonus ('financiëel voordeel')bonanza ('rijke vindplaats (ook fig.)'), bounty ('gulle gift')bon ('goed'), bonjour ('goedendag'), le bonheur ('geluk'), la bonace ('kalmte op zee'), le bonbon ('snoepje')bongen ('registreren, intekenen'), Bonität ('kredietwaardigheid')
bonabonorumn.pl. n. goederen, sing: goed----
bonumbonin.het goede, iets goeds----
benegoedbon (oorspr. betekenis: 'goed voor ...'), bonafide ('betrouwbaar'), benedictijn ('monnik van een bepaalde kloosterorde')to benefit ('profiteren'), benign ('goedaardig'), benefactor ('weldoener')bien ('goed'), benin ('goedaardig'), le bénéfice ('weldaad'), le bénévole ('vrijwilliger')Belletrist ('iemand die zich bezig houdt met de mooie letteren (=literatuur)'), Belcanto ('zangstijl')
beneficiumbeneficiin.weldaad, dienstbenefiet ('voor de liefdadigheid')beneficiary ('de begunstigde'), beneficial ('voordelig') -Benefizium ('weldaad')
meliormeliorismelior, meliusbetermelioratie ('grondverbetering')to meliorate ('beter maken')meilleur ('beter')Meloriation ('verbetering'), meliorieren ('verbeteren')
meliusbeter (onz./bijw.)----
optimusbeste, zeer goed, voortreffelijkoptimaal, optimist optimum ('het beste'), optimisml'optim(al)isation, optimal, l'optimum ('het beste'), l'optimisteoptim(alis)ieren, Optimum ('het beste'), Optimismus
bosbovism.rundbiefstuk ('stuk rundvlees'; bief < Fr. boeuf < Lat. bovem), rosbief (lett. 'geroosterd rund' < Eng. roastbief), bugel ('soort trompet'; < bugle < buculus dimin. v. bos)beef ('rundvlees'), bucolic ('van een herder')le boeuf ('rund'), le bifteck ('biefstuk'), le bouvier ('soort hond')BeefsteakOudgr. βοῦς, βουκόλος
bracchiumbracchiin.armbras ('scheepstouw')bracelet ('armband'), to embrace ('omhelzen'), brace ('koppel'), brassiere ('de armen omgevend, beha', afk. bra) le bras ('arm'), embrasser ('omhelzen'), le bracelet ('armband')Brachialgewalt ('bruut geweld'), Bratsche ('altviool')Oudgr. βραχίων
brevisbrevis, brevekortbrief (oorspr. 'kort bericht'), briefen ('in het kort voorlichten'), brevet ('diploma')brief ('kort'), abbreviation ('afkorting'), briefing ('korte voorlichting')bref ('kort'), l'abréviation ('afkorting'), le brevet ('diploma')Brief, Breviar(ium) (gedragsregels in het kloosterleven)
brevi (adv.)(in) korte tijd----
cacumencacuminisn.top, spits----
cado (cadĕre)cecidi, casumvallen, sneuvelenkans, kadaver, decadent ('in verval'), kaduuk, cadans ('muziekterm'), cadens ('muziekterm'), recidivist ('crimineel die weer in de fout gaat')cascade, to decay ('afnemen'), chancechoir ('vallen'), le parachute (< Oudgr. para- ('tegen') + chute (volt. deelw. choir)), le récidiviste ('crimineel die opnieuw in de fout gaat'), la chance, l'occident (de plaats waar de zon neergaat -> 'het Westen')Chance, Kadenz, Kaduzierung ('nietigverklaring')
accido (accidĕre)accidigebeuren-accidentl'accidentakzidentell
concido (concidĕre)concidiinstorten----
incido (incidĕre)incidivallen op, terechtkomen in, gebeurenincident, coïncidenteelincident, coïncidentalincident, coïncidenceInzidenz, Koinzidenz
casuscasusm.val, voorval, toeval, ongeval-case, casualcasuelKasus ('naamval')
occasiooccasionisf.gelegenheidoccasion ('koopje'; term uit autoverkoop)occasion ('gelegenheid')occasion ('gunstige gelegenheid')Okkasion ('gunstige gelegenheid', 'koopje')
caecuscaeca, caecumblind-cecum ('blinde darm')le caecum ('blinde darm')-
caedo (caedĕre)cecidi, caesumomhakken, vellen, dodenprecies (< praecisum ('kort samengevat') < ('afgehakt')), cement (''gehakte' steen'), genocideto decide, scissors (< cisor ('snijder')), incision ('insnijding'), suicide, circumcision ('besnijdenis')la cisaille ('schaar'), la concision ('kortheid'), décider, occire ('doden')Insektizid ('insectendodend middel'), Pestizid ('chemisch bestrijdingsmiddel'), Fratrizid ('broedermoord'), Parrizid ('moord op een verwant')
caedesslachting, bloedbad----
occido (occidĕre)occidi, occasumvallen, sneuvelen-occident ('westelijke wereld', lett. 'bij de ondergaande zon')l'occident ('westelijke wereld', lett. 'bij de ondergaande zon')Okzident (lett. 'bij de ondergaande zon'; gebruikt voor het avondland = 'Europa')
caelumcaelin.hemel, lucht-ceiling ('de hemel verbergend'; < celo ('verbergen'))le ciel ('hemel')Ceilometer ('wolkenhoogtemeter')
caelestiscaelestis, caelestehemels, goddelijk, godheid, god-celestialcéleste-
caeruleuscaerulea, caeruleumblauw, groen-cerulean ('blauw-groen')--
campuscampim.veld, vlaktekampioen ('winnaar op het sportveld'), kamperen, campagnecampus ('studentenwoningen op universiteitsterrein'), camper ('kampeerwagen')les champs ('veld'), champignon ('op het veld groeiende paddenstoel'), campagne ('veldtocht, (verkiezings)strijd')Camp ('tenten-/vakantie-/gevangenenkamp'), Kampf ('strijd')Oudgr. κάμπτω ('(af)buigen'), Sp. escampar ('ervandoor gaan', lett. 'uit het veld gaan')
candiduscandida, candidumstralend wit, stralendkandidaat (in Rome solliciteerde men in witte toga naar een publiek ambt), kandelaarcandid-camera ('niet-in scène gezette filmopnamen'), candidateincandescent ('roodgloeiend'), la chandelle ('kaars'), le candidatKandidat
caniscanism.hondkanjer (< Oudfr. cagnard ('luiaard'; scheldwoord voor rijke personen > 'voornaam persoon' > 'bijzonder capabel persoon'), kennel ('hondenhuis'; via Fr. chenil), kanarie ('vogel v/d Canarische Eilanden ('hondeneilanden')')canine ('hond(s)'), canary le chien ('hond'), le chenil ('hondehok'), la canaille ('schurk, ploert')Kanaille ('schurk, ploert')
cano (canĕre)cecini(be)zingen, voorspellenal in de klassieke tijd vervangen door 'cantare', zie daaral in de klassieke tijd vervangen door 'cantare', zie daaral in de klassieke tijd vervangen door 'cantare', zie daaral in de klassieke tijd vervangen door 'cantare', zie daar
canto (cantare)zingenaccent (< ad + cano ('muziek bij de spraak')), chantage ('afpersing', lett. 'iemand laten zingen')accent, charm ('toverspreuk')le chanson ('lied'), le chanteur ('zanger')belkantieren ('in belcanto-stijl zingen'), AkzentIt. canto ('lied')
cantuscantusm.lied, gezang-chant ('a capella gezang')--
carmencarminisn.lied, gedicht, toverspreukcharmantcharm (lett. 'toverspreuk', ook 'charme'), charmingcharmant ('betoverend' < 'gezang/toverspreuk')charmant
capio (capĕre)cepi, captumpakken, nemen, innemenkabel, anticiperen ('ergens op voorbereid zijn'), kapen, capsule, inkapselencapable ('in staat tot (be)grijpen'), to participate (samenst. met pars), catering (< Eng. to cater ('voedsel verzorgen') < Oudfr. achater ('kopen ter dienstverlening'))capter ('opvangen, iets winnen'), capturer ('gevangen nemen'), chasser ('jagen')kapieren ('snappen'), Kontrazeption ('anticonceptie')It. la caccia ('jacht')
accipio (accipĕre)accepi, acceptumontvangen, krijgenaccepteren, acceptatieto acceptaccepterAkzeptieren
captivuscaptivim.krijgsgevangene-captivecaptiver-
concipio (concipĕre)concepi, conceptumopnemen, zich voorstellenconcept ('idee, voorlopige opzet'), conceptie ('bevruchting')to conceive ('zwanger worden, bedenken'), conceivable ('voorstelbaar'), concept ('idee')concevoir ('zich indenken, bedenken'), concevable ('voorstelbaar'), la conception ('opvatting, bevruchting')Konzept ('idee, voorlopige opzet'), Konzeption ('inval, opvatting, bevruchting'), Konzipieren ('een concept opstellen, plannen, zwanger worden')
excipio (excipĕre)excepi, exceptumuitnemen, uitzonderen, opnemen; opvangen-except, exceptionexceptionnel ('uitzonderlijk'), excepter ('uitzonderen'), s'exciper de ('zich beroepen op')-
incipio (incipĕre)incepi, inceptumbeginnen-inceptionincipit ('beginregel')Incipit ('beginregels')
inceptuminceptin.begin, onderneming----
percipio (percipĕre)percipere, percepi, perceptumin zich opnemen, waarnemen, begrijpenperceptie ('waarneming')perception ('waarneming'), perceptibleperçevoir ('waarnemen'), la perception ('waarneming')Perzeption ('waarneming/opname'; medisch, bijv. door het bloed), Apperzeption ('bewuste waarneming')
praecipio (praecipĕre)praecepi, praeceptumvan te voren nemen, voorschrijven----
praeceptumpraeceptin.voorschrift-precept ('voorschrift'), preceptor ('leermeester')le précepte ('voorschrift'), le précepteur ('leermeester')Präzeption ('voorschrift')
recipio (recipĕre)recepi, receptumterugnemen, terugtrekken, opnemen, ontvangen; (met se) zich herstellenreceptie ('gastenbalie / borrel na afloop'), recept, recipiërenreception, recipereçevoir, la réception, le receveur & le recepteur ('ontvanger')Rezept ('recept'), Patentrezept ('voor de hand liggende oplossing'), Rezeption ('opname, gastenbalie'), Rezipient ('ontvanger')
me recipio (se recipĕre)recepi, receptumzich herstellen, (zonder se) terugnemen, terugtrekken; opnemen, ontvangen----
suscipio (suscipĕre)suscepi, susceptumop zich nemen, ondernemen-susceptible ('gevoelig')susceptible ('gevoelig, lichtgeraakt')-
caputcapitisn.hoofd, monding, leider, hoofdstadkapitein (staat "aan het hoofd"), biceps (spier met "twee hoofden"), kaap ('in zee uitstekende landpunt'), recapituleren ('samenvattend herhalen')capital ('hoofdstad'), to decapitate ('onthoofden'), chief (< Oudfr. chief < Ital. capo), chapter ('hoofdstuk')le chef (< Oudfr. chief < Ital. capo), le chapître ('hoofdstuk'), le chevet ('hoofdeinde')Kapitel ('hoofdstuk'), Kapital ('kapitaal'), kapitulieren ('zich overgeven')Ital. da capo (muziekterm: herhaling vanaf het begin)
capilluscapillim.haarcapillair ('haarvat'; dun bloedvaatje)to dishevel (< dis + capillus ('er slordig bij laten hangen')), capillary ('haarvat'; dun bloedvaatje)les cheveux ('haar'), la chevelure ('haardos'), la capillaire ('haarvat'; dun bloedvaatje)Kapillare ('haarvat'; dun bloedvaatje)
praeceps, -ipitishals over kop omlaag, overhaastprecipitatie ('neerslag'; scheikundige/weerkundige term)precipitate ('neerslag'), precipitate ('overhaast'), to precipitate ('voorover vallen'), precipice ('steile rotswand', 'afgrond')précipitamment ('hals over kop', 'overhaast'), la précipitation ('haast, neerslag'), le précipice ('afgrond')Präzipitat ('neerslag'; scheikundige term)
careo (carēre)caruimissen, niet hebbencariës ('gaatje in de tanden')caret ('leeg gelaten plek in een boek'), caries ('gaatje in de tanden')la carence ('falen, onvermogen')Karenz ('wachttijd, onthouding')
carinacarinaef.kiel, schip-to careen ('een schip overhellen')la carène ('scheepsromp, kiel'), le carénage ('werf')-
carpo (carpĕre)carpsi, carptumplukkenherfst (oorspr. 'oogstmaand', vgl. Eng. harvest), schaars (< Lat. excarpsus ('weinig voorhanden'))excerpt ('uittreksel', 'fragment'), harvest ('oogst'), carpet ('tapijt')la charpie ('pluksel'), la carpette ('tapijt'), le métacarpe ('middelste gedeelte van de hand') Herbst (oorspr. 'oogstmaand', vgl. Eng. harvest)Oudgr. κάρπος ('vrucht, oogst')
caruscara, carumduur, geliefd-charity ('liefdadigheid'), to cherish ('koesteren')cher ('geliefd, duur'), chérir ('innig liefhebben'), chéri ('geliefd'), caresser ('liefkozen')karitativ ('weldoener-')
castracastrorumn.kamp----
castellumcastellin.fortkasteel, kastelein (oorspr. 'kasteelbeheerder')castle, castellated ('met kantelen versterkt')le château ('kasteel'), le châtelet ('kasteeltje')Kastell ('fort, slot')
castuscasta, castumkuis, rechtschapenkastijding (< castigo ('tot rechtschapenheid dwingen')), kaste ('naam voor de bevolkingsklassen in India')chastity ('kuisheid'), to castigate ('tot rechtschapenheid dwingen'), caste ('naam voor de bevolkingsklassen in India')chaste ('kuis'), la caste ('naam voor de bevolkingsklassen in India')kasteien (< castigo ('tot rechtschapenheid dwingen')), Kaste ('naam voor de bevolkingsklassen in India')
incestusincesta, incestumonkuis, onreinincest ('seks tussen bloedverwanten')incest ('seks tussen bloedverwanten')l'inceste ('seks tussen bloedverwanten')Inzest ('seks tussen bloedverwanten')
causacausaef.zaak, proces, reden, oorzaakcausaal ('oorzakelijk'), zich excuseren (< Lat. ex + causa ('aan de rechtszaak onttrekken')), liefkozen (< lief + kozen ('spreken') < ('als (rechts)zaak bespreken'))cause ('oorzaak'), to accuse (< Lat. ad + causa ('voor het gerecht slepen')), to excuse (< ex + causa ('aan de rechtszaak onttrekken'))la chose ('ding, zaak'), causal ('oorzakelijk'), accuser (< Lat. ad + causa ('voor het gerecht slepen')), excuser (< Lat. ex + causa ('aan de rechtszaak onttrekken')), récuser ('verwerpen')Chose ('zaakje, pijnlijke aangelegenheid'), liebkosen (< lief + kozen ('spreken') < ('als (rechts)zaak bespreken'))
causa (postpostie + gen.)omwille van----
caveo (cavēre)cavi, cautumoppassen (voor)caveat ('bericht dat iemand moet oppassen')caution ('voorzichtigheid'), caveat ('bericht dat iemand moet oppassen, inspraak')cautionner ('voorzichtig zijn')Kaution ('borgtocht')
cavuscava, cavumholkabinet (< Ital. gabinetto < Lat. cavea ('(holle) dierenkooi')), caverne ('holle ruimte')cave ('grot'), cabinet ('geheime voorraadruimte'), to excavate ('uithollen'), cavern ('holle ruimte')l'excavation ('uitholling'), la cave ('kelder'), cave ('hol'), la caverne ('holle ruimte')Kaverne ('ondergrondse legeropslagplaats, holle ruimte')Ital. cavatina ('kort, lyrisch lied zonder herhalingen')
cedo (cedĕre)cessi, cessum(weg)gaan, wijken (voor)precedent ('eerder plaats gevonden hebbend geval'), antecedent ('woordgroep die een betrekkelijke bijzin inleidt'), cessie ('overdracht van een recht')necessary ('noodzakelijk' < 'niet te ontwijken'), ancestor ('voorouder'; < Lat. ante + cedo)la rétrocession ('terugtrekking'), le prédecesseur ('voorganger'), nécessaire ('noodzakelijk' < 'niet te ontwijken')zedieren ('overdragen'), Zession ('overdracht')
accedo (accedĕre)accessi, accessumnaderen, erbij komenaccessoire ('hulpmiddel, toebehoren')access ('toegang'), accessory ('medeplichtige, hulpmiddel')l'accès ('toegang'), l'accessoire ('toebehoren, hulpmiddel')Accessoire ('hulpmiddel, toebehoren')
concedo (concedĕre)concessi, concessumwijken, weggaan, zwichten, toestaanconcessie ('tegemoetkoming')concession ('verlening van een vergunning, tegemoetkoming')le concession ('vergunning, tegemoetkoming')konzedieren ('toestaan')
decedo (decedĕre)decessi, decessumweggaan--decès ('overlijden')-
discedo (discedĕre)discessi, discessumuiteengaan, weggaan----
excedo (excedĕre)excessi, excessumuit-, weggaan, overschrijdenexcessief ('overmatig'), exces ('een geval van overmaat')excess ('overmaat'), excessive ('overmatig')excéder ('overschrijden'), l'excédent ('overschot'), excessif ('bovenmatig'), l'excès ('overmaat')Exzeß ('overmaat')
incedo (incedĕre)incessi, incessumvoortgaan, binnengaan----
procedo (procedĕre)processi, processumvoortgaanproces ('rechtszaak, voortgang'), procedure ('gang van zaken'), processor ('computeronderdeel'), processie ('optocht')process ('rechtszaak, voortgang'), procession ('optocht'), processor ('computeronderdeel')le procès ('rechtszaak', 'voortgang'), le procédé ('werkwijze'), la procédure ('gang van zaken'), le processeur ('computeronderdeel')Prozedur ('gang van zaken'), Prozessor ('computeronderdeel'), Prozeß ('rechtszaak, voortgang')
recedo (recedĕre)recessi, recessumteruggaan, weggaanreces ('vakantie'), recessie ('economische achteruitgang'), recessief ('latent'; biologische term)recess ('uithoek'), recess ('vakantie'), recession ('economische achteruitgang'), recessive ('latent'; biologische term)le recès ('slotprotocol'), récessif ('latent'; biologische term), la récession ('achteruitgang')Rezession ('economische achteruitgang'), rezessiv ('latent'; biologische term)
succedo (succedĕre)successi, successumgaan onder, naderen, opvolgensucces ('welslagen'), successie ('opvolging'), successievelijk ('achtereenvolgens')successful ('voorspoedig'), succession ('reeks, opvolging')successif ('opeenvolgend'), la succession ('opvolging'), le successeur ('erfgenaam'), le succès ('welslagen')sukzedan ('opeenvolgend'), Sukzession ('opvolging'), sukzessiv ('geleidelijk')
cesso (cessare)onbenut blijven, dralensussen ('tot rust brengen')to cease ('ophouden'), incessant ('onophoudelijk')cesser ('ophouden', 'onderbreken'), incessant ('onophoudelijk')-
celebro (celebrare)vereren, vieren-celebrity ('beroemdheid')célèbre ('beroemd'), célébrer ('vieren, ophemelen')zelebrieren ('een mis opdragen'), Zelebrität ('beroemd persoon')
celer, -isceleris, celeresnelaccelereren ('versnellen')to accelerate ('versnellen')la célérité ('snelheid'), accélérer ('versnellen')Akzelerieren ('versnellen')
celo (celare)verbergencel (< Lat. cella ('kamer'))to conceal ('verbergen'), ceiling (lett. 'de hemel verbergend'; o.i.v. Lat. caelum)celer ('verbergen'), déceler ('ontdekken'), réceler ('herontdekken')Zelle ('cel'), Cella ('hoofdruimte in een antieke tempel')
celsuscelsa, celsumhoogexcellent ('uitstekend')excellent ('uitstekend')excellent ('uitstekend')exzellent ('uitstekend')
cenacenaef.maaltijdcenakel (zaal van het Laatste Avondmaal, ook 'literaire kring')cenacle (zaal van het Laatste Avondmaal, ook 'literaire kring')la cénacle ('zaal voor het avondeten, club'), la cène ('Laatste Avondmaal')Zenakel (zaal voor het avondeten, ook 'literaire kring')
censeo (censēre)censui, censumdenken, vinden, besluitenrecensie ('boekbespreking'), census ('volkstelling')recension ('herziening van een boek')la recension ('boekbespreking', lett. 'herziening van een tekst'), recenser ('tellen', 'een lijst opstellen')zensieren ('censureren, becijferen'), Zensus ('Volkstelling')
censorcensorism.censorcensuur ('bemoeienis van de overheid met de publicatie en/of inhoud van boeken, cd's, films etc.')censorship ('censuur')la censure ('censuur, afkeuring')Zensur ('censuur, rapportcijfer')
centumhonderdcent (lett. 'honderdste deel (van een euro)'), procent ('honderdste deel'), centimeter ('honderdste deel van een meter')century ('eeuw, honderd jaar'), cent (lett. 'honderdste deel (van een dollar)'), percent ('procent')cent ('honderd'), le centimètre ('centimeter')Cent (lett. 'honderdste deel (van een euro)'), Prozent ('honderdste deel'), Zentimeter ('honderdste deel van een meter')
centuriocenturionism.centurio (officier aan het hoofd van een centuria, een afdeling van honderd man)----
ducenti, -ae, -atweehonderd----
ceraceraef.was, schrijftafeltjekerosine ('brandstof', lett. 'aardwas')sincere ('oprecht', lett. '(als honing) zonder was', etym. onz.)cierge ('kaars'), cire ('was')Kerze ('kaars', etym. onz.)Oudgr. κηρός ('was')
cerno (cernĕre)crevi, cretumonderscheiden, zienkrijt (< Lat. terra creta ('gezuiverde aarde')), concern ('groot bedrijf'), discreet ('onopvallend', 'bescheiden')concern ('zorg'), secret ('geheim'; < Lat. secernere ('afzonderen')), to concern ('betrekking hebben op')secret ('geheim'; < Lat. secernere ('afzonderen')), discret ('bescheiden', 'onopvallend'), discerner ('waarnemen', 'onderscheiden')Konzern ('groot bedrijf')
certe (adv)zeker, tenminste, althans----
certuscerta, certumzeker, vastcertificaat ('diploma')certain ('zeker'), certificate ('diploma')certain ('zeker'), certificat ('diploma')Zertifikat ('diploma')
crimencriminisn.beschuldiging, aanklacht; misdaad, vergrijpcrimineel ('misdadiger'), criminaliteit ('georganiseerde misdaad'), zich incrimineren ('zichzelf beschuldigen')crime ('misdaad'), criminal ('misdadiger'), to incriminate ('beschuldigen'), to recriminate ('een tegenbeschuldiging inbrengen')crime ('misdaad'), criminalité ('georganiseerde misdaad'), criminel ('misdadiger')Krimi ('misdaadroman', 'misdaadserie'), Kriminalität ('georganiseerde misdaad'), Krimineller ('misdadiger')Oudgr. κρίνω ('beoordelen')
decerno (decernĕre)decrevi, decretumvaststellen, besluiten; toekennen-décerner ('toekennen', 'uitvaardigen')
decretumdecretin.besluitdecreet ('besluit', 'verordening')decree ('besluit', 'verordening')décret ('besluit', 'verordening')Dekret ('besluit', 'verordening')
discrimendiscriminisn.onderscheid, kritiek moment, gevaardiscrimineren (mensen niet gelijk behandelen op grond van bepaalde niet ter zake doende kenmerken)to discriminate (mensen niet gelijk behandelen op grond van bepaalde niet ter zake doende kenmerken)discriminer ('onderscheiden', mensen niet gelijk behandelen op grond van bepaalde niet ter zake doende kenmerken)diskriminieren (onderscheid maken op grond van bepaalde kenmerken)
incertusincerta, incertumonzeker--incertain ('onzeker'), l'incertain ('wisselkoers')-
certamencertaminisn.wedijver, gevecht----
certo (certare)strijden, wedijverenconcert (oorspr. muziekstuk waarin tussen solo-instrument en orkest gewedijverd wordt)concert (oorspr. muziekstuk waarin tussen solo-instrument en orkest gewedijverd wordt)se concerter ('samen overleggen'), concerter ('afspreken')Konzert (oorspr. muziekstuk waarin tussen solo-instrument en orkest gewedijverd wordt)
cervixcervicisf.nek-cervix ('baarmoederhals')cervical ('van de (baarmoeder)hals')-
cervuscervim.hertcerviduct ('viaduct voor overstekend wild')-cerf ('hert')-
ceteruscetera, ceterumoverig----
ceterioverige(n), andere(n)----
ceteraceterorumn.de overige/andere dingenet cetera ('enzovoort')et cetera ('enzovoort')et cetera ('enzovoort')et cetera ('enzovoort')
ceterum (adv)overigens, verder, maar, echter----
ceuzoals----
cibuscibim.voedsel----Sp. cebada ('gerst')
cieo (ciēre)civi, citumin beweging brengenciteren ('iemands woorden aanhalen' < 'voor het gerecht slepen'), sollicitatie ('om een baan vragen'; < Lat. sollicitare ('opwinden, zich inspannen voor'))exciting ('opwindend'), to solicit ('tippelen')citer ('iemands woorden aanhalen', 'dagvaarden'), inciter ('ophitsen'), l'excitation ('opwinding', 'opwekking')zitieren ('iemands woorden aanhalen', 'dagvaarden')Oudgr. κινέω ('in beweging brengen')
cingo (cingĕre)cinxi, cinctumomringensingel ('omringende gracht'), ceintuur ('siergordel')succinct ('kort, bondig'; lett. 'strak omringd'), precinct ('gebied afgebakend voor overheidsgebruik'; < praecingo ('omheinen')) la ceinture ('gordel'), enceindre ('omringen'), succinct ('kort, bondig'; lett. 'strak omringd')umzingeln ('insluiten, belagen')
ciniscinerism.as-to cinder ('verbranden')incinérateur ('verbrandingsoven'), incinération ('crematie')-Oudgr. κόνις ('stof', 'as')
circa, circum (prep.)rondom, in de buurt vancirca ('ongeveer')circa ('ongeveer')-zirka ('ongeveer')
circa, circum (adv.)rondom, er omheencirkel ('rond figuur'), circus (oorspr. 'ronde renbaan'), circulatie ('omloop', 'kringloop')circle ('rond figuur'), circus (oorspr. 'ronde renbaan'), to circle ('rondcirkelen')la circulation ('het verkeer'), cercle ('cirkel'), cerceau ('hoepel'), cirque ('circus', 'beestenboel')zirkeln ('precies uitmeten'), Zirkel ('rond figuur'), zirkulieren ('in omloop zijn')
cituscita, citumsnel----
cito (adv.)snel----
civiscivism.burger--civique ('burgerlijk')-
civilisburger-, openbaarciviel ('van de burgers'), civilisatie ('beschaving')civil ('van de burgers'), civilisation ('beschaving')civil ('van de burgers'), civilement ('burgerlijk', 'beleefd')Zivildienst ('dienst in het leger'), Zivilität ('hoffelijkheid')
civitascivitatisf.burgerij, staat, burgerrecht-city ('stad'), citizen ('burger')la cité ('stad'), le citoyen ('burger')-
cladescladisf.nederlaag, ramp----
clamo (clamare)schreeuwen, roepenreclame ('openbare aanprijzing'), claim ('aanspraak'), declamatie ('voordracht')to acclaim ('toejuichen'), claim ('aanspraak')la proclamation ('bekendmaking'), acclamer ('toejuichen')Claim ('aanspraak')
clamorclamorism.(ge)schreeuw--le clameur ('geschreeuw')-
exclamo (exclamare)uitschreeuwen, uitroepen-exclamation mark ('uitroepteken'), to exclaim ('het uitschreeuwen', 'tekeer gaan')exclamer ('het uitschreeuwen')-
clarusclara, clarumhelder, duidelijk; beroemddeclareren (oorspr. 'duidelijk maken'), klaar ('duidelijk')clear ('duidelijk', 'helder'), to declare ('verklaren', 'aankondigen'), to clarify ('ophelderen')clair ('duidelijk', 'helder'), éclairer ('licht geven', 'ophelderen')klar ('duidelijk', 'helder'), Aufklärung ('Verlichting')Ital. clarinetto ('trompetje')
praeclaruspraeclara, praeclarumschitterend, voortreffelijk----
classisclassisf.vlootklas ('groep op school'), klasse ('categorie', 'rang'), classificeren ('indelen in groepen'), klassiek ('antiek', 'monumentaal')class ('groep op school', 'categorie', 'rang'), classic ('antiek', 'monumentaal')classe ('groep op school', 'categorie', 'rang'), déclassé ('aan lager wal geraakt', 'gedegradeerd')Klasse ('groep op school'), klasse ('groots'; bijv. nw.), Klassement ('ranglijst'), klassisch ('antiek', 'monumentaal')
claudo (claudĕre)clausi, clausum(af)sluitenkluis ('afsluitbare kast'), sluis (< 'buitengesloten water' < Lat. aqua exclusa), claustrofobie ('opsluitingsangst')to close ('sluiten'), closet ('kast' < 'afgesloten ruimte')la conclusion ('conclusie', 'slotsom'), clos ('gesloten', 'afgesloten'), éclore ('uit het ei komen')Klausner ('kluizenaar'), Klausur ('isolement'), Klo ('toilet'; voluit: Klosett)
includo (includĕre)inclusi, inclusumin-, opsluiteninclusief ('ergens bij inbegrepen')to include ('bevatten')inclure ('bevatten')inklusive ('ergens bij inbegrepen')
clementiaclementiaef.mildheid, vriendelijkheid, genadeclementie (in machtsuitoefening vertoonde mildheid)clemency (in machtsuitoefening vertoonde mildheid)clémence (in machtsuitoefening vertoonde mildheid), clément ('vergevingsgezind', 'mild')-
cliensclientism.client (beschermeling, afhankelijk van een patronus), vazalcliënt (beklaagde die door een advocaat wordt bijgestaan), clientèle ('het geheel van vaste klanten')client (beklaagde die door een advocaat wordt bijgestaan), clientele ('het geheel van vaste klanten')client ('klant', 'patiënt', beklaagde die door een advocaat wordt bijgestaan), clientèle ('het geheel van vaste klanten')Klient (beklaagde die door een advocaat wordt bijgestaan), Klientel ('het geheel van vaste klanten')
clivusclivim.helling-proclivity ('neiging'), declivity ('aflopende helling'), acclivity ('opwaartse helling')déclivité ('aflopende helling')-
coepisse, coeptus sumbeginnen----
cogito (cogitare)(be)denken, zinnen op-to cogitate ('nadenken', 'overwegen')cogiter ('nadenken', 'overwegen')-
cogitatiocogitationisf.overweging-cogitation ('overweging') la cogitation ('overweging')-
cognitiocognitionisf.kennis, inzicht, onderzoekincognito ('onherkenbaar'), cognitie ('proces van kennisverwerving')to recognize ('herkennen'), acquaintance ('vriend', 'kennis'), cognition ('proces kennisverwerving')connaître ('kennen'), accointance ('vriend', 'kennis'), connaisseur ('kenner'), réconnaître ('herkennen')Kognition ('proces van kennisverwerving')
cohorscohortisf.cohort, (leger)afdeling-court ('rechtbank', 'koninklijk hof', '(tennis)baan'), courtesy ('hoffelijkheid', 'beleefdheid')la cour ('rechtbank', 'koninklijk hof'), courtois ('hoffelijk', 'beleefd'), le court ('(tennis)baan')Kohorte ('troep'), Court ('tennisbaan')
colliscollism.heuvelkolom (< Lat. columna ('zuil')), kolonel ('militaire rang'), colonne ('troep soldaten'), column ('kort, opiniërend stukje in de krant')column ('zuil', 'kolom', 'kort, opiniërend stukje in de krant'), colonel ('militaire rang')colonne ('zuil', 'kolom'), colonel ('militaire rang')Colonel ('militaire rang'), Kolonnade ('zuilengang'), Kolonne ('troep militairen', 'kolom'), Kolumne ('kort, opiniërend stukje in de krant')
collumcollin.nekdécolleté ('ontbloot gedeelte onder de hals'), kolder ('bovendeel van het harnas'), accolade ('verbindingshaakje: {...}' (vanwege de uitgebeelde omhelzing))collar ('halsband'), décolleté ('met laag uitgesneden hals')le cou ('hals'), le collier ('halsketting', 'halsband'), l'accolade ('ridderslag'), le col ('bergpas', '(flessen)hals')Kollier ('halsketting'), Dékolleté ('ontbloot gedeelte onder de hals'), Akkolade ('verbindingshaakje {...}' (vanwege de uitgebeelde omhelzing))Ital. colle ('bergpas')
colo (colĕre)colui, cultumverzorgen, (ver)eren-domicile ('woonplaats')récoler ('inventariseren')-
agricolaagricolaem.boeragricultuur ('landbouw')agriculture ('landbouw')agriculture ('landbouw')Agrikultur ('landbouw')
coloniacoloniaef.vestiging in den vreemde, provinciestadkoloniecolonyla colonieKolonie
colonuscolonim.kolonistkolonistcolonistle colon ('kolonist')Kolonist
cultuscultusm.verering, verzorging, levenswijzecultuur ('beschaving', dat wat volkeren verschillend maakt), cultus ('geheel van rituelen ter verering van een godheid'), cultiveren ('geschikt maken voor landbouw')culture ('beschaving', dat wat volkeren verschillend maakt), cult ('geheel van rituelen ter verering van een godheid'), to cultivate ('geschikt maken voor landbouw')la culture ('beschaving', dat wat volkeren verschillend maakt), cultiver ('geschikt maken voor landbouw'), la culte ('geheel van rituelen ter verering van een godheid')Kultur ('beschaving', dat wat volkeren verschillend maakt), Kultus ('geheel van rituelen ter verering van een godheid'), kultivieren ('geschikt maken voor landbouw')
incolo (incolĕre)incolui, incultumbewonen----
colorcolorism.kleur, tintkleurcolour ('kleur')couleur ('kleur')Couleur ('aard', 'gekleurdheid', 'troefkaart')
comacomaef.(hoofd)haar----
comescomitism.metgezel, vriend, volgeling-constable ('politieagent'; < Lat. comes stabuli ('stalmeester'))le comte ('graaf'; < Laatlat. comes ('landheer'))-
comitor (comitari)vergezellen, begeleiden-concomitant ('begeleidend', 'bijkomend')le concomitant ('begeleider')-
commeatuscommeatusm.konvooi, (aanvoer van) proviand-congee ('afscheid', 'ontslag')le congé ('verlof', 'ontslag')-
communiscommunis, communegemeenschappelijkcommunicatie (lett. 'iets gemeenschappelijk maken'), communisme ('ideologie van gelijkheid en gemeenschappelijkheid')common ('gemeenschappelijk', 'algemeen'), community ('gemeenschap'), communication (lett. 'iets gemeenschappelijk maken')la communité ('gemeenschap'), la communication (lett. 'iets gemeenschappelijk maken')kommun ('gemeenschappelijk'), kommunal ('van de gemeenschap'), kommunizieren (lett. 'gemeenschappelijk maken')
comprehendo (comprehendĕre)comprehendi, comprehensum(be)grijpen-to comprehend ('begrijpen')comprendre ('begrijpen')-
deprehendo (deprehendĕre)deprehendi, deprehensumgrijpen, betrappen--se deprendre ('zich losmaken van')-
conciliumconciliin.vergaderingconcilie ('kerkvergadering')council ('vergadering', 'beraadslaging'), to conciliate ('weer bij elkaar brengen', 'verzoenen')la concile ('vergadering'), réconcilier ('weer bij elkaar brengen', 'verzoenen'), inconciliable ('onverzoenlijk')Konzil ('college van bestuur')
condiciocondicionisf.voorwaarde, toestand, lotconditie ('voorwaarde', 'lichamelijke gesteldheid')condition ('voorwaarde', 'lichamelijke gesteldheid')la condition ('voorwaarde', 'lichamelijke gesteldheid')Kondition ('voorwaarde', 'lichamelijke gesteldheid')
conor (conari)trachten-conation ('streving')--
conor si...proberen of...----
consuetudoconsuetudinisf.gewoonte, vertrouwelijke omgang-customary ('gebruikelijk')la coutume ('gewoonte')-
consuesco (consuescĕre)consuevi, consuetumzich gewennenkostuum ( < Ital. costume ('gewoonte', 'klederdracht'))le costume ( < Ital. costume ('gewoonte', 'klederdracht'))le costume ( < Ital. costume ('gewoonte', 'klederdracht'))Kostüm ( < Ital. costume ('gewoonte', 'klederdracht'))
consulo (consulĕre)consului, consultumberaadslagen, raadplegen; zorgen voorconsulente (adviesbureau), consult (medisch/financiëel advies)consultant (adviseur)consulter (spreekuur houden / om advies vragen), consultant (raadgever / iem. die om raad vraagt)
consiliumconsiliin.overleg, beleid; besluit, plan-counsellor ('advocaat', 'raadsman'), counsel ('raad', 'advies')le conseil ('advies', 'adviseur')Konsilium ('medisch advies')
consulconsulism.consulconsul ('hoofd van de ambassade')consul ('hoofd van de ambassade')consul ('hoofd van de ambassade')Konsul ('hoofd van de ambassade')
consularisconsularis, consularetot de consul behorend, oud-consulconsulair ('tot de consul behorend')consular ('tot de consul behorend')consulair ('tot de consul behorend')konsularisch ('to de consul behorend')
consulatusconsulatusm.het ambt van consulconsulaat ('ambassade')consulate ('ambassade')le consulat ('ambassade')Konsulat ('ambassade')
contemno (contemnĕre)contempsi, contemptumverachten, van geen belang vinden-contempt ('minachting')le contempteur ('minachter')-
contra (adv.)er tegenover, daarentegen, anderzijdscontrast ('tegenstelling'; < Lat. contra + stare), controversiëel ('hevig bediscussiëerd', 'taboe'), controleren ('inspecteren en op orde houden'; < Lat. contra + rotulus ('boekrol, register'): men hield in de Middeleeuwen boekhoudingen op orde door er een "tegenkopie" op na te houden) country ( < Vulg. Lat. (terra) contrata ('tegenoverliggend, uitgestrekt land')), contraband ('smokkelwaar'; < Ital. bando ('afkondiging')), counterfeit ('vervalsing'; < Lat. contrafacio ('als kopie vervaardigen'))la contradiction ('tegenspraak'), contrecoeur ('met tegenzin'), rencontrer ('ontmoeten', 'tegenkomen', lett. 'tegenover iemand komen te staan')Konter ('tegenaanval', in de sport), Kontroverse ('discussie', 'meningsverschil'), Kunterbunt ('verwarring'; < contra + punctus: ('tegen de orde in')), kontrolieren ('inspecteren en op orde houden'; < Lat. contra + rotulus ('boekrol, register'): men hield in de Middeleeuwen boekhoudingen op orde door er een 'tegenkopie' op na te houden)
contra (prep.)tegenover, tegencontra (adv.) zie daarcontra (adv.) zie daarcontra (adv.) zie daarcontra (adv.) zie daar
contrariuscontraria, contrariumtegenovergesteldcontrair ('onderling strijdig', 'tegenovergesteld')contrary ('tegenovergesteld')contraire ('tegengesteld', 'nadelig')konträr ('onderling strijdig', 'tegenovergesteld')
contumeliacontumeliaef.beschimping-contumely ('vernedering', 'minachting'), contumelious ('schaamteloos')--
convello (convellĕre)convelli, convulsumlosscheuren, aan het wankelen brengen-to convulse ('in rep en roer brengen'), convulsion ('stuiptrekking')la convulsion ('stuiptrekking', 'schok', 'crisis'), convulsif ('krampachtig'), convulser ('verkrampen')-
conviviumconviviin.maaltijd-convivial ('van het feestmaal')le convive ('tafelgenoot'), convier ('te eten uitnodigen', 'aansporen')-
corcordisn.hartakkoord ('overeenstemming'; < ad + cordare ('de harten in overeenstemming brengen')), kordaat ('ferm'; < cordatus ('verstandig'): het hart als zetel van het verstand), record ( < Lat. recordari ('zich herinneren' > 'de meest memorabele prestatie')core ('kern'), according to ('volgens', 'in overeenstemming met'; < ad + cordare ('de harten in overeenstemming brengen')), record ('opname'; < Lat. recordari ('zich herinneren')), courage ('moed')le coeur ('hart'), la courage ('moed'), accorder ('in overeenstemming brengen', 'toekennen'; < ad + cordare ('de harten in overeenstemming brengen'))Akkord ('overeenstemming'; < ad + cordare ('de harten in overeenstemming brengen')), Courage ('moed', 'lef')
concordiaconcordiaef.eendrachtconcordaat ('verdrag tussen staten'), concordantie ('woordenregister')concord ('overeenkomst', 'verdrag'), concordance ('harmonie', 'woordenregister')la concorde ('eensgezindheid', 'eendracht'), concorder ('met elkaar overeenstemmen')Konkordanz ('woordenregister'), Konkordat ('verdrag tussen staten')
discordiadiscordiaef.onenigheid-discord ('onenigheid'), to discord ('van mening verschillen', 'afwijken')la discorde ('onenigheid'), discorder ('het oneens zijn', 'niet bij elkaar passen')-
cornucornusn.vleugel (van een leger), hoorn, hoekhoorn ('muziekinstrument'), kornuit ('kameraad'; oorspr. < Lat. cornutus (iemand bij wie 'de horens opgezet zijn', d.i. wiens vrouw is vreemdgegaan))corner ('hoek', 'hoekschop'), horn ('hoorn'), scorn ('hoon', 'smaad'; < Lat. excornare (lett. 'iemands horens afbreken'))la corne ('hoorn', 'claxon'), le cornu ('stier', 'duivel'), le cornard (lett. iemand bij wie 'de horens opgezet zijn', d.i. wiens vrouw is vreemdgegaan)Kornett ('soort trompet'), Horn ('hoorn')Ital. cornetto ('hoorntje')
coronacoronaef.kranskroon, kruin ('bovenste deel van het hoofd'), corona ('kransslagader')crown ('kroon'), coronation ('kroning')la couronne ('kroon', 'krans')Krone ('kroon')
corpuscorporisn.lichaam, lijkincorporeren ('opnemen', 'inlijven'), corporatie ('vereniging van bedrijven'), corpulent ('dik'), corps ('studentenvereniging'), korps ('groep'; van bijv. politieagenten)corpse ('lijk'), corporation ('vereniging van bedrijven'), corps ('korps'), to incorporate ('opnemen', 'inlijven')corps ('lichaam'), corsage ('bloesje'), corser ('aandikken', lett. 'van een lichaam / van substantie voorzien')Körper ('lichaam'), Korps ('troep' van bijv. politieagenten, 'studentenvereniging'), Korpsgeist ('saamhorigheidsgevoel')
cortexcorticism.bast, schilschors ( < Lat. scortum ('huid') + cortex ('bast')), kurk ( < Latijn via Arab. qurq ('kurk'))cork ('kurk'), cortex ('schors'), to scorch ('verschroeien'; < Lat. excorticare ('ontkurken'), etym. onz.)écorcer ('pellen'), décortication ('ontschorsing'), écorcher ('villen', 'de huid afstropen')Kork/Korken ('kurk')
crebercrebra, crebrumtalrijk----
credo (credĕre)credidi, creditumgeloven, vertrouwen, toevertrouwenkrediet ( < creditum (lett. 'het toevertrouwde')), accreditatie ('bewijs van vertrouwen'), credo (christelijke geloofsbelijdenis)credit ( < creditum (lett. 'het toevertrouwde')), incredible ('ongelooflijk'), grant ('schenking'; < Oudfr. granter < Oudfr. créanter ('toewijzen'))croire ('geloven'), incroyable ('ongelooflijk'), crédit ( < creditum (lett. 'het toevertrouwde'))Akkreditierung ('volmachten/krediet geven'), kredenzen ('aanbieden'), Kredit ( < creditum (lett. 'het toevertrouwde'))
creo (creare)scheppen, kiezencreatie ('schepping'), creatief ('vindingrijk', 'met artistieke aanleg'), recreatie ('het herstellen', lett. 'opnieuw scheppen van de geest')to create ('scheppen'), creature ('wezen'), to procreate ('zich voortplanten', 'verwekken'), creative ('vindingrijk', 'met artistieke aanleg'), recreation ('het herstellen', lett. 'opnieuw scheppen van de geest')créer ('scheppen', 'maken'), créatif ('vindingrijk', 'met artistieke aanleg'), la créature ('schepsel', 'wezen'), recreatie ('het herstellen', lett. 'opnieuw scheppen van de geest')kreativ ('vindingrijk', 'met artistieke aanleg'), Kreatur ('wezen'), Rekreation ('het herstellen', lett. 'opnieuw scheppen van de geest')
cresco (crescĕre)crevi, cretumgroeienrekruteren ('soldaten ronselen', lett. 'de oogst binnenhalen'; < Fr. le récru ('het jaarlijkse groeisel, oogst')), concreet ('duidelijk', 'als vorm herkenbaar'; < Lat. concretum (lett. 'samengegroeid'))concrete ('beton'; < Lat. concretum (lett. 'samengegroeid, verdicht')), crew ('groep samenwerkende mensen')croître ('groeien'), croissant (Franse lekkernij, lett. 'groeiend'; zo vernoemd naar de halve, 'groeiende' maan waar hij op lijkt), la crue ('stijgend water', 'vloed')rekrutieren ('soldaten ronselen', lett. 'de oogst binnenhalen'; < Fr. le récru ('het jaarlijkse groeisel, oogst')), concreet ('duidelijk', 'als vorm herkenbaar'; < Lat. concretum (lett. 'samengegroeid'))Ital. crescendo ('groeiend', lett. 'toenemend in volume'; muziekterm)
crinescriniumm.haar--la crinière ('manen van een dier')-
crudeliscrudelis, crudelewreed-cruel ('wreed')cruel ('wreed'), cru ('rauw', 'hard', 'choquerend')krud ('grof', 'rauw', 'oneetbaar')
crudelitascrudelitatisf.wreedheid-cruelty ('wreedheid')la crudité ('wreedheid')Krudität ('grofheid', 'grove opmerking')
cruorcruorism.bloed----
cruentuscruenta, cruentummet bloed bevlekt----
cubilecubilisn.rustplaats, bed----
culpaculpaef.schuldreprimande ('berisping'; < Fr. reprimande < Lat. culpa reprimenda ('schuld die teruggedrongen moet worden'))culpable ('afkeurenswaardig'), culprit ('beklaagde', 'schuldige')coupable ('afkeurenswaardig'), la coulpe ('berouw')Reprimande ('berisping'; < Fr. reprimande < Lat. culpa reprimenda; ('schuld die teruggedrongen moet worden'))
cum (prep.)metin samenstellingen als con-, bijv. concurrent (iemand met wie je concurreert), compositie ('samenstelling'), collecte ('inzameling')in samenstellingen als con-, bijv. continuous ('aanhoudend'), composition ('samenstelling'), collective ('verzamelde groep mensen')in samenstellingen als con-, bijv. continuer ('doorgaan'), composition ('samenstelling'), le collectif ('verzamelde groep mensen')in samenstellingen als kon-, bijv. Konkurrenz (iemand met wie je concurreert), Komposition ('samenstelling'), Kollektiv ('verzamelde groep mensen')
cum (voegwoord) + ind.toen, wanneer----
cum (voegwoord) + coni.toen, omdat; hoewel, tenzij----
cum ... tumzowel ... als----
cunctor (cunctari)talmen, aarzelen----
cupio (cupĕre)cupio, cupivi, cupitumbegeren-concupiscence ('hevig verlangen'), to covet ('hunkeren naar')convoiter ('begeren'), la concupiscence ('vleselijke begeerte')-
cupidocupidinism./f.begeerte, verlangenCupido (of Amor, god van de liefde)Cupid (of Amor, god van de liefde)Cupido (of Amor, god van de liefde)Cupido (of Amor, god van de liefde)
cupiduscupida, cupidumbegerig naar----
cupiditascupiditatisf.begeerte, verlangen-cupidity ('begerigheid', 'hebzucht')la cupidité ('hebzucht')-
curwaarom----
curiacuriaef.senaatsgebouwcurie (regering van de paus)curia (regering van de paus)la curie (regering van de paus)Curia (regering van de paus)
curo (curare)verzorgen, zorgen voor, latencurator (beheerder van een museumcollectie)to cure ('genezen'), manicure ('handverzorging')curer ('genezen'), le curateur (beheerder van een museumcollectie), le curé ('priester', oorspr. 'verzorger')Kurator (beheerder van een museumcollectie)
curacuraef.zorgkuuroord ('wellness-centrum'), manicure ('handverzorging'), sinecure (klus die zonder zorg en aandacht kan), curieus ('de aandacht grijpend', 'opvallend')security ('veiligheid', lett. 'het vrij zijn van zorgen'), cure ('mogelijkheid tot genezing'), curious ('nieuwsgierig', oorspr. 'vol zorg', 'aandacht')curieux ('nieuwsgierig'), curiosité ('nieuwsgierigheid'), la sécurité ('veiligheid', lett. 'het vrij zijn van zorgen')Kurort ('wellness-centrum'), Maniküre ('handverzorging'), Sineküre (klus die zonder zorg en aandacht kan)
curro (currĕre)cucurri, cursumrennenkoerier ('bezorger', oorspr. 'ijlbode'), curriculum ('loopbaan', oorspr. 'renbaan'), cursief ('schuinschrift'; < Lat. scripta cursiva (lett. 'lopend schrift')), cursor (een muis op een beeldscherm, oorspr. 'ijlbode')currency ('stroom', 'valuta'), precursor ('voorganger'), current ('momenteel', 'huidig')courir ('rennen'), coureur ('renner', 'racewagenbestuurder'), l'excursion ('uitstapje'), secours ('hulp'; < Fr. secourir ('te hulp komen'))Korridor ('gang'), Curriculum ('loopbaan', oorspr. 'renbaan'), Kurier ('bezorger', oorspr. 'ijlbode')
concurro (concurrĕre)concurri, concursumte hoop lopen, op elkaar instormenconcurrent (lett. 'iemand die meedoet in de race')concourse ('toeloop', 'massa'), concurrence ('overeenstemming', 'samenvallen')le concours ('wedstrijd'), le concurrent (lett. 'iemand die meedoet in de race')Konkurrent (lett. 'iemand die meedoet in de race')
curruscurrusm.wagen----
cursuscursusm.het hardlopen, loopbaan; koerskoers, cursus ('lesprogramma')course ('koers/cursus')cours ('koers/loop/cursus')Kurs ('koers/cursus')
decurro (decurrĕre)decurri, decursumomlaag rennendecursus ('verloop van een ziekte')-le décours ('het afnemen')-
occurro (occurrĕre)occuri, occursumtegemoet komen, tegengaan, opkomen bij-to occur ('gebeuren')l'occurence ('het geval')-
curvuskrom, gebogencurve ('bocht')curve ('bocht')la courbe ('kromme', 'bocht'), courber ('buigen')Kurve ('bocht')
custodio (custodire)bewaken, passen op----
custodiacustodiaef.bewaking, hechtenis, gevangenis-custody ('bewaring', 'gevangenschap')--
custoscustodism.bewakerkoster ('kerkbeheerder')--Küster ('kerkbeheerder')
damno (damnare)veroordelen-damnla damnationverdammen, Verdammnis
damnumdamnin.schade, verlies-damagedommage ('jammer'; vgl. Eng. damn)
condemno (condemnare)veroordelen-to condemn ('veroordelen')condamnerKondemnation, kondemnieren
dapesdapiumf.offermaal, feestmaal----Oudgr. δάπτω ('vreten'; LSJ "to devour")
devanaf, overdecadent (< de + cadere ('neervallen')), degradatie (< de + grado), delegeren (< de + legere ('verdelen over')), depressie (< de + pressare, ('neer-drukken')), debakeldecadent (< de + cadere ('neervallen')), decease (< de + cedere ('zich ergens van scheiden')), decision (< de + caedo ('doorhakken'))demander (< de + main), debacle, dégoûtDebakel, deduzieren (< de + duco ('afleiden van')), degradieren
decemtiendecember (lett. 'de tiende maand'), decaan (oorspr. 'hoofdman van tien'), decennium (< decem + annum ('jaar'))december (lett. 'de tiende maand')dix, décembre (lett. 'de tiende maand')Dezember (lett. 'de tiende maand'), Dekan (oorspr. 'hoofdman van tien'), Dezennium (Oudgr. δέκα ('tien')
decimusdecima, decimumtiendedecimaal, decimeren ('elke tiende man afmaken')dime ('duppie'), decimalla décimale, décimer ('elke tiende man afmaken')Dezimale, dezimieren ('elke tiende man afmaken')
decetdecuithet past----
decusdecorisn.eer, sieraaddecor, decoratiedecent, to decoratele décorDekor
defendo (defendĕre)defendi, defensumverdedigendefensieto defenddéfendredefensiv
defendithij verdedigt; hij heeft verdedigdzie ook defendozie ook defendozie ook defendozie ook defendo
deindevervolgens----
delecto (delectare)vermaken-delight ('verrukking'; < Oudfr. delit ('vermaak') < delitier ('vermaken') < delectare (freq. van delicere))délecter ('vermaken')delektieren ('vermaken')It. dilettare ('vermaken')
deleo (delēre)delevi, deletusvernietigen, verwoesten-to delete ('verwijderen')--
delictumdelictin.overtreding, wandaaddelict ('misdrijf')delict ('misdrijf')le délit ('misdrijf')Delikt ('misdrijf')
demumtenslotte, pas----
deniquetenslotte, kortom----
densdentism.tandtandtooth, dentist ('tandarts'), dental ('van/voor tanden')la dent ('tand'), le dentiste ('tandarts')dental ('van/voor tanden')Oudgr. ὀδούς, -όντος ('tand')
densusdensa, densumdicht opeencondenseren (overgaan van gasvorm tot vloeistof, i.e. 'dichter worden')dense ('dicht', 'bondig'), density ('dichtheid'), to condense ('verdichten')dense ('dicht', 'bondig') la densité ('dichtheid'), condenser ('verdichten')kondensieren (overgaan van een gas naar vloeistof, i.e. 'dichter worden')
descendo (descendĕre)descendi, descensumafdalen-to descend ('afdalen')descendre ('afdalen')Deszendent ('nakomeling')
desero (deserĕre)deserui, desertumverlaten, in de steek latendeserteren ('weglopen uit (militaire) dienst')desert ('woestijn', lett. 'verlaten plaats'), to desert ('weglopen uit (militaire) dienst')le désert ('woestijn', lett. 'verlaten plaats'), déserter ('weglopen uit (militaire) dienst')desertieren ('weglopen uit (militaire) dienst')
dissero (disserĕre)disserui, dissertumuiteenzettendissertatie ('uiteenzetting', 'proefschrift')dissertation ('uiteenzetting', 'proefschrift')la dissertation ('uiteenzetting', 'proefschrift')Dissertation ('uiteenzetting', 'proefschrift')
desidero (desiderare)missen; verlangen-to desire ('verlangen')désirer ('verlangen')-
desideriumdesideriin.verlangen-desire ('verlangen')la désir ('verlangen')-
destino (destinare)vaststellen, aanstellen-destiny (datgene dat vaststaat, i.e. 'lot'), destination ('bestemming')destiner ('bestemmen')-
deusdeim.godajuus (< Fr. adieu < ad deus; vgl. Eng. goodbye < god by you < god be with you)deity ('goddelijkheid'), deify ('tot god maken'; < deus + facere ('god + maken'))Dieu ('god'), adieu (< ad deus; vgl. Eng. goodbye < god by you < god be with you), déifier ('tot god maken'; < deus + facere ('god + maken'))tschüs (< Fr. adieu < ad deus; vgl. Eng. goodbye < god by you < god be with you)Oudgr. θέος ('god'); Ital. Dio; Sp. Dios, adiós (< ad deus; vgl. Eng. goodbye < god by you < god be with you); ook verwant met gen. sing. Iovis (<*Djews)
deadeaef.godin----
divinusdivina, divinumgoddelijk-divine ('goddelijk')divin ('goddelijk')Divinität ('goddelijkheid')
divusdiva, divumgoddelijkdiva (lett. 'gevierde zangeres')diva (lett. 'gevierde zangeres')la diva (lett. 'gevierde zangeres')Diva (lett. 'gevierde zangeres')
dexterdextra, dextrumrechterambidexter (< ambo + dexter, lett. '(met) twee rechterhanden'), dextrose (< dextrum + -ose (suffix voor suiker); zo genoemd omdat deze glucosevorm licht naar rechts polariseert in spectroscopie)dexterity ('gereedheid', 'behendigheid'; in de antieke tijd werd rechts als goed en links als slecht gezien, zie sinister), ambidextrous (< ambo + dexter, lett. '(met) twee rechterhanden'), dextrose (le destrier ('strijdros'; het ros dat men met de rechterhand kon mennen), dextérité ('gereedheid', 'behendigheid'; in de antieke tijd werd rechts als goed en links als slecht gezien, zie sinister), ambidextre (Dextrose (
a dextera (parte)aan de rechterkantzie ook dexterzie ook dexterzie ook dexterzie ook dexter
dext(e)ra (manus)dext(e)rae (manus)f.rechterhandzie ook dexterzie ook dexterzie ook dexterzie ook dexter
dico (dicĕre)dixi, dictumzeggen, sprekendicterento dictatedire ('zeggen')
dictatordictatorism.dictatordictatordictatorle dictateurDiktator
dictumdictin.woorddictee, dictiedictionary, dictionla dictionnaire, la dictéeDiktat
edictumedictin.verordening, edictedictedictl'éditEdikt
indiciumindiciin.teken, aanwijzing, aangifte---Indiz ('indicatie')
diesdieim./f.dag, termijnmeridiaan (cirkel op het aardoppervlak; < meridianus < meridies ('middag') < medius + dies ('midden+dag'))diary (< diarius ('dagelijks')le jour ('dag'), aujourd'hui ('vandaag'), lundi ('maandag'; < lunae + dies ('dag van de maan')), mardi ('dinsdag'; < Martis + dies ('dag van Mars')), mercredi ('woensdag'; < Mercurii + dies ('de dag van Mercurius')), jeudi ('donderdag'; < Iovis + dies ('de dag van Jupiter')), vendredi ('vrijdag'; < Veneris + dies ('de dag van Venus')), samedi ('zaterdag'; lett. 'de dag van de sabbat')Diäten ('presentiegeld', 'daggeld')
cotidiedagelijks-quotidian ('dagelijks')quotidien ('dagelijks')-
digitusdigitim.vingerdigitaaldigit (nummer onder 10), digitalle doigt ('vinger'), digitaldigitalOudgr. δάκτυλος ('vinger'; verwant met Oudgr. δεικνύναι ('aanwijzen'))
dignusdigna, dignumwaard, geschiktdédain ('minachting'; < de-dignus)dainty ('elegantie', 'excellentie')digne ('waardig'), dédain ('minachting'; < de + dignus)-
dignitasdignitatisf.waardigheid-dignity ('waardigheid')la dignité ('waardigheid')Dignität ('waardigheid')
indignusindigna, indignumonwaardig, niet waard-indignity ('onwaardigheid')indigne ('onwaardig')Indignation ('verontwaardigheid')
diligo (diligĕre)dilexi, dilectumhouden vandiligent ('ijverig')diligence ('ijver'), dildo (verbastering van Ital. deletto ('verrukking'))la diligence ('ijver')-
dilectusdilectusm.recrutering, keuze--le dilection ('voorliefde')-
dimico (dimicare)strijden----
dirusdira, dirumonheilspellend; gruwelijk, verschrikkelijk-dire ('verschrikkelijk')--
disco (discĕre)didicileren, vernemendiscipel ('leerling')disciple ('leerling')le disciple ('leerling')-Oudgr. διδάσκειν ('leren', 'onderwijzen')
diulang(durig)----
diversusdiversa, diversumtegengesteld, uiteenlopenddiversdiversediversdivers
divesdivitisdives, divesrijk----
divitiaedivitiarumf.rijkdom----
divido (dividĕre)divisi, divisumscheiden, verdelendivisie ('verdeling'), individu, dividend ('winstuitkering'), devies ('zinspreuk'; < Fr. deviser ('keuvelen') < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden'))division ('verdeling'), individual, dividend ('winstuitkering'), devise ('zinspreuk'; < Fr. deviser ('keuvelen') < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden'))la division ('verdeling'), l'individu, le dividende ('winstuitkering'), la devise ('zinspreuk'; < Fr. deviser ('keuvelen') < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden')), deviser ('keuvelen'; < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden'))Division ('verdeling'), Individu, Dividend ('winstuitkering'), Devise ('zinspreuk'; < Fr. deviser ('keuvelen') < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden'))
do (dare)dedi, datumgevendatum, data (lett. 'gegeven zaken'), datief, dateren(to) date, data ('gegeven zaken'), dativela date, le datif, dater ('dateren')Datum, Dativ, datieren
abdo (abdĕre)abdidi, abditumverbergen----
addo (addĕre)addidi, additumtoevoegenaddenda ('bijvoegsels', lett. 'de dingen die toegevoegd moeten worden')to add, addition, addenda ('bijvoegsels', lett. 'die dingen die toegevoegd moeten worden')-Addenda ('bijvoegsels', lett. 'de dingen die toegevoegd moeten worden'), Addition ('toevoeging')
circumdo (circumdare)omgeven----
condo (condĕre)condidi, conditumstichten, opbergen-to abscond ('onderduiken'), scoundrel ('schurk'; < Oudfr. escondre < excondere (etym. onz.))--
dedo (dedĕre)dedidi, deditumovergeven, uitleveren----
deditiodeditionisf.overgave----
dono (donare)donavi, donatumgevendoneren ('geven'), donordonor, donationdonner, pardonner ('vergeven')Pardon (< Fr. pardonner < Vulg. Lat. perdonare ('vergeven'))
donumdonin.geschenk--le don ('cadeau')-
edo (edĕre)edi, esumetenobesitas (< ob + edere ('over eten'))edible (eetbaar), obesity (< ob + edere ('over eten'))l'obesité ( < ob + edere ('over eten'))-Oudgr. ἔδειν ('eten')
prodo (prodĕre)prodidi, proditumtonen, openbaar maken, verraden----
reddo (reddĕre)reddidi, redditum(terug)geven, makenrente ('teruggave'; < Vulg. Lat. rendere)to render ('geven'; < Vulg. Lat. rendere)rendre ('terugkeren'; < Vulg. Lat. rendere), rente ('teruggave' < Vulg. Lat. rendere)Rente ('teruggave';
trado (tradĕre)tradidi, traditumoverdragen, overgeventraditie (datgene wat overgeleverd wordt), treiteren (lett. 'overdragen')tradition (datgene wat overgeleverd wordt) traitor ('verrader' lett. 'degene die overlevert')la tradition (datgene wat overgebracht wordt), le traître ('verrader' lett. 'degene die overbrengt')Tradition (datgene wat overgeleverd wordt)
doceo (docēre)docui, doctumonderwijzen, uiteenzettendocent, doceren, doctor, doctrine ('leer')docent, doctor, doctrine ('leer')le docteur, la doctrineDozent, dozieren, Doktor, Doktrine ('leer')
doctusgeleerd, kundig--docte ('geleerd')-
doleo (dolēre)doluipijn hebben, (be)treurencondoleren (< cum + dolere ('samen rouwen'))to condole ('condoleren'; < cum + dolere ('samen rouwen'))la condoléance (< cum + dolere ('samen rouwen'))kondolieren (
dolordolorism.pijn, verdriet, wrok--la douleur ('pijn')-
dolusdolim.list, bedrog--dolosif ('frauduleus')-
domo (domare)domui, domitumtemmen, bedwingendompteur ('dierentemmer'; < domitare (intens. v. domare))indomitable ('ontembaar')dompter ('temmen'; < domitare (intens. v. domare))Dompteur ('dierentemmer'; < domitare (intens. v. domare))
dominor (dominari)meester zijndomineren, dominantdominate, dominantdominer, dominantdominieren, dominant
dominatiodominationisf.maatschappij, tiranniedominaatdominationla domination-
domusdomusf.huis, woonplaatsdom ('kerk')dome ('koepel')la dôme ('de koepel')Dom ('kerk')Ital. duomo ('domkerk')
domesticusvan het huis, binnenlandsdomesticeren ('tot huisdier maken')domesticdomestique, domestiquer ('tot huisdier maken')Domestik ('bediende'), domestizieren ('tot huisdier maken')
domithuis----
dominusdominim.heer des huizes, heerserdomineedon (< Ital. don ('heer'))-Don (< Ital. don ('heer'))It. don ('heer')
domovan huis----
domumnaar huis----
doneczolang als, totdat----
dormio (dormire)slapendormitorium ('slaapzaal')dorm(itory) ('slaapzaal')dormir ('slapen'), dormeur ('slaper')-
dubito (dubitare)onzeker zijn, aarzelen-to doubtdouter ('twijfelen')-
dubiumdubiin.twijfeluitdrukking: in dubio zijndoubtle doute ('twijfel')-
dubiusdubia, dubiumaarzelend, onzekerdubieusdubiousdouteux ('twijfelachtig')dubiös
duco (ducĕre)duxi, ductumleiden, doorbrengen; achten, beschouwen alsintroduceren (lett. 'naar binnen leiden'), produceren (lett. 'voortbrengen'), aquaduct ('waterleiding'), viaduct ('wegleiding')to introduce (lett. 'naar binnen leiden'), to produce (lett. 'voortbrengen'), aquaduct ('waterleiding'), viaduct ('wegleiding')conduire (produzieren (lett. 'voortbrengen'), Aquädukt ('waterleiding'), Viadukt ('wegleiding')
adduco (adducĕre)adduxi, adductumbrengen naar, brengen tot-to adduce--
deduco (deducĕre)deduxi, deductum(omlaag) brengen, meenemendeducerento deducedéduirededuzieren
ducidat. van dux; inf prae. pass. van ducozie ook duxzie ook duxzie ook duxzie ook dux
ducat(hij, zij, het) leidt/brengt (conj. prae.)zie ook ducozie ook ducozie ook ducozie ook duco
ducet(hij, zij, het) zal leiden/brengen (fut.)zie ook ducozie ook ducozie ook ducozie ook duco
ducit(hij, zij, het) leidt/brengt (ind. prae.)zie ook ducozie ook ducozie ook ducozie ook duco
duxducism.leiderdukaat (munt met de beeltenis van een hertog erop)dukele duc, le ducat (munt met de beeltenis van een hertog erop)Dukat (munt met de beeltenis van een hertog erop)Ital. duce ('leider'), doge (Venetiaans leider)
educo (educĕre)eduxi, eductumnaar buiten leideneducatie ('opvoeding'; < educare ('opvoeden'))to educate ('opvoeden'; < educare ('opvoeden'))eduquer ('opvoeden'; < educare ('opvoeden'))Edukation ('opvoeding'; < educare ('opvoeden'))
induco (inducĕre)induxi, inductumbrengen naar, tot iets bewegeninductieto induce, inductioninduire, l'inductionInduktion
perduco (perducĕre)perduxi, perductumbrengen door, - tot----
reduco (reducĕre)reduxi, reductumterugvoerenreducerento reduceréduirereduzieren
dulcisdulcis, dulcezoet, lieflijk--doux-Ital. dolce (bijvoorbeeld in: la dolce vita)
dumterwijl, zolang als; totdat; (+ coni.) mits, als maar----
duoduae, duotweeduet, dualisme (< dualis ('van twee')), dubbel (< duplex), dobbelen ('met twee dobbelstenen gooien'; < duplex)duet, dualism (< dualis ('van twee')), double (< duplex)deux, le dualisme (< dualis ('van twee')), double (< duplex)Duett, Dualismus (< dualis ('van twee'))Ital. due, Oudgr. δύω
duro (durare)hard maken, uithouden; (intr.) voortdurendurento endure ('ondergaan' < in + durare ('hard worden')), durable ('duurzaam'), duringdurerdauern
durusdura, durumhard; onbeschaafddurum (harde tarwesoort; (niet te verwarren met Turks dürüm ('opgerold')))durum (harde tarwesoort; (niet te verwarren met Turks dürüm ('opgerold')))durDurum (harde tarwesoort; (niet te verwarren met Turks dürüm ('opgerold')))
eamhaar; deze (acc. vrl. van is)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
ecce, enkijk!--ce, cet, ici, ceci (< Lat. ecce hoc ecce hic), celui/celle/ceux (< Lat. ecce + Fr. lui/elle/eux)-"ecce homo" Johan. XIX:5
ego (egĕre)eguimissen, behoefte hebben aan-indigence ('behoeftigheid'; < Lat. ptc. indigentem < indu + egĕre ('nodig hebben'))l'indigence ('armoede/gebrek'; < Lat. indigentia ('nood, verlangen') < ptc. indigens < indu + egĕre ('nodig hebben'))-
egoikegocentrisch, egoïsmeegocentricégoïsme, égotisme ('zelfverafgoding'), je ('ik'; < Oudfr. jo < io < Laatlat. eo < ego)Ego ('het ik'), Egoismus ('egoïsme'), egozentrisch ('egocentrisch')ἐγώ, alter ego (Cic.)
equidemstellig, ik voor mij----
egregiusegregia, egregiumuitstekend, voortreffelijk-egregious ('kolossaal, opmerkelijk')--
ei(aan) hem, (aan haar), eraan; aan deze; zij, dezen (nom. mv. mnl.)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
eiuszijn, van hem; (van) haar; van het, zijn, ervan; van deze (gen. van is)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
emo (emĕre)emi, emptumkopenemption ('aankoop'), redemption ('bevrijding'; < redimere < re + emere ('terugkopen')), to redeem ('vrijkopen, verlossen') rédempteur ('verlossend'), rédimer ('vrijkopen'), rédemption ('verlossing', 'vrijkoping')-
adimo (adimĕre)ademi, ademptumontnemen----
demo (demĕre)dempsi, demptumafnemen--vendanger ('wijnoogst binnenhalen, druiven plukken'; < Lat. vinum ('wijn') + demere ('wegnemen')), le vendémiaire ('wijnmaand'; < Lat. vindemia ('oogst'))-
eximo (eximĕre)exemi, exemptumontnemen-exemption ('vrijstelling'; < Lat. ptc. exemptum ('ontnomen')), exempt ('vrijstelling')exempt ('vrijgesteld'; < Lat. ptc. exemptum ('ontnomen')), l'exempt ('gerechtsdienaar'; < Lat. ptc. exemptum ('ontnomen')), exempter ('ontslaan')-
exemplumexemplin.voorbeeld, precedentexemplaar, exemplarisch ('bij wijze van voorbeeld')example ('voorbeeld'), exemplification ('verklaring'; < Lat. exemplificatio < exemplum + facere ('doen, maken'))l'exemple ('voorbeeld')Exempel ('voorbeeld')
praemiumpraemiin.beloningpremie ('prijs')premium ('beloning')la prime ('vergoeding'), la préemption ('voorkoop')Prämie ('premie')
enimimmers, want----
ensisensism.zwaard----
eo (ire)ii, itumgaan--futurale vormen j'irai ('ik zal gaan') en j'irais ('ik zou gaan'). NB: 'aller' komt niet van 'ire'-
abeo (abire)abii, abitumweggaan---Abitur ('eindexamen')
adeo (adire)adii, aditumgaan naar, zich wenden tot----
aditusaditusm.toegang-adit ('toegang')--
ambitioambitionisf.politieke campagneambitie, ambitieus (< Lat. ambo ('rond') + ire ('gaan'))ambition (< Lat. ambo ('rond') + ire ('gaan'))ambitieux ('ambitieus' < Lat. ambo ('rond') + ire ('gaan'))Ambition ('ambitie'), ambitioniert ('eerzuchtig')
coetuscoetusm.bijeenkomst, vergaderingcoïtus ('geslachtsgemeenschap'; < Laatlat. coitus < Lat. coetus ('vergadering, samenzijn'))coitus ('geslachtsgemeenschap'; < Laatlat. coitus < Lat. coetus ('vergadering, samenzijn'))le coït ('geslachtsgemeenschap'; < Laatlat. coitus < Lat. coetus ('vergadering, samenzijn'))Koitus ('geslachtsgemeenschap'; < Laatlat. coitus < Lat. coetus ('vergadering, samenzijn'))
eat(hij, zij, het) gaat (conj. prae)----
exeo (exire)exii, exitumuitgaan, weggaan--l'exeat ('bewijs van vrijlating, verlof')-exit/exeunt -> termen afgaande acteurs van toneel
exitiumexitiin.ondergang, verderf----
exitusexitusm.het uitgaan, uitgang, afloop, einde-exit ('uitgang'), issue ('uitgave, resultaat'; < Fr. isser < Lat. exire))-Exitus ('uitgang')
ibat(hij, zij, het) ging (impf.)----
ierat(hij, zij, het) was gegaan (pqpf.)----
ierit(hij, zij, het) ging, is gegaan (pf.); (hij, zij, het) ging, is gegaan (conj. pf.)----
iit/it(hij, zij, het) ging, is gegaan (pf.)----
ineo (inire)binnengaanzie initiumzie initiumzie initiumzie initium
initiuminitiin.begininitiatief ('begin, aanzet'), initiaal ('beginletter'), initiëren ('inwijden')initial (adi. 'eerste', subst. 'initiaal')initial ('eerste'), initier ('inleiden'), l'initiation ('inleiding'), l'initiative ('initiatief')Initien ('begin'), Initio ('vanaf het begin')
intereo (interire)interii, interitumte gronde gaan, sterven----
interitusinteritusm.ondergang, dood----
iret(hij, zij, het) ging (conj. impf)----
isset(hij, zij, het) was gegaan (conj. pqpf.)----
it(hij, zij, het) gaat----
obeo (obire)obii, obitumtegemoet gaanobituarium ('lijst van overledenen'; < Mdd. Lat. obituarius ('betrekking hebbend op de dood') < Lat. obitum ('gestorven'))obituary ('overlijdensbericht' < Mdd. Lat. obituarius ('betrekking hebbend op de dood') < Lat. obitum ('gestorven'))l'obituaire ('lijst van overledenen' < Mdd. Lat. obituarius ('betrekking hebbend op de dood') < Lat. obitum ('gestorven'))-
pereo perire)perii, peritumte gronde gaan-to perish ('vergaan'), perishable ('vergankelijk')périr ('vergaan'), (im)périssable ('(on)vergankelijk'), dépérir ('wegkwijnen'; < Fr. de + périr)-
praetereo (praeterire)praeterii, praeteritumvoorbijgaan--le prétérit ('verleden tijd')Präteritum ('verleden tijd')
praetorpraetorism.praetor (magistraat, voornamelijk belast met de rechtspraak)--le prétoir ('rechtszaal')-pretoriaanse garde ('keizerlijke lijfwacht')
redeo (redire)redii, reditumteruggaan, -komen, terecht komen----
reditusreditusm.terugkeerreditie ('herhaling')-la redite ('herhaling')-
subeo (subire)subii, subitumnaderen, in gedachten komen--subir ('ondergaan, dulden')-
subitoplotselingzie subituszie subituszie subitussubito ('plotseling')
subitussubita, subitumplotseling, onverwachtsubiet ('direct')sudden ('plotseling'; < Oudfr. subdain < Lat. subitaneus < subitus)subit(ement) ('plotseling'), soudain(ement) ('plotseling'; < Oudfr. subdain < Lat. subitus)-
transeo (transire)transii, transitumovergaan, overtrekken, voorbijtrekken; voorbijgaantransitief ('overgankelijk), trance ('toestand van gewijzigd bewustzijn')transition ('overgang'), transit ('reis'), trance ('toestand van gewijzigd bewustzijn')transir ('verkleumen'), le transit ('doorvoer'), transitive ('overgankelijk), la transe ('doodsangst'; < Eng. trance)Trance ('toestand van gewijzigd bewustzijn'), Transit ('overgang')
eodaarheen, hierom; des te----
eorumvan hen, hun; van deze (gen. van is)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
eoshen; dezen (acc. mnl. van is)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
epistulaepistulaef.briefepistel ('brief')epistolary novel ('brievenroman'; populair genre in 18e en 19e eeuw)l'épître ('brief'), l'épistolier ('brievenschrijver')Epistel (brief)Lat. epistula < Gr. ἐπιστολή 'gezonden' < ἐπιστέλλειν 'zenden'
epulaeepularumf.maaltijd, feest----
equusequim.paard----zebra < Port./It. zebra < Vulg. Lat. eciferu < Lat. equiferus 'wild paard' < equus + ferus 'wild'
equesequitism.ruiter, ridder-equestrian ('ruiter')-Equestrik ('rijkunst, m.n. in circus')
equitatusequitatusm.ruiterij----
ergodus, dan--ergoter ('muggenziften')-"cogito, ergo sum" - René Descartes
erro (errare)dwalen, zich vergissenaberratie ('afwijking'; < ab + erratum), erratum ('drukfout'), armoede ('gebrek'; < Ned. uitdrukking 'in arren moede' (spijtig) < Middelned. 'in erren moede' < Middelned. 'erre' (in de war, boos, spijtig) < Lat. errare)to err ('dwalen'), aberration ('afwijking'; < ab + erratum)errer ('dwalen'), l'aberration ('afwijking'; < ab + erratum)-
errorerrorism.zwerftocht, dwaling, misvatting-error ('fout') l'erreur ('vergissing'), erroné (verkeerd)Erratum ('drukfout')
eten, ook, zelfs--et ('en')-etc. ('enzovoorts' < et cetera 'en het overige')
et ... etniet alleeen .. maar ook; zowel .. als----
etiamook, zelfs----
etiamsiook als----
etsihoewel---
eumhem, deze (acc. mnl. van is)zie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, idzie is, ea, id
EurusEurim.(zuid)oostenwind----
evado (evadĕre)evasi, evasumte voorschijn komen, ontsnappenevasie ('ontwijking')to evade ('ontwijken'), evasion ('ontwijking')évader ('ontvluchten'), l'evasion ('ontsnapping')-
invado (invadĕre)invasi, invasumaanvallen, binnendringeninvasie ('vijandelijke inval')invasion ('vijandelijke inval'), to invade ('vijandelijk gebied invallen')envahir ('binnendringen'), l'invasion ('vijandelijke inval')invadieren ('vijandig gebied aanvallen'), Invasion ('vijandelijke inval')
vadumvadin.ondiepte, waterwad ('doorwaadbare plaats')to wade ('doorheen waden'; < Lat. vadere), bilbo ('Spaanse degen' < Eng. Bilboa (stad) < Sp. Bilbao < Lat. Bellum Vadum ('mooi wad') (de stad ligt aan de rivier de Nervión))-waten ('waden'), Vademekum ('instructieboek' < Lat. vade ('ga') + mecum ('met mij'))
ex, euit, sinds; ten gevolge van, op grond van
excito (excitare)in beweging brengen, opjagenexciteren ('opwekken')to excite ('opjagen'), excited ('opgewonden')l'excitation ('opwinding'), surexcitable ('overprikkelbaar'; < Fr. sur + excitable)-
incito (incitare)aansporenincitatie ('aansporing')to incite ('aansporen')inciter ('aansporen')-
exerceo (exercēre)exercui, exercitumintensief bezig houden, afmattenexercitie ('militaire oefening'; < exercitium ('training') < exercitare (freq. v. exercere)), exerceren ('manoeuvreren')exercise ('oefening'; < exercitium ('training') < exercitare (freq. v. exercere))exercer ('oefenen'), l'exercise ('oefening, training'; < exercitium ('training') < exercitare (freq. v. exercere))exerzieren ('militaire oefeningen doen'), Exerzitien ('militaire oefening'; < exercitium ('training') < exercitare (freq. v. exercere))
exercitusexercitusm.leger----
existimo (existimare)oordelen, menen----
expedio (expedire)losmaken, bevrijdenexpeditie ('onderzoekingstocht' < expeditionem < expeditum), expediënt ('redmiddel' < ptc. expediens)expedition ('militaire campagne' < subst. expeditionem < ppp. expeditum)expédier ('verzenden'), l'expédition ('onderzoekingstocht' < subst. expeditionem < ppp. expeditum), l'expédient ('uitweg' < ptc. expediens)Expedition ('onderzoekingstocht' < expeditionem < expeditum), spedieren ('verzenden'), Spediteur ('verzender')
expedithet is dienstig, bruikbaar----
expeditusonbelemmerd, slagvaardig, lichtgewapendexpediet ('voortvarend')expeditious ('onbelemmerd')expéditif ('voortvarend')-
impedimentumimpedimentin.belemmering, pl.: bagage--les impediments ('hinderpalen')-
impedio (impedire)belemmerenimpediëren ('verhinderen')impediment ('belemmering'; < Lat. impedimentem < impedire < in + pedes ('voor de voeten'))--
experior (experiri)expertus sumbeproeven, proberen, ervaren, ondervindenexpert ('deskundige'; < expertus), experiment ('proef'; < experimentum < ppp v. experiri)expert ('deskundige'; < expertus), experience ('ervaring'; < experientia), experiment ('proef'; < experimentum < ppp v. experiri)l'expérience ('ervaring'; < experientia), l'expert ('deskundige'; < expertus), l'expertise ('deskundig onderzoek'; < expertus)expert ('deskundige'; < expertus), Expertise ('ervaring'; < expertus)
comperio (comperire)comperi, compertumte weten komen, ontdekken----
expers, -tisexpertisexpers, expersgeen deel hebbend aan, zonder----
explico (explicare)uitleggenexpliciet ('uitdrukkelijk'; < explicitus), explicatie ('uitleg')explication ('uitleg'; < explicationem), explicit ('uitdrukkelijk'; modern: 'pornografisch' < explicatus), exploit ('heldendaad, wapenfeit'; < Fr. esploit < Lat. explicitum 'uitgelegd, voltooid ding')expliquer ('uitleggen'), l'explication ('uitleg'; < explicationem), explicite ('ondubbelzinnig'), l'exploit ('topprestatie'; < explicitum)explizieren ('uitleggen'), Explikation ('uitleg'; < explicationem), explizit ('uitdrukkelijk'; < explicatus)
exploro (explorare)onderzoekenexploreren ('verkennen'; < Lat. jachtterm: ex + plorare 'schreeuwen')to explore ('verkennen'; < Lat. jachtterm: ex + plorare 'schreeuwen'), exploration ('onderzoek')explorer ('onderzoeken'; < Lat. jachtterm: ex + plorare 'schreeuwen')explorieren ('onderzoeken'; < Lat. jachtterm: ex + plorare 'schreeuwen')
ex(s)iliumex(s)iliin.ballingschap, verbanning-exile ('verbanning' of 'banneling')l'exil ('banneling')Exil ('verbanning')
exstinguo (exstinguĕre)exstinxi, exstinctumuitblussen, vernietigenexstinctie ('doving'; < exstinctio)to extinguish ('blussen'), extinct ('uitgestorven'; < exstinctio)l'extinction ('blussing'; < exstinctio), l'extincteur ('brandblusapparaat')Extinktion ('verdelging'; < extinctionem)
extemploterstond----
exterus, exteriorextera, exterum; exterior, exteriuszich buiten bevindendexterieur ('buitenkant'; < exterior)exterior ('buitenkant')extérieur ('buiten')Exterieur ('buitenkant')
externusexterna, externumuitwendig, uitheemsextern ('buiten iets liggend')external ('buiten iets liggend')externe ('buiten iets liggend')extern ('buiten iets liggend')
extrabuitenextra ('buitengewoon'), extravagant ('ongewoon uitbundig'; < extra + vagari ('dwalen'))extra ('bijzonder'), strange ('vreemd' < Fr. étranger ('buitenlands') < Lat. extraneus ('buiten liggend) < extra), extravagant ('uitzinnig'; < extra + vagari ('dwalen')), extraordinary ('buitengewoon'; < extraordinarius < extra + ordo ('rij, orde'))étranger ('buitenlands'), extravagant ('uitzinnig' < extra + vagari 'dwalen')extra ('bijzonder'), extravagant ('uitzinnig' < extra + vagari 'dwalen'), extraordinär ('buitengewoon' < extraordinarius < extra + ordo 'rij, orde')
extremusextrema, extremumsuperl.: buitenste, uiterste, laatsteextreem ('uiterst'), extremiteit ('uitersten')extreme ('uiterst')extrême ('uiterst')extrem ('uiterst')
fabulafabulaef.verhaal, toneelstukfabelfablela fableFabel
facio (facĕre)facio, feci, factummaken, doen; +2 acc maken totfactor, infectie (< in + facio), chauffeur (< Fr. chauffer < Vulg. Lat. calefacio ('warm maken')), certificaat (< certus ('zeker') + facio), benefiet ('voorstelling of wedstrijd ten bate van een goed doel'; < bene ('goed') + factum)factor, faction, feature (< factura), benefactor ('weldoener'; < bene + facio)faire, sacrifier ('offeren'; < sacrum facio 'offer plegen')Faktor, Fax (< fac + similis ('gelijk')), Disqualifikation (< dis + qualis + facio), Fazit ('conclusie, resultaat'), Zertifikat (< certus + facio)
affectusaffectusm.gemoedsgesteldheid, stemmingaffectie ('aandoening, genegenheid, neiging')to affect ('beïnvloeden')l'affection ('aandoening, genegenheid, neiging')Afffäre (< à faire (Fr.)), Affekt ('aandoening, genegenheid, neiging')
afficio (afficĕre)afficio, affeci, affectumiemand iets aandoenaffectie ('aandoening, genegenheid, neiging')to affect ('beïnvloeden'), affection ('aandoening, genegenheid, neiging')affecter ('beïnvloeden'), l'affection ('aandoening, genegenheid, neiging')affizieren ('beïnvloeden')
conficio (conficĕre)conficio, confeci, confectumafmaken, vernietigenconfetti (< Ital. confetto (snoep dat met carnaval werd uitgedeeld)), konfijten ('in suiker inleggen', < confire (Fr.) < conficio (Lat.)), confectie ('in voorraad gemaakte kleding'; oorspr. 'een (met suiker of stroop) gemaakte artsenij')to discomfit ('verwarren, in verlegenheid brengen'; wrsch. door betekenisverwarring met to discomfort), confection ('maken uit ingrediënten'; van snoep en medicijnen), confectionery ('zoetigheden, snoep')confire ('inmaken'), la confection ('vervaardiging, confectie-industrie')Konfetti, Konfekt ('bonbons'), Konfektion ('confectie, confectiekleding')
deficio (deficĕre)deficio, defeci, defectumafvallen, in de steek laten; oprakendefect, deficiëntie ('tekort, tekortkoming')defect, deficit ('tekort, nadelig saldo, gebrek'), defective ('onvolledig'), deficient ('incompleet, onvolledig'), defector ('overloper, afvallige')le déficit ('tekort, nadelig saldo'), défectueux ('gebrekkig, ondeugdelijk, kapot'), la défection ('afvalligheid'), indéfectible ('altijddurend, onfeilbaar')Defizit ('deficit, tekort')
difficilisdifficilis, difficilemoeilijk-difficult, difficultydifficile, la difficultédiffizil
efficio (efficĕre)efficio, effeci, effectumtot stand brengen, bewerkeneffect, efficiënt ('doelmatig')effect, effective, efficient, efficacy ('werkzaamheid, doeltreffendheid')l'effet, efficient, efficace ('doeltreffend, doelmatig, werkzaam')Effekt, effektiv, effizient
faciesfacieif.gedaante, uiterlijk, gezichtfacet ('vlak van een veelvlakkig voorwerp; kant, aspect'; < Fr. facette < Vulg. Lat. facia), façade ('voorgevel van een gebouw'; < Ital. facciate < Vulg. Lat. facia), interface ('verbinding tussen twee systemen'; < inter + Eng. face)face, superficial ('oppervlakkig'), to efface ('uitwissen'), to deface ('beschadigen, verminken'), surface ('oppervlakte') la surface ('oppervlakte'), superficiel ('oppervlakkig'), la facette ('vlak van een veelvlakkig voorwerp; kant, aspect'; < Vulg. Lat. facia), la façade ('voorgevel van een gebouw'; < Ital. facciate < Vulg. Lat. facia), effacer ('uitwissen, overschaduwen, overtreffen')Facette ('vlak van een veelvlakkig voorwerp; kant, aspect', < facette (Fr.) < facia (Vulg. Lat.)), Fassade ('voorgevel van een gebouw', < facciate (Ital.) < facia (Vulg. Lat.))
facilisfacilis, facilegemakkelijkfaciliteit ('hulpmiddel, voorziening'), faculteit ('hoofdafdeling van een universiteit of hogeschool')facile ('makkelijk'), facility ('hulpmiddel, voorziening'), faculty ('hoofdafdeling van een universiteit of hogeschool; bepaalde wiskundige functie')facile ('makkelijk'), facilité ('hulpmiddel, voorziening'), faculté ('hoofdafdeling van een universiteit of hogeschool; bepaalde wiskundige functie')-
facinusfacinorisn.daad, wandaad----
factiofactionisf.groep, groepsvormingfatsoenfaction ('(pressie)groep, partijruzie'), fashionla façon ('wijze, manier')Faktion ('(pressie)groep, partijruzie'), Fashion, Fasson ('vorm')
factumfactin.daad, feitfeitfact, artifact (< ars ('kunst') + factum ('daad')), feat ('daad'), forfeit ('boete, straf'; < foris ('buiten') + factum)le faitfaktisch ('factisch, feitelijk, in feite'), Artefakt  (< ars + factum 'kunst + daad')
factum esthet is gemaakt, het is gedaan; het is gebeurdzie factumzie factumzie factumzie factum
officio (officĕre)officio, offeci, offectumhinderen, afbreuk doen----
officiumofficiin.taak, plichtakkefietje ('onaangename taak; kleinigheid'; ofwel < aqua + vitae 'water + leven', ofwel < officium door volksetymologie), officieel, officier, officieus ('zogenaamd officieel')official, office, officer, to officiate ('officieel optreden')l'office, officiel, officieux ('niet officieel'), officier ('officieel optreden')Office, offiziell, Offizier
interficio (interficĕre)interficio, interfeci, interfectumdoden--sur ces entrefaites ('inmiddels, intussen')-
patefacio (patefacĕre)patefacio, patefeci, patefactumopenmaken, openbaar maken----
perficio (perficĕre)perficio, perfeci, perfectumvoltooienperfectperfectparfaire ('afmaken, voltooien, vervolmaken'), parfait, perfectible ('voor verbetering vatbaar')perfektperfectumstam van het Latijnse/Griekse werkwoord
praefectuspraefectim.opzichter, aanvoerderprefect, prefectuurprefectle préfet ('prefect, rector (Be.)'), la préfecturePräfekt, Präfektur
proficio (proficĕre)proficio, profeci, profectumvorderen; batenprofijt ('voordeel'), proficiatproficient ('vakkundig, bekwaam'), profit ('winst')le profit ('winst')-
reficio (reficĕre)reficio, refeci, refectumvernieuwen, herstellenrefter ('eetzaal in een klooster of school' (Be.); < refectorium (Kerklat.))refectory ('eetzaal in een klooster of school' (Be.); < refectorium (Kerklat.))réfaire ('overdoen'), la réfectoire ('eetzaal in een klooster of school' (Be.); < refectorium (Kerklat.))Refektorium ('eetzaal in een klooster of school' (Be.); < refectorium (Kerklat.))
sufficio (sufficĕre)sufficio, suffeci, suffectumvoldoende zijn, genoeg zijn-sufficient ('voldoende'), to suffice ('voldoende zijn')suffire ('voldoende zijn'), suffisant ('voldoende, zelfingenomen')suffizient ('voldoende'), süffisant ('zelfgenoegzaam, laatdunkend')
fallo (fallĕre)fefelli, falsumontgaan, misleidenfailliet ('bankroet', < Ital. fallito), falento fail, fallacy ('vergissing, bedrog')faillir ('falen'), falloir ('moeten, nodig hebben'), la faille ('fout')fehlen ('falen, missen'), Fehler ('fout')
falsusfalsa, falsumongegrond, onwaarfout (< Fr. faute < Vulg. Lat. fallita), vals, falsificatie ('vervalsing')fault, falsefalsificier, fautefalsifizieren, falsch
famafamaef.(wat men zegt), gerucht, reputatieban ('straf, in het bijzonder verbanning, betovering'), faam ('reputatie; roem')fame, infamy ('schanddaad')fameux, l'infamie ('schanddaad')Infamie ('schanddaad')Oudgr. φήμι
famesfamisf.honger-famine ('hongersnood, tekort'), famished ('uitgehongerd')faim, famélique ('uitgehongerd, uitgemergeld'), affamer ('uithongeren')-
familiafamiliaef.huishouden, (slaven) personeelfamiliefamilyfamilleFamiliepater familias = hoofd van de familie
familiarisfamiliaris, familiare(tot het huis behorend), goede vriendfamiliair ('vertrouwelijk, gemeenzaam; vrijpostig')familiar ('vertrouwelijk, gemeenzaam; vrijpostig')familial ('vertrouwelijk, gemeenzaam; vrijpostig'), familier ('huisvriend; vertrouwd, bekend')familiär ('vertrouwelijk, gemeenzaam; vrijpostig')
fas(onverbuigbaar) onz.n.(goddelijk) recht--faste ('gunstig'), le jour faste ('geluksdag')-
fas esthet is geoorloofd--zie fas-
fatumfatin.(nood) lotfee (< fée (Fr.) < fata ('fee, godin van het lot'), fataal ('noodlottig'), fata morgana ('luchtspiegeling, waanvoorstelling', fata + morgana 'fee Morgana')fate, fatal ('noodlottig')fatal ('noodlottig'), fatidique ('noodlottig', fatum + dico 'lot zeggen')Fee (< fée (Fr.) < fata ('fee, godin van het lot'), fatal ('noodlottig')
for (fari)sprekenfaam ('reputatie; roem')infant ('kind'; < in + fans 'niet sprekend'), preface ('voorwoord'), affable ('vriendelijk, innemend'; lett. 'aanspreekbaar')la préface ('voorwoord'), affable ('vriendelijk, innemend'; < lett. 'aanspreekbaar'), ineffable ('onuitsprekelijk')Infant ('kind'; < in + fans ('niet sprekend'))Oudgr. φήμι
nefas(onverbuigbaar) onz.n.zonde-nefarious ('misdadig, schandelijk')néfaste ('noodlottig, rampzalig'), le jour néfaste ('ongeluksdag')-
fateor (fateri)fassus sumbekennenprofessioneel (< professio < pro + fateor ('openlijk verkondigen, doceren')), confessie ('(geloofs)belijdenis'; < confessus, ppp. van con + fateor ('toegeven, openbaren, belijden'))profession (< professio < pro + fateor ('openlijk verkondigen, doceren')), to confess ('toegeven, openbaren, belijden'; < con + fateor ('toegeven, openbaren, belijden'))la profession ('beroep, belijdenis, openbare verklaring'; < professio < pro + fateor ('openlijk verkondigen, doceren')), confesser ('toegeven, openbaren, de biecht afnemen'; < con + fateor ('toegeven, openbaren, belijden'))Profession (< professio < pro + fateor 'openlijk verkondigen, doceren'), Konfession ('confessie, geloofsbelijdenis, kerkgenootschap', < confessus ppp. van con + fateor 'toegeven, openbaren, belijden')
fatigo (fatigare)vermoeien-fatigue ('vermoeidheid'), indefatigable ('onvermoeibaar')la fatigue ('vermoeidheid'), infatigable ('onvermoeibaar')-
faucesfauciumf.keel-faucet ('kraan'), suffocation ('verstikking')la suffocation ('verstikking')-
fax, facisfacisf.fakkelfakkel (< facula, dimin. van fax)--Fackel (< facula, dimin. van fax)
felixfelicisfelix, felixgelukkig, welvarendzie felicitaszie felicitaszie felicitas-
felicitasfelicitatisf.gelukfeliciteren (< felicito ('gelukkig maken'))to felicitate (< felicito ('gelukkig maken')), felicity ('geluk')féliciter (< felicito ('gelukkig maken'))-
infelixinfelicisinfelix, infelixongelukkig-infelicity  ('ongeluk')--
feminafeminaef.vrouwfeminisme ('vrouwenbeweging')female (< femella, dimin. van femina), feminine ('vrouwelijk'), effeminate ('verwijfd'; < ex + femina)la femme, féminin ('vrouwelijk'), effeminé ('verwijfd'; < ex + femina)feminin ('vrouwelijk'), Feminismus ('vrouwenbeweging')
fere, fermeongeveer, bijna (altijd)----
ferio (ferire)slaaninterferentie ('het op elkaar inwerken; < inter ('onderling') + ferio)to interfere ('op elkaar inwerken, hinderen'; < inter ('onderling') + ferio)sans coup férir ('zonder slag of stoot'), féru ('verzot op, bezeten van'), la férule ('plak'; bijv. être sous la férule de quelq'un ('bij iemand onder de plak zitten'))-
fero (ferre)tuli, latumdragen, brengen, zeggenlucifer (< lux ('licht') + fero), conifeer ('kegeldragende naaldboom'; < conus ('kegel') + fero)legislation ('wetgeving', lex + fero 'wet brengen'), vociferous ('lawaaierig, luidruchtig', < vox + fero 'stem dragen'), somniferous ('slaapverwekkend', < somnum + fero 'slaap brengen'), pestiferous ('schadelijk, verderfelijk, vervelend', < pestis + fero 'ziekte dragen')la législation ('wetgeving', lex + fero 'wet brengen'), somnifère ('slaapverwekkend')Interferenz ('het op elkaar inwerken', < inter + fero 'onderling brengen', zie ook ferio, -ire)
affero (afferre)attuli, allatumergens heen brengen, melden; veroorzaken--afférent ('betrekking hebbend op')-
aufero (auferre)abstuli, ablatumwegnemen, ontnemen-ablation ('verwijdering')l'ablation ('verwijdering')-naamval ablativus
bellum inferreiemand de oorlog aandoenzie bellum & inferozie bellum & inferozie bellum & inferozie bellum & infero
confero (conferre)contuli, collatumbijeenbrengen, vergelijken; (zich) begevenconferentie ('bijeenkomst, vergadering')conference ('bijeenkomst, vergadering'), to confer ('beraadslagen, verlenen')la conférence  ('bijeenkomst, vergadering, lezing'), conférer ('beraadslagen, verlenen'), la collation ('lichte maaltijd')Konferenz ('bijeenkomst, vergadering')aanduiding 'cf.' = confer, imperativus singularis
(se-) confero (conferre)contuli, collatumzich begeven, bijeenbrengen; vergelijkenzie conferozie conferozie conferozie confero
defero (deferre)detuli, delatum(omlaag) brengen, aanbrengen; (pass.) belandendeferentie ('eerbied, achting')to defer ('zich onderwerpen, uitstellen')déferer ('voor de rechter brengen'), la déference ('eerbied, achting'), la délation ('het aanbrengen, verraad')-
differo (differre)distuli, dilatumverspreiden, verschillen; uitstellendifferentiëren ('zich verschillend ontwikkelen, onderscheid maken; zekere wiskundige bepaling uitvoeren')different, indifferent ('onverschillig')différent, indifférent ('onverschillig'), dilatoire ('uitstellend, vertragend')Differenz
effero (efferre)extuli, elatumnaar buiten dragen, uitspreken; verheffen-to elate ('verrukken, in vervoering brengen')--
infero (inferre)intuli, inlatumbrengen naar, bezorgeninfereren ('afleiden')to infer ('concluderen, impliceren, inhouden'), inference ('gevolgtrekking')inférer ('concluderen')-
offero (offerre)obtuli, oblatumtonen, (aan)biedenofferen, offerte ('prijsopgave')to offeroffrir ('(zich) aanbieden'), l'offre ('aanbieding, voorstel')Offerte ('aanbieding')
perfero (perferre)pertuli, perlatumoverbrengen, verdragen----
praefero (praeferre)praetuli, praelatumverkiezen bovenprefereren ('de voorkeur geven aan'), prelaat ('kerkvorst')to prefer ('de voorkeur geven aan'), prelate ('kerkvorst')préférer ('de voorkeur geven aan'), le prélat ('kerkvorst'), se prélasser ('zijn gemak ervan nemen')Prälat ('kerkvorst')
profero (proferre)protuli, prolatumte voorschijn brengen-to profer ('uitbrengen, uiten, uitspreken')proférer ('uitbrengen, uiten, uitspreken')
refero (referre)rettuli, relatum(terug)brengen, berichten, rapporteren; (met se) terugkerenrelatie ('verhouding'), refereren ('verwijzen'), referaat ('voordracht, verslag'), referendum ('volksstemming'; lett. 'dat wat gerapporteerd moet worden')to relate ('in verband staan met, verhalen, berichten, in verband brengen'), to refer ('verwijzen, terugvoeren tot'), referendum ('volksstemming'; lett. 'dat wat gerapporteerd moet worden')la relation ('verband, betrekking, verslag'), se reférer à ('zich beroepen op, verwijzen naar'), la corrélation ('onderling verband'; lett. 'het zich tot elkaar verhouden')Referenz ('verwijzing'), Referat ('voordracht, verslag, afdeling'), Korrelation ('onderling verband'; lett. 'het zich tot elkaar verhouden'), Referendum ('volksstemming', gerundi(v)um)
me refero (se referre)rettuli, relatumterugkeren, (zonder se) (terug)brengen; berichten, rapporterenzie referozie referozie referozie refero
referthet is van belangzie referozie referozie referozie refero
transfero (transferre)transtuli, translatumoverbrengentransfereren ('overdragen, overbrengen')to transfer ('overdragen, overbrengen'), to translate ('vertalen, interpreteren, omzetten')transférer ('overdragen, overbrengen'), la translation ('overdracht')transferieren ('overdragen, overmaken')
ferrumferrin.ijzer, zwaard-ferrous ('van ijzer')le fer ('ijzer, ijzeren voorwerp'), ferrer ('beslaan, aan de haak slaan'), la ferraille ('oud ijzer, kleingeld'), la ferronnerie ('(sier)smeedwerk')-in de scheikunde: ferrum = ijzer en ferro- = ijzerhoudend
fertilisfertilis, fertilevruchtbaarfertiel ('vruchtbaar')fertile ('vruchtbaar, overvloedig'), infertile ('onvruchtbaar')fertile ('vruchtbaar, productief'), fertiliser ('vruchtbaar maken, bemesten')fertil ('vruchtbaar, overvloedig')
ferusfera, ferumwild, ruwfier ('zelfbewust, trots'; < Fr. fier ('wild, woest, ongetemd')), zebra (< Port. evra < Vulg. Lat. equiferus (< equus ('paard') + ferus))fierce ('zelfbewust, trots'; < Fr. fier ('wild, woest, ongetemd'), zebra (< Port. evra < Vulg. Lat. equiferus (< equus ('paard') + ferus)), feral ('wild')fier ('trots'), farouche ('wild, fel, schuw')-
feraferaef.wild dierzie feruszie feruszie ferus-
feroxferocisferox, feroxwild, strijdlustig, hooghartig-ferocity ('woestheid, gewelddadigheid')la férocité ('woestheid, wreedheid')-
fessusfessa, fessummoe, uitgeput----
festino (festinare)zich haasten----
festusfesta, festumfeestelijkfeest, vieren (< Mdd. Lat. feriare ('feesten') < Lat. feriae ('feestdagen'), verw. m. festus), festival (< festivus ( 'feestelijk')), festiviteit ('openbare feestelijkheid'; < festivitas ('feestvreugde'))feast, festive ('feestelijk'; < festivus 'feestelijk'), fair ('markt, beurs'; < Oudfr. feire < Lat. feriae ('feestdagen'), verw. m. festus)la fête ('feest'), le jour férié ('feestdag'; < Lat. feriae 'feestdagen', verw. m. festus), la foire ('jaarmarkt, beurs, kermis'; < Lat. feriae)Fest, Festival (< festivus 'feestelijk'), Fete ('feest, fuif')verw. m. Oudgr. θεός ('God')
fidesfideif.vertrouwen, betrouwbaarheid; trouw; beschermingfideel ('vertrouwelijk, vrolijk'; < fidelis ('trouw, betrouwbaar')), bonafide ('te goeder trouw'), malafide ('onbetrouwbaar'), op de bonnefooi ('op goed geluk', ofwel < Fr. de bonne foi < Lat. bona fide ('met goed vertrouwen'), ofwel < Fr. bonne voie ('goede weg'))faith, fidelity ('trouw'; < fidelitas ('trouw, betrouwbaarheid')), bona fide ('te goeder trouw')la foi ('geloof, trouw, vertrouwen'), la fidélité ('trouw, betrouwbaarheid'; < fidelitas ('trouw, betrouwbaarheid')), l'infidélitéfidel ('fideel, vrolijk')
confido (confidĕre)confisus sumvertrouwenconfidentie ('vertrouwelijke mededeling')confidence ('vertrouwen'), confidant ('vertrouweling'), to confide ('toevertrouwen')confier ('toevertrouwen'), la confiance ('vertrouwen, zelfvertrouwen'), la confidence ('vertrouwelijke mededeling')-
fidusfida, fidumtrouw, betrouwbaarzie fideszie fides, to defy ('uitdagen, trotseren'; < Oudfr. desfier < Lat. dis ('ont-') + fidus)zie fides, défier ('uitdagen, trotseren'; < Oudfr. desfier < Lat. dis ('ont-') + fidus), se méfier de ('wantrouwen'; < malus + fidus)-
perfidiaperfidiaef.trouweloosheidperfide ('trouweloos, verraderlijk')perfidious ('trouweloos, verraderlijk')perfide ('trouweloos, verraderlijk')perfide ('trouweloos, verraderlijk')
figo (figĕre)fixi, fixumvasthechten, doorborenfiksen (< fixum, ppp. van figo), fiks ('krachtig, flink'; < fixum, ppp. van figo), fiche ('speelpenning, archiefkaart'; < Fr. fiche (oorspr. 'doorn, stekel)), affiche ('aanplakbiljet'), fixeren ('doen vastzitten')to fix (< fixum, ppp. van figo), to crucify ('kruisigen'; < crux ('kruis') + figo), suffix ('achtervoegsel'), prefix ('voorvoegsel'), to affix ('toevoegen, aanhechten, vastmaken')ficher ('gooien, geven, inhalen'), fixer ('bevestigen, vaststellen, fixeren'), affiche ('aanplakbiljet'), le suffixe ('achtervoegsel'), le préfixe ('voorvoegsel, netnummer')fix ('vlug, snel, vast'; < fixum, ppp. van figo), fixen ('drugs spuiten'; < fixum, ppp. van figo), Fiche ('speelpenning'; < Fr. fiche (oorspr. 'doorn, stekel'))
figurafiguraef.vorm, gedaantefiguur, figurant ('onbelangrijk persoon'; < figuro 'vormgeven'), configuratie ('groepering, formatie')figure, figurative ('figuurlijk'; < figuro 'vormgeven'), to disfigure ('veranderen, vernietigen')la figure, la figuration ('voorstelling, afbeelding'), la configuration ('vorm, voorstelling, configuratie'), défigurer ('verminken, misvormen')Figur, figürlich ('figuurlijk')
filiusfiliim.zoon-filial ('kinder-'), affiliation ('band, verwantschap')le fils ('zoon'), filial ('kinder-'), la filiation ('verwantschap, samenhang'), l'affiliation ('toetreding, opname')Filiale ('filiaal')
filiafiliaef.dochterfiliaal ('bijkantoor, depotwinkel' < lett. 'dochtervestiging')zie filiuszie filius, la fille ('dochter')zie filius
fingo (fingĕre)finxi, fictumvormen, verzinnenfictie ('verzinsel'; < fictum, ppp. van fingo), fingeren ('verzinnen, voorwenden'), veinzen ('huichelen, voorwenden'; < Mdd. Ned. vensen < Lat. pf. finxi)fiction ('verzinsel'; < fictum, ppp. van fingo), to feign ('huichelen, voorwenden'; < Fr. feindre ('doen alsof, voorwenden'))la fiction ('verzinsel'; < fictum, ppp. van fingo), feindre ('doen alsof, voorwenden')Fiktion ('verzinsel'; < fictum, ppp. van fingo), fingieren ('verzinnen, fingeren'), Finte ('schijnbeweging, afleidingsmanoeuvre'; < Laatlat. fincta)
finio (finire)(be)eindigen, begrenzenfinanciën ('geldzaken'; < Mdd. Lat. fino, 'geld betalen'), definiëren ('betekenis omschrijven, grenzen bepalen')to finish, finite ('eindig, begrensd, beperkt'; < finitum, ppp. van finio), to define ('betekenis omschrijven, grenzen bepalen')finir ('beeindigen'), infini ('oneindig, onbegrensd'), la finance ('geldwezen, bankwezen'; < Mdd. Lat. fino ('geld betalen')), définir ('betekenis omschrijven, grenzen bepalen')Finanz ('geldwezen, financiers'; < Mdd. Lat. fino ('geld betalen'))
finisfinism.eind, doel, grens; (pl) gebiedfijn (o.i.v. Midd. Lat. finus, 'verfijnd'), finish, finale (< Lat. finalis ('laatste'))fine (o.i.v. Midd. Lat. finus, 'verfijnd'), final (< Lat. finalis ('laatste'))le fin ('einde'), fin ('fijn, verfijnd'; o.i.v. Midd. Lat. finus ('verfijnd')), fignoler ('nauwkeurig afwerken')fein (o.i.v. Midd. Lat. finus ('verfijnd')), Finish, Finesse
finitimusfinitima, finitimumnaburig, omwonend----
fio (fieri)fio, factus sum(gemaakt) worden, gebeurenfiat ('goedkeuring'; lett. 'laat het gebeuren', conj. adhort.)fiat ('goedkeuring'; lett. 'laat het gebeuren', conj. adhort.)--
factusfacta, factumptc. pf. pass. van facio; ptc. pf. van fierizie faciozie faciozie faciozie facio
firmusfirma, firmumstevig, sterkferm ('flink, standvastig, stevig'), firma ('handelszaak, bedrijf'; < firmo ('vestigen')), firmament ('hemelgewelf'; < firmo ('bevestigen'))firm ('flink, standvastig, stevig'), farm ('boerderij'; < Oudfr. ferme ('huur') < Lat. firmo ('vestigen')), to affirm ('bevestigen, beamen'), firm ('handelszaak, bedrijf'; < firmo ('vestigen')), firmament ('hemelgewelf'; < firmo ('bevestigen'))ferme ('vast, stevig'), l'infirmerie ('ziekenhuis', < in + firmus 'niet stevig'), fermer ('sluiten'), affermir ('versterken', < ad + firmo 'naar bevestigen'), le fermoir ('slot'), le firmament ('hemelgewelf', < firmo 'bevestigen')firm ('flink, standvastig, stevig'), Firma ('handelszaak, bedrijf', < firmo 'bevestigen'), Firmament ('hemelgewelf', < firmo 'bevestigen')
confirmo (confirmare)versterken, bevestigenconfirmeren ('bevestigen')to confirm ('bevestigen')confirmer ('bevestigen')konfirmieren ('bevestigen')
flagitiumflagitiin.schanddaad, wandaad-flagitious ('schandelijk')--
flammaflammaef.vlamvlam, flamberen ('een gerecht overgieten met een sterk alcoholhoudende drank en deze aansteken'; < Fr. flamber < Lat. flammula ('vlammetje')), flamingo (< Sp. flamenco ('vleeskleurig'))flame, flammable ('brandbaar'), to inflame ('opwinden, kwaad maken')la flamme, le flambeau ('toorts, fakkel, kandelaar'; < Lat. flammula 'vlammetje'), inflammable ('ontvlambaar, brandbaar')flimmern ('flikkeren, glinsteren'), flambieren ('een gerecht overgieten met een sterk alcoholhoudende drank en deze aansteken'; < Fr. flamber < Lat. flammula ('vlammetje'))
flavusflava, flavumgoudgeel, blondblauw (etym. onz., uit Proto-Indo-Europees *bhle-)blue (etym. onz., uit Proto-Indo-Europees *bhle-)bleu (etym. onz., uit Proto-Indo-Europees *bhle-)blau (etym. onz., uit Proto-Indo-Europees *bhle-)
flecto (flectĕre)flexi, flexumbuigen, veranderenreflex ('onwillekeurige reactie'; < re ('terug') + flecto), flexibel ('buigzaam'), circumflex ('samentrekkingsteken (^), dakje'; < circum ('rondom') + flecto)flexible ('buigzaam'), reflection ('weerspiegeling, overdenking'), to deflect ('(doen) afbuigen'), circumflex ('samentrekkingsteken (^), dakje'; < circum ('rondom') + flecto)flexible ('buigzaam'), la reflection ('weerspiegeling, overdenking, opmerking'; < re ('terug') + flecto), le réflexe ('onwillekeurige reactie; '< re ('terug') + flecto), circonflexe ('samentrekkingsteken (^), dakje'; < circum ('rondom') + flecto)flexibel ('buigzaam', < flexibilis 'buigzaam'), Flexion ('verbuiging, vervoeging', < flexum ppp. van flecto)
fleo (flēre)(be)wenen-feeble ('zwak'; < flebilis ('betreurenswaardig')), to bleat ('blaten')faible ('zwak'; < flebilis ('betreurenswaardig')), affaiblir ('verzwakken')-
fletusfletusm.geween, tranen----
flosflorism.bloem, bloeibloeien (verw. m. floro ('bloeien'), stam *blo-), bloemkool (< Lat. flos + caulis ('kool')), flora ('plantenleven')flower, to flourish ('gedijen, bloeien'; < floro ('bloeien'))la fleur ('bloem'), déflorer ('de frisheid ontnemen aan, ontmaagden')Flor ('keur, bloei'), Karfiol ('bloemkool'; < Lat. caulis ('kool') + flos ('bloem')), Flora ('plantenleven')floruit geeft de bloeitijd van iets/iemand aan
fluctusfluctusm.golffluctueren ('veranderlijk zijn, schommelen'; < fluctuo)fluctuation ('golfbeweging, schommeling'; < fluctuo)la fluctuation ('golfbeweging, schommeling'; < fluctuo)Fluktuation ('golfbeweging, schommeling'; < fluctuo)
fluo (fluĕre)fluxi(voort)stromen-fluid ('vloeibaar'; < fluidus ('stromend')), fluent ('vloeiend'), influence ('invloed'), superfluous ('overbodig'; < super ('eroverheen') + fluo), affluent ('rijk, welvarend')fluide ('vloeibaar', < fluidus 'stromend'), l'influence ('invloed', < in + fluo 'in stromen'), superflu ('overbodig', < super + fluo 'overheen stromen'), affluer ('toestromen, samenstromen', < ad + fluo 'naar stromen'), l'effluve ('uitwaseming, uitstraling', < ex + fluo 'uit stromen')fluid ('vloeibaar', < fluidus 'stromend')scheikundig element fluor
flumenfluminisn.rivier----
fluviusfluviim.rivier--la fleuve ('de rivier')-
foedusfoederisn.verdrag, verbondfederatie ('bondgenootschap'; < foedero 'verbinden')federation ('bondgenootschap'; < foedero ('verbinden'))la fédération ('bondgenootschap'; < foedero ('verbinden')), la confédération ('statenbond')Föderation ('bondgenootschap'; < foedero ('verbinden'))
foedusfoeda, foedumafschuwelijk, schandelijk----
foliumfoliin.bladfolie ('dun bladmetaal of vellen van kunststof'), portefeuille ('mapje voor papieren'; < porto ('dragen') + folium), portfolio ('map met tekeningen/foto's'; < porto ('dragen') + folium), kamperfoelie ('geslacht van heesters en slingerplanten'; < caper ('geit') + folium)foil ('folie'), foliage ('gebladerte'), portfolio ('map met tekeningen/foto's'; < porto ('dragen') + folium)la feuille ('blad, folie'), la feuillage ('gebladerte'), s'effeuiller ('bladeren verliezen'; < ex + folium), le chèvrefeuille ('kamperfoelie'; < caper ('geit') + folium)Folie ('folie'), Portefeuille ('mapje voor papieren', < porto + folium 'dragen blad')
fonsfontism.bronfontein (< fontanus ('bij een bron behorend'))fountain (< fontanus ('bij een bron behorend'))la fontaine (< fontanus ('bij een bron behorend'))Fontäne (< fontanus ('bij een bron behorend'))
foresforiumf.deurforens ('persoon die niet woont in de stad waar hij werkt', < Mdd. Lat. forensis < Lat. foris ('buiten'))---
formaformaef.vorm, uiterlijk, schoonheidvorm, formeel ('vormelijk'), formule ('vaste regel'; < formula 'vormpje'), formulier (< formula 'vormpje'), conform ('in overeenstemming met'; < cum + forma), informeren (< in + forma, lett. 'de vorm (voor iemand) duidelijk maken'), uniform ('eenvormig'; < unus + forma)form, formal ('vormelijk'), formula ('vaste regel', < formula 'vormpje'), to inform (< in + forma, lett. 'de vorm (voor iemand) duidelijk maken'), uniform ('eenvormig', < unus + forma 'één vorm')la forme, formel ('vormelijk'), la formule ('vaste regel', < formula 'vormpje'), la fromage ('kaas'; < formage, gemaakt in een vorm), conformer ('in overeenstemming brengen met, aanpassen aan'; < cum + forma), uniforme ('eenvormig'; < unus + forma)Form, formell ('vormelijk'), Formel ('formule, formulering', < formula 'vormpje')
formidoformidinisf.angstformidabel ('geweldig'; < formidabilis ('angstwekkend'))formidable ('geweldig'; < formidabilis ('angstwekkend'))formidable ('geweldig'; < formidabilis ('angstwekkend'))formidabel ('geweldig'; < formidabilis ('angstwekkend'))
forsfortisf.lot, toeval----
fortassemisschien----
fortetoevallig----
fortunafortunaef.lot, toeval, geluk, (pl.) fortuin, bezitfortuin ('lot, kapitaal')fortune ('lot, geluk, rijkdom')la fortune ('lot, kans, fortuin')-
fortuitusfortuita, fortuitumtoevallig(e)-fortuitious ('toevallig')--
fortisfortis, fortedapper, sterk, krachtigfors, fort, forceren ('doordrijven, openbreken'; < Vulg. Lat. fortio < Laatlat. fortia ('geweld')), comfort ('materieel gemak'; < Oudfr. confort ('moed') < Lat. cum + fortis)force, fortress ('fort'), effort ('inspanning', < ex + fortis 'uit sterk'), to comfort ('troosten, bemoedigen', < cum + fortis 'met sterk'), to fortify ('versterken, verstevigen', < fortis + facio 'sterk maken')fort ('sterk, stevig'), forcer ('kracht zetten, dwingen, forceren', < fortio (Vulg. Lat.) < fortia (Laatlat. 'geweld')), l'effort ('kracht, moeite', < ex + fortis 'uit kracht'), la forteresse ('vesting, gevangenis'), conforter ('versterken', < cum + fortis 'met sterk')forsch ('krachtig, energiek'), Fort ('fort'), forcieren ('doordrijven, openbreken', < fortio (Vulg. Lat.) < fortia (Laatlat. 'geweld'))
fortiteradv. van fortiszie fortiszie fortiszie fortiszie fortis
forumforin.markt, plein, het openbare levenforum ('groep discussiërende deskundigen, website om op te discussiëren'), forensisch ('gerechtelijk'; < forensis 'tot het forum/de gerechtsplaats behorend')forum ('groep discussiërende deskundigen, website om op te discussiëren'), forensic ('gerechtelijk'; < forensis 'tot het forum/de gerechtsplaats behorend')le forum ('forum(discussie)'), le for intérieur ('geweten')Forum ('groep discussiërende deskundigen, website om op te discussiëren')
foveo (fovēre)fovi, fotumwarmen, koesteren, steunen----
frango (frangĕre)fregi, fractumbreken, vernietigenfractie ('gedeelte'; < fractum, ppp. van frango), fragment ('deel'; < fragmentum ('afgebroken stuk')), fractuur ('botbreuk'), refrein (< Oudfr. refraindre ('breken, verzachten, moduleren') < Lat. refringere ('breken'))fragment ('deel'; < fragmentum ('afgebroken stuk')), fracture ('botbreuk'), fraction ('breuk, gedeelte'; < fractum, ppp. van frango), refrain ('refrein; < Oudfr. refraindre ('breken, verzachten, moduleren') < Lat. refringere ('breken')), to infringe ('schenden, overtreden, inbreuk maken'), to defray ('financieren, betalen'; < Fr. defraier < Lat. defrango)la fraction ('breuk, gedeelte', < fractum ppp. van frango), le fragment ('deel', < fragmentum 'afgebroken stuk'), fracture ('botbreuk'), le refrain ('refrein', < refraindre (Oudfr., 'breken, verzachten, moduleren') < refringere 'breken'), l'infraction ('schending, overtreding', < in + frango 'in breken'), l'effraction ('inbraak', < ex + frango 'uit breken')Fraktion ('gedeelte', < fractum ppp. van frango), Fraktur ('botbreuk')
fragilisfragilis, fragilebreekbaar, teerfragiel ('breekbaar')fragile ('breekbaar'), frail ('breekbaar, zwak, teer'; < Oudfr. fraile < Lat. fragilis)fragile ('breekbaar'), frèle ('breekbaar, zwak, tenger'; < Oudfr. fraile < Lat. fragilis)fragil ('breekbaar')
fraterfratrism.broerbroer, frater ('lid van een geestelijke orde'), confrater ('ambtgenoot')brother, friar ('monnik, broeder'), fraternity ('broederschap'), fratricide ('broedermoord'; < frater + caedo ('doden'))le frère ('broer, monnik'), la fraternité ('broederschap'), le fratricide ('broedermoord'; < frater + caedo ('doden')), le confrère ('collega, ambtsgenoot')Frater ('lid van een geestelijke orde'), Fraternität ('broederschap')
frausfraudisf.bedrog, misleidingfraude ('valsheid in geschrifte'), frauduleus ('oneerlijk, bedrieglijk')fraud ('valsheid in geschrifte')la fraude ('valsheid in geschrifte')-
fremo (fremĕre)fremui, fremitum(een dof) geluid maken, mompelen--frémir ('beven, sidderen, ritselen')-
fremitusfremitusm.(dof) geluid, gemompel----
frenumfreni (ook pl. freni, -orum mnl.)n.bit, teugel-to refrain ('zich onthouden van'; < re ('terug') + frenum)le frein ('rem, teugel'), effréné ('tomeloos, mateloos'; < ex + frenum), refréner ('beteugelen, intomen'; < re ('terug') + frenum)-
frequenstalrijk, regelmatig (voor)komendfrequent ('herhaaldelijk')frequent ('herhaaldelijk'), infrequent ('zeldzaam')fréquent ('herhaaldelijk')frequent ('herhaaldelijk')
fretumfretin.zee(straat)----
frigusfrigorisn.kou, koelheid-fridge (afk. v. refrigerator ('koelkast')), refrigeration ('afkoeling, invriezing')refroidir ('koelen, afschrikken')
frigidusfrigida, frigidumkoud, koelfrigide ('koud, koel, seksueel ongevoelig')frigid ('koud, koel, onvriendelijk')froid ('koud'), frileux ('kouwelijk')frigide ('koud, koel, seksueel ongevoelig')
fronsfrondisf.loof, bladeren----
fronsfrontisf.voorhoofd, gezicht, voorzijdefront ('voorzijde'), confronteren ('met iets onaangenaams in aanraking brengen'; lett. 'naar iemands voorhoofd brengen')front ('voorzijde'), to confront ('confronteren, het hoofd bieden aan'; lett. 'voorhoofden samen brengen'), effrontery ('brutaliteit'; lett. 'het voorhoofd naar voren brengen'), to affront ('beledigen'; lett. 'naar iemands voorhoofd brengen')le front ('voorzijde'), confronter ('confronteren, het hoofd bieden aan'), affronter ('beledigen'; lett. 'naar iemands voorhoofd brengen'), effronté ('schaamteloos, brutaal', lett. 'met het voorhoofd naar voren')Front ('voorzijde, voorgevel'), konfrontieren ('confronteren, het hoofd bieden aan'), Affront ('belediging'; lett. 'naar iemands voorhoofd gebracht')
fruor (frui)fructus sumgenieten-fruition ('vervulling, realisatie')--
fructusfructusm.vruchtvrucht, fruit (< Fr. fruit < fructus)fruit (< Fr. fruit < fructus)le fruit ('vrucht, opbrengst, winst'), fructueux ('vruchtbaar, succesvol')Frucht
frumentumfrumentin.koren, voedsel--le froment ('tarwe')-
fruxfrugisf.(veld)vrucht-frugal ('zuinig, kaal, somber')frugal ('eenvoudig, somber')frugal ('zuinig, kaal, somber')
frustratevergeefs, zonder redenfrustreren ('dwarsbomen, belemmeren'; < Lat. frustro ('misleiden, teleurstellen'))to frustrate ('dwarsbomen, belemmeren'; < Lat. frustro ('misleiden, teleurstellen'))frustrer ('tekortdoen, teleurstellen')frustrieren ('dwarsbomen, belemmeren', < Lat. frustro ('misleiden, teleurstellen'))
fugo (fugare)fugavi, fugatumop de vlucht jagen----
fugafugaef.vlucht, verbanning--fugace ('vluchtig, voorbijgaand')-
effugio (effugĕre)effugio, effugiwegvluchten, ontlopenzie fugiozie fugiozie fugiozie fugio
fugio (fugĕre)fugivluchtencentrifuge ('wasdroger', lett. 'toestel met middelpuntvliedende beweging')fugitive ('vluchteling'), refuge ('toevluchtsoord')fuir ('vluchten'), le refuge ('toevluchtsoord'), le/la transfuge ('overloper')Zentrifuge ('wasdroger', < centrum + fugio 'midden vluchten')
profugo (profugĕre)profugivluchtenzie fugiozie fugiozie fugiozie fugio
fulgeo (fulgēre)fulsischitteren, blinkenzie fulmenzie fulmenzie fulmenzie fulmen
fulmenfulminisn.bliksemfulmineren ('heftig uitvaren, foeteren'; < fulmino ('bliksemen'))to fulminate ('heftig uitvaren, foeteren'; < fulmino ('bliksemen'))fulminer ('heftig uitvaren, foeteren'; < fulmino ('bliksemen'))-
fundo (fundĕre)fudi, fusumgieten, storten, uiteenslaanfusie ('ineensmelting'; < fusum, ppp. van fundo), diffuus ('verspreid, vaag, onscherp'; < dis ('uiteen') + fundo), fondue (< Fr. fondre ('gieten') < fundo)fusion ('ineensmelting'; < fusum, ppp. van fundo), diffusion ('verspreiding, diffusie'; < dis ('uiteen') + fundo), to refund ('terugbetalen'), to confound ('verbazen, verwarren'; lett. 'samengieten' -> 'onoverzichtelijk maken')fondre ('smelten, gieten'), fuser ('branden, afdruipen (van een kaars)', < fusum ppp. van fundo), la fusion ('smelting, fusie',< fusum ppp. van fundo), la foison ('overvloed')Fondue (< fondre (Fr.) < fundo)
circumfundo (circumfundĕre)circumfudi, circumfusumomringen----
effundo (effundĕre)effudi, effusumuitgieten, uitstorten-effusion ('ontboezeming, uitstroming')l'effusion ('ontboezeming')-
infundo (infundĕre)infudi, infusumgieten in/opinfuus ('vloeistof bestemd om in de aderen te brengen')to infuse ('ingieten, bezielen')l'infusion ('aftreksel, kruidenthee, het laten trekken')Infusion ('vloeistof bestemd om in de aderen te brengen')
profundusprofunda, profundumdiep-profound ('wijs, diepgaand, grondig')profond ('diep, diepgaand, diepzinnig'), approfondir ('dieper maken, grondig onderzoeken')-
fungor (fungi)functus sumvervullenfunctie (< functum, ppp. van fungor), fungeren ('een ambt uitoefenen, dienen')function (< functum, ppp. van fungor), perfunctory ('plichtmatig'), defunct ('verdwenen, in onbruik')la fonction (< functum, ppp. van fungor), défunt ('overleden')Funktion (< functum, ppp. van fungor), fungieren ('een ambt uitoefenen, dienen')
funusfunerisn.dood, begrafenisfunest ('noodlottig, verderfelijk'), funerair ('betreffende een begrafenis')funeral ('begrafenis')funèbre ('somber, doods, treurig'), funeste ('fataal, verderfelijk')-
furo (furĕre)bezeten zijnzie furorzie furorzie furorzie furor
furorfurorism.razernij, hartstochtfurie ('razende woede'), furore ('grote opgang, succes'; < Ital. furore)fury ('razende woede') la fureur ('woede, hartstocht')Furor ('razende woede'), Furore ('grote opgang, succes'; < Ital. furore)
gaudeo (gaudēre)gavisus sumblij zijn-to rejoice ('verheugen' < Oudfr. rejoiss- < rejoir < re + joir < gaudere), to enjoy ('vermaken' < Oudfr. enjoir < en + joir < gaudere)jouir ('genieten' < Oudfr. joier < Lat. gaudere), réjouir ('verheugen' < re + jouir)-
gaudiumgaudiin.blijdschapjoyeus ('vrolijk'; < Fr. joyeux ('blij') < Lat. gaudia)joy ('vreugde'; < Oudfr. joie < Lat. gaudia)la joie ('vreugde'), joyeux ('blij')-
gavisusgavisa, gavisumzich verheugend----
gavisus sumik heb me verheugd----
gelidusgelida, gelidumijskoudgelei ('ingekookt sap'; < Oudfr. gelée < Lat. gelu ('kou'))jelly ('gelei'; < Oudfr. gelée < Lat. gelu ('kou')), to congeal ('bevriezen'; < Fr. congeler < Lat. congelare ('bevriezen') < con + gelare < gelu ('kou'))le gel ('gelei'; < Lat. gelu ('kou')), geler ('bevriezen'), dégeler ('ontdooien' < de + geler < Lat. gelare ('bevriezen') < gelu ('kou'))-
geminusgemina, geminumtweeling-, dubbel, twee-geminate ('dubbel')géminé ('dubbel'), jumeau ('tweeling'; < Lat. gemellum (dimin.) < geminum) Gemination ('verdubbeling' < Lat. geminatio 'verdubbeling')
gemo (gemĕre)gemui, gemitumzuchten, kermen--gémir ('kreunen'), geindre ('huilen')-
gemitusgemitusm.gezucht, gekerm----
gero (gerĕre)gessi, gestumdragen, doen, zich gedragen; (met se); zich gedragensuggestie ('voorstel'; < Fr. suggestion < Lat. suggestionem < suggerere ('onder iets brengen, aanbieden') < sub + gerere), congestie ('ophoping'; < Fr. congestion < Lat. congestio < congerere 'bijeenbrengen' < con + gerere), gesticuleren ('gebaren maken'; < Fr. gesticuler < Lat. gesticulari 'gebaren maken' < gesticulus (dimin.) < gestus 'beweging' < gerere)gest ('verhaal, beroemde daad'; < Fr. geste < Lat. gestum), to congest ('bij elkaar brengen'; < Lat. congerere ('samenbrengen') < cum + gerere), register ('register' < Mdd. Lat. registrum < regesta ('opgetekende dingen') < regerere 'terugbrengen, noteren' < re + gerere)gérer ('...'), le geste ('...'; < gestum), digérer ('...'; < dis + gerere), suggestion ('voorstel'; < Lat. suggestionem < suggerere 'onder iets brengen, aanbieden' < sub + gerere)sich gerieren ('zich gedragen')gerundium en gerundivum
bellum gerooorlog voeren----
res gestaererum gestarumf.(krijgs)daden----
gigno (gignĕre)genui, genitumvoortbrengengenitaliën ('voortplantingsorganen'; < Lat. geno (parallelvorm v. gigno), genitief ('betrekking hebbend op afkomst'; < ppp. genitus)genitals ('voortplantingsorganen'; < Lat. geno (parallelvorm v. gigno), genitive ('betrekking hebbend op afkomst'; < ppp. genitus)génital ('geslachts-'; Genital ('voortplantingsorgaan'; < Lat. geno (parallelvorm v. gigno), Genetiv ('betrekking hebbend op afkomst'; < ppp. genitus)Oudgr. γίγνομαι ('worden')
benignusbenigna, benignumwelwillendbenigne ('goedaardig')benign ('goedaardig')bénin ('goedaardig')-
genergenerim.schoonzoon--gendre ('schoonzoon')-
genitorgenitorism.vader----
gensgentisf.geslacht, volk, land-gentle ('goedgeboren', i.e. uit een goed geslacht; < Oudfr. gentil ('nobel'))les gens ('mensen'), la gendarme ('politie'; -
genusgenerisn.afkomst, geslacht, soortgeneraal ('algemeen'; < Lat. generalis ('met betrekking tot allen', itt. specialis) < gen. generis), generiek ('eigen aan de soort'; < gen. generis), genereus ('vrijgevig'; < Midfr. généreux ('nobel') < generis + osus ('vol van'))generic ('behorend tot een grote groep objecten'; < gen. generis), general ('algemeen'; général ('algemeen'; general ('algemeen'; < Lat. generalis ('met betrekking tot allen', itt. specialis) < gen. generis), generös ('vrijgevig';
ingeniumingeniin.aanleg, karakter, talentingenieus ('vernuftig'), ingenieur ('afgestudeerde aan een hogere technische school')ingenious ('vernuftig'), engineer ('afgestudeerde aan een hogere technische school')ingénieux ('vernuftig'), l'ingénieur ('afgestudeerde aan een hogere technische school')ingeniös ('vernuftig'), Ingenieur ('afgestudeerde aan een hogere technische school')
glaciesglacieif.ijsgletsjer (glacier ('gletsjer'; < Fr. glacier ('gletsjer'))la glace ('ijs'), le glacier ('gletsjer, ijsverkoper'), glacer ('bevriezen')Gletscher ('gletsjer'; < Fr. glacier ('gletsjer')), Glazial ('ijstijd')
gladiusgladiim.zwaardgladiator ('zwaardvechter'; gladiator ('zwaardvechter'; le gladiateur ('zwaardvechter'; Gladiator ('zwaardvechter';
glaebaglaebaef.kluit, aarde--la glèbe ('bebouwde grond, aardkluit')-
gloriagloriaef.roemglorie ('roem'), glorieus ('roemrijk'; glory ('roem'), glorious ('roemrijk'; la gloire ('roem'), glorieux ('roemrijk'; Glorie ('roem'), glorios ('roemrijk';
Graecus (bijv. nw.)GrieksGrieks, grecisme ('ontleend aan het Grieks')Greek, grecism ('ontleend aan het Grieks')le grec ('het Grieks')griechisch ('Grieks')
Graecus (zst. nw.)Graecim.GriekGriekGreekle Grec ('de Griek')Grieche ('Griek')
gramengraminisn.kruid, grasgraminologie ('grassenkunde')---
grandisgrandis, grandegrootgrandeur ('glans, luister'; grand ('groot'; in verschillende dialecten, veelal vervangen door 'big')grand ('groot'), la grandeur ('grootte'), grandiose ('groots'; < Lat. grandis + osus ('vol van')), grandir ('groter worden')grandios ('groots';
gratiagratiaef.gunst, charme, dank; (+ gen.) omwille vangratie ('gunst'), gratis (< gratiis ('voor dank')), gracieus ('bevallig'; grace ('gunst'), gracious ('bevallig'; la grâce ('bevalligheid'), gracieux ('bevallig'; < Lat. gratiae + osus ('vol van')), gratuit ('gratis')gratis ('gratis'; It. grazie ('bedankt'), Sp. gracias ('bedankt')
gratia (+gen).omwille van----
gratusgrata, gratumdankbaar, aangenaam----
ingratusingrata, ingratumondankbaar----
gravisgravis, gravezwaar, ernstiggrief ('klacht'; gravity ('zwaarte(kracht)'; < Lat. gravitas), grief ('verdriet'; grave ('ernstig, gewichtig'), la gravité ('zwaarte(kracht)'; -
grexgregism.kudde, groepsegregatie ('afzondering'; to segregate ('isoleren'; la ségrégation ('afzondering'; Segregation ('afzondering';
gurgesgurgitisf.draaikolkverw. met gorgel ('strottenhoofd'; gorge ('keel'; la gorge ('keel'; -
habenahabenaef.teugel----
habeo (habēre)habui, habitumhebben, houden, beschouwenrehabilitatie ('eerherstel'), melaats ('aan lepra lijdend'; verbastering v. Fr. malade < male-habitum ('er slecht aan toe' > 'ziek'))able ('in staat'; < habilis ('in staat tot hanteren', 'geschikt')), inhibition ('officiëel verbod')avoir ('hebben'), habile ('bevoegd', 'knap', 'handig'), malade (< male-habitum ('er slecht aan toe' > 'ziek'))Habilitation ('doceerrecht aan de universiteit')
adhibeo (adhibēre)adhibui, adhibitumer bij halen, aanwenden, gebruiken----
cohibeo (cohibēre)cohibui, cohibitumvasthouden, in bedwang houden----
debeo (debēre)debui, debitumverschuldigd zijn, moetendebet ('financiële schuld')debt ('schuld'), due ('verplicht'), duty ('verplichting'), to endeavour ('doorzetten'; < Fr. mettre en dever ('iets in het moeten plaatsen' > 'zich tot iets verplichten'))dévoir ('moeten'), les dévoirs ('huiswerk'), débiteur ('schuldenaar')Debet ('schuld'), Debitor ('schuldenaar')
habito (habitare)wonen, bewonenhabitat ('leefomgeving van een dier'), cohabiteren ('geslachtsgemeenschap hebben')habitat ('leefomgeving van een dier'), inhabitant ('inwoner'), cohabitation ('geslachtsgemeenschap')l'habitat ('leefomgeving van een dier'), inhabitable ('onbewoonbaar')Habitat ('leefomgeving van een dier'), Kohabitation ('geslachtsgemeenschap')
habitushabitusm.toestand, houding, kledinghabijt ('monniksgewaad')habit ('gewoonte')l'habitude ('gewoonte'), s'habiller ('zich kleden')Habit ('monniksgewaad'), habituell ('bij wijze van gewoonte')
praebeo (praebēre)praebui, praebitumaanbieden, (met se) zich betonenprebende ('kerkelijke functie waar men salaris voor krijgt'; < praebenda ('dingen die gegeven moeten worden'))-la prébende ('kerkelijke functie waar men salaris voor krijgt'; < praebenda ('dingen die gegeven moeten worden'))-
prohibeo (prohibēre)prohibui, prohibitumafhouden van, verhinderenprohibitiestelsel ('beleid tegen het invoeren van buitenlandse producten')to prohibit ('verbieden'), Prohibition ('verbod op alcohol begin 20e eeuw in de Verenigde Staten')prohiber ('verbieden')Prohibition ('verbod'), Prohibitivsystem ('beleid tegen de invoer van buitenlandse producten')
haecnom. ev. vrl. van hic 'deze'; nom./acc. mv. onz. van hic 'deze'----
haereo (haerĕre)haesi, haesumvast blijven zittencoherent ('samenhangend'), cohesie ('onderlinge aantrekkingskracht van moleculen')coherent ('samenhangend'), cohesion ('samenhang', 'onderlinge aantrekkingskracht van moleculen')cohérent ('samenhangend'), cohésion ('samenhang', 'onderlinge aantrekkingskracht van moleculen')Kohärent ('samenhangend'), Kohärenz ('onderlinge aantrekkingskracht van moleculen')
haudniet----
haurio (haurire)hausi, haustumleegscheppen, doorborenexhaustief ('uitputtend', 'compleet')exhausted ('uitgeput')exhaustif ('uitputtend', 'compleet')Exhaustor ('luchtververser')
hederahederaef.klimop----
herbaherbaef.gras, kruidherbivoor ('planteneter'), salade (< Lat. herba salata ('gezouten groente'))herb ('kruid'), salad (< Lat. herba salata ('gezouten groente')), herbicide ('onkruidverdelgingsmiddel')l'herbe ('gras', 'planten'), herbeux ('grasrijk')herbikol ('op planten levend'; < herba + colo ('bewonen')), Herbivore ('planteneter')
hercules/herclebij Hercules! (uitroep)----
herosheroism.heldheroïsch ('heldhaftig')hero ('held')l'heros ('held')heroïsch ('heldhaftig')
hic, haec, hocdeze, ditad hoc ('voor een specifiek geval'), hocus-pocus (verbastering van Kerklat. hoc est corpus ('dit is het lichaam (van Christus)'))ad hoc ('voor een specifiek geval'), hocus-pocus (verbastering van Kerklat. hoc est corpus ('dit is het lichaam (van Christus)'))Langue d'Oc ('Occitaans'; taal in Zuid-Frankrijk waarin men voor het woord 'ja' het woord 'oc' (deze, dit) gebruikt)ad hoc ('voor een specifiek geval'), Hocus-Pocus (verbastering van Kerklat. hoc est corpus ('dit is het lichaam (van Christus)'))
adhuctot nu toe, nog----
hic (bijw.)hier-hic et nunc ('hier en nu')ici ('hier'), hic et nunc ('onmiddelijk')-
hinchiervandaan, hierdoor-encore ('nog'; < Vulg. Lat. hinc ad horam ('vanaf hier tot aan het (juiste) moment'))encore ('nog'; < Vulg. Lat. hinc ad horam ('vanaf hier tot aan het (juiste) moment'))-
huchierheen--hucher ('de honden roepen')-
huiusmodivan deze aard, dergelijke----
hiemshiemisf.winter, storm-hiemal ('winters')hiémal ('winters')hiemal ('winters')
hibernahibernorumn.winterkamphiberneren ('overwinteren'), hibernakel ('winterverblijf')hibernal ('winters'), hibernation ('het de winter doorkomen')l'hibernation ('winterslaap', 'stilstand')hibernal ('winters')
hocnom./acc./abl. ev. onz. van hic 'deze'; abl. ev. mnl. van hic 'deze'--Langue d'Oc ('Occitaans'; taal in Zuid-Frankrijk waarin men voor het woord 'ja' het woord 'oc' (deze, dit) gebruikt)-
homohominism.mens, manhommage ('eerbetoon'; i/d Middeleeuwen had "man" specifiek de betekenis "leenheer")homage ('eerbetoon'; i/d Middeleeuwen had "man" specifiek de betekenis "leenheer")l'homme ('mens', 'man'), l'hommage ('eerbetoon'; i/d Middeleeuwen had "man" specifiek de betekenis "leenheer")Hommage ('eerbetoon'; i/d Middeleeuwen had "man" specifiek de betekenis "leenheer")Sp. hombre ('man', 'mens')
humanushumana, humanummenselijk, beschaafd, ontwikkeldhumaan ('menswaardig')human ('menselijk'), humane ('menswaardig'), humanity ('de mensheid')humain ('menselijk', 'menswaardig'), l'humanité ('de mensheid')human ('menswaardig')
honorhonorism.eer, aanzien, hoger ambthonorabel ('eerbiedwaardig'), honorarium ('salaris'), honoreren ('belonen', 'goedkeuren')honour ('eer'), honoree ('geëerde'), honourable ('eerbiedwaardig')l'honneur ('eer', 'eerbewijzen'), honorable ('eerbiedwaardig'), déshonorer ('onteren')Honneur ('eerbewijs'), honorabel ('eerbiedwaardig'), honorieren ('belonen', 'goedkeuren')
honestumhonestin.het eervolle, het moreel goedezie honestuszie honestuszie honestuszie honestus
honestushonesta, honestumeervol-honest ('eerlijk')honnête ('eerlijk')honett ('netjes')
horahoraef.uur, seizoenuur, horloge ('klokje'; < hora + Gr. lego ('vertellen')), horoscoop (uit de stand van de sterren tijdens jouw geboorte-uur afgeleide toekomstvoorspelling)hour ('uur'), year ('jaar'; oorspr. 'ieder terugkerend tijdstip' > 'jaar', 'seizoen', 'uur')l'heure ('uur', 'tijdstip'), alors ('nu goed', 'welaan'; < lett. 'naar het (huidige) moment')Uhr ('tijdstip', 'klok')
horridushorrida, horridumruw, huiveringwekkendhorror ('iets huiveringwekkends')horrid ('huiveringwekkend'), ordure ('smerigheid')l'horreur ('iets huiveringwekkends'), horrible ('huiveringwekkend')horrend ('uitzonderlijk'), horribel ('huiveringwekkend'), Horror ('iets dat huiveringwekkend is')
hortor (hortari)aansporen-exhortation ('aansporing')l'exhortation ('aansporing', 'vermaning')-
cohortor (cohortari)aansporen----
horumgen. mnl./onz. mv. van hic 'deze'----
hospeshospitism.gastheer, gasthospitaal ('ziekenhuis'; < oorspr. 'gastenverblijf'), hospita ('gastvrouw bij wie een student inwoont'), hotel (< Fr. hôtel ('gastenverblijf'))hospitality ('gastvrijheid'), hospital ('ziekenhuis'; < oorspr. 'gastenverblijf'), host ('gastheer')l'hôpital ('ziekenhuis'; < oorspr. 'gastenverblijf'), l'hôtesse ('gastvrouw'), l'hôtel ('hotel' < oorspr. 'gastenverblijf')Hospital ('ziekenhuis'), Hosteß ('stewardess')
hostishostism.(staats)vijandhostiel ('vijandig')hostile ('vijandig')hostile ('vijandig')hostil ('vijandig')
huiusgen./dat. ev. mnl./onz. van hic 'deze'----
humus f.humif.grondhumus (bepaald bodemtype, veel in de tropen gevonden), postuum ('na iemands dood', lett. 'na de grond' > 'na de begrafenis')inhumation ('begrafenis'; lett. 'in de grond stoppen')l'inhumation ('begrafenis', lett. 'in de grond stoppen')Humus (bepaald bodemtype, veel in de tropen gevonden), postum ('na iemands dood', lett. 'na de grond' > 'na de begrafenis')
humilishumilis, humilelaag, onaanzienlijk-to humiliate ('vernederen'), humble ('bescheiden')humiliant ('vernederend'), l'humilité ('nederigheid')humil ('nederig')
iaceo (iacēre)iacuiliggen-gist ('hoofdgedachte', 'essentie', 'kern'; < Oudfr. gist ('het ligt') < Lat. iacet), adjacent ('nabijliggend', 'aangrenzend'), joist ('steunbalk'; < Oudfr. giste < Oudfr. gesir < Lat. iaceo)adjacent ('aangrenzend')-
iacio (iacĕre)werpen, gooientraject (< trans ('over') + iacio), injectie ('inspuiting'), ejaculeren ('zaad uitstorten'; < e + iacio 'uit gooien'), abject ('laag, verachtelijk'; < ab ('weg') + iacio)to reject ('afwijzen, verwerpen'; < re ('terug') + iacio), to inject ('injecteren, inbrengen'), to eject ('uitwerpen'), interjection ('tussenwerpsel, kreet'), trajectory ('baan (van projectielen)'; < trans ('over') + iacio)le trajet ('afstand, tocht'; < trans ('over') + iacio), l'injection ('injectie'), rejeter ('teruggooien, verwerpen, wegwerpen'; < re ('terug) + iacio)-
adicio (adicĕre)adicio, adieci, adiectumtoevoegen-adjective ('bijvoeglijk naamwoord'; < ad ('bij') + iacio)l'adjectif ('bijvoeglijk naamwoord'; < ad ('bij') + iacio)Adjektiv ('bijvoeglijk naamwoord'; < ad ('bij') + iacio)
conicio (conicĕre)conicio, conieci, coniectumwerpen, drijven, gissen-conjecture ('schatting, gissing')la conjecture ('vermoeden, gissing')-
deicio (deicĕre)deicio, deieci, deiectumomlaag werpen-to deject ('omlaag werpen')déjeter ('krom maken')-
iacto (iactare)werpen, slingeren, pochen opjet ('straalvliegtuig'; < Fr. jeter < iacto)jet ('straalvliegtuig'; < Fr. jeter < iacto)jeter ('gooien')-
obicio (obicĕre)obicio, obieci, obiectumvoor iemand (iets) neergooien, verwijtenobject (< ob ('tegemoet') + iacio)object (< ob ('tegemoet') + iacio)l'objet (< ob +iacio 'tegemoet gooien')Objekt (< ob ('tegemoet') + iacio)
proicio (proicĕre)proicio, proieci, proiectum(naar voren) werpenproject (< pro ('voor') + iacio)project (< pro ('voor') + iacio)le projet (< pro ('voor') + iacio)Projekt (< pro ('voor') + iacio)
subicio (subicĕre)subicio, subieci, subiectumbrengen onder, in de plaats stellen van; onderwerpensubject (< sub ('onder') + iacio)subject (< sub ('onder') + iacio)le sujet (< sub ('onder') + iacio)Subjekt (< sub ('onder') + iacio)
iamreeds, al, weldra--déjà ('sinds', < dès + Fr. ja ('reeds') < iam), jamais ('ooit', < Fr. ja + Fr. mais ('meer'))-
ianuaianuaef.deur-janitor ('portier, conciërge'; < Lat. ianitor)--
ibidaar--y ('er, erheen, eraan, erdoor')-
ictusictusm.stoot, slag----
ideodaarom----
idoneusidonea, idoneumgeschikt--idoine ('geschikt')-
igiturdus----
ignaviaignaviaef.lafheid, slapheid----
ignavusslap, laf----
ignisignism.vuur-to ignite ('ontbranden, aansteken')--
illedie--il, elle, le, la, les-
illicdaar----
illucdaarheen----
imagoimaginisf.beeld, gestalteimago ('beeld van iets of iemand in de publieke opinie'), imaginair ('denkbeeldig')image ('beeld, reputatie')l'image ('beeld, reputatie')Imago ('beeld van iets of iemand in de publieke opinie')
imberimbrism.regen(bui)--imbriqué ('elkaar overlappend, nauw met elkaar verbonden'; < imbrex ('holle dakpan (voor het afvoeren van regenwater)'))-
imitor (imitari)nabootsenimiteren ('nabootsen, namaken')to imitate ('nabootsen, namaken')imiter ('nabootsen, namaken')imitieren ('nabootsen, namaken')
immanisimmanis, immaneontzaglijk----
immensusimmensa, immensumonmetelijkimmens ('onmetelijk, ontzaglijk')immense ('onmetelijk, ontzaglijk')immense ('onmetelijk, ontzaglijk')immens ('onmetelijk, ontzaglijk')
immineo (imminēre)imminuizich verheffen boven, bedreigenimminent ('dreigend, op handen zijnd')imminent ('dreigend, op handen zijnd')imminent ('dreigend, op handen zijnd')imminent ('dreigend, op handen zijnd')
immointegendeel, liever gezegd, sterker nog----
impero (imperare)bevelen-imperative ('noodzakelijk, dwingend, autoritair'; < imperatus, ppp. van impero)imperative ('gebiedend, dwingend'; < imperatus, ppp. van impero)-
imperatorimperatorism.opperbevelhebber, keizer-emperor ('keizer')l'empereur ('keizer')-
imperiumimperiin.heerschappij, opperbevel; rijkimperium ('groot rijk')empire ('groot rijk')l'empire ('groot rijk')Imperium ('groot rijk')
impleo (implēre)(ver)vullen-to implement ('toepassen, verwezenlijken')--
compleo (complēre)(ver)vullencompleet (< completus, ppp. van compleo), compliment (< Oudsp. complimiento ('plichtsvervulling, beleefdheid')), complement ('aanvulling')complete (< completus, ppp. van compleo), compliment (< Oudsp. complimiento ('plichtsvervulling, beleefdheid')), to accomplish ('vervullen'), to comply ('gehoorzamen'), complement ('aanvulling')complet (< completus, ppp. van compleo), le compliment (< Oudsp. complimiento ('plichtsvervulling, beleefdheid')), accomplir ('vervullen'), le complément ('aanvulling')komplett (< completus, ppp. van compleo), Kompliment (< Oudsp. complimiento ('plichtsvervulling, beleefdheid')), Komplement ('aanvulling')
expleo (explēre)vullen, voltooien-expletive ('vloek, verwensing')--
improvisusimprovisa, improvisumonvoorzienimproviseren ('onvoorbereid bedenken en uitvoeren')to improvise ('onvoorbereid bedenken en uitvoeren')improviser ('onvoorbereid bedenken en uitvoeren')improvisieren ('onvoorbereid bedenken en uitvoeren')
impune (adv.)ongestraft--impuni ('ongestraft'), impunément ('ongestraft')-
in+ abl.: in, op, + acc.: naar; jegensin, inbeelden, incident ('storend voorval'; < in + cadere ('vallen')), infuus ('vloeistof bestemd om in de aderen te brengen'; < in + fundo ('gieten')), inheems ('binnenlands')in, to insert ('invoegen'; < in + sero ('verbinden')), to infuse ('ingieten, bezielen'; < in + fundo ('gieten')), investigation ('onderzoek'; < in + vestigo ('zoeken'))en, entrer, l'infusion ('aftreksel, kruidenthee, het laten trekken', < in + fundo ('gieten'))in, Implantat ('implantaat'; < in + planto ('stekken')), Implosion ('implosie'; < in + plaudo ('slaan'))
interiormeer naar binneninterieur ('binnenkant')interior ('binnenste')intérieur ('binnenste')Interieur ('binnenkant')
intusbinnenintiem (< intimus; superlat. van intus)intimate ('intiem'; < intimus, superlat. van intus)intime ('intiem'; < intimus, superlat. van intus)intim ('intiem'; < intimus, superlat. van intus)
inanisinanis, inaneleeg, ijdel-inane ('leeg, zinloos')l'inanité ('leegte, zinloosheid')-
incolumisincolumis, incolumeongedeerd----
incumbo (incumbĕre)incubui, incubitumgaan liggen op, zich toeleggen op-incumbent ('zittend, in functie zijnd')incomber ('ten deel vallen, toekomen aan')-
indedaarvandaan, daarna, ten gevolge daarvan----
inersinertisiners, inerstraag, zwakinert ('traag')inert ('traag')inerte ('onbeweeglijk, futloos')-
inferiorinferiorisinferior, inferiuslager, minderinferieur ('lager')inferior ('lager')inférieur ('lager')inferior ('lager')
inferiinferorumm.bewoners van de onderwereldzie inferiorzie inferiorzie inferiorzie inferior
ingensingentisingens, ingensreusachtig----
inquam, inquitik zeg, hij zegt, - zei----
insidio (insidĕre)insedi, insessumzitten op, -in, bezet houden-insidious ('verraderlijk, geniepig')insidieux ('verraderlijk, geniepig')-
insulainsulaef.eiland-isle ('eiland'), isolated ('geïsoleerd', < Ital. isolato < Lat. insulatus ('tot een eiland gemaakt')), peninsula ('schiereiland'; < Lat. paene insula 'bijna een eiland')l'île ('eiland'), isolé ('geïsoleerd', < isolato (Ital.) < insulatus (Lat., 'tot een eiland gemaakt'), la péninsule ('schiereiland, < paene insula 'bijna eiland')Insel ('eiland'), Isolation ('isolatie', < isolato (Ital.) < insulatus (Lat., 'tot een eiland gemaakt')
intertussen, tijdensintern ('inwendig, inwonend'), introduceren ('invoeren'; < inter + duco ('leiden'))to intervene ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen')), interlude ('pauze, tussenspel'; < inter + ludo ('spelen'))interdire ('verbieden'; < inter + dico ('zeggen')), international (< inter + natio ('land'))Interaktion ('interactie'; < inter + actio ('handeling')), Intervention ('tussenkomst', < inter + venio ('komen'))
inter seonderling, (met) elkaar----
interdumsoms----
intereaintussen----
interimintusseninterim ('tussentijds, tijdelijk')interim ('tussentijds, tijdelijk')interim ('tussentijds, tijdelijk')interim ('tussentijds, tijdelijk')
intrabinnenzie introzie introzie introzie intro
intro (intrare)binnenkomenentree, enteren ('een vijandig schip aanklampen'; < Sp. entrar ('binnenvallen, veroveren') < intro)to enterentrerentern ('binnengaan')
invitusinvita, invitumniet willend----
invito (invitare)uitnodigeninviteren ('uitnodigen')to invite ('uitnodigen')inviter ('uitnodigen')invitieren ('uitnodigen')
inultusongewroken, ongestraft----
iocusiocim.grapjokken ('liegen'), joker (< En. to joke) < Lat. iocari), juweel (< Oudfr. juël < Oudfr. jeu), jongleren ('behendigheidskunsten doen'; < Fr. jongler < Lat. ioculari < ioculus dimin. v. iocus), jojo (< Fr. joujou ('speeltje') < Fr. jouer ('spelen') < Lat. iocari)joke, jeopardy ('gevaar'; < Oudfr. jeu parti ('spel met gelijke kansen') < iocusle jeu, le joyau ('juweel'; < Oudfr. juël < Oudfr. jeu), jongler ('behendigheidskunsten doen'; < Lat. ioculari < ioculus dimin. v. iocus)Juwel (< Oudfr. juël < Oudfr. jeu), Jux ('grap'), Joker (< En. to joke) < Lat. iocari), jonglieren ('behendigheidskunsten doen'; < Fr. jongler < Lat. ioculari < ioculus dimin. v. iocus),
irairaef.woede--l'ire ('woede')-
irascor (irasci)boos worden/zijn-irascible ('prikkelbaar'; < Laatlat. irascibilis < Lat. irascor)irascible ('prikkelbaar'; < Laatlat. irascibilis < Lat. irascor)-
iratusirata, iratumboos-irate ('boos')--
is, ea, iddeze, dit, hij, zij, het----
idemdezelfdeidentiteit (< Laatlat. identitas < Lat. identidem ('steeds weer') < idem et idem)identity (< Laatlat. identitas < Lat. identidem ('steeds weer') < idem et idem)l'identité (< Laatlat. identitas < Lat. identidem ('steeds weer') < idem et idem)Identität(< Laatlat. identitas < Lat. identidem ('steeds weer') < idem et idem)
idem ac/atquedezelfde alszie idemzie idemzie idemzie idem
ipsezelf, juist, precies--même ('dezelfde'; < Fr. meïsme < Vulg. Lat. metipse ('geheel dezelfde'))-
iste, ista, istuddie, dat----
itazo----
itaque(en) daarom, dus----
itemop dezelfde wijzeitem ('programmapunt'; in Mdd. Lat. en Mdd. Ned. gebruikt in opsommingen, vanuit En. betekenis 'programmapunt')item ('programmapunt'; adj. gebruikt in opsommingen en zo betekenisverschuiving naar 'punt uit een opsomming')-Item ('programmapunt'; in Mdd. Lat. en Mdd. Ned. gebruikt in opsommingen, vanuit En. betekenis 'programmapunt')
ItaliaItaliaef.ItaliëItaliëItalyl'ItalieItalien
iter, itinerisitinerisn.reis, mars, weg, route-itinerant ('rondreizend'; < Laatlat. itinero ('rondreizen' < iter)errer ('dwalen'; < Laatlat. itinero < iter-
iterumweer-to reiterate ('herhalen'; < re + iterare ('weer herhalen')réitérer ('herhalen'; < re + iterare ('weer herhalen')iterieren ('herhalen'; < itero ('herhalen'))
iubeo (iubēre)iussi, iussumbevelen----
iussumiussin.bevel, dat wat bevolen is----
iucundusiucunda, iucundumaangenaam, aantrekkelijk----
iugumiugin.juk, bergrugjuk ('tuig van trekdieren, last')subjugation ('onderwerping'; < subiugo < sub + iugum ('onder juk'))--
iungo (iungĕre)iunxi, iunctumverbindenjoint ('hasjsigaret'; oorsp. 'geheime samenkomst', betekenisverandering door associatie met roken van opium), junta ('besturend comité'; < iuncta ppp. van iungo ('samenkomst'))to join (< Oudfr. joindre < iungo), juncture ('toestand'; < iunctura pfa. van iungo), junction ('verbinding, knooppunt'), joint ('verbinding, hasjsigaret'; oorsp. 'geheime samenkomst', betekenisverandering door associatie met roken van opium), junta ('besturend comité'; < iuncta ppp. van iungo ('samenkomst'))joindre ('verbinden'), la jointure ('gewricht, naad'; < iunctura pfa. van iungo), la jonction ('verbinding'), disjoindre ('scheiden'; < dis + iungo ('uiteen verbinden')), rejoindre ('teruggaan naar'; < re + iungo ('terug verbinden')Junta ('besturend comité'; < iuncta ppp. van iungo ('samenkomst'))
adiungo (adiungĕre)adiunxi, adiunctumtoevoegenadjunct ('toegevoegd ambtenaar'; < adiunctum ppp. van adiungo)-l'adjoint ('medewerker, adjunct, wethouder'; < adiunctum ppp. van adiungo), ajouter ('toevoegen')Adjunkt ('toegevoegd ambtenaar'; < adiunctum ppp. van adiungo)
cuncticunctae, cunctaalle(n)
cunctacunctorumn.alles
coniugiumconiugiin.verbintenis, huwelijk----
coniungo (coniungĕre)coniunxi, coniunctumverbindenconjunctivus ('aanvoegende wijs')conjunctive ('aanvoegende wijs')la conjonction ('voegwoord, ontmoeting'), la conjoncture ('omstandigheden'; < coniunctura pfa. van coniungo)Konjunktiv ('aanvoegende wijs')
coniunxconiugism.echtgenoot, echtgenote----
IuppiterIovism.Juppiterjoviaal ('hartelijk'; < iovialis ('betreffende Jupiter')jovial ('hartelijk'; < iovialis ('betreffende Jupiter')-jovial ('hartelijk'; < iovialis ('betreffende Jupiter')
iusiurisn.rechtjury (< Oudfr. jurer < Lat. iuro ('zweren')), juridisch ('rechtskundig'; < iuridicus < ius + dico ('recht spreken')), jurisprudentie ('rechtsopvatting'; < ius + prudentia ('recht kennis'))jury (< Oudfr. jurer < Lat. iuro ('zweren')), jurisdiction ('rechtspraak, rechtsbevoegdheid'; < ius + dico ('recht spreken')), juridical ('rechtskundig'; < iuridicus < ius + dico ('recht spreken'))jury (< Oudfr. jurer < Lat. iuro ('zweren')), juridique ('rechtskundig'; < iuridicus < ius + dico ('recht spreken')), la jurisprudence ('rechtspraak'; < ius + prudentia ('recht kennis'))Jury (< Oudfr. jurer < Lat. iuro ('zweren')), juridisch ('rechtskundig'; < iuridicus < ius + dico ('recht spreken')), Jurisprudenz ('rechtsopvatting'; < ius + prudentia ('recht kennis'))
iniuriainiuriaef.onrecht-injury ('verwonding')l'injure ('belediging, schade')-
iudexiudicism.rechter--le juge ('rechter')-
iudico (iudicare)oordelen-to judge ('oordelen'; < Oudfr. juger < Lat. iudico)juger ('oordelen'), le jugement ('oordeel, vonnis'), -
iudiciumiudiciin.proces, oordeel; vonnisjudicieel ('rechtelijk')prejudice ('vooroordeel'; < prae + iudicium ('voortijdig oordeel'), judicial ('rechtelijk')prejudice ('nadeel'; < prae + iudicium ('voortijdig oordeel'), judicial ('rechtelijk')judiziell ('rechterlijk')
iuremet recht, terecht----
iusiurandumiurisiurandin.eed----
iustusiusta, iustumrechtvaardigjuist (< Fr. juste < iustus), justitie ('rechterlijke macht'; < justitia ('rechtvaardigheid'))just (< Fr. juste < iustus), justice ('rechtvaardigheid'; < justitia), to justify ('rechtvaardigen'; < iustus + facio ('rechtvaardig maken'))juste, la justesse ('juistheid'), la justice ('rechtvaardigheid'; < justitia), justifier ('rechtvaardigen'; < iustus + facio ('rechtvaardig maken'))-
iuvencusiuvencim.jong(e stier)----
iuventusiuventutisf.jeugd, jonge mensen----
iuvenisiuvenism.jonge man (tussen 20 en 40 jaar)junior (comp. van iuvenis)juvenile ('jeugdig'), junior (comp. van iuvenis)jeune ('jong'), juvénile ('jeugdig'), junior (comp. van iuvenis)juvenil ('jeugdig')
iuvo (iuvare)iuvi, iutumhelpen----
adiuvo (adiuvare)adiuvi, adiutumhelpenadjudant ('onderofficier'; < Sp. ayudar < Lat. adiuto freq. van adiuvo)aid (< Oudfr. aide < adiuta ppp. van adiuvo), adjutant ('onderofficier'; < adiuto freq. van adiuvo)aider (< adiutum ppp. van adiuvo), l'adjudant ('onderofficier'; < Sp. ayudar < Lat. adiuto freq. van adiuvo)-
iuvat meik heb plezier in----
iuxta (prep)naast, (adv.) op dezelfde wijze-to juxtapose ('naast elkaar zetten'; < iuxta + pono ('plaatsen naast')), to joust ('een steekspel houden'; < Oudfr. joster < Vulg. Lat. iuxto ('naderen'))jouter ('een steekspel houden'; < Oudfr. joster < Vulg. Lat. iuxto ('naderen'))tjostieren ('een steekspel houden'; < Oudfr. joster < Vulg. Lat. iuxto ('naderen'))
iuxta (adv)op dezelfde wijze , (prep.) naast----
labor (labi)lapsus sum(weg)glijden, instortenlabiel ('met onevenwichtige persoonlijkheid'), lawine ('vallende sneeuw'; < Laatlat. labina ('het uitglijden, val'))to collapse ('vallen', 'uitglijden'), to elapse (verstrijken') le laps ('verloop')Lawine ('vallende sneeuw'; < Laatlat. labina ('het uitglijden, val'))
dilabor (dilabi)dilapsus sumuiteenvallen, uiteengaan----
laborlaborism.inspanning, beproeving-labour ('arbeid'), elaborate ('in detail uitgewerkt')le labeur ('hard werk'), laborieux ('ijverig'), le labour ('het omploegen'), les labours ('omgeploegd land')-
laboro (laborare)zich inspannen, het zwaar te verduren hebbenlaboratorium (lett. 'werkplaats'), collaboratie ('samenwerking met de vijand')laboratory (lett. 'werkplaats')le laboratoire (lett. 'werkplaats'), la collaboration ('samenwerking met de vijand')laborieren ('zich inspannen', 'lijden'), Labor / Laboratorium (lett. 'werkplaats')
laclactisn.melklactose ('melksuiker')lactation ('het geven van borstvoeding'), lactic ('melk-'), lactose ('melksuiker')le lait ('melk'), lactée ('met melk') Laktation ('het geven van melk')
lacero (lacerare)verscheuren-to lacerate ('aan stukken scheuren')lacérer ('aan stukken scheuren')-
lacesso (lacessĕre)lacessivi, lacessitumuitdagen----
lacrimo (lacrimare)huilen-lachrymator ('traangas')larmoyant ('droevig', 'huilerig')-
lacrimalacrimaef.traanlachrymose ('huilerig', 'droevig')la larme ('traan', 'verdriet')-
lacuslacusm.meerlacune ('leegte'; < Laatlat. lacuna ('waterreservoir, kuil'))lacuna ('leegte'; < Laatlat. lacuna ('waterreservoir, kuil'))lacustre ('meer-')Lake ('pekel')
laedo (laedĕre)laesi, laesumkwetsen, beledigendwarslaesie ('kwetsuur aan de rugzenuwbaan'), elisie ('uitstoting'; < elido < Lat. e(x) + laedere)to collide ('botsen'), lesion ('kwetsuur', 'verwonding')léser ('benadelen', 'schaden'), la collision ('botsing'), l'élision ('uitstoting'; < elido < Lat. e(x) + laedere)lädieren ('beschadigen')
laetuslaeta, laetumvrolijk, glanzend--la liesse ('vreugde', 'uitbundigheid')-
laevuslaeva, laevumlinkerlaevulose ('vruchtensuiker'; zo genoemd omdat de stof i.t.t. dextrose linksdraaiend is)---
lanalanaef.wol----
languiduslanguida, languidumloom-languid ('loom')languir ('lusteloos', 'futloos zijn')-
lapislapidism.steenlapidair ('kort en krachtig'; vanwege de bondige taal van inscripties in steen)lapidation ('steniging')la lapidation ('steniging'), lapidaire ('kort en krachtig'; vanwege de bondige taal van inscripties in steen)lapidar ('kort en krachtig'; vanwege de bondige taal van inscripties in steen)
larguslarga, largumovervloedig-large ('groot', 'enorm')large ('ruim', 'rijkelijk'), la largesse ('vrijgevigheid'), le large ('open zee')-largo
lateo (latēre)latuiverborgen zijnlatent ('verborgen', 'onderhuids aanwezig')latent ('verborgen', 'onderhuids aanwezig')latent ('verborgen', 'onderhuids aanwezig')latent ('verborgen', 'onderhuids aanwezig')
latuslaterisn.zijde, zijkantbilateraal ('van twee kanten')collateral ('onderpand'; oorspr. 'van dezelfde kant', d.w.z. 'deel van dezelfde ruil'), bilateraal ('van twee kanten')lez ('dichtbij', lett. 'aan de kant van'; alleen in plaatsnamen bijv. Peronne-lez-Binche), equilateral ('van beide kanten')bilateral ('van twee kanten')
latuslata, latumbreed, ruim, uitgestrektlatifundiaat ('grootgrondbezit'; < latus ('breed') + fundus ('bodem'))latitude ('breedtegraad')la latitude ('breedtegraad')Latitüde ('breedtegraad')
latewijd en zijd, breed----
laudo (laudare)prijzen---Laudatio ('lofrede')
laus, laudislaudisf.lof, roemcum laude ('met lof')cum laude ('met lof')cum laude ('met lof')cum laude ('met lof')
legatiolegationisf.gezantschap; het ambt van legatuslegaat ('testamentaire nalatenschap')legacy ('nalatenschap') le légataire ('erfgenaam')Legat ('nalatenschap')
legatuslegatusm.onderbevelhebber, gezant; gouverneurdelegeren ('uitbesteden', lett. 'iemand op pad sturen'), delegatie ('gezantschap'), legaat ('afgezant')legate ('afgezant'), delegate ('vertegenwoordiger')le légat ('afgezant'), la délegation ('gezantschap')Legat ('afgezant')
legiolegionisf.legioenlegioen ('legerafdeling'), legio ('in groten getale'; door de assocatie met een leger ontstaan)legion ('groot aantal', 'legioen')la légion ('groot aantal', 'legioen')Legion ('groot aantal', 'legioen')
lego (legĕre)legi, lectumverzamelen, (uit)kiezen; lezenselecteren, lectuur, legende ('sage', lett. 'dat wat gelezen moet worden'), les (< Fr. la leçon)lesson ('les'; < Lat. lectionem 'voorlezing'), to select, legend ('sage', lett. 'dat wat gelezen moet worden'), lecture ('lezing')les légumes ('groente', lett. 'de bijeengezochten', 'geplukten'), la leçon ('les'), la lectureLegende ('sage', lett. 'dat wat gelezen moet worden'), Lektion ('les'), Lektüre
colligo (colligĕre)collegi, collectumverzamelencollectie ('verzameling'), collecte ('inzameling')collection ('verzameling')la collection ('verzameling'), colliger ('verzamelen')Kollektion ('verzameling'), Kollekte ('inzameling')
deligo (deligĕre)delegi, delectum(uit)kiezen----
eligo (eligĕre)elegi, electumuitkiezenelite ('bovenlaag van de bevolking'; < Fr. élit < Lat. electum ('uitgekozen')), electoraat ('kiezers')elections ('verkiezingen')élite ('bovenlaag van de bevolking'), les élections ('verkiezingen')Elite ('bovenlaag van de bevolking'; < Fr. élit < Lat. electum ('uitgekozen'))
intellego (intellegĕre)intellexi, intellectumbemerken, begrijpenintelligent ('slim'), intellect ('verstand')intelligence, intellectuall'intelligence, intelligible ('begrijpelijk')intelligent ('slim'), Intellektueller ('een intellectueel')
neglego (neglegĕre)neglexi, neglectumverwaarlozen-negligence ('verwaarlozing'), to neglect ('verwaarlozing')négliger ('verwaarlozen')negligieren ('verwaarlozen')
lentuslenta, lentumlangzaam, traag, soepel-to relent ('minder streng worden', lett. 'weer soepel worden')lentement ('langzaam')-lento, rallentando
leoleonism.leeuwleeuw, luipaard (< Lat. leo + pardus ('panter'))lion, leopard ('luipaard'; < Lat. leo + pardus ('panter'))lion, léopard ('luipaard'; < Lat. leo + pardus ('panter'))Löwe, Leopard ('luipaard'; < Lat. leo + pardus ('panter'))
leposleporism.charme----
letumletin.(gewelddadige) dood-lethal ('dodelijk')létal ('dodelijk')letal ('dodelijk'), Letalfaktor ('dodelijk misvormd gen')
levislevis, levelicht, gering (NB: levis (met lange e) = glad)levitatie ('het zich buiten de zwaartekracht bevinden')relief ('opluchting', 'verlichting') léger ('licht', 'dun'), l'élève ('leerling', lett. 'degene die "verheven" moet worden')leger ('ontspannen', 'nonchalant' < Fr. léger ('ontspannen') < Vulg. Lat. leviarius)
levo (levare)oprichten, ondersteunen, verlichten, verminderenrelevant ('belangrijk', lett. 'zich verheffend'), reliëf ('zich verheffend patroon'; < Lat. relevare ('zichzelf lichter maken'))relevant ('belangrijk', lett. 'zich verheffend'), elevator ('lift', lett. 'verlichter', 'optiller'), Carnival ('carnaval'; eig. vleesvrije vooravond van de vastperiode < carne ('vlees') + levare ('verwijderen'))le relèvement ('herstel'), lever ('optillen')relevant ('belangrijk', lett. 'zich verheffend'), Relief ('zich verheffend patroon'; < Lat. relevare ('zichzelf lichter maken'))
lexlegisf.wet(svoorstel), voorschrift, regel; voorwaardelegaal ('volgens de wet toegestaan'), loyaal ('trouw'; oorspr. 'wettig' > 'trouw aan de wet'), legitiem ('wettig'), privilege ('bijzonder voorrecht'; < privus ('op zichzelf staand') + lex ('wet'))legal ('volgens de wet toegestaan'), loyal ('trouw'; oorspr. 'wettig' > 'trouw aan de wet'), legitimate ('wettig')loyal ('trouw', lett. 'trouw aan de wet'), légal ('volgens de wet toegestaan'), legitime ('wettig')legal ('volgens de wet toegestaan'), loyaal ('trouw'; oorspr. 'wettig' > 'trouw aan de wet'), legitiem ('wettig'), Privileg ('bijzonder voorrecht'; < privus ('op zichzelf staand') + lex ('wet'))
libo (libare)plengen, offeren-libation ('plengoffer')la libation ('plengoffer')-
libentergraag----
liberlibera, liberumvrijliberalisme (politieke stroming die zo veel mogelijk vrijheid voor het individu voorstaat)liberalism (politieke stroming die zo veel mogelijk vrijheid voor het individu voorstaat)la libéralisme (politieke stroming die zo veel mogelijk vrijheid voor het individu voorstaat)Liberalismus (politieke stroming die zo veel mogelijk vrijheid voor het individu voorstaat)
libero (liberare)bevrijdenleveren ('verschaffen'; < Laatl. liberare ('bevrijden van schulden/lasten') > ('verschaffen'))to deliver ('verschaffen'; < Laatl. liberare ('bevrijden van schulden/lasten') > ('verschaffen')), to liberate ('bevrijden')livrer ('bevrijden'), délivrer ('verlossen van een kind', 'overhandigen'), la livraison ('levering')liefern ('verschaffen'; < Laatl. liberare ('bevrijden van schulden/lasten') > ('verschaffen'))
libertaslibertatisf.vrijheid-liberty ('vrijheid')la liberté ('vrijheid')Libertät ('vrijheid')
libertuslibertim.vrijgelaten slaaflibertijn ('vrijdenker')libertine ('vrijdenker')le libertin ('vrijdenker')libertin ('lichtzinnig')
liberlibrim.boek-library ('bibliotheek')le livre ('boek'), la librairie ('bibliotheek')-It. libretto
liberiliberorumm.kinderen----
libetlibuit, libitum estgraag willen--la lubie ('gril', lett. datgene wat men graag wil; < Oudlat. lubet (= Lat. libet))-
libidolibidinisf.begeerte, willekeurlibido ('geslachtsdrift')libido ('geslachtsdrift')la libido ('geslachtsdrift'), libidineux ('wellustig')Libido ('geslachtsdrift')
licetlicuit, licitum esthet is geoorloofd, het is mogelijk-illicit ('verboden'; < Lat. in- ('on-') + licet ('(het is) geoorloofd'))licite ('geoorloofd')-
licentialicentiaef.(onbeperkte) vrijheidlicentie ('toestemming voor gebruik')licence ('toestemming voor gebruik')le loisir ('vrije tijd', 'ontspanning'; betekenis afgeleid van 'het een mogelijkheid hebben'), la licence ('vergunning'), licentier ('ontslaan', lett. 'de vrijheid geven')Lizenz ('toestemming voor gebruik')
licuithet is mogelijk, licet----
licet (voegwoord)ook al----
lictorlictorism.dienaar van een (hoge) magistraat, drager van de fasces----
lignumlignin.hout--ligneux ('houtachtig')-It. col legno ('met de boog'; muziekterm)
limenliminisn.drempelelimineren ('verwijderen'; < ex + limen lett. ('de drempel af-, de deur uitzetten')), subliminaal (('onderbewust'); eig. ('onder de bewustzijnsdrempel'))to eliminate ('verwijderen'; < ex + limen lett. ('de drempel af-, de deur uitzetten'))liminaire ('inleidend'; lett. 'bij wijze van drempel'), éliminer (('verwijderen'); < ex + limen lett. ('de drempel af-, de deur uitzetten'))eliminieren ('verwijderen'; < ex + limen lett. ('de drempel af-, de deur uitzetten'))
lingualinguaef.tong, taallinguïstiek ('taalkunde')language ('taal')la langue ('tong, taal'), la linguistique ('taalkunde')Linguïstik ('taalkunde')
linquo (linquĕre)liqui, lictum(achter)laten, verlatendelict ('strafbaar feit'; < Lat. de + linquo ('verkeerd achterlaten')), delinquent ('schuldige aan een strafbaar feit')delinquent ('schuldige aan een strafbaar feit'; < Lat. de + linquo ('verkeerd achterlaten'))délit ('strafbaar feit'; < Lat. de + linquo ('verkeerd achterlaten')), le délinquent ('schuldige aan een strafbaar feit')Delikt ('strafbaar feit'; < Lat. de + linquo ('verkeerd achterlaten')), Delinquent ('schuldige aan een strafbaar feit')
relinquo (relinquĕre)reliqui, relictumachterlatenrelict ('overblijfsel van een heilige')to relinquish ('verlaten'), relic ('overblijfsel van een heilige')le reliquat ('saldo'; lett. 'overschot')relikt ('in resten voorkomend'), Relikt ('antiek overblijfsel')
reliquusreliqua, reliquumover(gebleven), overigrelikwie ('antiek overblijfsel'; < Lat. reliquium ('het achtergelatene'))-la relique ('antiek overblijfsel'; < Lat. reliquium ('het achtergelatene'))Reliquie ('overblijfsel van een heilige')
liquidusliquida, liquidumvloeibaar, helderlikeur ('sterke drank'; < Fr. liqueur ('sterke drank') < Lat. liquor ('vocht')), liquideren ('vermoorden'; lett. ('vloeibaar maken'))liquor ('sterke drank'; < Lat. liquor ('vocht')), liquid ('vloeibaar, vloeistof')le liqueur ('sterke drank'), le liquide ('vloeistof, vloeibaar'), liquéfier ('vloeibaar maken')Likör ('sterke drank'; < Fr. liqueur ('sterke drank') < Lat. liquor ('vocht'))
lislitisf.strijd, proceslitigieus ('waar een proces over wordt gevoerd'; < Fr. litigieux)to litigate ('procederen')la litige ('geschil, twistpunt'), litigieux ('waar een proces over wordt gevoerd')-
litteralitteraef.letter, pl.: brief, pl.: wetenschap, literatuurletter, literatuur, alliteratie ('stafrijm'; meerdere woorden met dezelfde beginletter na elkaar)letter ('letter'), letter ('brief'), to obliterate ('uitwissen, doen verdwijnen'; < lett. ('een letter doorstrepen'))la lettre ('letter'), la literature, oblitérer ('uitwissen, doen verdwijnen'; < lett. ('een letter doorstrepen'))Letter ('drukletter'), Literatur, Alliteration ('stafrijm'; meerdere woorden met dezelfde beginletter na elkaar)
litterae (plur.)litterarumf.pl. wetenschap, literatuur, pl.: brief; sing: letterbelletrie ('literatuur'; lett. ('de mooie letteren'))-la belletrie ('literatuur'; lett. ('de mooie letteren'))Belletrie ('literatuur'; lett. ('de mooie letteren'))
lituslitorisn.strand, kust-littoral ('aan een kust gelegen')littoral ('aan een kust gelegen, van de kust')-
locusloci (pl. ook loca, -orum)m.plaats, positie, toestand; gelegenheid, ruimtelokaal ('plaatselijk'), lokaal ('ruimte'), loco- ('in plaats van, vervangend')local ('plaatselijk')lieu ('plek'), local ('plaatselijk'), le local ('ruimte')lokal ('plaatselijk'), Lokal ('zaak'; een café of restaurant)
colloco (collocare)plaatsenkoest ('rustig!'; < Fr. couche toi ('ga liggen') < Lat. colloca te), collocatie ('gedwongen opname van patiënten')couch ('bank'; < Fr. coucher ('neerleggen') < Lat. collocare)coucher ('(zich) neerleggen'), le coucheur ('versierder'; lett. ('neerlegger')), le couchant ('het westen'; waar de zon ondergaat, 'zich neerlegt')kuschen ('zich rustig houden'; < Fr. se coucher ('gaan liggen') < Lat. se collocare), Couch ('bank')
loco (locare)plaatsenlocatie ('plek')location ('plek')la location ('huur', d.w.z. het ter plaatsing, huisvesting verschuldigde bedrag), loyer ('verhuren')-
longuslonga, longumlanglang, prolongeren ('verlengen')long, longitude ('lengtegraad')longue, allonger ('langer maken')lang, prolongieren ('verlengen')
longever, lang, + superl.: verreweg--loin ('ver'), éloigner ('verwijderen', lett. ('ver weg maken'))-
longe + superl.verreweg----
navis longanavis longaef.oorlogschip----
loquor (loqui)locutus sumspreken, noemen-soliloquy ('monoloog'), ventriloquist ('buikspreker')loquace ('spraakzaam'), grandiloquent ('man van veel woorden')-
colloquiumcolloquiin.onderhoud, gesprekcolloquiaal ('tot spreektaal behorend'), colloquium ('geleerde bijeenkomst')colloquial ('tot spreektaal behorend'), colloquium ('geleerde bijeenkomst')le colloque ('gesprek, geleerde bijeenkomst')kolloquial ('tot spreektaal behorend'), Kolloquium ('geleerde bijeenkomst')
eloquentiaeloquentiaef.welsprekendheideloquent ('welsprekend')eloquence ('welsprekendheid')l'éloquence ('welsprekendheid')Eloquenz ('welsprekendheid')
lucrumlucrin.winstlucratief ('winstgevend')lucrative ('winstgevend')le lucre ('winst'), lucratif ('winstgevend')lukrativ ('winstgevend')
luctusluctusm.rouw(klacht)----
lucuslucim.(heilig) woud----
ludo (ludĕre)lusi, lusumspelen, zich amuserenillusie ('waanbeeld'; < illudo ('bespotten, voor de gek houden')), allusie ('verwijzing, zinspeling')illusie ('waanbeeld'; < illudo ('bespotten, voor de gek houden')), ludicrous ('bespottelijk')éluder ('ontwijken'), l'illusion ('waanbeeld'; < illudo ('bespotten, voor de gek houden'))Illusion ('waanbeeld'; < illudo ('bespotten, voor de gek houden'))
ludusludim.spelprélude ('inleiding op een muziekstuk'; < lett. ('voorspel')), interlude ('tussendeel in een muziekstuk')prelude ('inleiding op een muziekstuk'; < lett. ('voorspel')), interlude ('tussendeel in een muziekstuk')prélude ('inleiding op een muziekstuk'; < lett. ('voorspel')), interlude ('tussendeel in een muziekstuk')Präludium ('inleiding op een muziekstuk'; < lett. ('voorspel')), Interludium ('tussendeel in een muziekstuk')
lugeo (lugēre)luxi, luctum(be)treurenluguber ('somber, akelig, doods')lugubrious ('somber, akelig, doods')lugubre ('somber, akelig, doods')-
lumenluminisn.licht, ooglumineus ('schitterend, briljant')illumination ('geestelijke verlichting')la lumière ('licht'), allumer ('aansteken'; lett. ('licht brengen'))luminös ('schitterend, briljant'), Illumination ('(geestelijke) verlichting')
luxlucisf.licht, levenlucifer (lett. 'lichtbrenger')lucid ('helder, duidelijk')luire ('blinken, glinsteren'), lucide ('helder, scherpzinnig')luzid ('helder, duidelijk')
lunalunaef.maan-lunatic ('gek'; lett. ('maanbewoner'))la lune ('maan'), lundi ('maandag')Laune ('humeur'; teruggaand op het oude idee dat het humeur van de mens door de stand van de maan beïnvloed werd)
lupuslupim.wolf--le loup ('wolf')-
lustro (lustrare)verlichten, inspecteren; doorkruisenluister ('licht'; in de uitdrukking 'iets luister bijzetten' < Fr. lustre ('goede reputatie'))-lustré ('glanzend'), le lustre ('kroonluchter, glans, goede reputatie')Lüster ('kroonluchter'; lett. ('verlichter'))
illustrisillustris, illustrehelder, stralend, vooraanstaandillustratie ('tekening'; lett. ('verlichting, toelichting')), illuster ('beroemd')illustrious ('beroemd'), illustration ('tekening'; lett. ('verlichting, toelichting')) illustrer ('verlichten, toelichten'), l'illustration ('tekening'; lett. ('verlichting, toelichting'))illuster ('beroemd'), Illustration ('tekening'; lett. ('verlichting, toelichting'))
luxurialuxuriaef.(zucht naar) weeldeluxe ('weelde')luxury ('weelde')le luxe ('weelde')Luxus ('weelde')
lymphalymphaef.waterlymfe ('weefselvocht')limpid ('glashelder'), lymph ('weefselvocht')limpide ('helder'), la lymphe ('weefselvocht')Lymphe ('weefselvocht')
maereo (maerēre)maerui(be)treuren----
maestusmaesta, maestumbedroefd----It. mesto ('bedroefd')
magistermagistrim.(leer)meestermagistraal ('meesterlijk'), meester (mister (afgezwakte vorm v. master), mistral ('wind in het zuiden van Frankrijk'; le/la maître ('heer, vrouw'), le mistral ('wind in het zuiden van Frankrijk'; Meister ('(leer)meester'), Mistral ('wind in het zuiden van Frankrijk'; It. maestro
magistratusmagistratusm.ambt, magistraatmagistraatmagistratele magistratMagistrat
magnusmagna, magnummaior, maximusgroot, belangrijkmagnaat ('iemand met veel invloed'), meier ('rentmeester'; mayor ('burgermeester'; Charlemagne ('Karel de Grote'; Magnat ('iemand met veel macht'), magnifik ('magnifiek';
magismeer----
magnitudomagnitudinisf.grootte, omvangmagnitude ('omvang')magnitude ('omvang')la magnitude ('omvang') Magnitude ('omvang')
maiestasmaiestatisf.gezag, aanzienmajesteitmajestymajesté ('majesteit')Majestät ('majesteit')
maior (maximus) natuouder, oudstGebruikt om onderscheid te maken tussen verschillende personen met dezelfde naam, bijv. Plinius maior en Plinius minor.Gebruikt om onderscheid te maken tussen verschillende personen met dezelfde naam, bijv. Plinius maior en Plinius minor.Gebruikt om onderscheid te maken tussen verschillende personen met dezelfde naam, bijv. Plinius maior en Plinius minor.Gebruikt om onderscheid te maken tussen verschillende personen met dezelfde naam, bijv. Plinius maior en Plinius minor.
maioresmaiorumm.voorouders----
maximevooral, het meest----
maximusmaxima, maximumgrootste, zeer grootmaximum ('het uiterste'), maximaalmaximum ('het uiterste')la maximum ('het uiterste'), maximalmaximalIt. massimo
malusmala, malumpeior, pessimusslechtmalaria ('moeraskoorts'; < It. mala + aria ('lucht') < Lat. mala + aer), malaise ('gedruktheid'; < Fr. mal + aise ('gemak, welbehagen')), malice ('boosaardigheid'; < Oudfr. malice ('zondigheid')), malaria ('moeraskoorts'; < It. mala + aria ('lucht') < Lat. mala + aer),mal ('slecht'), malaise ('gedruktheid'; < mal + aise ('gemak, welbehagen')), malade ('ziek'), le malice ('spot, boosaardigheid')Malaria ('moeraskoorts'; < It. mala + aria ('lucht') < Lat. mala + aer)
maleslechtmaligne ('kwaadaardig'; < Lat. malignus < male + gignere ('voortbrengen'))te vinden in samenstellingen als mal-, bijv. malfunction ('storing')malin ('kwaadaardig'; < Lat. malignus < male + gignere ('voortbrengen')), te vinden in samenstellingen als mal-, bijv. malheureux ('ongelukkig')maligne ('kwaadaardig'; < Lat. malignus < male + gignere ('voortbrengen'))
malummalin.slechte daad, ramp--- -
peiorpeiorispeior, peiusslechterpejoratief ('een ongunstige betekenis hebbend')pejorative ('een ongunstige betekenis hebbend')péjoratif ('een ongunstige betekenis hebbend')pejorativ ('een ongunstige betekenis hebbend')
pessimuspessima, pessimumslechtste, zeer slechtpessimist ('iemand die altijd het slechtst mogelijke verwacht')pessimist ('iemand die altijd het slechtst mogelijke verwacht')le pessimiste ('iemand die altijd het slechtst verwacht')Pessimist ('iemand die altijd het slechtst verwacht')
mano (manare)stromenemaneren ('uitvloeien'; < ex + manare)-émaner ('uitvloeien'; < Lat. ex + manare)-
mando (mandare)opdragen, gelasten, toevertrouwen-mandatory ('verplicht'), to demand ('eisen'; < Fr. demander < Vulg. Lat. demandare ('vragen'))mander ('ontbieden'), demander ('vragen'; < Vulg. Lat. demandare ('vragen'))-Oudgr. μένειν ('wachten')
mandatum (meestal pl.)mandatin.opdracht, bevelmandaatmandatela mandatMandat
maneo (manēre)mansi, mansumblijven, voortduren, te wachten staanpermanent ('blijvend'; < per ('gedurende') + manere)manor ('landhuis'; < subst. van Oudeng./Oudfr. maneir ('wonen')), permanent ('blijvend'; < per ('gedurende') + manere), to remain ('overblijven'; < Lat. remanere ('achterblijven'))manoir ('kasteeltje'; vgl. Eng. manor), permanent ('blijvend'; < per ('gedurende') + manere)permanent ('blijvend'; < per ('gedurende') + manere)It. rimanere
manesmaniumm.zielen van de overledenen, schimmenmanisme ('verering van de gestorvenen')---
manifestusmanifesta, manifestumtastbaar, duidelijkmanifest ('zich duidelijk vertonend'), manifesteren ('openbaren')manifest ('zich duidelijk vertonend')manifeste ('zich duidelijk vertonend'), manifester ('demonstreren')manifest ('zich duidelijk vertonend'), manifestieren ('openbaren')
infestusinfesta, infestumvijandig, dreigend-to infest ('onveilig maken')infester ('teisteren')-
manusmanusf.hand, bendemanuscript ('handschrift'; < manus + scriptus ('geschreven')), manicure ('verzorger van handen en nagels'; < manus + cura ('zorg')), manier ('wijze'; < Fr. manière < manier ('(be)handelen')), manoeuvre ('handgreep'; < Mdd. Lat. manuopera ('herendienst'))manuscript ('handschrift'; < manus + scriptus ('geschreven')), manual ('gebruiksaanwijzing', 'handboek'; adj. 'handmatig'), manicure ('verzorger van handen en nagels'; < manus + cura ('zorg')), to maintain ('onderhouden'; < Lat. manu tenere ('in de hand houden'))main ('hand'), manuel ('handmatig'), le manuscrit ('handschrift'; < manus + scriptus ('geschreven')), maintenir ('onderhouden'; < Lat. manu tenere ('in de hand houden')), manoeuvre ('handgreep'; < Mdd. Lat. manuopera ('herendienst'))Manuskript ('handschrift'; < manus + scriptus ('geschreven')), Maniküre ('verzorger van handen en nagels'; < manus + cura ('zorg')), Manöver ('handgreep'; < Mdd. Lat. manuopera ('herendienst'))It. mano
maremarisn.zeemarinier ('zeesoldaat'; < Lat. marinus ('van de zee')), maritiem ('van de zee')marine ('behorend tot de zee'; < Lat. marinus ('van de zee')), maritime ('van de zee')la mer ('zee'), marin ('zeeman'), maritime ('van de zee')Marine ('zeemacht'; < Lat. marinus ('van de zee')), maritim ('met betrekking tot de zee') Lat. mare nostrum (lett. 'onze zee'; de Middellandse zee), verw. m. marineren, marinade
maritusmaritim.echtgenootmaritaal ('van de echtgenoot')to marry ('trouwen'; < Fr. marier ('trouwen') < Lat. maritare ('huwen')), marital ('van de echtgenoot')marier ('trouwen'; < Lat. maritare ('huwen'))-It. maritare ('trouwen'), Sp./Port. maridar ('trouwen')
matermatrisf.moederalma mater ('eretitel voor hogescholen'), matriarchaat ('rechtstoestand via de vrouwelijke lijn'; < Lat. mater/Oudgr. μήτηρ + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))maternal ('moederlijk'; < Vulg. Lat. *maternalis < Lat. maternus), maternity leave ('zwangerschapsverlof'), matrimony ('huwelijk')la mère ('moeder'), maternité ('moederschap')Matriarchat ('rechtstoestand via de vrouwelijke lijn'; < Lat. mater/Oudgr. μήτηρ + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))Oudgr. μήτηρ, Sp. madre
matronamatronaef.(getrouwde) vrouw--la matrone-
materia/materiesmateriae/materieif.materie, materiaalmaterie ('grondstof'), materialist ('iemand die waarde hecht aan fysieke zaken'), materiaalmatter ('grondstof')la matière ('grondstof'), immatériel ('niet fysiek')Materie ('grondstof'), Materialist ('iemand die waarde hecht aan fysieke zaken'), Material
maturusmatura, maturumrijp, (vroeg)tijdigprematuur ('voortijdig'; < pre ('voor') + maturus)mature ('volwassen'), premature ('voortijdig'; < pre ('voor') + maturus), immature ('onvolwassen'; < in ('on') + maturus)mûr ('rijp'), prématuré ('voortijdig'; < pre ('voor') + maturus)-
memij (acc./abl.)zie ook egozie ook egozie ook egozie ook ego
mecummet mij----
medicusmedicim.doktermedicijn, medicinaal ('geneeskundig')medication ('medicijnen'), medicine ('medicijn')médicinal ('geneeskundig'), le médecin ('dokter')Medizin ('geneesmiddel'), Mediziner ('arts')
mediusmedia, mediumin het middenintermediair ('tussenliggend'), mediaan ('zwaartelijn van een driehoek'), medio ('in het midden van'), mediterraan ('met betrekking tot de Middellandse Zee'), milieu ('omgeving'; < medius locus ('middenpunt'))medieval ('middeleeuws'; < Neolat. mediaevus < medius + aevus ('eeuw')), mediocre ('middelmatig'; < Lat. mediocritas ('matigheid')), medium ('middelgroot'), intermediate ('tussenliggend'), Mediterranean ('met betrekking tot de Middellandse Zee')moyenne, midi ('twaalf uur 's middags'; < Lat. medium + dies ('midden op de dag')), médiocre ('middelmatig'; < Lat. mediocritas ('matigheid')), minuit ('middernacht'), la milieu ('midden'; < Lat. medius locus ('middenpunt'))medio ('in het midden van'), mediterran ('met betrekking tot de Middellandse Zee'), Milieu ('omgeving'; < medius locus ('middenpunt'))It. intermezzo ('tussenspel')
mediummediin.openbaarheidmedia ('communicatiemiddelen')media ('communicatiemiddelen')les media ('communicatiemiddelen')-
meditor (meditari)overwegen, uitdenkenmediteren ('peinzen')meditate ('peinzen')méditer ('peinzen')meditieren ('peinzen')
meivan mij (gen. van ego); gen. mnl./onz. ev. van meus 'mijn'; nom. mnl. mv. van meus 'mijn'zie ook egozie ook egozie ook egozie ook ego
mel, mellismellisn.honingmelasse ('suikerhoudende massa'), mousse (< Lat. mulsum ('met honing gemengde wijn'))mellifluous ('zoet', 'aangenaam'; < Lat. melli + fluus ('stromend'))le miel ('honing'), la mélasse ('suikerstroop')Melasse ('suikerhoudende massa')
membrummembrin.lichaamsdeelmembraan ('vlies'; i.e. dat wat de leden bedekt)member ('lid van een groep'; oorspr. voortplantingsorgaan; < membrum virilis), membrane ('vlies'; i.e. dat wat de leden bedekt)le membre ('ledemaat', 'lid'), la membrane ('vlies'; i.e. dat wat de leden bedekt), membré ('potig')Membrane ('vlies'; i.e. dat wat de leden bedekt)
memini (meminisse)zich herinneren----memento mori ('gedenk te sterven'; Mdd. lijfspreuk)
memormemorismemor, memordenkend aanmemorabel ('herinneringswaardig')memorable ('herinneringswaardig')mémorable ('herinneringswaardig')memorabel ('herinneringswaardig')
memoro (memorare)melding maken vanmemo (afk. v. memorandum ('datgene dat herinnerd/gemeld moet worden')), verw. m. mijmerenremember ('zich herinneren'), memo (afk. v. memorandum ('datgene dat herinnerd/gemeld moet worden'))remembrer ('zich herinneren'), le mémorandum ('datgene dat herinnerd/gemeld moet worden')Memo (afk. v. Memorandum ('datgene dat herinnerd/gemeld moet worden'))
memoriamemoriaef.geheugen, herinnering; tijd die men zich kan herinnerenmemoires ('levensherinneringen')memory, memorial ('gedachtenisplechtigheid')la mémoire ('herinnering')Memoires ('levensherinneringen')
mensmentisf.geest, verstand, gedachtementaal ('geestelijk'), mentaliteit ('houding'), dement ('zwakzinnig'; < de ('weg van') + mens)mental ('geestelijk'), verw. m. mind ('geest')mental ('geestelijk'), mentalité ('houding')mental ('geestelijk'), Mentalität ('houding')
mensamensaef.tafelmensa ('eetzaal van een universiteit')--Mensa ('eetzaal in een universiteit')
mensismensisf.maandmenstruatie (< Lat. menstruus ('maandelijks')), semester ('half jaar'; < Lat. sex menses ('zes maanden'))semester ('half jaar'; < Lat. sex menses ('zes maanden')), menstrual ('maandelijks'; < Lat. menstruus ('maandelijks'))le mois ('maand'), mensuel ('maandelijks'), le semestre ('half jaar'; < Lat. sex menses ('zes maanden'))Menstruation (< Lat. menstruus ('maandelijks')), Semester ('half jaar'; < Lat. sex menses ('zes maanden'))
mercatormercatorism.handelaar----
mercesmercedisf.loon, betalingmarkt (< Lat. mercatus)mercenary ('huurling'), mercy ('genade'; < Oudfr. merci(t) ('beloning')), commerce ('handel'; < cum ('samen') + merces), market (< Lat. mercatus)merci (< Oudfr. merci(t) ('beloning')), le commerce ('handel'; < cum ('samen') + merces), verw. m. la marché ('markt')Markt (< Lat. mercatus)
mereo (merēre)merui, meritumverdienen, dienenemeritus ('zijn ambt neergelegd hebbend'; < Lat. ex ('helemaal uit') + merere)emeritus ('zijn ambt neergelegd hebbend'; < Lat. ex ('helemaal uit') + merere)mériter ('verdienstelijk zijn', 'verdienen'), l'émérite ('zijn ambt neergelegd hebbend'; < Lat. ex ('helemaal uit') + merere)Emeritus ('zijn ambt neergelegd hebbend'; < Lat. ex ('helemaal uit') + merere)
mererimeritus sumzich verdienstelijk makenzie ook mereozie ook mereozie ook mereozie ook mereo
meritoterecht----
meritummeritin.verdienste-merit ('verdienste')le mérit ('verdienste')-
metametaef.keerpunt, eindpuntmeet ('streep', 'honk')---
metuo (metuĕre)metuibang zijn, vrezen----
metuo ne + conj.ik ben bang dat..----
metusmetusm.angstmeticuleus ('nauwgezet'; < Fr. méticuleux ('angstvallig', 'nauwgezet') < Lat. metus + osus ('vol van'))meticulous ('nauwgezet'; < Fr. méticuleux ('angstvallig', 'nauwgezet') < Lat. metus + osus ('vol van'))méticuleux ('angstvallig', 'nauwgezet'; < Lat. metus + osus ('vol van'))-
meusmea, meummijn, van mij--mon, ma-It. mio
mihi(aan) mij (dat.)zie ook egozie ook egozie ook egozie ook ego
milesmilitism.soldaat----
militarismilitaris, militarekrijgs-, soldaten-militairmilitaryle militair Militär
militiamilitiaef.krijgsdienstmilitie ('krijgsmacht')militia ('systeem van militaire discipline')milice ('hulpleger')Miliz ('volksleger')
milleduizendmillennium ('periode van duizend jaar'; < Lat. mille + annus ('jaar')), miljoen (< It. mi(l)lione (comp. v. mille)), samenstellingen met 'mili-'millennium ('periode van duizend jaar'; < Lat. mille + annus ('jaar')), million ('miljoen'; < It. mi(l)lione (comp. v. mille)), samenstellingen met 'milli-'mille ('duizend'), le millennium ('periode van duizend jaar'; < Lat. mille + annus ('jaar')), million ('miljoen'; < It. mi(l)lione (comp. v. mille)), samenstellingen met 'milli-'Millennium ('periode van duizend jaar'; < Lat. mille + annus ('jaar')), Million ('miljoen'; < It. mi(l)lione (comp. v. mille)), samenstellingen met 'Milli-'
miliaduizend (onz. meerv.)mijl ('lengtemaat van duizend passen'; < milia passuum)mile ('lengtemaat van duizend passen'; < milia passuum)le mile ('lengtemaat van duizend passen'; < milia passuum)Meile ('lengtemaat van duizend passen'; < milia passuum)
minor (minari)(be)dreigenpromenade ('brede weg waarover oorspronkelijk ossen geleid werden'; o.i.v. Vulg. Lat. *minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)'))promenade ('brede weg waarover oorspronkelijk ossen geleid werden'; o.i.v. Vulg. Lat. *minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)'))mener ('leiden naar'; o.i.v. Vulg. Lat. minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)')), la promenade ('brede weg waarover oorspronkelijk ossen geleid werden'; o.i.v. Vulg. Lat. *minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)'))Promenade ('brede weg waarover oorspronkelijk ossen geleid werden'; o.i.v. Vulg. Lat. *minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)'))
minaeminarumf.(be)dreigingvervangen door minacia, zie ook minaxvervangen door minacia, zie ook minaxvervangen door minacia, zie ook minaxvervangen door minacia, zie ook minax
minaxminacisminax, minaxdreigend-menace ('bedreiging'; < Oudfr. menace < Vulg. Lat. minacia), minacious ('dreigend')la menace ('bedreiging'; < Oudfr. menace < Vulg. Lat. minacia), minacious ('dreigend')-
minuo (minuĕre)minui, minutumverminderenminuut (verkorting van Mdd. Lat. minuta pars ('klein deel')), diminutief ('verkleinwoord'; < Lat. diminuere ('verminderen')), minutieus ('zeer nauwkeurig'; < Fr. minutieux < Lat. minutia ('kleinheid', 'detail') + osus ('vol van'))minute (verkorting van Mdd. Lat. minuta pars ('klein deel')), to diminish ('verminderen'; < Lat. diminuere ('verminderen'))la minute (verkorting van Mdd. Lat. minuta pars ('klein deel')), diminuer ('verminderen'; < Lat. diminuere ('verminderen')), minutieux ('zeer nauwkeurig'; < Lat. minutia ('kleinheid', 'detail') + osus ('vol van'))Minute (verkorting van Mdd. Lat. minuta pars ('klein deel')), minutiös ('zeer nauwkeurig'; < Fr. minutieux < Lat. minutia ('kleinheid', 'detail') + osus ('vol van')), It. diminuendo ('zachter wordend'; muziekterm)
miror (mirari)zich verwonderen, bewonderenmirakel ('wonder'), miraculeus ('wonderbaarlijk'; < Fr. miraculeux < Lat. miracula ('wonder') + osus ('vol van'))mirror (< Vulg. Lat. *mirare ('kijken naar')), miracle ('wonder')mirer ('oplettend bekijken'; < Vulg. Lat. *mirare ('bekijken')), le miracle ('wonder'), miraculeux ('wonderbaarlijk'; < Lat. miracula ('wonder') + osus ('vol van')), le miroir ('spiegel'; < Vulg. Lat. *mirare ('bekijken'))Mirage ('luchtspiegeling'), Mirakel ('wonder'), miraculös ('wonderbaarlijk'; < Fr. miraculeux < Lat. miracula ('wonder') + osus ('vol van'))
admiror (admirari)bewonderen, zich verwonderen over-to admire ('bewonderen')admirer ('bewonderen')-
(ad)mirabilis(ad)mirabilis, (ad)mirabilewonderbaarlijkadmiratie ('bewondering')admiration ('bewondering')admirable ('bewonderlijk')-
misceo (miscēre)miscui, mixtumdoor elkaar mengen, in beroering brengenmixen (< Eng. to mix < Fr. mixte < Lat. mixtum), promiscue ('vrij door elkaar'; < Lat. pro ('door elkaar') + miscere)to mix (< Fr. mixte < Lat. mixtum), miscellaneous ('gemengd'), to meddle ('mengen'; < Oudfr. mesler < Vulg. Lat. *misculare), promiscuous ('vrij door elkaar'; < Lat. pro ('door elkaar') + miscere)mêler ('mengen'; < Oudfr. mesler < Vulg Lat. *misculare), la mêlée ('handgemeen', 'warboel'), promiscue ('vrij door elkaar'; < Lat. pro ('door elkaar') + miscere), le mélange ('mengsel')mischen ('mengen'), promiscue ('vrij door elkaar'; < Lat. pro ('door elkaar') + miscere)
misermisera, miserumongelukkigmiezerig (oorspr. 'regenachtig'; o.i.v. Lat. miser ook 'nietig')---
miseror (miserari)beklagenmiserabel ('ellendig'; < Lat. miserabilis (lett. 'beklaagbaar'))miserable ('ellendig'; < Lat. miserabilis (lett. 'beklaagbaar'))misérable ('ellendig'; < Lat. miserabilis (lett. 'beklaagbaar'))miserabel ('ellendig'; < Lat. miserabilis (lett. 'beklaagbaar'))
miseriamiseriaef.ellendemisère ('ellende')misery ('ellende')la misère ('ellende')Misere ('ellende')
misericordiamisericordiaef.medelijden--la miséricorde ('barmhartigheid')-
mitismitis, mitezachtmitigeren ('lenigen'; < Lat. mitigare ('zacht maken'))to mitigate ('pijn verzachten'; < Lat. mitigare ('verzachten'))mitiger ('verzachten'; < Lat. mitigare ('zacht maken'))-
mitto (mittĕre)misi, missumwerpen, zenden, laten gaanmissie ('zending'), missionaris ('zendeling')mission ('zending'), missile ('werptuig'), message ('bericht')mettre ('zetten', 'leggen'), la mission ('opdracht'), le message ('bericht'), le missile ('werptuig')Mission ('zending'), Missile ('werptuig'), Missionar ('zendeling')It. mettere ('leggen'), messaggio ('bericht')
admitto (admittĕre)admisi, admissumtoelaten, toestaanadmissie ('toelating')to admit ('toegeven')admettre ('toelaten')Admission ('toelating')
amitto (amittĕre)amisi, amissumverliezen----
committo (committĕre)commisi, commissum(gevecht) aangaan, begaan; toevertrouwencommissaris ('gevolmachtigde'), commissie ('toevertrouwde opdracht')to commit ('aangaan', 'toevertrouwen')commettre ('begaan'), la commission ('opdracht'), le comité ('commissie')Kommission ('opdracht'), Kommissar ('gevolmachtigde')
demitto (demittĕre)demisi, demissumlaten vallen, naar beneden sturendemissionair ('aftredend')demise ('overlijden')démettre ('afwijzen')Demission ('terugtrede der ministers')
dimitto (dimittĕre)dimisi, dimissumuiteenzenden, laten gaan-to dismiss ('wegzenden')--
emitto (emittĕre)emisi, emissumlaten weggaan, loslatenemissie ('uitgifte (van obligaties)')to emit ('uitgeven')émettre ('uiten'), l'émission ('uitzending')Emissär ('boodschapper')
immitto (immittĕre)immisi, immissumerop afsturen, laten gaan----
mittathij zendt, stuurt (conj. prae.)zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'
mittethij zal zenden, sturen (fut.)zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'
mittithij zendt, stuurt (indic. prae.)zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'zie 'mitto'
omitto (omittĕre)omisi, omissusterzijde leggen, achterwege latenomissie ('verzuim')to omit ('weglaten')omettre ('weglaten'), l'omission ('weglating')Omission ('verzuim')
permitto (permittĕre)permisi, permissumtoevertrouwen, toestaanpermissie ('toestemming'), permitteren ('veroorloven')to permit ('toestemming geven'), permission ('toestemming')permettre ('toestaan'), le permis ('vergunning')-
promissumpromissin.dat wat beloofd is, belofte-promisela promesse ('belofte')-
promitto (promittĕre)promisi, promissumbeloven-to promisepromettre ('beloven')-
remitto (remittĕre)remisi, remissumterugsturen, doen verslappenremise ('gelijkspel'; de partij moet opnieuw worden gespeeld, de spelers worden teruggezonden)to remit ('vergeven')remettre ('weer op zijn plaats zetten'), la remise ('gelijkspel'; de partij moet opnieuw worden gespeeld, de spelers worden teruggezonden)remittieren ('terugzenden'), Remise ('gelijkspel'; de partij moet opnieuw worden gespeeld, de spelers worden teruggezonden)
modusmodim.maat, maniermode ('trend'), grosso modo ('ruw geschat'; dat. van grossus ('dik, ruw') modus), mal/model (< Fr. moule/modèle < Lat. modulus (dimin. v. modus))mode ('manier', 'trend'), to modify ('veranderen'; < Lat. modus + facere), model/mould ('mal/model'; < Fr. moule/modèle < Lat. modulus (dimin. v. modus)), moderate ('binnen de grenzen')le mode ('manier', 'trend'), le moule/modèle ('mal/model'; < Lat. modulus (dimin. v. modus)), modérer ('matigen'), modifier ('veranderen'; < Lat. modus + facere)Mode ('trend', 'gebruik'), Model (< Fr. modèle < Lat. modulus (dimin. v. modus)), moderat ('gematigd'), modifizieren ('veranderen'; < Lat. modus + facere)
commodumcommodin.gemak, voordeel----
commoduscommoda, commodumpassend, gunstigcommode ('latafel')commode ('latafel')commode ('praktisch'), la commode ('latafel')Kommode ('latafel')
modestiamodestiaef.gematigheid, zelfbeheersing(im)modest ('(on)bescheiden')(im)modest ('(on)bescheiden')la modestie ('eenvoud')modest ('bescheiden')
modicusmodica, modicummatig, gematigd----
modo (adv.)slechts, zoëven; (voegw): mitsmodern ('tot de nieuwe tijd behorend'; < Laatlat. modernus ('nieuw'))modern ('tot de nieuwe tijd behorend'; < Laatlat. modernus ('nieuw'))moderne ('tot de nieuwe tijd behorend'; < Laatlat. modernus ('nieuw'))modern ('tot de nieuwe tijd behorend'; < Laatlat. modernus ('nieuw'))
modo ... modonu eens ... dan weer----
modo (voegw + coni.)mits, (adv): slechts, zoëven----
moeniamoeniumn.(stads)murenmunitie ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen'))ammunition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen'))la munition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen'))Munition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen'))
molesmolisf.grote last, moeite, groot voorwerp, massamolecuul (< Laatlat. molecula (dimin. v. moles)), molesteren ('kwellen')molecule (< Laatlat. molecula (dimin. v. moles)), to molest ('kwellen')la molécule (< Laatlat. molecula (dimin. v. moles)), molester ('kwellen')Molekül (< Laatlat. molecula (dimin. v. moles))
molior (moliri)ondernemen-to demolish ('vernietigen'; < de ('naar beneden') + moliri)démolir ('vernietigen'; < de ('naar beneden') + moliri)-
mollismollis, mollezacht, buigzaammol (muziekterm), mollig ('dikkig'), miss. verw. m. mal ('zot')to mollify ('verzachten'; < mollis + facere)mou ('slap'), mollir ('slap worden')Moll (muziekterm), mollig ('dikkig')
moneo (monēre)monui, monitumherinneren aan, waarschuwenmonitor (< Eng. monitor < Lat. monitor ('waarschuwer', 'adviseur'))monitor (< Lat. monitor ('waarschuwer', 'adviseur')), to summon ('oproepen'; < Mdd. Lat. summonere ('opwekken', 'oproepen'))le moniteur ('instructeur'; < Lat. monitor ('waarschuwer', 'adviseur'))Monitor (< Eng. monitor < Lat. monitor ('waarschuwer', 'adviseur'))
admoneo (admonēre)admonui, admonitumwijzen op, aansporen-to admonish ('vermanen')--
monsmontism.bergmonteren ('in elkaar zetten'; < Fr. monter ('bestijgen', 'inrichten'))mountain ('berg'; < Oudfr. montaigne < Vulg. Lat. *montanea ('berg(rug)')), to mount ('bestijgen'; < Fr. monter ('bestijgen', 'inrichten')), promontory ('voorgebergte')le mont ('berg'; denk aan Montmartre ('de martelaarsberg')), la montagne ('berg(rug)'), monter ('bestijgen', 'naar boven gaan', 'inrichten')montieren ('in elkaar zetten'; < Fr. monter ('bestijgen', 'inrichten'))
monstrummonstrin.wonderlijk verschijnselmonstermonsterle monstreMonster
monumentummonumentin.monument, gedenktekenmonumentmonumentle monumentMonument
morbusmorbim.ziektemorbide ('ziekelijk')morbid ('ziekelijk')morbide ('ziekelijk')morbid ('ziekelijk')
moror (morari)vertragen, ophouden, talmen, treuzelen--demeurer ('verblijven', 'wonen')-
moramoraef.vertraging, uitstel----
morsmortisf.dood-to mortify ('vernederen'; < mortis + facere)la mort ('de dood'), mortifier ('vernederen')-morsdood (oneig. etym.; < Mdd. Ned. murstot, geassocieerd met Lat. mors)
immortalisbijv. nw. onsterfelijk; zst. nw. goden-immortal ('onsterfelijk')immortel ('onsterfelijk')-
morior (mori)morior, mortuus sumsterven--mourir ('sterven')-
mortalismortalis, mortalesterfelijk, stervelingmortaliteit ('sterftecijfer')mortal ('sterfelijk')mortel ('sterfelijk'), mortalité ('sterftecijfer')postmortal ('na de dood betreffend'), Mortalität ('sterftecijfer')
mortuusmortua, mortuumdoodmortuarium ('rouwcentrum')mortuary ('rouwcentrum')mortuaire ('doden-')Mortuarium ('rouwcentrum')
mosmorism.zede, gewoontemoraal ('zedenleer')moral ('zedenleer')le moral ('zedenleer')Moral ('zedenleer')
moresmorumm.karakter, levenswijze, gedragiemand mores leren ('iemand een lesje leren')-les moeurs ('gewoonten')jmdn. Mores lehren ('iemand een lesje leren')
moveo (movēre)movi, motumbewegen (ook overdrachtelijk!)motor ('machine die beweegkracht levert'), moven ('wegwezen'; < Eng. to move), promoveren ('bevorderen'; < Lat. pro ('voor') + movere), meute ('mensenmassa'; < Mdd. Lat. meuta, mota, mueta < motare (intens. v. movere))to move ('bewegen'), movement ('beweging'), motor ('machine die beweegkracht levert'), to promote ('bevorderen')mouvoir ('bewegen'), le mouvement ('beweging'), le moteur ('machine die beweegkracht levert')Motor ('machine die beweegkracht levert'), Meute ('mensenmassa'; < Mdd. Lat. meuta, mota, mueta < motare (intens. v. movere)), promovieren ('bevorderen')
admoveo (admovēre)admovi, admotumergens heen brengen/voeren----
mobilismobilis, mobilebeweeglijkmobiel ('beweeglijk'), meubel ('beweegbaar object in het huis'; < Fr. le meuble), perpetuum mobile ('toestel dat, in beweging gezet, eeuwig blijft bewegen'; < perpetuus ('eeuwig') + mobile)mobile ('beweeglijk')mobile ('beweeglijk'), le meuble ('beweegbaar object in het huis')mobil ('beweeglijk'), Möbel ('beweegbaar object in het huis'; < Fr. le meuble)
motusmotusm.bewegingmotie ('uitspraak in een vergadering'), motief ('beweegreden'), commotie ('opschudding')motive ('beweegreden'), motion ('beweging'), commotion ('opschudding')la motion ('voorstel'), le motif ('beweegreden')Motion ('voorstel'), Motive ('beweegreden')
permoveo (permovēre)permovi, permotumtot iets bewegen----
removeo (removēre)removi, remotumverwijderen-to remove ('verwijderen')--
moxspoedig----
muliermulierisf.vrouw----
multusmulta, multumplures, plurimiveelte vinden in samenstellingen als multi-, bijv. multinationaalto multiply ('vermenigvuldigen') multiple ('verscheidene'), te vinden in samenstellingen als multi-, bijv. multinationalmultiplier ('vermenigvuldigen') multiple ('verscheidene'), te vinden in samenstellingen als multi-, bijv. multinationalte vinden in samenstellingen als multi-, bijv. multinational
complurescompluriumcomplures, compluraverscheidene, heel wat----
multimultorummultae, multavele(n)zie 'multus'zie 'multus'zie 'multus'zie 'multus'
multitudomultitudinisf.menigte-multitude ('menigte')la multitude ('menigte')-
multoveel (bijw.)----
multumzeer, erg, veel (bijw.)----It. molto
pleriqueplerumquepleraeque, pleraquede meesten, zeer velen----
plerumquemeestal----
plurespluriumplures, plurameer, meerdere(n)pluraliteit ('verscheidenheid'), pluriform ('veelvormig')plural ('meervoud'), plurality ('meervoudigheid')plural ('meervoudig')Pluralität ('verscheidenheid')Lat. pluralis ('meervoud')
plurimusplurima, plurimummeest, (zeer) veel----
plus + geneen grotere hoeveelheid, meerplusplusplus, la plupart ('het grootste deel'; < Lat. plus + pars)plus
plus (bijw)meer--ne plus ('niet meer')-Lat. plusquamperfectum ('meer dan perfectum')
mundusmundim.wereldmondiaal ('wereld-'; < Fr. mondiale < Lat. mundialis), mondain ('werelds'; < Fr. mondain < Lat. mundanus)mundane ('werelds'; < Fr. mondain < Lat. mundanus)le monde ('wereld'), mondial ('wereld-'; < Lat. mundialis), mondain ('werelds'; < Lat. mundanus)mondial ('wereld-'; < Fr. mondial < Lat. mundialis), mondän ('werelds'; < Fr. mondain < Lat. mundanus)
municipiummunicipiin.provinciestad-municipal ('gemeentelijk'; < Lat. municipalis)municipal ('gemeentelijk'; < Lat. municipalis)munizipal ('gemeentelijk'; < Lat municipalis)
munio (munire)versterkenmunitie ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen')ammunition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen')munir ('voorzien'), la munition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen')Munition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen')
munusmunerisn.taak, geschenk----
murmurmurmurism.geluidonomatopee, vgl. Ned. morrenonomatopee, vgl. Eng. to mutterle murmure ('gemompel')-
murusmurim.muurmuraal ('met betrekking tot de wand')mural ('wandschilderij')le mur, murer ('ommuren')Mauer
musamusaef.muzemosaiek (< musaicum opus ('werk van de muzen')), museum (< Oudgr. μουσεῖον, ('huis der muzen')), muziek (< ars musica ('muzenkunst'))mosaic (< musaicum opus ('werk van de muzen')), museum (< Oudgr. μουσεῖον, ('huis der muzen')), music (< ars musica ('muzenkunst'))la mosaïque (< musaicum opus ('werk van de muzen')), le musée (< Oudgr. μουσεῖον, ('huis der muzen')), la musique (< ars musica ('muzenkunst'))Mosaik (< musaicum opus ('werk van de muzen')), Museum (< Oudgr. μουσεῖον, ('huis der muzen')), Musik (< ars musica ('muzenkunst'))Oudgr. μουσεῖον ('huis der muzen')
muto (mutare)veranderen, verwisselenmutatie ('verandering'), muitenmutation ('verandering')muer ('veranderen'), la mutation ('verandering')Mutation ('verandering')
commuto (commutare)verwisselen, veranderencommutatief ('verwisselbaar')to commute ('veranderen')commuer ('verzachten')kommutativ ('verwisselbaar')
mutusmuta, mutumgeluidloos, stom-mute ('geluidloos'), to mute ('stil maken')muet ('stom'; < dimin. v. Oudfr. mu)
mutuusmutua, mutuumwederkerig-mutual ('gemeenschappelijk')mutuel ('wederzijds')mutual ('wederzijds')
nam, namquewant----
nanciscor (nancisci)na(n)ctus sum(ver)krijgengenoeg (< Mdd. Ned. 'genoech' < 'ge' + 'nah'; vgl. 'nactus')enough ('voldoende' < Oud. Eng. 'genog' < 'ge' + 'nah'; vgl. nactus en 'genoeg')--
narro (narrare)vertellennarratief ('verhalend' < Fr. narratif < Lat. adi. narrativus < ptc. narratum)to narrate ('vertellen'), narrator ('verteller' < Lat. narrator), narration ('vertelling' < Lat. narratio), narrative ('verhalend' < Lat. adi. narrativus < ptc. narratum)narrer ('vertellen'),la narration ('verhaal' < Lat. narratio), le narrateur ('verteller'< Lat. narrator), narratif ('verhalend' < Lat. adi. narrativus < ptc. narratum)Narration ('vertelling' < Lat. narratio), Narrator ('verteller' < Lat. narrator), narrativ ('verhalend' < Lat. adi. narrativus < ptc. narratum)
nascor (nasci)natus sumgeboren wordennaïef ('onnozel' < Fr. naïf ('natuurlijk, onnozel') < Lat. adi. nativus 'geboren, aangeboren' < ptc. natus), renaissance ('wedergeboorte' < Fr. la renaissance < Lat. renascor < re + nascor), Renaissance ('renaissance' < Fr. la renaissance < Lat. renascor < re + nascor)naître ('geboren worden'), la naissance ('de geboorte')-Sp. navidad ('Kerstmis')
nationationisf.stam, volknatie ('staat' < Fr. la nation < Lat. subst. natio ('stam, volk') < adi. natus), nationaal ('volks, staats' < Fr. national < Lat. natio)nation ('staat' < Fr. la nation < Lat. subst. natio 'stam, volk' < adi. natus)la nation ('staat'), national ('staats-')Nation ('staat'), Nationalsozialismus ('nationaal-socialisme' < Lat. natio + socialis)
naturanaturaef.natuur, aardnatuur, natuurlijk, naturaliseren ('opnemen als staatsburger'), naturelnature ('natuur'), natural ('natuurlijk'), supernatural ('bovennatuurlijk' , Lat. supra + natura)la natur ('natuur'), le naturel ('aard'), naturel ('natuurlijk')Natur ('natuur, materie, aard'), natürlich ('natuurlijk'), naturell ('naturel' < Lat. adi. naturalis'), Naturalismus ('naturalisme' (kunststroming))
natusnatim.zoon----
natusnatusm.geboorte, leeftijdnataal ('geboorte-' < Lat. adi. natalis 'van de geboorte'), prenataal ('voor de geboorte' < Lat. natus + prae 'voor')Noel ('kerst' < Fr. la noël < nael < Lat. subst. natalis ('geboortedag'))naïf ('natuurlijk, onnozel' < Lat. adi. nativus ('geboren, aangeboren') < natus), Noël ('kerst' < Fr. nael ('kerst') < Lat. subst. natalis ('dag van geboorte'))naiv ('onnozel' < Fr. naïf ('natuurlijk, onnozel') < Lat. adi. nativus ('geboren, aangeboren'))
navisnavisf.schipnavigeren (< Fr. naviguer ('zeilen') < Lat. navigo ('zeilen') < navis + ago ('drijven')), navaal ('scheeps-' < Fr. naval < Lat. navis)nave ('naaf, schip (deel v/e kerk)'), naval ('scheeps-'), navigation ('navigatie' < Fr. naviguer 'zeilen' < Lat. navigo 'zeilen' < navis + ago ('drijven'))la navire ('schip'), la nef ('naaf, schip (deel v/e kerk)'), naviguer ('zeilen' < Lat. navigo < navis + ago ('drijven'))navigieren ('zeilen' < Lat. navigo < navis + ago ('drijven'))
nautanautaem.zeemanzie overigzie overigzie overigzie overigastronaut < Gr. ἄστρα 'sterren' + ναύτης 'vaarder'
-nesoms?, (in afh. vraag) of----
neniet (ontkenning bij imerativi, conj. prohibitivus en optativus)----
ne + conj.opdat niet, om niet----
ne ... quidemzelfs niet, niet eens, ook niet----
nec, nequeen niet, nochnegotie ('koopwaar' < nec + otium ('vrije tijd'))negotiation ('zakendoen' < nec + otium ('vrije tijd'))négliger ('verwaarlozen' < Lat. neglego ('veronachtzamen') < nec + lego ('kiezen'))neglegieren ('verwaarlozen' < Lat. neglego ('veronachtzamen') < nec + lego ('kiezen'))
nec ... necnoch ... noch, en niet ... en ook niet----
nihilnihilisn.nietsnihil ('niets' < ne + hilum ('iets kleins'))nihilism ('nihilisme' < Lat. nihil < ne + hilum ('iets kleins'))le nihilisme ('nihilisme' < Lat. nihil < ne + hilum ('iets kleins'))Nihilismus ('nihilisme' < Lat. ne + hilum ('iets kleins'))
nequeen niet, ook niet, noch----
neque ... nequenoch ... noch, en niet ... en ook niet----
nisi, nials niet, behalve----
necessenodig--nécessiter ('nodig maken')-
necessariusnecessaria, necessariumnoodzakelijk, onvermijdelijk-necessary ('noodzakelijk')nécessaire ('noodzakelijk')-
necessitasnecessitatisf.noodzaak, dwangnecessiteit ('noodzakelijkheid' < Fr. nécessité)necessity ('noodzakelijkheid')la nécessité ('noodzaak')-
neco (necare)doden-internecine ('dodelijk' < adi. internecinus < inter (werkt versterkend) + neco)noyer ('verdrinken')-
nex, necisnecisf.moord, dood----
perniciespernicieif.ondergang-pernicious ('verderfelijk' < Lat. per + necis), pernicieux ('verderfelijk' < Lat. per + necis)-
necto (nectĕre)nexui, nexumknopen, verbindenconnectie ('verbinding' < Lat. cum + necto), annexeren ('inlijven' < Lat. ad + necto), nexus ('samenhang')connection ('verbinding' < Lat. cum + nectere), nexus ('verbinding'), to annex ('inlijven' < Lat. ad +nectere)la connexion ('verbinding' < Lat. cum + nectere), annexer ('inlijven' < Lat. ad + nectere)Nektion ('verbinding'), Nexus ('samenhang')
nego (negare)ontkennen, weigerennegeren, negatie ('ontkenning'; < Lat. ptc. negatum), negatief ('ontkennend'; < Lat. adi. negativus < ptc. negatum)to negate ('ontkennen'), negation ('ontkenning'), negative ('ontkennend'; < Lat. adi. negativus < ptc. negatum), to deny ('weigeren'; < Fr. denoiir 'weigeren' < Lat. de + nego)nier ('ontkennen'), dénier ('weigeren'; < Lat. de + nego)negieren ('ontkennen'), negativ ('ontkennend'; < Lat. adi. negativus < ptc. negatum), Negation ('ontkenning'; < Lat. ptc. negatum)
nemoneminism.niemand----
nemini/neminem/nullodat./acc./abl. van nemo----
nemusnemorisn.bos, woud----
neposnepotism.kleinzoonnepotisme ('begunstigingen van familieleden'), neef (< Fr. neveu 'neef' < Lat. nepos)nepotism ('begunstiging van familieleden'), nephew ('neef' < Fr. neveu < Lat. nepos), niece ('nicht' < Eng. niepce < Lat. neptia < neptis 'kleindochter' < nepos)le neveu ('neef'), le népotisme ('begunstiging van familieleden')Nepotismus ('begunstiging van familieleden')
nequeo (nequire)nequeo, nequivi, nequitumniet in staat zijn----
nequiquamtevergeefs----
nervusnervim.peesnerf ('zenuw' < Fr. nerf < nervus), nerveus ('zenuwachtig' , Lat. nervosus ('pezig')), enerveren ('op de zenuwen werken' < Lat. enervo < ex + nervo ('verlammen, pezen doorsnijden'))nerve ('zenuw'), nervous ('zenuwachtig'), enervation ('verzwakking' < Lat. enervo 'pezen doorsnijden')le nerf ('zenuw'), nerveux ('zenuwachtig'), énerver ('op de zenuwen werken' < Lat. enervo < ex + nervo 'pezen doorsnijden') Nerv ('zenuw'), nervös ('zenuwachtig'),
neve, neuen niet----
nidusnidim.nestnis ('uitholling' < Fr. niche < nicher < Vulg. Lat. nidico < nidus)niche ('nis' < Fr. niche < nicher < Vulg. Lat. nidico < nidus)le nid ('nest') Nische ('nis' < Fr. niche < nicher < Vulg. Lat. nidico < nidus)
nigernigra, nigrumzwartneger ('persoon met donkere huidskleur'), denigrerend ('kleinerend' < Lat. denigro ('zwart maken, bezoedelen') < de + nigro)Negro ('persoon met donkere huidskleur'), to denigrate ('beschamen, bezoedelen' < Lat. denigro < de + nigro), necromancy ('dodenbezwering' < Mdd. Lat. nigromantia < Lat. necromantia < Gr. νεκρόν ('dode') + μαντεία ('toverkunst'))le nègre ('persoon met donkere huidskleur'), le négrier ('slavenhandelaar'), noir ('zwart')Neger ('persoon met donkere huidskleur'), Nigromantie ('zwarte toverkunst' , niger + Gr. μαντεία ('toverkunst')), Noir ('zwart' < Fr. noir)
nimbusnimbim.regenbui, wolknimbostratus ('wolkenformatie' < Lat. nimbus + stratum ('deken'))nimbostratus ('wolkenformatie' < Lat. nimbus + stratum ('deken'))--
nimis, nimiumte, te veel-nimiety ('overvloed' < Lat. nimietas < nimius < nimis)--
nimiumal te zeer (bijw.)----
nimiusnimia, nimiumte veel, te groot----
nitor (niti)nisus, nixus sumsteunen op (+ abl.), zich inspannen----
nitidusnitida, nitidumglanzend, schitterendnet ('keurig' < Fr. net < Lat. nitidus)neat ('schoon' < Fr. net < Lat. nitidus)net ('schoon')nett ('schoon' < Fr. net < Lat. nitidus)
niveusnivea, niveumsneeuwwit---
nobilisnobilis, nobileaanzienlijk, beroemdnobel ('edel' < Fr. noble < Lat. nobilis)noble ('edel')noble ('edel')nobel ('edel' < Fr. noble),
nobilitasnobilitatisf.adel-nobility ('adelstand')la noblesse ('adel')Nobilität ('adelstand')
nobiscum(samen) met ons----
noceo (nocēre)nocui, nocitumschaden, benadelen-innocent ('onschuldig' < Lat. innocens < in + noceo), nuisance ('schade' < Fr. nuire < noceo)nuire ('schade aanrichten/aandoen'), l'innocence ('onschuldigheid' < Lat. innocens < in +noceo)-
nomennominisn.naam, titelnaam (heeft een gemeenschappelijke stam met Lat. nomen), pronomen ('voornaamwoord' < Lat. pro + nomen)name ('naam', heeft een gemeenschappelijke stam), noun ('zelfstandig naamwoord' < Fr. nom 'naam' < Lat. nomen), le nom ('naam'), le nominal ('voornaamwoord')nominaal ('in naam')
nomino (nominare)benoemennominatie ('benoeming' < Lat. ptc. nominatus), renommee ('vermaardheid' < Fr. renomée < re + nomer < Lat. nomino)nomination ('benoeming' < Lat. ptc. nominatus), renown ('naamsbekendheid' < Fr. renoun < re + nomer < Lat. nomino)le nomination ('benoeming' < Lat. ptc. nominatus), renommée ('vermaardheid' < re + nomer < Lat. nomino)nominieren ('benoemen'), Nomination ('benoeming' < Lat. ptc. nominatus)onomatopee < Gr. ὄνομα ('naam') + ποιέω ('doen, maken')
nonnietnon- (in samenstellingen, zoals non-actief, non-conform, non-verbaal), nonchalant ('achteloos' < Fr. nonchaloir ('niet warm zijn') < Lat. non + calere ('warm zijn')), nonsens ('onzin' < Lat. non + sensus ('waarneming, verstand'))non- (in samenstelling, zoals non-existent ('niet bestaand'), non-fiction ('geen fictie'), non-violent ('geweldloos')), none ('geen enkele'), nonchalant ('achteloos' < Fr. nonchaloir ('niet warm zijn') < Lat. non + caleo ('warm hebben'))non ('nee'), non- (in samenstellingen, zoals non-combattant ('niet strijdend' (term in Napoleontische tijd)), non-éxecution ('niet nakomen'), non-violence ('geweldloosheid')), nonobstant ('desondanks, niettegenstaande' < Lat. non + obstant ('staan')), non-sens ('onzin' < Lat. non + sensus ('waarneming, verstand'))non- (in samenstellingen, zoals nonkonformistisch, nonverbal), Nonchalance ('achteloos' < Fr. nonchalance < Lat. non + caleo ('warm zijn')), Nonsens ('onzin' < Lat. non + sensus), Umpire ('scheidsrechter' < Fr. nompair < Lat. non + par ('gelijk'))
non iamniet meer, niet langer----
non modo ... sed etiamniet alleen ... maar ook----
non solum ... sed etiamniet alleen ... maar ook----
nondumnog niet----
nonne ... ?toch wel? (bevestigend antwoord wordt verwacht)----
noswijons (bezit eenzelfde talige stam als nos)-nous ('wij') -
nosteronze--nôtre-
nosco (noscĕre)novi, notusleren kennennotie ('besef' < Fr. notion < Lat. notio ('kennisneming') < notus), notitie ('aantekening' < Lat. notitia < notus), notaris ('ambtenaar' < Mdd. Lat. notarius < Lat. noto) annotatie ('aantekening' < Lat. annatatio < annoto < ad + noto (vgl. notus))notice ('informatie' < Lat. notitia < notus), notion ('idee' < Lat. notio < notus), notorious ('berucht' < Lat. notorius ('nogal bekend') < notus)la notion ('idee'), la notice ('uiteenzetting'), notifier ('aanzeggen'), l'annotation ('aantekening' < Lat. ad + noto)notabel ('opmerkenswaardig' < Lat. notabilis < notus)
agnosco (agnoscĕre)agnovi, agnitumherkennen, inzien, erkennenagnitie ('erkenning' < Lat. agnitio < agnitum)--agnoszieren ('waarnemen')
cognosco (cognoscĕre)cognovi, cognitumleren kennen, onderzoeken, vernemenconnaisseur ('kenner' < Fr. connaître < Lat. cognosco), cognitie ('herkenning' < Lat. cognitio < cognitum), incognito ('onherkenbaar' < Lat incognitus < in + cognitus)cognition ('begrip' < Lat. cognitio < cognitum), to recognize ('herkennen' < Fr. recognizance < Lat. recognosco < re + cognosco), incognito ('onherkenbaar' < Lat. incognitus < in + cognitus), connoisseur ('kenner' < Fr. connoisseur < Lat. cognosco), quaint ('oubollig, raar' < Fr. cointe ('herkenbaar') < cognitus)connaître ('kennen'), le connaisseur ('kenner'), inconnu ('onbekend'), incognito ('onherkenbaar')Connaiseur ('kenner' < Fr. connaître < Lat. cognosco), Kognition ('kenvermogen' < Lat. cognitio < cognitum)
cognovi (cognovisse)kennen----
ignarusignara, ignarumonwetend----
ignoro (ignorare)niet weten, niet kennenignorant ('onwetend')ignorant ('onwetend')ignorer ('niet weten')ignorant ('onwetend'), ignorieren ('niet willen weten')
ignosco (ignoscĕre)ignovi, ignotumvergeven + dat----
ignotusignota, ignotumonbekend----
notusnota, notumbekendnotie ('besef' < Fr. notion < Lat. notio ('kennisneming') < notus), notitie ('aantekening' < Lat. notitia < notus), annotatie ('aantekening' < Lat. annatatio < annoto < ad + noto (vgl. notus)), connotatie ('bijbetekenis' < Lat. connotatio < cum + notatio)notice ('informatie' < Lat. notitia < notus), notion ('idee' < Lat. notio < notus), notorious ('berucht' < Lat. notorius ('nogal bekend') < notus)la notion ('idee'), la notice ('uiteenzetting'), notifier ('aanzeggen'), l'annotation ('aantekening' < Lat. ad + noto)notabel ('opmerkenswaardig' < Lat. notabilis), Notar ('notaris' < Med. Lat. notarius), Konnotation ('bijbetekenis' < Lat. connotatio < cum + notatio)
novi (novisse)kennen, weten----
novusnova, novumnieuwnieuw (deelt een gemeenschappelijke stam met Latijnse novus), nova ('ster' < Lat. nova [stella] ('nieuwe ster') (fautief, zou novae stella moeten zijn)), novelle ('kort prozaverhaal' < Lat. novella ('nieuwe dingen') < novellus dimin. v. novus), novice ('nieuweling in het klooster' < Lat. novicius), noviteit ('nieuwigheid' < Lat. novitas), renoveren ('vernieuwen' < Lat. renovo)to innovate ('vernieuwen' < Lat. innnovo < in + novo), renovation ('vernieuwing' < Lat. renovo < re + novo), novel ('roman' < Lat. novella ('nieuwe dingen') < novellus dimin. v. novus)neuf ('nieuw'), nouveau ('nieuw'), innover ('vernieuwen'), novelle ('roman' < Lat. novella ('nieuwe dingen') < nubellus dimin. v. novus)Nova ('ster' < Lat. nova [stella] ('nieuwe ster') (fautief, zou novae stella moeten zijn)), Novelle ('roman' < Lat. novella ('kleine dingen') < novellus dimin. v. novus), Novität ('nieuwigheid' < Lat. novitas), Novize ('leerling i/d kerk' < Lat. novicius), innovieren ('vernieuwen' < Lat. innovo < in + novo)
res novaererum novarumf.revolutie----
novissimusnovissima, novissimumlaatste, achterste----
nox, noctisnoctisf.nachtnoctambule ('slaapwandelaar' < Fr. noctambule < nox + ambulo)-la nuit ('nacht'), le noctambule ('slaapwandelaar' < Lat. nox + ambulo ('wandelen'))-
nocte, noctu's nachts----
nocturnusnocturna, nocturnumnachtelijknocturne ('bepaald type muziekstuk'), noctuarium ('verblijf voor nachtdieren'), nuchter ('niet gedronken hebbend')nocturnal ('nachtelijk'), nocturne ('bepaald type muziekstuk')le nocturne ('bepaald type muziekstuk')nüchtern ('nuchter'), Nocturno ('bepaald muziekstuk')
nubesnubisf.wolknuance ('schakering' < Fr. nuance < nue ('wolk') < Lat. nubes)nuance ('schakering' < Fr. nuance < nue ('wolk') < Lat. nubes)nue ('wolk'), nuance ('schakering'), nuageux ('bewolkt')Nuance ('nuance' < Fr. nue ('wolk') < Lat. nubes)
nubo (nubĕre)nupsi, nuptumtrouwennubiel ('huwbaar' < Lat. nubilis) nubile ('huwbaar' < Lat. nubilis)la noce ('huwelijk'), nubile ('huwbaar'< Lat. nubilis)-
conubiumconubiin.huwelijkconubium ('echtelijke samenleving')connubial ('echtelijk' < Lat. con + nubo)--
nudo (nudare)ontbloten-to denude ('ontbloten' < Fr. dénuder < Lat. de + nudo)dénuer ('ontbloten' < Lat. de + nudo)-
nudusnuda, nudumnaaktnudisme ('recreëren zonder kleding'), nudist ('naaktloper')nude ('naakt'), nudity ('naaktheid' < Fr. nudité)nu ('naakt'), nudité ('naaktheid')Nudismus ('recreëren zonder kleding'), Nudität ('naaktheid')
nullusnulliusnulla, nullumgeennul ('niets'), annuleren ('vernietigen' < Lat. annulo < ad + nullus), nullificeren ('teniet doen' < Lat. nullificio < nullus + facio)null ('niets'), to nullify ('teniet doen' < Lat. nullificio < nullus + facio)nul ('niets'), annuler ('vernietigen' < Lat. annulo < ad + nullus)Null ('niets'), nullifizieren ('ongeldig verklaren' < Lat. nullus + facio), Nulltarif ('nultarief, vrijstelling' < Lat. nullus + Arab. ta'rif)
nonnullinonnullorumnonnullae, nonnullasommige(n)----
nonnullusnonnulla, nonnullumenige----
nulliusgen. ev. van nullus; gen. van nemozie nulluszie nulluszie nulluszie nullus
numtoch niet? (ontkennend antwoord wordt verwacht)----
numennuminisn.goddelijke krachtnumineus ('goddelijk')numinous ('goddelijk')-numinos ('goddelijk')
numero (numerare)tellennumereren ('tellen', later ingekort tot nummeren), enumeratie ('opsomming' < Fr. énumeration < Lat. enumeratio < ex + numero)to numerate ('tellen'), numerator ('noemer' < Lat. numeratus) innumerable ('ontelbaar' < Lat. in + numerabilis)nombrer ('tellen'), innombrable ('ontelbaar' < Lat. in + numerabilis), l'énumeration ('opnummering' < Lat. ex + numero)numerieren ('tellen'),
numerusnumerim.getal, aantalnummer, numeriek ('door getallen uitgedrukt' < Fr. numérique < Lat. numerus)number ('getal' < Fr. nombre < Lat. numerus), No. (afkorting 'getal' < Lat. abl. numero)le nombre ('nummer'), la numération ('telling')Nummer ('getal')
nuncnunu (heeft een gemeenschappelijke stam met nunc)now (Oud-Engels: nu, heeft een gemeenschappelijke stam met nunc)--hic et nunc ('hier en nu')
nuntio (nuntiare)berichtenannonceren ('aankondigen' < Fr. annoncer < Lat. annuntio), denonceren ('aangeven' < Fr. dénoncer < Lat. denuntio), prononceren ('uitspreken' < Fr. prononcer < Lat. pronuntio), renonceren ('afstand doen van' < Fr. renoncer < Lat. renuntio)to announce ('verkondigen' < Lat. annuntio < ad + nuntio), to denounce ('afkondigen' < Lat. denuntio), to pronounce ('uitspreken' < Lat. pronuntio), to renounce ('opgeven' < Lat. renuntio)annoncer ('aankondigen < Lat. adnuntio), denoncer ('aangeven' < Lat. denuntio), énoncer ('uitdrukken' < Lat. enuntio), prononcer ('uitspreken' < Lat. pronuntio)Annonce ('aankondiging' < Fr. annoncer < Lat. annuntio < ad + nuntio), Denunziation ('aankondiging' < Fr. denoncer < Lat. denuntio), prononcieren ('uitspreken' < Fr. prononcer < Lat. pronuntio)
nuntiusnuntiim.koerier, berichtzie nuntiozie nuntiozie nuntiozie nuntio
nuperniet lang geleden----
nuptiaenuptiarumf.huwelijknuptiaal- ('huwelijks-' < Lat. nuptialis)nuptial ('huwelijks-' < Lat. nuptialis)nuptial ('huwelijks-' < Lat. nuptialis), -
nymphanymphaef.nimf----nymphomanie ('seksverslaving' < Gr. νύμφη + μανία ('gekte'))
obvoor, wegens, omwille vanobstakel ('hinderpaal'; < Lat. obstaculum < obstare ('in de weg staan')), obesitas ('overgewicht'; < Lat. obesus ('volgegeten') < obedere), obscuur ('duister'; < Lat. obscurus), observeren ('waarnemen'; < Lat. observare < ob + servare ('in het oog houden')), obstinaat ('koppig'; < Lat. obstinatus < obstinare ('vastbesloten zijn')), obligaat ('verplicht'; < Lat. obligatus < obligare ('vastleggen', 'verbinden') < ob + ligare ('binden')), occasion ('koopje'; < Lat. occasionem < occadere ('naar toe vallen') < ob + cadere), offeren ('a/e godheid schenken'; < Lat offere < ob + ferre), voorwerp ('zaak'; directe ontlening aan Lat. obiectum < ob + iacere ('werpen'))obvious ('duidelijk zichtbaar'; < obvius < ob + via ('weg')), to obey ('gehoorzamen'; < Lat. obedire < ob + audire ('luisteren')), obesity ('overgewicht'; < Lat. obesitas ('volgegeten') < obedere < ob + edere ('eten')), object ('voorwerp'; < Lat. obiectum < ob + iacere), obituary (obituary ('overlijdensbericht'; < Mdd. Lat. obituarius ('betrekking hebbend op de dood') < Lat. obitum ('gestorven') < obire), obscene ('beledigend'; < Lat. obscenus < ob + caenum ('viezigheid'; onz.)), obsession ('abnormale belangstelling'; < Lat. obsessus < obsidere ('belegeren', 'bezetten'))l'obésité ('overgewicht'; < Lat. obesitas ('volgegeten') < obesitum < obedere ('voleten')), obligatoire ('verplicht'; < Lat. obligatus < obligare < ob + ligare ('vastbinden')), l'object ('voorwerp'; < Lat. obiectum < ob + iacere), obscène ('aanstootgevend'; < Lat. obscenus < ob + scenum ('vuil'; onz.)), occuper ('bezetten'; < Lat. occupere < ob + capere ('nemen'))Objekt ('voorwerp'; < Lat. obiectus < obicere < ob + icere ('werpen')), Obligation ('verplichting'; < Lat. obligatio < obligare < ob + ligare ('vastleggen', 'binden')), observieren ('bekijken'; < Lat. observare < ob + servare ('in het oog houden')), Obstitation ('koppigheid'; < Lat. obstinatio < ob + stare ('standvastig blijven'))
quam ob rem ?waarom?----
obliquusobliqua, obliquumscheef- oblique ('schuin')oblique ('schuin')oblique ('scheef')
obliviscor (oblivisci)oblitus sumvergeten-oblivion ('vergetelheid'; < Lat. oblivionem < oblitus)oublier ('vergeten')-
oblitus + genvergetend, niet denkend aan----
obscurusobscura, obscurumduisterobscuurobscureobscurobskur
obstupesco (obstupescĕre)obstupuiverbaasd worden----
occulto (occultare)verbergen----
occultusocculta, occultumverborgenoccultoccultoccultokkult
occupo (occupare)in bezit nemenoccupatie ('bezetting')to occupy ('bezetten')occuper ('bezighouden met')Okkupation ('bezetting'), Okkupant ('bezetter')
oceanusoceanim.oceaanoceaanoceanl'ocean-Komt van Oudgr. ὠκεανός
oculusoculim.oogocel ('puntoog van insecten'), binocle ('verrekijker'; < Fr. < Lat. bis ('dubbel') + oculus)binocle ('verrekijker'; < Fr. < Lat. bis ('dubbel') + oculus)l'oeil ('oog'), le binocle ('verrekijker'; < Lat. bis ('dubbel') + oculus)Binokel ('verrekijker'; < Lat. bi ('dubbel') + oculus), okular ('met betrekking tot de ogen')monocle ('kijkglas voor één oog') komt van de samenstelling van het Oudgr. μόνος + Lat. oculus
odi (odisse)haten----
odiumodiin.haat--ennuyer ('vervelen'; < Lat. inodiare < in + odium)odiös ('ontuitstaanbaar')
odorodorism.geurdeodorant ('ontgeuringsmiddel'; < Lat. de + odor)odorl'odeur, odorer ('geuren')Odeur ('geur')
olimvroeger, later----
omenominisn.voortekenabominabel ('afschuwelijk'; < Lat. abominabilis < ab ('weg van') + omen), omineus ('een boos voorteken inhoudend')omen, abomination ('walgelijk iets'; < Lat. abominabilis < ab ('weg van') + omen)abominable ('afschuwelijk'; < Lat. abominabilis < ab ('weg van') + omen)Omen, ominös ('onheilspellend')
omnisomnis, omneieder, elk (meervoud: alle)omnibus ('bundelboek'; betekent lett. 'voor allen'), omnivoor ('alleseter'; < Lat. omnis + vorare ('eten'))omnipotent ('almachtig'; < Lat. omnis + potentia ('macht')), omniscience ('alwetendheid'; < Lat. omnis + scientia ('kennis')), omnibus ('voertuig'; < Lat. omnibus ('voor allen'))l'omnipotence ('almacht'; < Lat. omnis + potentia ('macht')), omnivore ('alleseter'; < Lat.omnis + vorare ('eten'))omnipotent ('almachtig'; < Lat. omnis + potens ('machtig')), Omnivore ('alleseter'; < Lat. omnis + vorare ('eten')), omnipräsent ('overal aanwezig'; < Lat. omnis + praesens ('aanwezig zijnde'))Airbus ('passasgiersvliegtuig'; < Oudgr. ἀήρ ('lucht') + Lat. omnibus ('voor allen'))
omnesomniumomnes, omniaalle(n) (mv.)zie omniszie omniszie omniszie omnis
omniaomniumalle(s) (mv. onz.)zie omniszie omniszie omniszie omnis
omninovolkomen, beslist, in totaal----
onero (onerare)(be)laden-to exonerate ('vrijstellen')--
onusonerisn.last----
opacusopaca, opacumbeschaduwd, duisteropaciteit ('doorschijnendheid')opacity ('doorschijnendheid')opaque ('donker')-
operaoperaef.moeite, inspanning----
operaook: nom./acc. mv. van opuszie opuszie opuszie opuszie opus
operam dozich moeite geven om, zich inspannen om----
opusoperisn.werk, moeite, verschansingopera ('muziekstuk'), opereren ('te werk gaan'), coöperatie ('samenwerking'; < Lat. cooperatio < cum + operatio), manoeuvre ('handgreep'; < Mdd. Lat. manuopera < manus ('hand') + opera), oeuvre ('gezamenlijk werk'; < Fr. oevre < Lat. opera)operation ('taak'; < Lat. operationis < opera), corvee ('onbetaalde taak'; < Mdd. Lat. corrogata [opera] < corrogare 'vragen')l'oevre ('verzameld werk'; < Lat. opera), le coopération ('samenwerking'; < Lat. cooperationis < cum + operatio < opera), operator ('bestuurder v/e machine'; < Lat. operator ('werker'))Oper ('muzikaal werk'), Operation ('chirurgische ingreep'; < Lat. operatio < operare), Operator ('degene die een machine bestuurt'; < Lat. operator ('werker'))
opus est (+abl.)het is nodig, er is behoefte aan----
opinioopinionisf.mening, naam, reputatieopinie ('mening')opinion ('mening')l'opinion ('mening'), opiniâtre ('koppig'), opiner ('menen')-
oportetoportuithet behoort----
opperior (opperiri)oppertus sumwachten----
oppidumoppidin.stad----
opportunusopportuna, opportunumgunstigopportuun ('van pas'), opportunisme ('slechts rekening houden met omstandigheden')oppurtunity ('mogelijkheid'), oppurtune ('geschikt'), opportunism ('slechts rekening houden met omstandigheden')l'opportunité ('gunstige gelegenheid'), l'opportunisme ('slechts rekening houden met omstandigheden')opportun ('gunstig'), Opportunist ('iemand die naar eigen belangen handelt'; < Fr. opportunisme < Lat. opportunus)
ops, opisopisf.hulp, (pl.) hulpmiddelen, rijkdom, machtkopie ('afschrift'; < Fr. copie < Lat. copia ('voorraad') < cum + ops), copieus ('overvloedig'; < Lat. copiosus < copia ('voorraad') < cum + ops), opulent ('zeer rijk'; < Lat. opulentus ('rijk') < ops)-opulent ('rijk')opulent ('rijk')
copiacopiaef.voorraad, overvloed, gelegenheid; (pl.) troepenkopie ('afschrift'; < Fr. copie < Lat. copia), copieus ('overvloedig'; < Lat. copiosus < copia)copy ('kopie'; < Fr. copie < Lat. copia), copious ('overvloedig'; < Lat. copiosus ('voorradig'))copie ('kopie'), copieux ('overvloedig')Kopie ('afschrift'; < Fr. copie < Lat. copia)
copiae (pl.)copiarumf.(pl.) troepen----
inopiainopiaef.gebrek, armoede----
opemet behulp van, door middel van----
opes (pl.)opumf.hulpmiddelen, rijkdom, macht, (sg.) hulpzie opszie opszie opszie ops
opto (optare)wensenoptie ('mogelijkheid'; < Lat. optio), adoptie ('aannemen als kind'; < Lat. adoptio < ad + optare)option ('mogelijkheid'; < Lat. optio), to opt ('kiezen'), adoption ('aanneming (v/e kind)'; < Lat. adoptionem < ad + optare), optative ('gewenst'; < Lat. optativus)opter ('kiezen'), l'option ('keuze'), optionnel ('mogelijk')optieren ('kiezen'), Optant ('vrijwilliger')
opulentusopulenta, opulentumrijk, machtigopulent ('rijk')opulent ('rijk')opulent ('rijk')opulent ('rijk')
oraoraef.kust, rand--l'orée ('rand')-
oratioorationisf.taal, redevoeringoratie, proza ('ongebonden stijl'; < Lat. prosa ('rechttoe') < afkorting van oratio prosa)oration, prose ('verhaal'; < Lat. prosa ('rechttoe') < afkorting van oratio prosa)l'oraison ('redevoering'), oratoir ('retorisch')Oration
oratororatorism.redenaar; woordvoerderorator oratorl'orateurOrator, oratorisch
oro (orare)(be)pleiten, smekenoreren, orakel ('godsspraak'; < Lat. oraculum ('goddelijk zegsel') < orare + instrumenteel suffix -culu-)to orate ('spreken'), to adore ('aanbidden'; < Laatlat. adorare ('aanbidden') < Klas. Lat. adorare ('formeel aanspreken') < ad + orare), oracle ('orakel'; < Lat. oraculum ('goddelijk zegsel') < orare + instrumenteel suffix - culu-)pérorer ('oreren'; < Lat. perorare ('concluderen')), l'oracle ('orakel'; < Lat. oraculum ('goddelijk zegsel') < orare + instrumenteel suffix - culu-), adorer ('aanbidden'; < Laatlat. adorare ('aanbidden') < Klas. Lat. adorare ('formeel aanspreken') < ad + orare)Orante ('thema i/d kunst, smekend persoon'; < Lat. orans)
orbisorbisf.kring, cirkelexorbitant ('buitensporig'; < Lat. exorbitans < ex + orbita ('wagenspoor') < orbis)orb ('rond voorwerp'), orbit ('baan'; < Lat. orbita ('wagenspoor') < orbis)l'orbe ('bol'), l'orbite ('baan'; < Lat. orbita ('wagenspoor') < orbis)Orbit ('omloopbaan'), orbital
orbis terrarumorbis terrarumf.wereld----
ordoordinisf.(volg)orde, orde, geld; rang, klasseorde, coördinatie ('onderlinge afstemming'; < Lat. coordinatio < cum + ordinatio ('regeling')), ordinair ('gewoon'; < Lat. ordinarius ('regelmatig'))order ('orde'), ordinal ('regulier'; < Lat. ordinalis < ordo), coordination ('onderlinge afstemming'; < Lat. coordinatio < cum + ordinatio ('regeling') < ordo), ordinary ('regulier', 'gewoon' < Lat. ordinarius ('gebruikelijk'))l'ordre ('orde'), ordinaire ('gewoon'; < Lat. ordinarius ('regelmatig')), ordinateur ('computer')Orden ('orde'), Order ('bevel'; < Fr. ordre ('bevelen')), ordinär ('gewoon'; < Fr. ordinaire < Lat. ordinarius), Ordner ('opbergmap'), ordnen ('ordenen'; < ordinare)
origooriginisf.oorsprongAboriginals ('oorspronkelijke inwoners van Australië'; < Lat. aboriginalis < ab + origo), origine (< Fr.), origineel ('oorspronkelijk')origin, originall'origine, original, aborigène ('inheems')Original ('oorspronkelijk exemplaar'; < Mdd. Lat. originale (exemplar)), Originalität ('originaliteit'; < Fr. originalité)
orior (oriri)ortus sumontstaan, opkomenabortus ('ontijdige geboorte'; < Lat. abortus < ab + ortus)abortion ('ontijdige geboorte'; < Lat. abortus < ab + oriri)l'abortif ('abortus'; < Lat. abortus < ab + oriri)Abort ('ontijdige geboorte'; < Lat. abortus < ab + ortus)
coorior (cooriri)coörtus sumontstaan----
oriensorientism.het oostenoriëntaal ('oostelijk'; < Lat oriens ('oosten', lett.: 'oprijzend'; de zon komt in het oosten op))Orient ('het Oosten'; < Lat oriens ('oosten', lett.: 'oprijzend'; de zon komt in het oosten op))l´orient ('het Oosten'; < Lat oriens ('oosten', lett.: 'oprijzend'; de zon komt in het oosten op))Orient ('het verre oosten', lett. 'oprijzend'; de zon komt in het oosten op)
os, orisorisn.mond, gezicht, uiterlijkoraal ('mondeling')oral ('mondeling')oral ('mondeling'; < Lat. oralis < os), orifice ('opening'; < Lat. os + facere)oral ('mondeling')
os, ossisossisn.bot--l'os ('bot'), osseux ('benig'), ossifié ('verhard')-In medische termen wordt alles met betrekking tot beenderen vaak aangeduid met het Oudgriekse ὀστέον
osculumosculin.kus-to osculate ('kussen'; < Lat. osculatus < osculari ('kussen'))--
otiumotiin.vrije tijd, rust-otiose ('overbodig')--
negotiumnegotiin.bezigheid, zaak, moeilijkheid, moeitenegotie ('koopwaar')negotiation ('zakendoen')le negoce ('koophandel'), negociable ('onderhandelbaar')-
ovisovisf.schaapooi ('vrouwtjesschaap'; heeft gemeenschappelijke stam met ovis)ovine ('schaaps-')ouaille ('schaapje'; < Lat. dimin. ovem)-
pabulumpabulin.voedsel, voer----
paenebijnapetinentie ('boete'; < paenitet ('het berouwt') < paene (nevenbet. 'met moeite'))penitence ('boete'; < paenitet ('het berouwt') < paene (nevenbet. 'met moeite'))la pénitence ('berouw'; < paenitet ('het berouwt') < paene (nevenbet. 'met moeite'))Pönitenz ('boete'; < paenitet ('het berouwt') < paene (nevenbet. 'met moeite'))
palmapalmaef.(hand)palm, zegepalmpalm, palmares ('lijst met zegevieders'; zegevierders kregen traditioneel een palmtak aangereikt)palmla paume ('handpalm'), la palme ('palmboom'), empaumer ('impalmen')PalmeLas Palmas ('De Palmen'; hoofdstad van Gran Canaria)
paluspaludisf.moeras----Oudgr. παλός ('moeras')
pando (pandĕre)pandi, passumuitspreidenexpansief ('betrekking hebbend op uitbreiding'; < ex ('uit') + pandere)to expand ('uitbreiden'; < ex ('uit') + pandere)expandre ('uitbreiden'; < ex ('uit') + pandere)-
parparispar, pargelijk aan, opgewassen tegen; billijkpaar ('stel'; elkaars gelijke), umpire ('scheidsrechter'; < Eng. umpire < Fr. nounpere < Lat. non par)pair ('stel'; elkaars gelijke), peer ('gelijke in rang'), umpire ('scheidsrechter'; < Fr. nounpere < Lat. non par)le pair ('gelijke'), la paire ('stel'; elkaars gelijke), pareil ('gelijk')Paar ('stel'; elkaars gelijke) Umpire ('scheidsrechter'; < Eng. umpire < Fr. nounpere < Lat. non par)
paritergelijk; evenzeer; tegelijk----
parco (parcĕre)pepercisparen----
pareo (parēre)paruigehoorzamen----
pario (parĕre)peperi, partumvoortbrengen, verwerventransparant ('doorschijnend'; < Fr. paraître ('verschijnen'))to appear ('verschijnen'), viper ('adder'; vivus ('levend') + parere; men dacht dat de adder geen eieren legde, i.e. zijn jongen levend baarde)paraître ('verschijnen'), transparant ('doorschijnend')parieren ('bereiden', 'afweren'), transparant ('doorschijnend'; < Fr. paraître ('verschijnen'))
parensparentism.ouder (subst.)-parentle parent-
reperio (reperire)repperi, repertumvinden, te weten komenrepertoire ('lijst met stukken van kunstenaars'; < Fr. répertoire)repertoire ('lijst met stukken van kunstenaars'; < Fr. répertoire)le répertoire ('lijst met stukken van kunstenaars')Repertoire ('lijst met stukken van kunstenaars'; < Fr. répertoire)
paro (parare)voorbereiden, voorbereidingen treffenprepareren ('voorbereiden'; < prae ('voor') + parare), repareren ('herstellen'; < re ('opnieuw') + parare), apparaat (< ad ('naar ... toe') + parare)to prepare ('voorbereiden'; < prae ('voor') + parare), to repair ('repareren'; < re ('opnieuw') + parare), apparatus (< ad ('naar ... toe') + parare)parer ('maatregelen nemen tegen'), préparer ('voorbereiden'; < prae ('voor') + parare), l'apparat (< ad ('naar ... toe') + parare)präparieren ('voorbereiden'; < prae ('voor') + parare), reparieren (< re ('opnieuw') + parare), Apparatus (< ad ('naar ... toe') + parare)
comparo (comparare)vergelijken, verwervencomparatief ('vergelijkend')to compare ('vergelijken')comparer ('vergelijken')komparabel ('vergelijkbaar')
paratusparata, paratumvoorbereid, gereedparaat, parade ('vertoon', 'schouwspel')parade ('vertoon', 'schouwspel')la parade ('vertoon', 'schouwspel')parat, Parade ('vertoon', 'schouwspel')
parspartisf.deel, kant; partij (meestal mv.)part ('deel'), portie, partieel ('deels'), partikel ('deeltje'), participeren ('deelnemen'; < pars + cipare (nevenv. v. capere))part ('deel'), portion ('portie'), partial ('partijdig'), particle ('deeltje')la part ('deel'), la portion ('portie'), la partie ('gedeelte'), partial ('partijdig')Partie ('deel'), Partikel ('deeltje'), partizipieren ('deelnemen'; < pars + cipare (nevenv. v. capere)), Portion ('portie')
partimdeels----
parvusparva, parvumminor, minimusklein----
minimeallerminst (bijw.)----
minimusminima, minimumhet kleinst, zeer kleinminiem, minimaal minimumminime, minimalminimal, Minimum
minorminorisminor, minusminder-minority ('minderheid')moindre ('minder'), la minorité ('minderheid')Minorität ('minderheid')gebruikt om onderscheid te maken tussen twee personen met dezelfde naam, bijv. Plinius maior en minor
minusminder (onz. bijw.)min, minuscuul ('zeer klein'; < minusculus (dimin. v. minus))minus, minuscule ('zeer klein')moins ('minder')minus, Minuskel ('kleine letter')
parumniet genoeg----
pasco (pascĕre)pavi, pastumlaten grazen, voeden-pasture ('weide'; datgene wat gevoed wordt)paître ('laten grazen'), la pâturage ('weide'; datgene wat gevoed wordt)-
passimwijd en zijd----
passuspassusm.pas (± 1.50 m)pas ('schrede')pace ('tempo')le pas ('schrede')Pas ('schrede')
pastorpastorism.herderpastoor, pastorale ('herderslied')pastoral ('herderlijk')le pasteur ('dominee'), pastoral ('herderlijk')Pastor ('dominee'), pastoral ('herderlijk')
pateo (patēre)patuiopenstaanpatio ('open terras'), patent ('octrooi'; < Fr. (lettre) patente ('privilegebrief', eig. 'open brief'))patio ('open terras'), patent ('octrooi'; < Fr. (lettre) patente ('privilegebrief', eig. 'open brief'))patent ('duidelijk'), le patio ('open terras')Patio ('open terras'), Patent ('octrooi'; < Fr. (lettre) patente ('privilegebrief', eig. 'open brief'))
paterpatrism.vader; (plur.) senatorenpatronage ('bescherming')patronage ('bescherming')le père ('vader'), le patronage ('bescherming')Patron ('beschermheer')Oudgr. πάτηρ ('vader')
paternuspaterna, paternum(voor)vaderlijk-paternity ('vaderschap')paternité ('vaderschap')-
patrespatrumm.ook: senatorenpatriciër ('aanzienlijke')patrician ('aanzienlijke')le patriecien ('aanzienlijke')Patrizier ('aanzienlijke')
patriapatriaef.vaderlandpatriot ('iemand die zijn vaderland mint')patriot ('iemand die zijn vaderland mint'), expat ('iemand die buiten zijn vaderland opgroeit'; < ex ('uit') + patria)la patrie ('vaderland'), le patriote ('iemand die zijn vaderland mint')Patriot ('iemand die zijn vaderland mint')
patriuspatria, patriumvan de vader, traditioneelpatriarchaat ('rechtstoestand via de mannelijke lijn'; < Lat. pater + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))patriarchate ('rechtstoestand via de mannelijke lijn'; < Lat. pater + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))le patriarcat ('rechtstoestand via de mannelijke lijn'; < Lat. pater + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))Patriarchat ('rechtstoestand via de mannelijke lijn'; < Lat. pater + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))
patior (pati)patior, passus sumverdragen, toestaanpatient ('lijdende'; < ppa v. patiens), passie ('hartstocht', 'lijden'; < ppp. v. passus), passief ('verdragend')patient ('lijdende'; < ppa v. patiens), passion ('hartstocht', 'lijden'; < ppp. v. passus), passive ('verdragend')pâtir ('lijden'), le patient ('lijdende'; < ppa. v. patiens), la passion ('hartstocht'; < ppp. v. passus), passif ('verdragend')Patient ('lijdende'; < ppa v. patiens), Passion ('hartstocht', 'lijden'; < ppp. v. passus), passiv ('verdragend')
patientiapatientiaef.geduld, volharding-patience ('geduld')la patience ('geduld')-
patro (patrare)tot stand brengen, voltooien----
paucipaucorumm.weinigen----
paulumweinig, een beetje----
paulatimlangzamerhand----
pauloweinig, een beetje (bijw.)----
paulo postkorte tijd later----
paulo antekorte tijd eerder, kort geleden----
pauperpauperispauper, pauperarmpover ('arm'; < Fr. pauvre), verpauperen ('arm worden')poor ('arm'; < Fr. pauvre)pauvre ('arm')Pauperisierung ('verarming')
paupertaspaupertatisf.armoede-poverty ('armoede')la pauvreté ('armoede')-
paveo (pavēre)paviangstig zijn----
pavorpavorism.angst----
pax, pacispacisf.vredepacificeren ('vrede herstellen'; < pax + facere), pacifist ('iemand die vrede wil')peace, to pacify ('vrede herstellen'; < pax + facere), pacifist ('iemand die vrede wil')la paix ('vrede'), pacifier ('vrede herstellen'; < pax + facere), pacifiste ('vredelievend')Pazifismus ('stroming die elke oorlog afkeurt')
pace tua (eius etc)met jouw (zijn, etc.) goedvinden, vrede----
pecco (peccare)een fout makenpecadille ('kleine zonde'; < Sp. pecadillo (dimin. v. peccado) < Lat. peccatum ('zonde'))pecadillo ('kleine zonde'; < Sp. pecadillo (dimin. v. peccado) < Lat. peccatum ('zonde'))pécher ('zondigen'), le pécheur ('zondaar'), la pecadille ('kleine zonde'; < Sp. pecadillo (dimin. v. peccado) < Lat. peccatum ('zonde'))-
pectuspectorisn.borst, inborst, hartpectoraal ('borst-')pectoral ('borst-')la poitrine ('borst')pektoral ('borst-')It. petto ('borst'; denk aan 'in petto hebben')
pecuspecorisn.vee-peculiar ('eigen aan bepaald persoon'; < peculiaris ('van iemands eigendom'))le pécore ('heikneuter')-
pecuniapecuniaef.geld--pécuniaire ('geld-')pecuniär ('geld-')
pecuspecudisf.beest----
pelaguspelagin.zee----Oudgr. πέλαγος ('zee')
pello (pellĕre)pepuli, pulsumvoortdrijven, verdrijvenpropeller ('voortduwer'; < pro ('voor') + pellere), pols ('kloppen van slagaders'; < ppp. pulsum), pulseren ('kloppen'; < Lat. pulsare (intens. v. pellere))propeller ('voortduwer'; < pro ('voor') + pellere), pulse ('klopping', 'hartslag'; < ppp. pulsum), to repel ('wegdrijven'; < re ('terug') + pellere)le pouls ('hartslag'; < ppp. pulsum), pousser ('duwen', 'drukken'; < Lat. pulsare (intens. v. pellere)), la pousée ('duw')Propeller ('voortduwer'; < pro ('voor') + pellere)
depello (depellĕre)depuli, depulsumverdrijven----
expello (expellĕre)expuli, expulsumuitdrijven, verdrijvenexpulsie ('uitdrijving')to expel ('verdrijven')expulser ('uitdrijven')-
impello (impellĕre)impuli, impulsumin beweging brengenimpuls ('prikkel'; < ppp. impulsum)to impel ('aanzetten'), impulse ('prikkel'; < ppp. impulsum)impulsif ('snel reagerend op prikkels'; < ppp. impulsum)Impuls ('prikkel'; < ppp. impulsum)
penatespenatiumm.huisgoden, staatsgoden----
pendeo (pendēre)pependi(af) hangen (van), in spanning verkerenpendant ('tegenhanger'), appendix ('aanhangsel'; < ad + pendere), dependance ('bijgebouw'; < de ('van ... af') + pendere)to pend ('hangen'), to depend ('afhangen'; < de ('van ... af') + pendere), to suspend ('opschorten'; < sub ('onder') + pendere)pendre ('hangen'), dépendre ('afhangen'; < de ('van ... af') + pendere), suspendre ('opschorten'; < sub ('onder') + pendere)Pendant ('tegenhanger'), Appendix ('aanhangsel'; < ad + pendere)
penetro (penetrare)(diep) doordringenpenetreren ('doordringen')to penetrate ('doordringen')pénétrer ('doorboren')penetrieren ('doordringen')
penituspenita, penitumdiep----
pennapennaef.veer, vleugelpen ('schrijfgereedschap', 'vogelveer'), pinakel ('siertorentje'; pen ('schrijfgereedschap', 'vogelveer')empenné ('gevederd')-
perdoor (... heen), gedurende; door middel vanper ('door middel van'), per se ('stellig'; lett. 'door zichzelf'), in samenstellingen als perceptie ('waarneming'; per se ('stellig'; lett. 'door zichzelf'), in samenstellingen als to perceive ('waarnemen'; < per + capere), percent ('procent'; < per centum ('per honderd'))par ('door ... van'), in samenstellingen als parvenu ('iemand van lage afkomst die rijk, maar niet beschaafd is')per ('door middel van'), in samenstellingen als perfekt (< per + facere)
percello (percellĕre)perculi, perculsumverpletteren, verbijsteren----
perdo (perdĕre)perdidi, perditumte gronde richten, verliezen--perdre ('verliezen')-
pergo (pergĕre)perrexi, perrectum(voort)gaanpergola ('terras'; < Lat. pergula ('aanbouw'))pergola ('terras'; < Lat. pergula ('aanbouw'))-Pergola ('terras'; < Lat. pergula ('aanbouw'))
periculumpericulin.gevaarperikel ('gevaar')peril ('gevaar')le péril ('gevaar')-
perpetuusperpetua, perpetuumononderbrokenperpetuum mobile ('toestel dat, in beweging gezet, eeuwig blijft bewegen'; z. mobilis)perpetual ('eeuwigdurend')perpétuel ('eeuwigdurend')-
persuadeo (persuadēre)persuasi, persuasumovertuigen, overreden-to persuade ('overtuigen')persuader ('overtuigen')-
pespedisf.voetpedaal ('hefboom met de voet bediend'; < acc. pedem), pedicure ('voetverzorger'; < pes + curare)pedal ('hefboom met de voet bediend'; < acc pedem), pedicure ('voetverzorger'; < pes + curare)le pied ('voet'), la pédale ('hefboom met de voet bediend'; < acc. pedem), le pédicure ('voetverzorger'; < pes + curare)Pedal ('hefboom met de voet bediend'; < acc. pedem), Pediküre ('voetverzorger'; < pes + curare)
pedespeditism.infanterist, voetsoldaatpion ('schaakstuk'; < Mdd. Lat. pedonem ('voetsoldaat'; acc. v. pedo))pawn ('schaakstuk'; < Mdd. Lat. pedonem ('voetsoldaat'; acc. v. pedo))le pion ('schaakstuk'; < Mdd. Lat. pedonem ('voetsoldaat'; acc. v. pedo))Pionier ('wegbereider'; < Mdd. Lat. pedonem ('voetsoldaat'; acc. v. pedo))
pestispestisf.dodelijke ziektepest ('ziekte'), pesticide ('verdelgingsmiddel' < pestis + caedere)pestilence ('plaag', 'epidemie')la peste ('ziekte'), la pestilence ('plaag', 'epidemie')Pest ('ziekte'), Pestizid ('verdelgingsmiddel' < pestis + caedere)
peto (petĕre)petivi, petitumtrachten te bereiken, trachten te verkrijgen; + abl vragen aanpetitie ('verzoekschrift'), competent ('bekwaam'; < cum ('samen met') + petere)petition ('verzoekschrift'), competent ('bekwaam'; < cum ('samen met') + petere)la pétition ('verzoekschrift'), la compétence ('bekwaamheid'; < cum ('samen met') + petere)Petition ('verzoekschrift'), kompetent ('bekwaam'; < cum ('samen met') + petere)
appeto (appetĕre)appetivi, appetitumstreven naar, begerenappetijtelijk ('smakelijk'; < Fr. l'appétit ('verlangen (naar eten)'))appetite ('eetlust'; < Fr. l'appétit ('verlangen (naar eten)'))l'appétit ('verlangen (naar eten)')Appetit ('eetlust'; < Fr. l'appétit ('verlangen (naar eten)')
repeto (repetĕre)repetivi, repetitumterugverlangenrepeteren ('oefenen', 'herhalen')repetition ('herhaling')repéter ('oefenen', 'herhalen')-
impetusimpetusm.aanval, aandrang, opwellingimpetueus ('onstuimig'; < Fr. impétueux < Lat. impetus + osus ('vol van'))impetuous ('onstuimig'; < Fr. impétueux < Lat. impetus + osus ('vol van'))impétueux ('onstuimig'; < impetus + osus ('vol van'))-
pharetrapharetraef.pijlkoker----
philosophiaphilosophiaef.filosofiefilosofiephilosophyla philosophiePhilosophie
pietaspietatisf.vroomheid, plichtsbetrachting; liefdepiëteit ('eerbied')piety ('vroomheid')la piété ('vroomheid')Pietät ('vroomheid')
impiusimpia, impiumgoddeloos-impious ('goddeloos')impie ('goddeloos')-
piuspia, piumvroom, plichtsgetrouw, liefdevol-pious ('vroom')pieux ('vroom'; pius + osus ('vol van'))-
pignuspignorisn.onderpand, bewijs----
pinguispinguis, pinguevet----
pinuspinusm.pijnboompijnboom (< Fr. le pin ('pijnboom') + Ned. boom)pine ('pijnboom'; < Fr. le pin ('pijnboom'))le pin ('pijnboom')-
piscispiscism.vis--la poisson ('vis'), la piscine ('zwembad')-
placeo (placēre)placui, placitumbevallenplacebo ('nepmedicijn'; < fut. placebo), plezier (< Fr. la plaisir ('genot'))placebo ('nepmedicijn'; < fut. placebo), pleasure ('genot'; < Fr. la plaisir ('genot')), to please ('naar de zin maken')plaire ('behagen'), la plaisir ('het plezier')Placebo ('nepmedicijn'; < fut. placebo), Pläsier ('plezier'; < Fr. la plaisir ('genot'))Vl. plezant
placetplacuithet behaagt, men besluit--s'il vous plaît ('alstublieft'; lett. 'als het u behaagt')-It. mi piace ('ik vind leuk')
placidusplacida, placidumvredig, kalm-placid ('rustig')placide ('rustig')-
plebsplebisf.de gewone mensenplebs-la plèbe ('plebs')Plebs ('plebs')
plenusplena, plenumvolplenair ('voltallig'; < Mdd. Lat. plenarius)plenty ('genoeg'; < plenitas ('volheid')), to replenish ('bijvullen'; < re ('opnieuw') + plenus)plein ('vol')plenär... ('voltallig'; < Mdd. Lat. plenarius)
poculumpoculin.beker----
poenapoenaef.genoegdoening, boetepenibel ('pijnlijk', 'tot straf dienend'; < Fr. pénible), penalty ('strafschop'; < Eng. penalty kick < Mdd. Lat. penalitas < poenalis ('tot straf dienend'))to punish ('straffen'; < Lat. poenire ('straffen'))le peine ('straf'), punir ('straffen'), pénible ('pijnlijk', 'tot straf dienend')penibel ('pijnlijk', 'tot straf dienend'; < Fr. pénible), Penalty ('strafschop'; < Eng. penalty kick < Mdd. Lat. penalitas < poenalis ('tot straf dienend'))
poetapoetaem.dichter-poet ('dichter')le poète ('dichter')-
polliceor (polliceri)pollicitus sumbeloven----
poluspolim.(hemel)poolpool (< Fr. le pôle), polair ('pool-'; < Fr. polaire < Mdd. Lat. polaris)pole ('pool'; < Fr. le pôle), polar ('pool-'; < Fr. polaire < Mdd. Lat. polaris)le pôle ('pool'), polaire ('pool-'; < Mdd. Lat. polaris)der Pol ('pool'; < Fr. le pôle), polare ('pool-'; < Fr. polaire < Mdd. Lat. polaris)
pondusponderisn.gewichtpond ('gewichtseenheid')pound ('gewicht', 'munteenheid'; < oorspr. een pond zilver)pondérer ('wegen')Pond ('gewichtseenheid')
pono (ponĕre)posui, positumleggen, plaatsen, neerleggenponeren ('zetten', 'leggen'), positie ('plaats'; < Lat. positio), postuur ('houding'; < Lat. positura (pfa. v. ponere))posture ('houding'; < Lat. positura (pfa. v. ponere)), position ('plaats'; < Lat. positio)poser ('vragen')-
appono (apponĕre)apposui, appositumzetten bij, - opappositie ('bijstelling')apposition ('bijstelling')l'apposition ('bijstelling')Apposition ('bijstelling')
compono (componĕre)composui, compositumbij elkaar plaatsen, schrijven; tot rust brengencomponeren ('samenstellen'), component ('deel van een samenstelling'), composiet ('samengesteld materiaal')to compose ('samenstellen'), composite ('samengesteld')composer ('samenstellen'), composite ('samengesteld')komponieren ('samenstellen'), Komponente ('deel van een samenstelling')
depono (deponĕre)deposui, depositumneerleggen, deponerendeponeren, deponens ('act. ww. in pass. vorm'; dwz. zijn actieve betekenis afgelegd hebbend) deposit ('storting')déposer ('storten'), le dépôt ('bergplaats')deponieren ('deponeren'), Deponens ('act. ww. in pass. vorm'; dwz. zijn actieve betekenis afgelegd hebbend)
dispono (disponĕre)disposui, dispositumverspreid opstellen, ordenendisponeren ('beschikken', 'regelen')to dispose ('beschikken')disposer ('weggooien')Disposition ('verordening')
expono (exponĕre)exposui, expositumeruit zetten, uiteenzettenexponeren ('blootleggen'), exponent ('machtsaanwijzer'), expositie ('tentoonstelling')to expose ('blootleggen'), exponent ('machtsaanwijzer'), exposition ('tentoonstelling')exposer ('blootleggen', 'tentoonstellen'), l'exposition ('tentoonstelling')exponieren ('blootleggen'), Exposition ('tentoonstelling')
impono (imponĕre)imposui, impositumplaatsen op, -in, opleggenimponeren ('gezag inboezemen'), imposant ('indrukwekkend')impostor ('bedrieger')imposer ('gezag inboezemen'), l'imposteur ('bedrieger')imponieren ('gezag inboezemen'), imposant ('indrukwekkend')
propono (proponĕre)proposui, propositumopenbaar maken, voor ogen stellenproponent ('beroepbaar theoloog')to propose ('voorstellen')proposer ('voorstellen')Proponent ('aanvrager')
propositumvoornemenpropositie ('voorstel')proposition ('voorstel')à propos ('over')Proposition ('voorstel')
repono (reponĕre)reposui, repositumterugzetten, weer plaatsen, wegzetten----
ponspontism.brug--le pont ('brug')-
pontifexpontificism.priesterpontificaat ('pausdom')pontiff ('hogepriester'), pontificate ('pausdom')le pontife ('hogepriester'), le pontificat ('pausdom')Pontifikat ('pausdom')
pontuspontim.zeerapunzel ('plant'; < Lat. rapa pontica ('raap uit Pontus'))---
populuspopulim.volkgepeupel ('gewone volk'; < Oudfr. peuple), publiek ('algemeen'; < Oudlat. poplicus ('van het volk'))people ('volk'; < Oudfr. peuple), public ('algemeen'; < Oudlat. poplicus ('van het volk'))le peuple ('volk'), public ('algemeen'; < Oudlat. poplicus ('van het volk'))Pöbel ('gewone volk'; Oudfr. peuple), publik ('algemeen'; < Oudlat. poplicus ('van het volk'))Sp. pueblo ('indianendorp')
popularispopularis, popularevan, voor het volk, van hetzelfde volkpopulairpopularpopulairepopulär
porrigo (porrigĕre)porrexi, porrectumuitstrekken----
portaportaef.poortpoort, portaal ('deurnis', 'gang'), portier ('deurwachter')portal ('deurnis', 'gang'), porch ('veranda'; < porticus ('zuilengang')), porter ('deurwachter')la porte ('deur'), le porche ('veranda')Portal (deurnis', 'gang), Portier ('deurwachter')
porto (portare)dragenportemonnee (< portare + Fr. monnaie ('geld')), portofoon ('walkie-talkie'; < portare + Oudgr. ἡ φωνή ('stem')), export ('uitvoer'; < ex ('uit') + portare)portable ('draagbaar'), to transport ('transporteren'; < trans ('over') + portare), export ('uitvoer'; < ex ('uit') + portare)porter ('dragen'), portable ('draagbaar'), portefeuille ('portemonnee'; < portare + folium ('blad'))Portefeuille ('portemonnee'; < portare + folium ('blad'))
portusportusm.havenpaspoort ('nationaliteitsbewijs'; < Fr. passe-port (lett. 'laat door de haven, grens gaan'))port ('haven')le port ('haven'), passe-port ('nationaliteitsbewijs'; lett. 'laat door de haven, grens gaan')Passeport ('nationaliteitsbewijs'; < Fr. passe-port (lett. 'laat door de haven, grens gaan'))
posco (poscĕre)poposcieisen, vragenverv. door postulare, zie daarverv. door postulare, zie daarverv. door postulare, zie daarverv. door postulare, zie daar
postulo (postulare)eisenpostulaat ('voorgelegde stelling')to postulate ('eisen')postuler ('eisen')postulieren ('opstellen')
possideo (possidēre)possedi, possessumbezittenpossesivum ('bezittelijk voornaamwoord')to possess ('bezitten'), possession ('bezit')posséder ('bezitten'), la possession ('bezitting')possesiv ('bezittelijk')
possum (posse)potuikunnen-possible ('mogelijk')pouvoir ('kunnen'; < Vulg. Lat. potere), possible ('mogelijk')-
posset(hij, zij, het) kon (conj. impf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
possit(hij, zij, het) kan (conj. prae.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potenspotentispotens, potensmachtigpotent ('met seksueel vermogen')potent ('met seksueel vermogen')potent ('met seksueel vermogen')potent ('met seksueel vermogen')
potentiapotentiaef.macht, invloedpotentie ('vermogen'), potentiëel ('mogelijk')potential ('mogelijk')-Potenz ('vermogen'), potentiell ('mogelijk')
poterat(hij, zij, het) kon (impf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potest(hij, zij, het) kanzie possumzie possumzie possumzie possum
potestaspotestatisf.macht, bevoegdheid, gelegenheid----
potuerat(hij, zij, het) had gekund (pqpf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potuerit(hij, zij, het) kon, heeft gekund (conj. pf.); (hij, zij, het) zal gekund hebben (fut. ex.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potuissete hebben gekund (inf. pf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potuisset(hij, zij, het) had gekund (conj. pqpf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
potuit(hij, zij, het) kon, heeft gekund (pf.)zie possumzie possumzie possumzie possum
impotensimpotentisimpotens, impotensonbeheerst, hartstochtelijkimpotent ('zonder seksueel vermogen')impotent ('zonder seksueel vermogen')impotent ('zonder seksueel vermogen')impotent ('zonder seksueel vermogen')
post, posteadaarna, later--puis ('vervolgens')-
post (prep)achter, nain samenstellingen als 'post-', post scriptum (lett. 'na het geschrevene')in samenstellingen als 'post-', post scriptum (lett. 'na het geschrevene'), post meridium ('na het middaguur'; in tijdsaanduidingen PM)in samenstellingen als 'post-', post scriptum (lett. 'na het geschrevene')in samenstellingen als 'post-', post scriptum (lett. 'na het geschrevene')
posteriposterorumm.nakomelingen-posterity ('toekomst', 'nageslacht'; < posteritas)la postérité ('nageslacht'; < posteritas)-
posteriorposteriorisposterior, posteriuslatera posteriori ('achteraf')posterior ('later')le postérieur ('achterste')a posteriori ('achteraf')
posteruspostera, posterumvolgend, later-preposterous ('absurd'; < praeposterus (lett. 'het eerste het laatst'))--
postquamnadat----
postispostis, m.m.deur(post)--le poteau ('post', 'paal')-
postremotenslotte (bijw.)----
potiorpotissimusliever, verkieslijker----
poto (potare)potavi, potumdrinken-potion ('drankje'), potable ('drinkbaar')le potion ('drankje'), potable ('drinkbaar')-
praevoor; wegens, doorin div. samenstellingen als 'pre-', zoals precedent ('zich eerder voorgedaan hebbend geval'; < prae + cedere ('gaan')), precies (< prae + cisus ('afgehakt')), prehistorie (lett. 'vóór de geschiedenis'; < prae + historia)in div. samenstellingen als 'pre-', zoals to precede ('voorgaan'; < prae + cedere ('gaan')), precise (< prae + cisus ('afgehakt')), preposterous ('absurd'; < praeposterus (lett. 'het eerste het laatst')), pregnant ('zwanger')in div. samenstellingen als 'pré-', zoals précéder ('voorgaan'; < prae + cedere ('gaan')), prégnante ('zwanger')in div. samenstellingen als 'prä-', zoals in Präzedenz ('zich eerder voorgedaan hebbend geval'; < prae + cedere ('gaan')), präzise (< prae + cisus ('afgehakt')), Prähistorie (lett. 'vóór de geschiedenis'; < prae + historia)
praedapraedaef.buitprooi ('buit')prey ('prooi'), predator ('roofdier')la proie ('prooi')-
praesertimvooral----
praestatpraestitithet verdient de voorkeurprestatie ('verrichting')-le prestation ('de prestatie')-
praetervoorbij, behalve-in samenstellingen als 'preter-', zoals preterite ('te maken hebben met het verleden')in samenstellingen als 'prétér', zoals prétérite ('betrekking hebbend op het verleden')-
praetereabovendien----
pratumpratin.weideprieel ('tuinhuisje'; < Oudfr. praiel < Lat. pratulum ('weidetje'))---
precor (precari)bidden, smeken-to pray ('bidden'; < Oudfr. preier ('bidden')prier ('vragen')-It. pregare ('vragen')
precesprecumf.smeekbedeprecair ('hachelijk'; < precarius ('afgebedeld'))prayer ('gebed')la prière ('gebed')prekär ('hachelijk'; < precarius ('afgebedeld'))
premo (premĕre)pressi, pressumdrukkenpressie ('druk'), deprimeren ('neerdrukken'; < de ('neer') + premere), prent ('afdruk'; < Oudfr. preindre ('drukken'))to press ('drukken'), pression ('druk'), to print ('afdrukken'; < Oudfr. preindre ('drukken'))presser ('drukken'), la pression ('druk')Printe ('afdruk'; < Oudfr. preindre ('drukken'))
exprimo (exprimĕre)expressi, expressumuitdrukken, afpersenexpressie ('uitdrukking'), expres ('met opzet, uitdrukkelijk')to express ('uitdrukken')l'expression ('uitdrukking'), exprimer ('uiten')Expression ('uitdrukking')
opprimo (opprimĕre)oppressi, oppressumneerdrukken, overweldigenoppressie ('onderdrukking')to oppress ('onderdrukken')opprimer ('onderdrukken'), l'oppression ('onderdrukking')Oppression ('onderdrukking')
pretiumpretiin.betaling, prijs, waardeprijs (< Oudfr. pris ('prijs')), apprecieren ('op prijs stellen'; < ad ('naar ... toe') + pretium)precious ('kostbaar'; < pretium + osus ('vol van')), prize ('prijs'; < Oudfr. pris), to appreciate ('op prijs stellen'; < ad ('naar ... toe') + pretium)le prix ('prijs'), apprécier ('op prijs stellen'; < ad ('naar ... toe') + pretium), précieux ('kostbaar'; < pretium + osus ('vol van'))Preise ('prijs'; < Oudfr. pris ('prijs')), preziös ('kostbaar'; < pretium + osus ('vol van'))
primusprima, primumeersteprimair ('voornaamst'), primeur, primaat ('hoge geestelijke')primary ('voornaamst'), prime ('eerste')primaire ('voornaamst'), premier ('eerst'), le printemps ('lente'; < primus tempus ('de eerste tijd (dwz. seizoen) van het jaar'))primär ('voornaamst'), Primat ('hoge geestelijke')
imprimisvooral, bij uitstek----
primo (adv.)eerstz. primusz. primusz. primusz. primus
primum (bijw.)eerst, voor het eerstz. primusz. primusz. primusz. primus
princepsprincipism.eerste, voornaamste, keizerprinsprince, principal ('schoolhoofd')le prince, principalPrinz
principatusprincipatusm.eerste plaats, keizerschapprincipaat ('keizertijd')principate ('keizertijd')le principat ('de keizertijd')Prinzipat ('keizertijd')
principiumprincipiin.beginprincipe ('beginsel')principle ('beginsel')le principe ('beginsel')Prinzip ('beginsel')
priorpriorisprior, priuseerder, beterprioriteit ('voorrang')priority ('voorrang'), prior ('overste')prieur ('eerder'), la priorité ('voorrang')Priorität ('voorrang')
priscusprisca, priscumuit oude tijden----
pristinuspristina, pristinumvroeger-pristine ('oud')--
priuseerder, vroeger, tevoren; liever (onz./bijw.)----
priusquamvoordat----
privatusprivata, privatumvan een gewoon burger, particulierprivacy ('persoonlijke vrijheid'; < Eng. privacy), privé ('eigen'), privaat ('wc'; < afk. v. domus privata)privacy ('persoonlijke vrijheid'), private ('eigen')privé ('eigen')privat ('eigen')
provóór, in de plaats van, als; in verhouding tot'pro' zijn ('ergens voor zijn'), in samenstellingen als 'pro-' (e.g. progressie (in samenstellingen als 'pro-' (e.g. pronoun ('voornaamwoord')-'Pro' sein ('ergens voor zijn'), in samenstellingen als 'pro-' (e.g. Progression (quid pro quo ('het ene voor het andere')
probo (probare)goedkeuren, aannemelijk makenproberen, proeven (< Oudfr. prover ('proberen'))to prove ('bewijzen'), proof ('bewijs'; < Oudfr. preuve < Lat. proba), probable ('mogelijk')prouver ('bewijzen'), la preuve ('bewijs'), probable ('mogelijk')probieren ('proberen')
improbusimproba, improbumslecht----
proculop enige afstand----
proeliumproeliin.gevecht----
proficiscor (proficisci)profectus sumvertrekken----
proindenet zo, daarom----
prolesprolisf.nageslachtproletariër ('bezitloos arbeider'; < proletarius ('iemand die slechts kroost bezit'))proletarian ('bezitloos arbeider'; < proletarius ('iemand die slechts kroost bezit'))le prolétaire ('bezitloos arbeider'; < proletarius ('iemand die slechts kroost bezit'))Proletarier ('bezitloos arbeider'; < proletarius ('iemand die slechts kroost bezit'))
promptusprompta, promptumopenbaar, beschikbaar; snel; geneigd totprompt ('vlot')prompt ('vlot')-prompt ('vlot')Sp. & It. pronto
pronusprona, pronumvoorover, geneigd tot-prone ('geneigd')--
prope (adv)dichtbij, bijna----
prope (prep)dichtbij----
propinquuspropinqua, propinquumnabij----
propiorpropiorispropior, propiusdichterbij--proche ('dichterbij')-
propero (properare)zich haasten, haastig doen----
properehaastig----
propriuspropria, propriumeigenpropriëtieit ('eigendom'; < proprietas), proper ('zindelijk')property ('eigendom, land'), proper ('geschikt')la proprieté ('eigendom'), propre ('eigen')-
propterwegens----
proptereadaarom----
prorsushelemaal (adv.)----
prosperusprospera, prosperumvoorspoedig, gunstigprospereren ('bloeien')to prosper ('bloeien'), prosperity ('welvaart')prospère ('welvarend'), la prosperité ('welvaart')prosperieren ('gedijen')
protinusdirect (adv.)----
provinciaprovinciaef.ambtsterrein, provincieprovincieprovincela province, la ProvenceProvinz
proximusproxima, proximumnaaste, dichtstbijproximiteit ('nabijheid')proximity ('nabijheid')la proximité ('nabijheid')-
proximi (mv.)proximae, proximanaaste verwanten----
prudensprudentisprudens, prudensop de hoogte, verstandigprudent ('vol inzicht')prudent ('vol inzicht')prudent ('vol inzicht')-
pubespubisf.volwassenheidpuberteitpuberty, pubes ('schaamhaar')la pubertéPubertät ('puberteit')
publicuspublica, publicumvan het volk, openbaarpubliek ('openbaar'), publiciteitpublic ('openbaar'), publicity, to publish ('uitbrengen')public ('openbaar'), la publicité ('openbaarheid')publik ('openbaar'), Publizität ('publiciteit')
pudorpudorisf.schaamte, eergevoel--la pudeur ('bescheidenheid')-
pudet meik schaam mij----
pudicuspudica, pudicumkuis, ingetogen----
puellapuellaef.meisje----
puerpuerim.jongenpueriel ('kinderlijk')puerile ('kinderlijk')puéril ('kinderlijk')pueril ('kinderlijk')
pueritiapueritiaef.kinderjaren----
pugnapugnaef.gevecht--le poing ('vuist')-
expugno (expugnare)veroveren----
oppugno (oppugnare)aanvallen, bestormen----
pugno (pugnare)vechten----
pulcherpulchra, pulchrummooi----
pulvispulverisn.stofpoeder (< Fr. poudre < Lat. acc. pulverem)powder (< Fr. poudre < Lat. acc. pulverem)la poudre ('poeder'; < acc. pulverem)Pulver ('poeder')
purpureuspurpurea, purpureumpurperenpurperpurplepourpre ('purper')Purpur ('paarse kleurstof')
puruspura, purumzuiverpuur, purisme, purificatie ('zuivering'; < purus + facere)pure, purism, to purify ('zuiveren'; < purus + facere)pur ('puur'), purifier ('zuiveren'; < purus + facere)pur ('puur'), Purismus ('purisme')
puto (putare)menendispuut ('redetwist'; < dis ('uit elkaar') + putare)dispute ('redetwist'; < dis ('uit elkaar') + putare), deputy ('vice-'; < de ('van ... af') + putare)la dispute ('redetwist'; < dis ('uit elkaar') + putare)impfen ('vaccineren'; in + putare)
reputo (reputare)overdenkenreputatiereputationla reputationReputation ('naam, faam')
quawaar (langs)qua ('in de hoedanigheid van')qua ('zoals')-qua ('middels')
quaero (quaerĕre)quaesivi, quaesitumzoeken, vrageninquisitie ('kerkelijke rechtbank' < Lat. in + quaesitum), kwestie ('vraag' < Lat. quaesitum), enquête ('onderzoek' < Fr. < Lat. in + quaesitum)question ('vraag'), quest ('zoektocht'), to inquire ('vragen naar' < Lat. in + quaero)quérir ('zoeken'), l'acquisition ('het verkrijgen' < Lat. ad + quaesitum), l'inquisition ('streng onderzoek'< Lat. in + quasitum), l'enquête ('vragenonderzoek' < Lat. in + quaesitum)Quästion ('kwestie' < Lat. quaesitum)
exquiro (exquirĕre)exquisivi, exquisitumopsporen, onderzoekenexquis ('voortreffelijk')exquisite ('voortreffelijk')exquis ('voortreffelijk')exquisit ('voortreffelijk')
quaesozo vraag ik----
quaestioquaestionisf.onderzoek, rechtbankquestionaire ('vragenlijst' < Fr. < Lat. quaestionem), kwestiequestion ('vraag')la question ('vraag'), le questionnaire ('vragenlijst')Quästion ('kwestie')
quaestorquaestorism.quaestor (magistraat voornamelijk belast met financiële zaken)----
requiro (requirĕre)requisivi, requisitumopzoeken, verlangen, eisenrekwisiet ('benodigdheid' < Lat. requisita)to require, request, requisiterequérir, la réquisition ('vordering')requirieren, Requisit ('toneelvoorwerp' < Lat. requisita)
qualisqualis, qualehoedanig?, zodanig alskwalificatie ('toekenning v/e eigenschap' < Lat. qualificatio < qualis + facio), kwaliteitto qualify ('kwalificeren' < Lat. qualificatio < qualis + facio), quality ('kwaliteit')quel, qualifier ('kwalificeren'), la qualité ('kwaliteit')Disqualifikation ('uitsluiting v/e wedstrijd' < Lat. dis + qualis + facio)
quamhoe(zeer), zoals; (na compar.) dan----plusquamperfectum ('meer dan voltooid' < Lat. plus + quam + perfectum)
quamquamhoewel--le cancan ('roddel')-
quamvis (adv.)hoe ... ook , hoewel (voegw.)----
quamvis (voewg.)hoewel , hoe ... ook (adv.)----
quandowanneer?, eens, ooit; omdatcue ('aanwijzing voor acteur' < Eng. cue = q < Lat. quando)cue ('aanwijzing voor acteurs' < afkorting quando)quand ('wanneer')-
quantusquanta, quantumhoe groot?, zo groot alskwantum ('hoeveelheid'), kwantiteit ('hoeveelheid'), kwantificeren ('hoeveelheid aangeven' < Lat. quantus + facio)quantum ('aantal'), to quantify ('hoeveelheid vaststellen' < Lat. quantus + facio), quantity ('hoeveelheid')quant ('hoeveel'), la quantité ('hoeveelheid'), quantitatif ('hoeveelheid aangevend')Quantum ('aantal'), quantifizieren ('hoeveelheid vaststellen' < Lat. quantus + facio)
quantohoeveel, hoezeer----
quanto ... tantohoe ... des te----
quantum (bijw.)hoeveel, hoezeerzie quantuszie quantuszie quantuszie quantus
quarewaarom?----
quasialsofquasi ('zogenaamd')quasi- ('soort van'), as if! (uitdrukking, letterlijke vertaling quasi)quasi ('alsof')quasi ('alsof')
quatio (quatĕre)-, quassumdoen trillen, beukendiscuteren ('van gedachten wisselen' < Lat. discutio ('uiteenslaan') < dis + quatio), squash ('balspel' < Fr. esquasser < Lat ex + quatio)to discuss ('van gedachten wisselen' < Lat. discutio < dis + quatio), to quash ('verwijderen'), to rescue ('redden' < Fr. recourre ('redden') < re + escourre < Lat. ex + quatio)casser ('breken'), discuter ('van gedachten wisselen' < Lat. dis + quatio)discuzieren ('van gedachten wisselen' < Lat. dis + quatio)
concutio (concutĕre)concutio, concussi, concussumhevig schudden, schokken-concussion ('hersenschudding')la concussion ('hersenschudding')-
excutio (excutĕre)excutio, excussi, excessumafstoten, afschudden----
quattuor (onverbuigbaar)vierkwadraat ('vierkant'; < Lat. quadratum ('vierkant') < quattuor), katern ('deel v/e boek'; < Lat. quaterni ('telkens vier', vellen papier werden viermaal gevouwen i/d M.E.)), kader ('lijst'; < It. quadro < Lat. quadrum ('vierkant') < quattuor)quad- ('vier-'), quatrain ('vierregelig stanza'), quadrant ('zes uur' < Lat. quadrans < quattuor)quatre ('vier'), le cahier ('schrift' < Lat. quaterna ('vier vellen') < quaterni ('telkens vier')), le cadre ('kader)-
quartusquarta, quartumvierdekwart ('één vierde'), kwartaal ('drie maanden'), kwartetquarter ('één vierde'), quartet ('muzikaal ensemble')quart ('vierde'), le quartier ('wijk'), le quartet ('muzikaal ensemble')Quartal ('drie maanden'), Quartier ('onderkomen' < Fr. quartier ('wijk'))
-queen----
quemadmodumhoe?; zoals----
queor (queri)questus sumklagen--quereller ('ruzie maken')-
querelaquerelaef.klachtkrakeel ('ruzie met rumoer' < Fr. querele < Lat. querela)quarrel ('ruzie' < Fr. querele < Lat. querela)la querelle ('ruzie')Querele ('kleine ruzie')
qui, quae, quod (pron. interr.)cuiuswelke, (pron. relativum) die, dat--qui, que-
qui, quae, quod (pron. rel.)cuiusdie, dat, (pron. interrogativum) welke--qui, que-
quiaomdat----
quicumque, quaecumque, quodcumquecuiuscumqueieder(e) willekeurige, wie ook maar, wat ook maar--quiconque ('ieder die')-
quidam (zelfst.)cuiusdamquiddamiemand, een zekere--le quidam ('individu')-
quidam (bijv.)cuiusdamquaedam, quoddamzekere; enkele, enige----
quidem(benadrukt voorgaand woord), althans----
quidem ... sedweliswaar ... maar----
quiesquieif.rust, slaap-quiescent ('rustig'), tranquility ('kalmte' < Lat. tranquilitas < trans + quies)la quiétude ('rust')-
quietusquieta, quietumrustigkwijt ('verloren hebbend' < Fr. quitte ('vrij van') < Lat. quietus)quiet ('stil')quitte ('vrij van')quieto ('rustig')
requiesco (requiescĕre)requievi, requietumrusten, tot rust komenrequiem ('dodenmis')---
quin + conj.waarom niet?, (na ontkennende hoofdzin) dat, of; die niet----
quin etiamja zelfs----
quinquevijfkwintet ('muzikaal ensemble')quintet ('muzikaal ensemble')cinq, quinze, le quintette ('muzikaal ensemble')-Spaanse/Portugese quinta ('boerderij' < eenvijfde deel was bedoeld voor huur)
quippeimmers-quip ('geestigheid' < ironisch gebruik van quippe)--
queo (quire)quivi, quitumkunnen----
quis, quid (zst.)cuiuswie, wat, welke, na si, nisi, num, ne: = aliquiskwibus ('dwaas' < Lat. quibus), quiz ('vragenspel' < Eng. < Lat. quis es)quiz ('vragenspel' < Lat. quis es)--Q.E.D. ('hetgeen dat bewezen moest worden', wiskundige uitdrukking < Quod Erat Demonstrandum)
qui, qua/quae, quod (bijvoegl.)cuiuseen (of ander), enig----
quis?cuiuswie?, wat?----
quid?cuiuswat?; waarom?-quidnunc ('roddelaar' < Lat. quid + nunc (iemand die steeds 'wat nu' vraagt))quoi-
qui? (bijvoegl.)cuiuswelke?----
quisquam, quicquamcuiusquamiets (met nadruk, in negatieve zin); ook: et quis----
(unus)quisque (zst.)(unius)cuiusqueieder(een), (+ superl) juist----
(unus)quisque + superlativus(unius)cuiusquejuist----
quisque (bijvoegl.)cuiusqueieder, elk----
quisquis, quidquidwillekeurig wie, wie ook maar----
quiviscuiusviseen willekeurig iemand----
quowaarheen, naarmate; +coni.: opdat (daardoor)----
quo +coni.:opdat (daardoor), (zonder coni.) waarheen; naarmate----
quod (voegw.)omdat, dat----
non est quod + coni.er is geen reden om----
quomodohoe; zoals--comme ('zoals' < Vulg. Lat. como < Lat. quomodo)-
quondameens----
quoniamaangezien, omdat----
quoqueook----
quot (onverbuigbaar)hoeveel?; zoveel alsquota ('aandeel'), quotatie ('aanhaling' < Mdd. Lat. quotatio ('cijfers i/d rand v/e boek aanbrengen'))quote ('aanhaling' < Mdd. Lat. quotatio ('nummers aanbrengen i/d kantlijn v/e boek'))le quota ('aandeel'), la cote ('cijfer'), quotidien ('dagelijks' < Lat. quot + dies)-
quotienshoe vaak?, zo vaak alsquotiënt ('uitkomst v/e som')quotient ('uitkomst v/e som')le quotient ('uitkomst v/e som)Quotient ('uitkomst v/e som')
rabiesrabieif.razernijrage ('tijdelijke hevige mode', 'bevlieging'; < Fr. rage < Vulg. Lat. rabia (nevenvorm v. rabies)), rabiës ('hondsdolheid')rage ('woede'; < Fr. rage < Vulg. Lat. rabia (nevenvorm v. rabies)), rabid ('woest', 'dol'; < Lat. rabidus ('razend')), to enrage ('woedend maken'; < Oudfr. enragier < in + rabies ('naar woede')), rabies ('hondsdolheid')la rage ('woede'; < Vulg. Lat. rabia (nevenvorm v. rabies)), rageur ('woedend', 'driftig'), to enrage ('woedend worden'; < Oudfr. enragier < in + rabies ('naar woede'))rabiat ('woedend'), Rage ('woede'; < Fr. rage < Vulg. Lat. rabia (nevenvorm v. rabies))
radiusradiim.spaak, straalradio, radioactief (< Fr. radioactif), radius ('straal'), radiateur ('afkoeltoestel'; < Lat. radiatio ('straling'))ray ('straal'), radio, radioactive (< Fr. radioactif), radius ('straal'), radiation ('straling'; < Lat. radiatio)le rayon ('straal', 'spaak'), radiation ('straling', 'schrapping'; < Lat. radiatio), radieux ('stralend'), irradier ('uitstralen'), radioactifRadio, radioaktiv (< Fr. radioactif), Radius ('straal'), Radiator ('afkoeltoestel'; < Lat. radiatio ('straling'))
ramusramim.tak--le rameau ('takje'), la ramage ('gezang'), la ramure ('boomtakken'), ramifier ('vertakken'; < ramus + facio ('tak maken')), le ramier ('houtduif')-
rapio (rapĕre)rapio, rapui, raptummeesleuren, rovenravijn (< Fr. ravin ('bergkloof') < Fr. ravine ('bergkloofbeek') < Oudfr. raviner ('zich neerstorten') < Oudfr. ravine ('gewelddadige gebeurtenis') < Lat. rapina ('roof')), ravage ('verwoesting'; < Fr. ravir < Vulg. Lat. rapio (v. rapire))to rape, rapacity ('roofzucht'; < Lat. rapax ('roofzuchtig')), surreptitious ('stiekem'; < sub + rapio ('van onderen roven'))le rapt ('ontvoering'), ravir ('roven'), ravage ('verwoesting'; < Vulg. Lat. rapio (v. rapire)), la rapine ('roof'), le rapace ('roofvogel'; < Lat. rapax ('roofzuchtig'))-
arripio (arripĕre)arripio, arripui, arreptumaangrijpen--arracher ('afscheuren', 'losrukken')-
corripio (corripĕre)corripio, corripui, correptum(haastig) vastgrijpen, wegslepen, vernietigen----
diripio (diripĕre)diripio, diripui, direptumverscheuren, plunderen----
eripio (eripĕre)eripio, eripui, ereptumwegrukken, ontroven----
rapidusrapida, rapidummeesleurend, snel-rapid ('snel')-rapide ('snel')
rarusrara, rarumverspreid, zeldzaam, schaarsraar, rariteit ('zeldzaamheid'; < Lat. raritas)rare ('zeldzaam'), rarity ('zeldzaamheid'; < Lat. raritas)rare ('zeldzaam'), la rareté ('zeldzaamheid'; < Lat. raritas), rarissime ('heel zeldzaam'; < rarissimus (superl. v. rarus))rar, Rarität ('zeldzaamheid'; < Lat. raritas)
ratiorationisf.(be)rekening, verantwoording; verstand; planratio ('rede'), rantsoen ('portie voor één persoon')ratio ('rede'), ration ('rantsoen', 'portie voor één persoon'), rational ('rationeel')la raison ('rede'), la ration ('rantsoen', 'hoeveelheid'), rationnel ('rationeel')Ration ('rantsoen'), rationell ('rationeel')
ratisratisf.vlot, schip--le radeau ('vlot')-
recensrecentisrecens, recensvers, nieuwrecentrecent, to rinse ('uitspoelen'; < Oudfr. reincier < Vulg. Lat. recentio ('vers maken')récent-
rego (regĕre)rexi, rectumregeren, leiden, sturenregeren, regel (< Lat. regula < rego), regime ('regeringsstelsel'; < Lat. regimen < rego), regiment ('legerafdeling'; < Fr. régiment < Lat. regimentum ('bestuur'))rule (< Lat. regula ('regel') < rego), regent, rail ('balk'; < Oudfr. reille < Lat. regula ('maatstaf') < rego), regiment ('legerafdeling'; < Fr. régiment < Lat. regimentum ('bestuur')), regime ('regeringsstelsel'; < Lat. regimen < rego)régir, le régent, le régiment ('legerafdeling'; < Lat. regimentum ('bestuur')), le régime ('regeringsstelsel'; < Lat. regimen < rego), la règle (< regula ('regel') < rego)Regent, Regiment ('legerafdeling'; < Fr. régiment < Lat. regimentum ('bestuur')), Regime ('regeringsstelsel'; < Lat. regimen < rego)
rectorrectorism.leider, stuurmanrectorrectorle recteurRektor
rectusrecta, rectumrecht, goed, juistrecht, rectificeren ('rechtzetten'; < rectus + facio ('recht zetten'))to rectify ('rechtzetten'; < rectus + facio ('recht zetten'))rectifier ('rechtzetten'; < rectus + facio ('recht zetten'))rektifizieren ('rechtzetten'; < rectus + facio ('recht zetten'))
regat(hij, zij, het) leidt/regeert (conj. prae.)zie regozie regozie regozie rego
reget(hij, zij, het) zal leiden/regeren (fut.)zie regozie regozie regozie rego
regidat. enk. van rex; inf. prae. pass. van regozie rexzie rexzie rexzie rex
reginareginaef.koningin----
regit(hij, zij, het) leidt/regeert (ind. prae.)zie regozie regozie regozie rego
regiusregia, regiumkoninklijk----
regno (regnare)koning zijn, heersen-to reign, regnant ('heersend')--
regnumregnin.koningschap, koninkrijk-reign--
rex, regisregism.koning-regal ('koninklijk')le roi (< Oudfr. rei)-
surgo (surgĕre)surrexi, surrectumzich oprichten, opstaan-to surge ('golven', 'dringen', 'opwellen'), source ('bron')surgir ('verrijzen'), la source ('bron')-
regioregionisf.richting, streekregioregionla régionRegion
religioreligionisf.geloof, bijgeloofreligiereligionla religionReligion
remediumremediin.(genees)middelremedieremedyle remède ('geneesmiddel')Remedium
renideo (renidēre)reniduistralen, glanzen----
repenteplotseling----
reor (reri)ratus summenen----
irritusirrita, irritumongeldig, vergeefs----
ratus + A.C.I.rata, ratumin de mening dat ...----
resreif.zaak, gebeurtenis; ding, gevalreëel, rebusreal, rebusreél, le rébusreell, Rebus
res adversaererum adversarumf.tegenspoed----
res gestaererum gestarumf.daden, maatregelen, krijgsdaden----
res novaererum novarumf.revolutie, omwenteling----
res publicarei publicaef.staatrepubliekrepublicla républiqueRepublik
res secundaererum secundarumf.voorspoed----
re verain werkelijkheid, echt----
respondeo (respondēre)responsi, responsumantwoorden, beantwoorden, vergeldenrespons ('reactie'), correspondentie ('briefwisseling'; < con + respondeo ('met antwoorden'))response ('reactie'), responsible ('verantwoordelijk'), correspond ('overeenkomen', 'corresponderen'; < con + respondeo ('met antwoorden'))la réponse ('reactie'), responsable ('verantwoordelijk'), répondre ('antwoorden')Korrespondenz ('briefwisseling'; < con + respondeo ('met antwoorden'))
retroachteruit, terugretro ('nostalgische stijl')retroversion ('terugwending'; < retro + verto ('terug draaien')), to retrospect ('terugblikken'; < retro + specto ('terug kijken'))arrière ('achter'; < Fr. à rière < Lat. ad retro), derrière ('achter'; < Fr. de rière < Lat. de retro)-
reusreim.aangeklaagde, schuldige----
rideo (ridēre)risi, risumlachenriant ('aantrekkelijk', 'ruim'; < Fr. riant ('bekoorlijk') < Fr. rire ('lachen') < Lat. rideo)ridiculous ('lachwekkend'; < Lat. ridiculosus), derision ('spot'; < de + rideo ('omlaag lachen'))rire ('lachen'), ridicule ('lachwekkend'; < Lat. ridiculosus), la dérision ('spot'; > de + rideo ('omlaag lachen'))-
riparipaef.oeverrivier (< Vulg. Lat. riparia ('gebied langs een waterloop') < riparius ('bij de oever gelegen') < ripa), arriveren ('aankomen'; < Oudfr. ariver ('aan land gaan') < Vulg. Lat. arripo < ad + ripa ('naar oever'))to arrive ('aankomen'; < Oudfr. ariver ('aan land gaan') < Vulg. Lat. arripo < ad + ripa ('naar oever'))la rive ('oever'), la rivière (< Vulg. Lat. riparia ('gebied langs een waterloop') < riparius ('bij de oever gelegen') < ripa), arriver ('aankomen'; < Oudfr. ariver ('aan land gaan') < Vulg. Lat. arripo < ad + ripa ('naar oever'))Revier ('gebied'; < Vulg. Lat. riparia ('gebied langs een waterloop') < riparius ('bij de oever gelegen') < ripa), arrivieren ('aankomen'; < Oudfr. ariver ('aan land gaan') < Vulg. Lat. arripo < ad + ripa ('naar oever'))
ritevolgens (godsdienstig) gebruik, naar behoren----
rivusrivim.beekrivaal (< rivalis ('medeminnaar', 'iemand die een beek deelt met een ander')), derivaat ('afgeleide'; < de + rivus ('uit beek'))rival (< rivalis ('medeminnaar', 'iemand die een beek deelt met een ander')), to derive ('afleiden'; < de + rivus ('uit beek'))le ruisseau ('beek'), le rival (< rivalis ('medeminnaar', 'iemand die een beek deelt met een ander')), dériver ('afleiden'; < de + rivus ('uit beek'))Rivale (< rivalis ('medeminnaar', 'iemand die een beek deelt met een ander'))
roburroborisn.hard hout, kracht; het sterkste deelrobuust ('stevig'; < Lat. robustus < robur)to corroborate ('verstevigen'; < con + robur ('samen kracht')), robust ('stevig'; < Lat. robustus < robur)corroborer ('verstevigen'; < con + robur ('samen kracht')), robuste ('stevig'; < Lat. robustus < robur)robust ('stevig'; < Lat. robustus < robur)
rogo (rogare)vragenarrogant (< ad + rogo ('erbij vragen')), karwei (< Fr. corvée < Lat. corrogata (ppp. v. corrogo) < con + rogo ('samen vragen')), corvee (< Fr. corvée < Lat. corrogata (ppp. v. corrogo) < con + rogo ('samen vragen')), surrogaat ('vervangingsmiddel'; < sub + rogo ('onder vragen'))arrogant (< ad + rogo ('erbij vragen')), corvee (< Fr. corvée < Lat. corrogata (ppp. v. corrogo) < con + rogo ('samen vragen')), surrogate ('vervangingsmiddel'; < sub + rogo ('onder vragen'))arrogant (< ad + rogo ('erbij vragen')), la corvée (< Lat. corrogata (ppp. v. corrogo) < con + rogo ('samen vragen')), déroger ('afwijken'; < de + rogo ('uit vragen'))arrogant (< ad + rogo ('erbij vragen')), Surrogat ('vervangingsmiddel'; < sub + rogo ('onder vragen'))
interrogo (interrogare)(onder)vragen-interrogation ('ondervraging')l'interrogation ('ondervraging')-
rogatiorogationisf.(wets)voorstel aan de volksvergadering----
Romamnaar Rome (bij ww. van gaan)----
Romaete Rome----
Romanus (bijv. nw.)RomeinsRomeins, Romaans, roman (< Oudfr. romanz < Vulg. Lat. romanice scribo ('in het Latijn schrijven') < Lat. romanicus < Romanus)Roman, romance (< Oudfr. romanz < Vulg. Lat. romanice scribo ('in het Latijn schrijven') < Lat. romanicus < Romanus)romain, roman, le roman (< Oudfr. romanz < Vulg. Lat. romanice scribo ('in het Latijn schrijven') < Lat. romanicus < Romanus)römisch, Roman
Romanus (zst. nw.)RomeinRomeinRomanromainRomane
ros, rorisrorism.dauwrozemarijn (< ros marinus ('zeedauw'))rosemary (< ros marinus ('zeedauw'))la rosée ('dauw'), le romarin ('rozemarijn'; < ros marinus ('zeedauw')), arroser ('begieten'; < ad + ros ('naar dauw'))Rosmarin (< ros marinus ('zeedauw'))
rotarotaef.wielrond (< Oudfr. reont < Lat. rotundus < rota), rol (< Oudfr. rolle < Mdd. Lat. rotulus (dimin. v. rota)), rollen (< Oudfr. roele ('schijfje') < Laatlat. rotella (dimin. v. rota)), roteren ('ronddraaien'), controle (< Mdd. Fr. contre-rôle ('tegenrol ter controle') < Lat. contra + rotulus (dimin. v. rota)), pirouette ('draai op één voet'; < Fr. pirouelle ('tol') < *pir ('as') + rouelle ('wieltje') < Laatlat. rotella (dimin. v. rota))round (< Oudfr. reont < Lat. rotundus < rota), roll (< Oudfr. rolle < Mdd. Lat. rotulus (dimin. v. rota)), to roll (< Oudfr. roele ('schijfje') < Laatlat. rotella (dimin. v. rota)), to control (< Mdd. Fr. contre-rôle ('tegenrol ter controle') < Lat. contra + rotulus (dimin. v. rota))la roue ('wiel'), le rôle (< Oudfr. rolle < Mdd. Lat. rotulus (dimin. v. rota)), le contrôle (< Mdd. Fr. contre-rôle ('tegenrol ter controle') < Lat. contra + rotulus (dimin. v. rota)), rouler ('draaien'), la rotation ('wenteling'), le rond ('cirkel'; < rotundus < rota), arrondir ('rond maken'; < ad + rotundus ('naar rond')), la brouette ('kruiwagen'; < bis + rota ('twee wielen'))Rolle (< Oudfr. rolle < Mdd. Lat. rotulus (dimin. v. rota)), rollen (< Oudfr. roele ('schijfje') < Laatlat. rotella (dimin. v. rota)), rollen (< Oudfr. roele ('schijfje') < Laatlat. rotella (dimin. v. rota)), Kontrole (< Mdd. Fr. contre-rôle ('tegenrol ter controle') < Lat. contra + rotulus (dimin. v. rota))
rumorrumorism.gerucht, gepraatrumoerrumor-Rumor
rumpo (rumpĕre)rupi, ruptumbrekenabrupt ('opeens'; < abruptum (ppp. v. abrumpo) < ab + rumpo ('weg breken')), route (< Fr. rute <* Lat. via rupta ('gebaande weg')), ruiter (< Oudfr. rotier ('struikrover') < rote ('kleine groep krijgslieden') < Mdd. Lat. rupta ('struikroverbende') < ruptum (ppp. v. rumpo)), interrumperen ('onderbreken'; < inter + rumpo ('tussen breken')), bankroet ('failliet'; < Fr. banqueroute < It. banca rotta < ruptum (ppp. v. rumpo))abrupt ('opeens'; < abruptum (ppp. v. abrumpo) < ab + rumpo ('weg breken')), route (< Fr. rute <* Lat. via rupta ('gebaande weg')), to interrupt ('onderbreken'; < inter + rumpo ('tussen breken')), bankrupt ('failliet'; < Fr. banqueroute < It. banca rotta < ruptum (ppp. v. rumpo)), rupture ('breuk'), to disrupt ('verscheuren', 'verstoren'; < dis + rumpo ('uiteen breken'))rompre ('breken'), la route (< Fr. rute <* Lat. via rupta ('gebaande weg')), la rupture ('breuk'), abrupt ('opeens'; < abruptum (ppp. v. abrumpo) < ab + rumpo ('weg breken')), interrompre ('onderbreken'; < inter + rumpo ('tussen breken'))Route (< Fr. rute <* Lat. via rupta ('gebaande weg'))
corrumpo (corrumpĕre)corrupi, corruptumvernielen, bederven, omkopencorrumperen ('bederven')to corrupt ('bederven')corrompre ('bederven')korrumpieren ('bederven')
erumpo (erumpĕre)erupi, eruptum(laten) uitbrekeneruptie ('uitbarsting'; < eruptum (ppp. v. erumpo))eruption ('uitbarsting'; < eruptum (ppp. v. erumpo))l'éruption ('uitbarsting'; < eruptum (ppp. v. erumpo))Eruption ('uitbarsting'; < eruptum (ppp. v. erumpo))
rupesrupisf.rots----
ruo (ruĕre)rui, rutuminstorten, zich in iets storten--ruer ('achteruitslaan')-
obruo (obruĕre)obrui, obrutumbegraven, bedelven----
ruinaruinaef.instorting, val, ondergangruïne ('bouwval'; < ruina ('neervallen van een bouwwerk') < ruo)ruin ('bouwval'; < ruina ('neervallen van een bouwwerk') < ruo)la ruine ('bouwval'; < ruina ('neervallen van een bouwwerk') < ruo)Ruine ('bouwval'; < ruina ('neervallen van een bouwwerk') < ruo)
rursusopnieuw, terug (adv.)----
rus, rurisrurisn.landrustiek ('landelijk'; < rusticus < rus)rustic ('landelijk'; < rusticus < rus), rural ('landelijk')rustique ('landelijk'; < rusticus < rus), rural ('landelijk')rustikal ('landelijk'; < rusticus < rus)
sacersacrisacra, sacrumheilig, gewijdsacraal ('heilig')sacred ('heilig'), sacrilege ('heiligschennis' < Lat. sacer + legere ('stelen')), to sacrifice ('offeren' < Lat. sacer + facere)sacre ('heilig'), sacrer ('vloeken'), le sacrifice ('opoffering' < Lat. sacer + facere)sakral ('heilig'), Sakrilegium ('heiligschennis' < Lat. sacer + legere ('stelen'))sacrum ('heiligbeen', relikwie i/e kerk)
sacerdossacerdotism.priestersacerdotaal ('priesterlijk')sacerdotal ('priesterlijk')le sacerdoce ('priesterschap')-
sacramentumsacramentin.eed van trouwsacrament ('wijding')sacrament ('wijding')le sacrement ('wijding')Sakrament ('wijding')
saeculumsaeculin.generatie, tijdperk, eeuwseculair ('wereldlijk')secular ('wereldlijk')séculier ('wereldlijk')säkular ('buitengewoon')
saepedikwijls----
saevio (saevire)saeviiwoedend zijn, razen--sévir ('streng optreden')-
saevitiasaevitiaef.wreedheid, woestheid----
saevussaeva, saevumwoest, hardvochtig----
sagittasagittaef.pijl----Sagittarius ('boogschutter', sterrenbeeld)
salsussalsa, salsumzoutsaus, saucijs ('worst' < Lat. salsicus ('gezout iets'))sauce ('saus'), sausage ('worst' < Lat. salsicus ('gezout iets'))le sauce ('saus')Sauce ('saus')
saltussaltusm.bergwoud, bergpas----
salussalutisf.behoud, gezondheidsalubriteit ('gezondheid')salubrious ('gezond'), salutary ('gunstig')-salü ('groet')
saluto (salutare)begroeten (als)saluerento salute ('groeten'), salute ('groet')salut ('groet'), saluter ('groeten')Salutation ('begroeting'), salutieren ('groeten')
sanctussancta, sanctumonschendbaar, eerbiedwaardigsint ('heilige'), sanctificatie ('heiligmaking' < Lat. sanctus + facere)saint ('heilige'), to sanctify ('heiligmaken' < Lat. sanctus + facere), sanctuary ('heiligdom' < Lat. sanctus + area ('binnenplaats'))saint ('heilig'), la sanctuaire ('heiligdom' < Lat. sanctus + area ('binnenplaats')), sanctifier ('heiligmaken' < Lat. sanctus + facere)Sanktus ('heilig')
sanezeker, inderdaad----
sanguissanguinism.bloedpur sang ('van zuiver ras' < Lat. purus & sanguis)sanguine ('bloedrood'), sanguinary ('bloederig')le sang ('bloed'), sanguin ('bloedrood'), saigner ('bloeden')sanguinisch ('levendig')Sp. sangria ('koude drank van wijn')
sapienssapientissapiens, sapienswijs, verstandig-sapient ('wijs')--
sapientiasapientiaef.wijsheid-sapience ('wijsheid')la sapience ('wijsheid')-
satisgenoeg, nogal, tamelijkzat ('genoeg')to satisfy ('voldoen' < Lat. satis + facere)satisfaire ('voldoen' < Lat. satis + facere), la satisfaction ('voldoending' < Lat. satis + facere)Satisfaktion ('voldoening' < Lat. satis + facere)
satio (satiare)verzadigen-to satiate ('voldoen')--
saxumsaxin.rots(blok)----
scelusscelerisn.misdaad----
scelestusscelesta, scelestummisdadig----
scilicetvanzelfsprekend, zeker----
scio (scire)weten--savoir ('weten'), escient ('verstandig' < Lat. ptc. sciens)-
conscientiaconscientiaef.medeplichtigheid, bewustzijn-conscience ('geweten')la conscience ('geweten')-
consciusconscia, consciummedewetend, betrokken bij, zich bewust vankuis ('ingetogen')conscious ('bewust')conscient ('bewust')keusch ('kuis')
scientiascientiaef.kennis-science ('wetenschap'), scientist ('wetenschapper')la science ('wetenschap')szientifisch ('wetenschappelijk')
nescio (nescire)nesci(v)iniet weten-nescient ('onwetend' < Lat. ptc. nesciens)--
nesciusnescia, nesciumniet wetend-nice ('aardig' < Fr. nice ('simpel, zwak, zorgeloos') < Lat. nescius)--
scopulusscopulim.klip, rotspunt----
scribo (scribĕre)scripsi, scriptumschrijvenschrijven, scribent ('schrijver'), script ('film-manuscript'), inscriptie ('opschrift' < Lat. inscribere ('opschrijven') < in + scribere), manuscript ('handschrift' < Lat. manus + scribere), postscriptum ('naschrift' < Lat. post + scribere), proscriptie ('vogelvrijverklaring' < Lat. proscriptio ('openlijk te koop aanbieden van veroordeeld persoon'))to scribble ('pennen'), scribe ('schrijver'), script ('geschreven stuk'), description ('beschrijving' < Lat. de + scribere), inscription ('opschrijving' < Lat. inscribere ('opschrijven')), prescription ('recept, voorschrift' < Lat. praescribere ('vooraf schrijven'))écrire ('schrijven'), l'écriture ('schrift'), la transcription ('overschrijving' < Lat. trans + scribere), la description ('beschrijving' < Lat. de + scribere)schreiben ('schrijven'), Schrift ('schrift'), Manuskript ('geschreven werk' < Lat. manus + scribere)
conscribeo (conscribĕre)conscripsi, conscriptuminschrijven, recruteren, beschrijvenconscriptie ('inschrijving voor militaire dienst')conscription ('dienstplicht')la conscription ('dienstplicht')konskribieren ('rekruteren')
seco (secare)secui, sectumsnijdensectie ('indeling, afdeling'), sector ('afdeling'), sekte ('religieuze aanhangers'), set ('stel, tennisterm' < Fr. sette < Lat. sectus), bissectrice ('lijn die hoek in tweeën deelt' < Lat. bis ('dubbel') + sectare), risico ('gevaar' < Lat. resecare ('afsnijden')), insect (< Lat. insectare ('insnijden'), vanwege gescheiden delen van insectenlichaam)section ('afdeling'), intersection ('kruising' < Lat. inter 'tussen, over' + sectus), dissection ('ontleding' < Lat. di 'uiteen' + sectare), insect (< Lat. insectare 'insnijden'', vanwege gescheiden delen insectenlichaam')scier ('snijden'), le segment ('onderdeel' < Mdd. Lat. segmentum < Lat. sectare), disséquer ('ontleden' < Lat. dissectare), l'insecte (< Lat. insectare ('insnijden'), vanwege gescheiden delen insectenlichaam), l'intersection ('kruising')Sekante ('snijlijn' < Lat. ptc. secans), sezieren ('ontleden'), Vivisektion ('ontleding' < Lat. vivus + secare)
secretussecreta, secretumafgezonderdsecretaris ('griffier' < Lat. secretarius ('geheimschrijver'))secret ('geheim')secret ('geheim')Sekretär ('griffier'), Staatssektretär ('staasgeheim' < Lat. status + secretus)
securussecura, securumzonder zorg, onbezorgdzeker, secuur ('zorgvuldig')secure ('veilig'), sure ('zeker'), to assure ('zeker maken' < Fr. assurer < Vulg. Lat. assecurar < ad + securus)la sécurité ('veiligheid'), sûr ('zeker'), assurer ('verzekeren' < Vulg Lat. assecurar < ad + securus)sicher ('zeker'), Assekuranz ('verzekering' < Lat. ad + securus)
sedmaar----
sedeo (sedēre)zittensessie ('zitting'), séance ('spirituele bijeenkomst' < Fr.), sediment ('bezinksel < Fr.')session ('zitting'), sedentary ('zittend')seoir ('passen, worden'), la séance (zitting'), le sédiment ('bezinksel')-
assiduusassidua, assiduumonafgebroken-assidiuous ('onafgebroken')assidu ('regulier')-
consido (considĕre)consedi, consessumgaan zitten----
insidiaeinsidiarumf.hinderlaag-insidious ('verraderlijk')insidieux ('verraderlijk')-
obsesobsidis en vrl.m.gijzelaar----
obsideo (obsidēre)obsedi, obsessumbelegeren, bezet houdenobsessieobsessionl'obsession, obséder ('bezeten zijn')Obsession ('ziekelijke interesse' < Lat. obsessio < obsideo)
possideo (possidere)possedi, possessusbezittenpossessivumto possess ('bezitten'), possession ('bezit'), possessive ('bezittelijk')posséder ('bezitten'), la possession ('bezit'), possessifPossession ('bezit')
praesidiumpraesidiin.bescherming, bezetting, garnizoen---Präsidium ('voorzittend orgaan')
sedessedisf.(zit)plaats, zetelzadelseat ('stoel, zitplaats'), sedan ('draagstoel'), saddle ('zadel')la selle ('zadel')-
seditioseditionisf.opstand-sedition ('opstand')-Sedition ('opruiing')
subsidiumsubsidiin.hulp, versterking, reservesubsidie ('financiële hulp')subsidy ('financiële hulp)le subside ('financiële hulp')Subsidium ('financiële steun')
segessegetisf.gewas----
semeleenmaal----
singulisingulae, singulaeen voor een, afzonderlijksingulier ('afzonderlijk'), single ('alleenstaand)single ('alleenstaand')singulier ('afzonderlijk')Single ('alleenstaand persoon' < Fr. < Eng.), singulär ('eigenaardig')
semperaltijd----
senexsenism.oud, oude manseniel ('oud, afgetakeld')senile ('oud'), senior ('oudere' < Lat. comp.)le seigneur ('heer'), sénile ('seniel'), monsieur ('mijnheer')-
senatorsenatorism.senatorsenatorsenator le sénateurSenator
senectussenectutisf.ouderdom----
senatussenatusm.(toegang tot de) senaatsenaatsenatele sénatSenat
sentio (sentire)sensi, sensumwaarnemen, merken; oordelensensatie ('gewaarwording'), sensor ('waarnemend apparaat' < Eng. < Lat. sensum), sentiment ('gevoel' < Laatlat. sentimentum < sentire)to resent ('kwalijk nemen' < Lat. re + sentire), sentient ('levend')sentir ('voelen'), le sentiment ('gevoel'), le ressentiment ('wrok')Sentiment ('gevoel' < Mdd. Lat sentimentum), Ressentiment ('wrok' < Fr.)
consensusconsensusm.eenstemmigheid, overeenstemmingconsent ('toestemming')consensual ('meewerkend'), to consent ('instemmen')consentement ('instemmend')Konsensus
sensussensusm.waarnemingsvermogen, gevoelsensueel ('zinnelijk'), nonsens ('onzin' < Lat. non + sensus)sense ('gevoel'), sensitive ('gevoelig'), sensation ('gewaarwording')le sens ('zintuig'), la sensation ('gewaarwording'), la sensibilité ('gevoeligheid'), sensuel ('zinnelijk')sensitiv ('gevoelig'), Sensor ('waarneemapparaat'), Nonsens ('onzin' < Lat. non + sensus)
sententiasententiaef.meningsententie ('uitspraak')sentence ('zin')la sentence ('vonnis')Sentenz ('spreuk, uitspraak')
sepelio (sepelire)sepelivi, sepultumbegraven--ensevelir ('begraven')-
sepulchrumsepulchrin.grafsepulcraal ('m.b.t. begraven' < Fr. sépulcral)sepulchre ('graf')le sépulcre ('graf')-
septemzevenzevensevensept, la semaine ('week' < Lat. septimana ('zeven dagen'))Septett ('muzikaal stuk voor zeven spelers')September was de zevende maand in de Romeinse kalender
sequor (sequi)secutus sumvolgen, najagensequentie ('opeenvolging')sequent ('volgend'), sequel ('vervolg'), to sue ('aanklagen' < Fr. suer < Laatlat. sequere)suivre ('volgen'), la sequelle ('gevolg')Sequenz ('volgorde' < Lat. sequentia < sequor)
secundusvolgende, tweede, gunstigseconde ('zestigste deel v/e minuut')second ('zestigste deel v/e minuut'), secondary ('tweede')second ('tweede')Sekunde ('seconde'), sekundär ('volgend, tweede')
assequor (assequi)assecutus sumbereiken, verkrijgen----
consequor (consequi)consecutus sumvolgen, bereiken, inhalenconsequentie ('gevolg'), consecutief ('opeenvolgend'), inconsequent ('onregelmatig' < Lat. in + consequentem)consecutive ('volgend'), consequence ('gevolg')la conséquence ('gevolg'), l'inconsequence ('onregelmatigheid')konsequent ('volhardend, voortdurend' < Lat. consequens < consequi)
exsequor (exsequi)exsecutus sumvolgen, nastreven, ten uitvoer brengenexecuteren ('vonnis voltrekken')to execute ('uitvoeren'), execution ('terechtstelling')l'exécution ('terechtstelling')exekutieren ('ter dood brengen')
insequor (insequi)insecutus sumvolgen-to ensue ('volgen' < Fr. ensuivre < Lat. insequi)ensuivre ('volgen')-
persequor (persequi)persecutus sumvolgenpersecuteren ('vervolgen' < Fr. < Lat.)to persecute ('vervolgen')persécuter ('volgen')-
sermosermonism.gesprek, (spreek)taal-sermon ('preek')le sermon ('preek')Sermon ('redevoering')
sero (serĕre)sevi, satumzaaien, planten, verwekkenseizoen (< Fr. saison < Lat. satio ('tijd van zaaien') < satum)season ('seizoen' < Fr. saison < Lat. satio ('tijd van zaaien') < satum)la saison ('seizoen' < Lat. satio < satum)-
semenseminisn.zaadinseminatie ('bezwangering'), seminarie ('inrichting tot opleiding van geestelijken' < Lat. seminarium)semen ('zaad'), to inseminate ('bezwangeren' < Lat. in + seminare)semer ('zaaien'), le séminaire ('werkcollege'), le semis ('het zaaien')-
sertumsertin.bloemenkrans----
serussera, serumlaatsoirée ('avondpartij' < Fr.)-la soirée ('avond(feestje)' < Fr. soir ('avond') < Lat. serus)-
servo (servare)bewaren, behouden, redden; in het oog houdenconserveren ('bewaren'), reserveren ('bewaren')to preserve ('bewaren'), to reserve ('weerhouden'), to observe ('aanschouwen')conserver ('bewaren'), observer ('aanschouwen'), préserver ('behouden')konservieren ('bewaren'), observieren ('aanschouwen')
servusservim.slaafabactis ('secretaris' < Lat servus ab actis ('slaaf van de handelingen'))serf ('dienaar'), serve ('slaaf')le serf ('lijfeigene')-
servaservaef.slavinzie servuszie servuszie servuszie servus
servio (servire)slaaf zijn, dienenserveren ('opdienen'), servies, conciërge ('huisbewaarder' < Fr. concerge < Lat. concergius ('paleiswachter') < cum + servire)to serve ('dienen'), servient ('dienstig'), to deserve ('verdienen' < Lat. deservire ('goed dienen'))servir ('dienen'), desservir ('verdienen')servieren ('dienen'), Server ('degene die begint in tennis)
servitiumservitiin.slavernij, de slavenservice ('dienst')service ('dienst')la service ('dienst')-
servitusservitutisf.slavernij, onderworpenheid----
sexzessemester ('halfjaar' < Lat. semenstris < sex + mensis ('maand')), sextant ('instrument voor plaatsbepaling')-six, sixième, le semestre ('semester')-Spaans: siësta ('middagslaap')
sivoor het geval dat, als, of (misschien)quasi ('zogenaamd' < Lat. qua + si)-quasi ('alsof'), sinon ('anders')-
seu, siveof, hetzij----
sin (voegw.)maar als----
siveof, hetzij----
sive ... sive(hetzij) ... hetzij, (of) ... of----
siczo----
sicut(net) zo als----
siccussicca, siccumdroogsiccatief ('middel om verf te laten drogen')siccative ('droogmiddel')-Italiaans: secco ('droog')
sidussiderisn.ster, sterrebeeld-to consider ('overwegen' < Lat. considerare ('in ogenschouw nemen') < cum + siderare), desire ('verlangen' < Lat. desideratum < desiderare ('sterren missen'))sidéral ('sterren-'), considérer ('overwegen'), désirer ('verlangen')-
signumsignin.teken, veldteken; beeldsignaal ('teken'), sein ('teken' < Fr. seigne < Lat.), resigneren ('een ambt neerleggen' < Lat. resignare ('zegel verwijderen, aftreden') < re + signare), significant ('veelbetekenend' < Lat. significans < signum + facere), zegel (< Lat. sigillum ('beeldje, zegel') < signum)sign, design ('ontwerp' < Fr. desseign < Lat. designare ('afbeelden') < de + signare), to assign ('toekennen' < Lat. assignare < ad + signare)le signe ('teken'), signer ('ondertekenen'), le seing ('zegel'), l'insignifiance ('onbeduidendheid')Segen ('zegen', via christelijke traditie en beeld v/h kruis), signifikant ('belangrijk' < Lat. significare < signum + facere)
insignisinsignis, insigneopvallend, bekendinsigne ('onderscheidingsteken')-l'insigne ('blazoen')Insignien ('blazoen')
silentiumsilentiin.stilte-silence ('stilte')le silence ('stilte')Silentium ('stilte')
silvasilvaef.bos-savage ('wild' < Fr. sauvage < salvage < Lat. silvaticus ('ongetemd') < silva)sauvage ('wild' < Lat. silvaticus < silva)-
silvestrissilvestris, silvestrevan het bos, bosrijk----
similisgelijk, gelijkend-similar ('vergelijkbaar')le similitude ('gelijkenis')similär ('gelijkend')
simul (adv.)tegelijk, (voegw.) zodraensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))ensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))ensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))simultan ('gelijktijdig')
simul (voegw.)zodra, (adv.) tegelijkensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))ensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))ensemble ('muziekgezelschap' < Lat. insimul ('tegelijk, op dezelfde plek'))simultan ('gelijktijdig')
simulacrumsimulacrin.beeld, afbeelding----
simulo (simulare)doen alsofsimuleren ('veinzen')simulator ('nabootser')sembler ('gelijken')Simulation ('nabootsing'), simulieren
dissimulo (dissimulare)doen alsof niet, verbergendissimilatie ('ongelijk maken')to dissimilate ('verschillend maken'), to assimilate ('gewennen' < Lat. ad + simulare)dissimuler ('verbergen')Dissimulation ('verandering')
sinezonder----
sino (sinĕre)sivi, situm(toe)laten----
desino (desinĕre)desii, desitumophouden--la désinence ('(naamvals)uitgang')-
sinistersinistra, sinistrumlinker, ongunstigsinister ('onheilspellend')sinister ('onheilspellend')le sinistre ('ramp'), sinistre ('onheilspellend')sinister ('onheilspellend')
sinussinusm.welving, boezem (kleed), binnenste; baaisinus ('meetkundige term'), insinuatie ('zijdelingse verdachtmaking' < Lat. insinuatio ('voor zich winnen van een publiek') < in + sinus 'borst, innerlijk')sinus ('holte'), to insinuate ('verdachtmaken')le sein ('borst'), la sinuosité ('kromming')Sinus ('meetkundige term')cosinus ('meetkundige term' < Lat. cum + sinus)
sitissitisf.dorst----
situssita, situmgeplaatst, gelegen, NB situs, -us = liggingsituatie site ('plek'), situation ('omstandigheid')le site ('landschap'), le situation ('omstandigheid')Situation ('omstandigheid'), situieren ('plaatsen' < Fr. < Mdd. Lat. situare)
situssitusm.ligging, NB situs ook ppp. van sineresituatie site ('plek'), situation ('omstandigheid')le site ('landschap'), le situation ('omstandigheid')Situation ('omstandigheid'), situieren ('plaatsen' < Fr. < Mdd. Lat. situare)
sociussociim.bondgenoot, deelgenootsociaal, sociologie ('gedragsleer'), sociëteit ('vereniging'), associëren ('verbinden'), socialistsocial ('sociaal'), society ('maatschappij'), to associate ('verbinden' < Lat. ad + sociare), to socialize ('omgaan met mensen')social ('sociaal'), la société ('maatschappij'), socialiser ('socialiseren'), la sociologie, le socialiste ('socialist)sozial ('sociaal'), Sozialismus ('socialisme'), Sozietät ('maatschappij, groep'), Soziologie, Sozius ('vriend')
socordiasocordiaef.zorgeloosheid, achteloosheid----
sodalissodalism.kameraadsodaliteit ('katholieke vereniging')sodality ('broederschap')-Sodalität ('broederschap')
solsolism.zonparasol ('zonnescherm'), solarium ('zonnebad'), zolder ('bovenste ruimte in een huis' < Lat. solarium ('plek waar zon wordt gevangen, terras, plat dak'))solar ('zonne-')la soleil ('zon'), le parasol ('zonnescherm')Solar- ('zonne-')
solaciumsolaciin.troost-solace ('troost')--
soleo (solēre)solitus sumgewoon zijn-insolent ('brutaal' < Lat. insolens < in + solere), obsolete ('overbodig' < Lat. obsolescere ('verslijten') < ob + solere)l'insolence ('onbeschaamdheid')-
solitus sumik heb de gewoonte gehad, ik deed gewoonlijk (pf.)----
solidussolida, solidumstevig, vastsolide ('stevig'), solidair ('saamhorig'), consolideren ('stevig maken' < Lat. consolidare ('verstevigen') < cum + solidare)solid ('stevig')solide ('stevig'), solidifier ('vastmaken')solid ('vast')De 'solidus nummus' was ook een munteenheid in het Romeinse Rijk, waar afgeleiden als 'soldaat' e.d. van af komen.
sollicitudosollicitudinisf.ongerustheid----
sollicitussollicita, sollicitumverontrust, bezorgdsolliciteren ('naar een betrekking dingen' < Fr.)solicitous ('bezorgd'), to solicit ('lastigvallen')solliciter ('verzoeken')-
solussoliussola, solumalleensolist ('muzikant'), solo ('individueel muziekstuk'), solitaire ('éénpersoons kaartspel')sole ('enig'), solitary ('eenzaam'), solitude ('eenzaamheid'), solo ('individueel muziekstuk')seul ('alleen'), la solitude ('eenzaamheid'), désoler ('verlaten' < Lat. desolare)Solist ('muzikant'), Solo ('individueel muziekstuk'), solitär ('eenzaam')
non solum ... sed etiamniet alleen ... maar ook----
solum(adv.) slechts, alleen----
solumsolin.bodem, grondzool ('onderste deel van een voet')sole ('zool'), soil ('aarde')le sol ('terrein')Sohle ('zool')
solvo (solvĕre)solvi, solutumlosmaken, betalensolutie ('oplossing'), absolutie ('verlossing')solution ('oplossing'), to solve ('oplossen'), to dissolve ('opbreken')la solution ('oplossing'), solvable ('oplosbaar'), la dissolution ('ontbinding')Solvieren ('oplossen')
resolvo (resolvĕre)resolvi, resolutumlosmaken, verzwakkenresolutie ('besluit')to resolve ('oplossen')la résolution ('besluit')resolut ('vastberaden'), Resolution ('besluit')
somnussomnim.slaapinsomnie ('slapeloosheid'), somnambule ('slaapwandelaar' < Lat. somnum + ambulare)insomnia ('slapeloosheid')la somme ('slaap'), sommeiller ('sluimeren'), la somnolence ('slaperigheid')Asomnie ('slapeloosheid')
somniumdroom----
sono (sonare)sonui, sonitumgeluid geven, klinkensonant ('lettergreepvormde klank'), consonant ('medeklinker'), persoon ('individu' < Lat. persona < per + sonare ('doorklinken'), te maken met maskers in Romeins theater)sound ('geluid' < Fr. son < Lat.), dissonant ('vals, niet overeenstemmend' < Lat. dissonare)sonner ('luiden'), la sonnette ('belletje')sonor ('welluidend'), Sonar ('onderwaterdetectiemiddel')
resono (resonare)resonui, resonitum(doen) weerklinkenresonantie ('weerklinken v/e geluid)to resound ('weerklinken')résonner ('weerklinken')Resonanz ('weergalmen')
sonitussonitusm.klank, geluid----
sonussonim.klank, geluidsupersonisch ('sneller dan geluid' < Lat. super ('boven') + sonus), ultrasoon ('geluid buiten hoorbaar spectrum' < Lat. ultra ('boven') + sonus), sonnet ('lyrisch gedicht' < It. sonetto < verkleinwoord van Lat. sonus)sound ('geluid'), supersonic ('supersonisch'), unison ('eenheid' < Lat. unus ('een') + sonus)le son ('geluid')-
sordidussordida, sordidumsmerig, verachtelijk-sordid ('smerig')sordide ('vuil')-
sororsororisf.zuster-cousin ('neef, nicht' < Lat. consobrinus ('nicht') < con + sobrinus 'neef'), sorority ('vrouwengemeenschap')la soeur ('zus')-
sorssortisf.lot, orakelsoort ('categorie' < Fr. < Lat.), assortiment ('aanbod' < Fr. assortir ('naar soort bijeenzoeken') < Lat. ad + sortiri 'loten')sort ('soort'), to sort ('uitzoeken'), sorcery ('tovenarij' < Mdd. Lat. sortarius ('tovenaar, waarzegger'))le sort ('lotsbestemming'), la sorte ('soort'), sortir ('uitgaan, uitkomen'), sorcier ('betoveren')Sorte ('soort'), sortieren ('verdelen, indelen' < Lat. sortiri < sors), Ressort ('afdeling, gebied' < Fr. ressortir < Lat.)
spargo (spargĕre)sparsi, sparsum(be)strooienspaars ('zeldzaam')sparse ('vespreid')épars ('verstrooid')-
dispergo (dispergĕre)dispersi, dispersumverspreidendispersie ('kleurschifting')to disperse ('uitzaaien')le dispersion ('verdeling'), disperser ('verdelen')dispers ('fijn verdeeld')
spatiumspatiin.ruimte, afstand; tijdsduurspatie ('tussenruimte'), spatiaal ('ruimtelijk')space ('ruimte'), spacious ('ruim')l'espace ('ruimte')spazieren ('slenteren')
specto (spectare)(be)kijken, het oog hebben op, beogenspectakel ('schouwspel'), spectrum ('scala')spectacle ('aangezicht, spectakel'), spectator ('aanschouwer'), to expect ('verwachten' < Lat. expectare)le spectateur ('aanschouwer')retrospektiv ('terugkijkend' < Lat. retro + spectare)
auspiciumauspiciin.(waarneming van) vogeltekens, opperbevelauspiciën ('voortekens', vaak gebruikt in uitdrukking 'onder de auspiciën van …')auspicious ('gunstig')--
aspicio (aspicĕre)aspicio, aspexi, aspectumaanschouwenaspect ('aanzicht')aspect l'aspect ('aanblik')-
conspectusconspectusm.aanblik, gezicht----
conspicio (conspicĕre)conspicio, conspexi, conspectumontwaren-conspicuous (opvallend')--
exspecto (exspectare)afwachten, verwachtenexpectatief ('afwachtend'), to expect ('verwachten'), expactation ('verwachting')l'expectative ('vooruitzicht'), expectant ('afwachtend')-
prospicio (prospicĕre)prospicio, prospexi, prospectumin de verte kijken, - zien, voorzien; voorzieningen treffen-prospect ('vooruitzicht'), prospective ('aanstaand')prospective ('toekomstgericht'), le prospectus ('folder')-
respicio (respicĕre)respcio, respexi, respectumomkijken naar, zorgen voorrespect ('eerbied'), respectievelijk ('opeenvolgend'), respijt ('uitstel' < Fr. respit)to respect ('waarderen'), respective ('respectvol')respecter ('waarderen'), respectif ('respectievelijk'), respectable ('achtenswaardig')-
speciesspecieif.aanblik, schijnspecerij ('kruid' < Mdd. Lat. species ('handelswaar')), speciaal ('bijzonder'), specificeren ('afzonderlijk opgeven' < Mdd. Lat. specificare < species + facere)species ('soort'), spice ('kruid'), especial ('bijzonder' < Lat. specialis), specific ('bijzonder')l'épice ('kruid'), spécial ('bijzonder'), spécifier ('afzonderlijk aangeven' < Mdd. Lat. specificare < species + facere)Spezerei ('kruiden') < Mdd. Lat. species ('goederen'))
spectaculumspectaculischouwspelspectakel ('schouwspel')spectacle ('spectakel')le spectacle ('spectakel')Spectakel
suspiciosuspicionisf.verdenking, wantrouwensuspicie ('argwaan')suspect ('verdachte'), suspicious ('verdacht')le suspicion ('verdachtmaking'), le suspect ('verdachte')suspekt ('verdacht' < ppp. suspectus)
sperno (spernĕre)sprevi, spretumverachten-to spurn ('versmaden')--
aspernor (aspernari)afwijzen----
spesspeif.hoop--l'espoir ('hoop')-
spero (sperare)hopendesperaat ('wanhopig' < Lat. desperare ('wanhopen') < de + sperare)desperate ('wanhopig' < Lat. desperare ('wanhopen') < de + sperare'), to prosper ('bloeien' < Lat. prosperare ('voorspoedig verlopen') < pro + sperare)espérer ('hopen'), prospérer ('bloeien')Sperenzchen ('moeilijkheden')Esperanto ('kunsttaal')
spiro (spirare)blazen, ademeninspiratie ('inblazing, ingeving'), conspiratie ('samenzwering' < Lat. cum + spirare), aspiratie ('eerzucht' < Lat. aspirare ('aanblazen, met een h uitspreken') < ad + spirare), transpireren ('zweten' < Mdd. Lat. transpirare < trans + spirare)inspiration ('ingeving' < Lat. inspirare ('inblazen') < in + spirare), conspiration('samenzwering' < Lat. conspirare < cum + spirare)aspirer ('inzuigen, verlangen' < Lat. inspirare ('inblazen')), respirer ('ademen'), inspirer ('ingeven'), conspirer ('samenzweren'), transpirer ('zweten')Transpiration ('zweten' < Lat. trans + spirare)
spiritusspiritusm.adem, geest; hoogmoedesprit ('geest'), spiritisme ('geloof in contact met de doden'), spiritueel ('geestig')spirit ('geest', later ook 'sterke drank'), spiritual ('geestelijk')l'esprit ('geest'), spirituel ('geestelijk')Spiritismus ('geestenleer'), Spirituosen ('sterkedranken')
sponteuit eigen bewegingspontaanspontaneous ('uit eigen beweging')spontané ('spontaan')-
spumo (spumare)schuimen--spumeux ('schuimachtig')-
stabulumstabulin.stal-stable ('stal'), constable ('politieagent')l'étable ('stal')-
statuastatuaef.standbeeld-statue ('beeld')la statue ('beeld')Statue ('standbeeld')
statuo (statuĕre)statui, statutumplaatsen, vaststellen; besluitenstatuut ('voorschrift'), statueren ('verordenen'), substituut ('plaatsvervanger'), prostitueren ('hoereren')destitute ('verlaten' < Lat. destituere ('achterlaten') < de + statuere), substitution ('vervanger'), to prostitute ('hoereren')statuer ('verordenen')statuieren ('opstellen')
constituo (constituĕre)constitui, constitutumopstellen, vaststellen, bepalenconstitueren ('vaststellen')to constitute ('vormen')la constitution ('oprichting')Konstitution ('opbouw'), konstituieren ('vastzetten')
instituo (instituĕre)instellen, oprichten, beginnen; onderwijzeninstituut ('instelling')institution ('instelling')l'institution ('instelling')instituieren ('regelen')
institutuminstitutin.gebruikinstituut ('instelling')institution ('instelling')l'institution ('instelling')Institut ('instelling')
restituo (restituĕre)restitui, restitutumherstellen, teruggevenrestitutie ('teruggave')restitution ('herstel')la restitution ('herstel')Restitution ('herstel'), restituieren ('herstellen')
stellastellaef.sterconstellatie ('sterrenbeeld' < Lat. constellatio), interstellair ('tussen sterren liggend' < Fr. < Lat inter + stella)stellar ('sterren-'), constellation ('sterrenbeeld' < Lat. constellatio < cum + stellare)l'étoile ('ster'), la constellation ('sterrenbeeld' < Lat. constellatio < cum + stellare))interstellar ('tussen sterren bevindend')
sterno (sternĕre)stravi, stratumuitspreiden, ter aarde werpen, effenenstraat ('weg' < Lat. strata < stratum), consternatie ('ontsteltenis' < Lat. consternere < cum + sternere)street ('weg' < Lat. strata < stratum), consternation ('ontsteltenis')l'estrade ('weg')Straße ('weg')
stipendiumstipendiin.belasting, loon, soldij; diensttijd-stipend ('soldatenloon')-Stipendium ('studiefinanciëring')
sto (stare)steti, statumstaan, blijven bijstaan, staat ('toestand'), statief ('voetstuk'), status ('maatschappelijk aanzien'), statistiek ('gegevensinterpratieleer'), constant ('onveranderlijk' < Lat. constare < cum + stare), resteren ('overblijven' < Fr. < Lat. restare < re + stare)to stay ('blijven'), constant ('blijvend' < Lat. constare < cum + stare), distance ('afstand' < Lat. distare ('uit elkaar staan')), substance ('essentie, materiaal' < Lat. substantia < sub + stare)ester ('staan'), la distance ('afstand' < Lat distare ('uit elkaar staan'))Statistiek ('gegevensinterpratieleer'), Statist ('bijrol'), Stativ ('ondersteuningspaaltje'), Kontrast ('tegenstelling' < Lat. contra + stare)
adsto (adstare)adstitierbij staanassistent ('helper' < Lat. assistens < adsistens)assistent ('helper')l'assisstant ('helper')-
statiostationisf.wachtpoststation ('stopplaats voor treinen'), stationair ('stilstaand')station ('stopplaats')le station ('stopplaats')Station ('stopplaats'), stationär ('plaatsgebonden')
constatconstitithet staat vast + A.C.I.constateren ('vaststellen')-constater ('vaststellen')konstatieren ('vaststellen')
insto (instare)institiop de hielen zitten, aandringeninstantie ('rechtbank' < Mdd. Lat. instantia ('rechtsgang'))instant ('direct')l'instance ('autoriteit')Instanz ('rechtsbank' < Lat. instantia)
obsto (obstare)obstiti, obstatumstaan voor, hinderenobstakel ('hindernis')obstacle ('hindernis')l'obstacle ('hindernis')-
praestathet is beter----
praesto (praestare)praestiti, praestatumuitblinken, aan de dag leggenpresteren ('verrichten')-la prestance ('aanwezigheid')-
consisto (consistĕre)constitigaan staan, blijven staanconsistent ('duurzaam')to consist ('bestaan (uit)'), consistence ('samenhang')consister ('bestaan')konsistent ('duurzaam')
exsisto (exsistĕre)exstitite voorschijn komenexisteren ('bestaan')to exist ('bestaan'), existance ('bestaan')exister ('bestaan')Existenz ('bestaan'), existent ('werkelijk')
resisto (resistĕre)restitistil staan, weerstand biedenresistent ('weerstandig')to resist ('weerstaan'), resistance ('weerstand')résister ('weerstaan')Resistenz ('weerstand'), resistent ('weerstandig')
statimmeteen, direct----
stirpsstirpisf.oorsprong, stam-extirpation ('uitroeiing' < Lat. extirpare ('met wortel en al uitroeien'))extirper ('uitroeien')-
strenuusstrenua, strenuumflink----
strepitusstrepitusm.lawaai----
strideo (stridēre)een scherp geluid maken-strident ('schel')--
struo (struĕre)struxi, structumbouwen, opstellen; in elkaar zettenstructuur ('wijze van opbouw'), construeren ('samenstellen' < Lat. cum + struere)structure ('gebouw'), construction ('bouwwerk' < Lat. cum + struere), destruction ('verwoesting' < Lat. de + struere)la structure ('opbouw'), construire ('opbouwen'), Struktur ('opbouw')
instruo (instruĕre)instruxi, instructumordenen, voorzien vaninstructie ('opdracht')to instruct ('opdragen')instruire ('opdragen')instruieren ('leren'), Instruktion ('opdracht')
studiumstudiin.inzet, ijver, streven, toewijding, sympathiestudie ('bestudering v/e bepaald vak'), studio ('atelier')study ('bestudering v/e vak'), studio ('atelier')l'étude ('studie')Studie ('leerrichting')
studeo (studēre)studuiaandacht wijden aan, steunenstuderen ('leergang volgen'), studentto study ('studeren'), studentétudier ('studeren')studieren ('leren'), Student ('leerling')
stultusstulta, stultumdom----
stuprumstuprin.ontuchtmasturberen ('zichzelf seksueel bevredigen' < Lat. manus + stuprare ('ontucht plegen'))to masturbate ('zichzelf seksueel bevredigen' < Lat. manus + stuprare ('ontucht plegen'))--
suadeo (suadēre)suasi, suasumaanraden, (ervan) overtuigen-persuasion ('overtuiging' < Lat. persuadere < per + suadere)persuasif ('overtuigend')-
sub + abl.onder, aan de voet van, tijdens----
sub + acc.onder, kort voor of na----
sublimissublimis, sublimehoog, verhevensubliem ('groots')sublime ('geweldig')sublime ('groots')sublim ('zeer fijnzinnig')
sui, sibi, sezichzelfsuïcide ('zelfmoord' < Lat. sui + caedere)suicide ('zelfmoord' < Lat. sui + caedere)se ('zich'), suicide ('zelfmoord' < Lat. sui + caedere)Suizid ('zelfmoord')
sezich, hem, haar, hen; in A.c.I.: hij, zij (enk.), zij (mv.); abl. ev./mv. van seper se ('stellig')per se ('stellig')--
secumis: cum se----
sibidat. enk./mv. van se----
suussua, suumzijn, haar, hun eigen--son, sa-
suisuorumsuae, suade zijnen (hunnen), zijn (hun) verwanten, aanhangers----
sum (esse)fuibestaan, zijn (als koppelww)essentie ('het wezen'), essence ('aromatisch aftreksel', vanuit alchemie overgenomen), entiteit ('het wezenlijke' < Mdd. Lat. entitas < esse)essence ('wezen'), entity ('wezen'), present ('heden')être, l'entité ('wezen')Essenz ('wezen'), essentiell ('wezenlijk'')
absum (abesse)afuiafwezig -, verwijderd zijnabsent ('afwezig')absence ('afwezigheid')absent ('afwezig')absent ('afwezig')
adsum (adesse)adfuiaanwezig zijn, steunen, bijstaan----
desum (deesse)defuiontbreken, te kort schieten----
erat(hij, zij, het) was----
erant(zij) waren (impf.)----
erit(hij, zij, het) zal zijn----
esset(hij, zij, het) was (conj. impf.)----
est(hij, zij, het) is----
forete zullen zijn (= futurum esse)----
fuerat(hij, zij, het) was geweest (pqpf.)----
fuerit(hij, zij, het) is geweest, was (conj. pf.); (hij, zij, het) zal zijn geweest (fut. ex.)----
fuissete zijn geweest (inf. pf.)----
fuisset(hij, zij, het) was geweest (conj. pqpf.)----
fuit(hij, zij, het) is geweest, was (pf.)----
futurusfutura, futurumptc. fut. van essefuturisme ('kunstrichting')future ('toekomst')le futur ('toekomst')futurisch ('toekomstig')
futurum essete zullen zijn----
insum (inesse)infuizijn in, - op----
intersum (interesse)interfuiliggen tussen, verschillen, aanwezig zijninteresse interest ('interesse')intéresser ('aandacht hebben voor')interessant ('aandachtswaardig'), interessieren ('aandacht besteden')
interesthet maakt verschil, het is van belanginteresse interest ('interesse')l'intérêt ('belang')interessant ('aandachtswaardig'), interessieren ('aandacht besteden')
praesum (praeesse)praefuide leiding hebben----
praesenspraesentispraesens, praesensaanwezig, tegenwoordigpresent ('aanwezig')present ('heden, aanwezig')presenter ('aanwezig zijn')präsent ('aanwezig')
prosum (prodesse)profuivoordelig zijnproost (prosit = praes. con. 3.ev.)proud ('trots' < Laatlat. prode ('gunstig'))preux ('dapper'), prudent ('voorzichtig')prosit ('proost' = praes. con. 3. ev.)
sit(hij, zij, het) is (conj. prae.)----
supersum (superesse)superfuiover blijven----
summussumma, summumgrootste, hoogste-summit ('top')--summa cum laude ('met de hoogste lof', uitdrukking bij uitreiking van excellente diploma's)
summasummaef.hoofdzaak, totaalsom ('totaal'), summier ('beknopt')sum ('totaal'), summary ('sammenvatting')la somme ('totaal'), le sommaire ('inhoudsopgave')Summe ('totaal'), summieren ('samenvatten')
sumo (sumĕre)sumpsi, sumptumnemenresumeren ('samenvatten' < Lat. re + sumere)sumptuous ('weelderig'), presumption ('aanname' < Lat. pre + sumere), assume ('aannemen' < Lat. ad + sumere)présumer ('veronderstellen' < Lat. prae + sumere), résumer ('samenvatten')-
consumo (consumĕre)consumpsi, consumptumverbruiken, opmaken, bestedenconsumptie ('verbruik'), consumeren ('verbruiken')consumption ('verbruik'), to consume ('verbruiken')consumer ('verbruiken')konsumieren ('verbruiken'), Konsument ('gebruiker')
super (adv)(er)boven
super (prep)boven (op), behalve
supero (superare)overtreffen, overwinnen, overblijven-insuperable ('onveroverbaar')--
superbiasuperbiaef.trots, overmoed----
superbussuperba, superbumhoogmoedig, tirannieksuperbe ('prachtig' < Fr. < Lat.)superb ('uitstekend')superbe ('prachtig')superb ('prachtig')
superisuperorumm.(hemel)goden----
superussupera, superumzich bevindend boven, zich boven bevindendsuperieur ('hoger'), sopraan ('hoogste vrouwenstem' < It. < Lat.), souverein ('vorst' < Fr. souverain < Lat. superanus < super)-super ('te gek'), le souverain ('vorst')-
superiorsuperiorissuperior, superiushoger, vroeger, betersuperieur ('hoger')superiorsuperieur ('hoger')Superiotät ('overmacht')
supra(er)boven (bijw. en bijv. nw.)----
supremussuprema, supremumlaatstsuprematie ('oppergezag')supreme ('hoogste')suprême ('hoogste')Suprematie ('oppergezag')
supplexsupplicissupplex, supplexsmekend, nederigsoepel ('buigzaam')supple ('buigzaam')supplier ('smeken'), le suppliant ('smekeling')-
suppliciumsuppliciin.smeekbede, (dood)straf--la supplication ('smeekbede')Supplikation ('smeekbede')
tabulatabulaef.schrijfplankje, registertafel, tabel, tablet (< Fr. tablette (dimin. v. table) < Lat. tabula), tafereel ('gebeurtenis'; < Mdd. Fr. tablel (dimin. v. table) < Lat. tabula)table, tabletla table, le tableau ('schilderij, tabel')Tafel, Tablett ('dienblad')
taceo (tacēre)tacuizwijgen--taire ('zwijgen')-
tacitustacita, tacitumzwijgend, verzwegen, onbesproken-tacit ('stil')tacite ('stil')-
talistalis, taledergelijke, zulke----
talis ... qualiszo(danig) ... als----
tamzo (zeer)----
tametsihoewel----
tamentoch, echter----
tamquamzoals, alsof, als het ware----
tandemtenslotte, (uit)eindelijktandem ('tweepersoonsfiets'; betekenisverandering 'eindelijk' > 'lange rij' > 'achter elkaar')tandem ('tweepersoonsfiets'; betekenisverandering 'eindelijk' > 'lange rij' > 'achter elkaar')tandem ('tweepersoonsfiets'; betekenisverandering 'eindelijk' > 'lange rij' > 'achter elkaar')Tandem ('tweepersoonsfiets'; betekenisverandering 'eindelijk' > 'lange rij' > 'achter elkaar')
tango (tangĕre)tetigi, tactumaanrakentact (< tactum (ppp. v. tango)), intact ('onbeschadigd'; < in + tactum ('niet aangeraakt'))tact (< tactum (ppp. v. tango)), intact ('onbeschadigd'; < in + tactum ('niet aangeraakt')), tactile ('tastbaar')le tact (< tactum (ppp. v. tango)), intact ('onbeschadigd'; < in + tactum ('niet aangeraakt')), tactile ('tastbaar')Takt (< tactum (ppp. v. tango)), intakt ('onbeschadigd'; < in + tactum ('niet aangeraakt')), taktil ('tastbaar')
attingo (attingĕre)attigi, attactumaanraken-to attain ('bereiken'; < Oudfr. attaindre < Lat. attingo)to attain ('bereiken'; < Oudfr. attaindre < Lat. attingo)-
contingo (contingĕre)contigi, contactumaanrakencontact (< contactum (ppp. v. contingo)), contingent ('legergroep')contact (< contactum (ppp. v. contingo))contact (< contactum (ppp. v. contingo)), contingent ('legergroep')Kontakt (< contactum (ppp. v. contingo))
contingithet valt te beurt, het overkomt--contingent ('toevallig')-
tantustanta, tantumzo groot, zo veel----
tantumzoveel--tant ('zoveel')-
tantum ... quantumzoveel ... als----
tantummodoalleen maar, slechts----
tantus ... quantuszo groot ... als----
tardustarda, tardumlangzaam-tardy ('traag')tard ('traag')-
taurustaurim.stier--le taureau ('stier')-
tejou, u--te ('jou')-
tecumis: cum te----
tego (tegĕre)texi, tectumbedekken, verbergen, beschermentegel, detecteren ('opsporen'; < detego < de + tego ('uit verbergen'))tile ('tegel'), to detect ('opsporen'; < detego < de + tego ('uit verbergen')), to protect ('beschermen'; < protego < pro + tego ('voor beschermen'))la tuile ('tegel'), détecter ('opsporen'; < detego < de + tego ('uit verbergen')), protéger ('beschermen'; < protego < pro + tego ('voor beschermen'))Ziegel ('tegel')
integerniet aangeraakt, ongedeerd, onvermoeid, frisinteger ('rechtschapen')integer ('geheel getal'), entire ('geheel')intègre ('rechtschapen'), entier ('geheel')integer ('rechtschapen')
tectumtectin.daktectyl ('antiroestmiddel')-le toit ('huis')-
tellustellurisf.aarde----
telumtelin.werptuig, speer----
temerezo maar, doelloos----
temeritastemeritatisf.roekeloosheid-temerity ('roekeloosheid')--
tempero (temperare)in de juiste verhouding brengen, regelen, maat houden, zich matigentemperatuur (< temperatura ('juiste menging')), temperament ('karakter'; < temperamentum ('juiste menging')), temperen ('matigen')temperature (< temperatura ('juiste menging')), temperament ('karakter'; < temperamentum ('juiste menging')), to temper ('matigen'), temperance ('gematigdheid'; < temperantia < tempero)la température (< temperatura ('juiste menging')), le tempérament ('karakter'; < temperamentum ('juiste menging')), tempérer ('matigen'), la tempérance ('gematigdheid'; < temperantia < tempero), tremper ('nat maken'; oorspr. 'water drinken in plaats van wijn')Temperatur (< temperatura ('juiste menging')), Temperament ('karakter'; < temperamentum ('juiste menging')), temperieren ('matigen, op temperatuur brengen')
templumtemplin.gewijd domein, tempeltempel, contemplatie ('overdenking'; < contemplor ('beschouwen') < con + templum ('met waarnemingsveld'))temple, contemplation ('overdenking'; < contemplor ('beschouwen') < con + templum ('met waarnemingsveld')), template ('sjabloon'; < Fr. templet (dimin. v. temple) < Lat. templum)le temple, la contemplation ('overdenking'; < contemplor ('beschouwen') < con + templum ('met waarnemingsveld'))Tempel
temporatemporumn.slapen-temple ('slaap (van hoofd)'; < Vulg. Lat. tempula < Lat. tempora)la tempe ('slaap (van hoofd)')-
tempto (temptare)onderzoeken, proberen, aanvallententamen (< temptamen ('beproeving'))to tempt ('verleiden'), temptation ('verleiding'), to attempt ('proberen'; < attempto < ad + tempto ('naar proberen'))tenter ('verleiden', 'proberen'), la tentation ('verleiding'), la tentative ('poging')-
tempustemporisn.tijd, situatie, omstandighedentempo, contemporain ('hedendaags'; < contemporaneus ('in dezelfde tijd') < con + tempus ('samen tijd'))tempo, contemporary ('hedendaags'; < contemporarius ('in dezelfde tijd') < con + tempus ('samen tijd')), temporary ('tijdelijk'; < temporarius < tempus)le temps ('tijd', 'weer'), temporel ('tijdelijk'), temporaire ('tijdelijk'; < temporarius < tempus), temporiser ('uitstellen'), contemporaire ('hedendaags'; < contemporarius ('in dezelfde tijd') < con + tempus ('samen tijd')), le contretemps ('tegenvaller'; < contra + tempus ('tegen tijd'))Tempo, temporär ('tijdelijk'; < temporarius < tempus)
tempestastempestatisf.tijd, weer, storm-tempest ('storm')la tempête ('storm'), tempêter ('razen')-
tendo (tendĕre)tetendi, tentumspannen, uitstrekken, streventent (< Fr. tente < Mdd. Lat. tenta < Lat. tentum (ppp. v. tendo)), tendens ('trend'), tenderen ('neigen')tent (< Fr. tente < Mdd. Lat. tenta < Lat. tentum (ppp. v. tendo)), tense ('gespannen'), tendency ('trend'), to tend ('neigen')tendre ('strekken', 'neigen'), la tente (< Mdd. Lat. tenta < Lat. tentum (ppp. v. tendo)), la tension ('spanning'), la tenture ('wandbekleding')Tendenz ('trend')
contendo (contendĕre)contendi, contentumzich inspannen, zich haasten; strijdencontentieus ('betwist')to contend ('strijden')le contentieux ('geschil')-
intendo (intendĕre)intendi, intentumspannen, richtenintendance ('legerafdeling'; verkorting v. Mdd. Lat. superintendentia ('toezicht'))to intend ('bedoelen')l'intention ('bedoeling')Intendant ('toneeldirecteur')
intentusintenta, intentum(in)gespannen, in gespannen verwachting, oplettendintens ('hevig'), intensief ('krachtig')intense, intensiveintense, intensifintensiv
ostendo (ostendĕre)ostendi, ostentumtonen, onder ogen brengen-ostentation ('vertoon')l'ostentation ('vertoon')-
tenebraetenebrarum (vrl. mv.)f.duisternis-tenebrous ('donker')les ténèbres ('duisternis')-
teneo (tenēre)tenui, tentumvasthoudenteneur ('strekking'), tenue ('uniform')to maintain ('onderhouden'; < manu teneo ('in de hand houden'))tenir ('vasthouden'), tenace ('vasthoudend'), tenailler ('vastklemmen'), maintenir ('handhaven'), maintenant ('nu')-
abstineo (abstinēre)abstinuiafhouden vanabstinentie ('onthouding')to abstain ('zich onthouden')abstenir ('zich onthouden')Abstinenz ('geheelonthouding')
contentuscontenta, contentumtevredencontent ('tevreden')content ('tevreden')content ('tevreden')-
contineo (continēre)continui, contentum(bijeen) houdencontainer, continent ('vasteland'), continu, incontinent (< in + contineo ('niet bijeen houden'))to contain ('bevatten'), continent ('vasteland')contenir ('bevatten'), le continent ('vasteland'), continuContainer
obtineo (obtinēre)obtinui, obtentumbezet -, vast houden, in bezit nemen-to obtain ('verkrijgen')obtenir ('verkrijgen')-
pertineo (pertinēre)pertinui, pertentumzich uitstrekken, betrekking hebben op, van belang zijn voorpertinent ('stellig', 'relevant')to pertain ('betrekking hebben op')pertenir ('betrekking hebben op')-
retineo (retinēre)retinui, retentumtegenhouden, vasthouden-to retain ('terughouden')retenir ('terughouden')-
sustineo (sustinēre)sustinui, sustentum(om)hoog houden, uithouden, verdragensouteneurto sustain ('ondersteunen', 'volhouden')soutenir ('ondersteunen', 'volhouden'), souteneur-
tenertenera, tenerumfijn, teertengertender--
tenuistenuis, tenuedun, fijn, nietig, armzalig-tenuous ('dun'), to extenuate ('verzachten'; < extenuo ('uitdunnen'))ténu ('dun'), atténuer ('verzachten'; < attenuo ('verdunnen')), exténuer ('uitputten'; < extenuo ('uitdunnen'))-
terdriemaal----
tero (terĕre)trivi, tritumwrijven, verslijtentermiet (< termes ('houtworm') < tero)termite (< termes ('houtworm') < tero)triturer ('fijnwrijven')Termite (< termes ('houtworm') < tero)
tergumtergin.rug----
terraterraef.land, aarde; grondterras, terrein, terriër (< terrarius ('buiten opgegroeid')), territorium, terrarium, souterrain ('kelderverdieping'; < sub + terra ('onder aarde')), parterre ('benedenverdieping'; < Fr. par terre ('op de grond'))terrace, terrain, terrier (< terrarius ('buiten opgegroeid')), terrestrial ('aards'), territory, terrarium, subterranean ('onderaards'; < sub + terra ('onder aarde'))la terre, la terrasse, le terrain, le terrier (< terrarius ('buiten opgegroeid')), le terreau ('potgrond'), le territiore, le souterrain ('kelderverdieping'; < sub + terra ('onder aarde')), parterre ('benedenverdieping'; < Fr. par terre ('op de grond')), atterrir ('landen'; < ad + terra ('naar land')), enterrer ('begraven'; < in + terra ('in aarde')), déterrer ('opgraven'; < de + terra ('uit aarde'))Terrasse, Terrain, Terrier (< terrarius ('buiten opgegroeid')), Terrarium, Parterre ('benedenverdieping'; < Fr. par terre ('op de grond'))
terreo (terrēre)terrui, territumbang maken-to deter ('afschrikken'; < de + terreo ('weg doen schrikken'))--
exterreo (exterrēre)exterrui, exterritumschrik aanjagen----
terribilisterribilis, terribileverschrikkelijk-terribleterrible-
terrorterrorism.angstterreur, terroristterror, terroristla terreur, le/la terroristeTerror, Terrorist
testor (testari)getuige zijn, verklaren, als getuige aanroepenprotesteren (< pro + testor ('vóór verklaren')), attestatie ('getuigschrift'; < ad + testor ('getuigen naar')), testament (< testamentum < testor)to protest (< pro + testor ('vóór verklaren')), to attest ('getuigen van'; < ad + testor ('getuigen naar')), testament (< testamentum < testor), to detest ('verachten'; < de + testor ('weg verlaren'), to contest ('aanvechten'; < con + testor ('samen getuigen'))tester ('een testament maken'), le testament (< testamentum < testor), protester (< pro + testor ('vóór verklaren')), attester ('getuigen van'; < ad + testor ('getuigen naar')), détester ('verachten'; < de + testor ('weg verlaren'), contester ('aanvechten'; < con + testor ('samen getuigen'))Testament, protestieren (< pro + testor ('vóór verklaren')), attestieren ('getuigen van'; < ad + testor ('getuigen naar'))
testistestism.getuige----
thalamusthalamim.slaapkamer, huwelijk----
tibi(aan) jou, (aan) u (dat.)zie tuzie tuzie tuzie tu
tibiatibiaef.fluit---la tige ('stengel')
tigristigris/tigridism./f.tijgertijgertigerle tigreTiger
timeo (timēre)timuibang zijn, bezorgd zijn voor----
timeo ne + conj.vrezen, bang zijn (voor)zie timeozie timeozie timeozie timeo
timidustimida, timidumangstig, schuchtertimide, intimideren (< in + timidus ('naar angstig'))timid, to intimidate (< in + timidus ('naar angstig'))timide, intimider (< in + timidus ('naar angstig'))Timidität
timortimorism.angst-timorous ('angstig')timoré ('angstig')-
tingo (tingĕre)tinxi, tinctumbevochtigentinttint, to tinge ('tinten'), tincture ('tinctuur'), to taint ('bezoedelen')teindre ('verven'), le teint ('tint'), la teinture ('verf')Tinte ('inkt'), Teint ('gelaatskleur')
tollo (tollĕre)sustuli, sublatumopheffen, wegnemen; beëindigen----
extollo (extollĕre)extuli, elatumopheffen, oprichten, ophemelen, prijzen-to extol ('ophemelen')--
tolero (tolerare)verdragentolererento toleratetolérertolerieren
torqueo (torquēre)torsi, tortumdraaien, slingeren; martelen, kwellentaart (< Mdd. Lat. torta ('brood', 'baksel')), toorts ('fakkel'; < Fr. torche < Lat. torqua ('iets wat ineengewikkeld is')), torderen ('ineendraaien zodat een spiraalvorm ontstaat'), torsen ('dragen'; < Oudfr. torser ('bij elkaar pakken') < Vulg. Lat. torso < Lat. torqueo)torture, torch ('fakkel'; < Fr. torche < Lat. torqua ('iets wat ineengewikkeld is')), extortion ('afpersing'; < ex + torqueo ('uit draaien')), to distort ('verdraaien'; < dis + torqueo ('uiteen draaien')), to contort ('verwringen'; < con + torqueo ('samen draaien')), to retort ('antwoorden'; < re + torqueo ('terug draaien'))tordre ('draaien'), la tortue ('schildpad'), tortiller ('draaien', 'krullen'), la torture, la torche ('fakkel' < Lat. torqua ('iets wat ineengewikkeld is')), la contorsion ('bocht, lenige beweging'; < con + torqueo ('samen draaien'))-
tormentumtormentin.pijnbank, foltering, geschut-torment ('foltering')le tourment ('foltering')-
torreo (torrēre)torrui, tostumroosterentoast (< Mdd. Lat. tosto < Lat. tostum (ppp. v. torreo))toast (< Mdd. Lat. tosto < Lat. tostum (ppp. v. torreo)), torrid ('tropisch'), torrent ('snelle stroom')torride ('zengend'), le torrent ('bergstroom')Toast (< Mdd. Lat. tosto < Lat. tostum (ppp. v. torreo))
totzoveel----
totustotiustota, totumgeheeltotaaltotaltouttotal
trabstrabisf.balk, boomtaveerne ('herberg'; < taverna < traberna < trabs)tavern ('herberg'; < taverna < traberna < trabs)la travée ('balk')-
traho (trahĕre)traxi, tractumtrekken, rekkenabstract (< ab + traho ('weg trekken'), attractie ('aantrekkingskracht'; < ad + traho ('naar toe trekken')), extract ('uittreksel'; < ex + traho ('uit trekken')), traceren ('nasporen'; < Fr. tracer < Vulg. Lat. tractio < Lat. tractus < traho), tractor, trainen (< Fr. traîner ('meeslepen') < Vulg. Lat. *tragino < *trago < Lat. traho))trace ('spoor'; < tractum (ppp. v. traho)), abstract (< ab + traho ('weg trekken'), to attract ('aantrekken'; < ad + traho ('naar trekken')), to extract ('uittrekken'; < ex + traho ('uit trekken')), tractor, to distract ('afleiden'; < dis + traho ('uiteen trekken'))traire ('melken'), tracer ('nasporen'; < Vulg. Lat. tractio < Lat. tractus < traho), traîner ('meeslepen'; < Vulg. Lat. *tragino < *trago < Lat. traho)), l'attraction ('aantrekkingskracht'; < ad + traho ('naar trekken')), l'extraction ('uittrekken'; < ex + traho ('uit trekken'))Traktor, abstrakt (< ab + traho ('weg trekken'), Attraction ('aantrekkingskracht'; < ad + traho ('naar trekken'))
contraho (contrahere)contraxi, contractumsamentrekken, verenigencontract, contraheren ('zich samentrekken')contractle contrat, contracter ('samentrekken')Kontrakt, Kontraktion
detraho (detrahere)detraxi, detractumer van afrukken, wegnemen-to detract ('verminderen')--
tracto (tractare)behandelentraktaat ('verhandeling'), trakteren, trachten ('proberen')treaty ('verdrag'; < Fr. traitié < Lat. tractatus)traiter ('behandelen')Traktat ('verhandeling'), traktieren ('pesten'), trachten ('proberen')
tremo (tremĕre)tremuitrillentrammelant ('ruzie'; < tremulant ('trilllende toon') < Fr. trémuler < Lat. tremulus ('trillend')) to tremble ('trillen'; < Vulg. Lat. tremulo), tremulous ('trilllend'), tremendous ('enorm'; < tremendus (gerundivum v. tremo)), tremor ('huivering')trembler ('trillen'; < Vulg. Lat. tremulo)-
trepido (trepidare)angstig, gejaagd zijn-trepidation ('angst')la trépidation ('gejaagdheid')-
trepidustrepida, trepidumangstig, zenuwachtig-intrépide ('onverschrokken'; < in + trepidus ('niet angstig'))intrépide ('onverschrokken'; < in + trepidus ('niet angstig'))-
trestriumdrie----
tertiustertia, tertiumderde----
triduumtriduin.een drietal dagen----
trigintadertig----
tribuo (tribuĕre)tribui, tributumverlenen, toekennendistribueren ('uitdelen'; < dis + tribuo ('uiteen verlenen')), contribueren ('bijdragen'; < con + tribuo ('samen verdelen')), attribuut ('kenmerkende eigenschap of voorwerp'; < ad + tribuo ('naar verdelen'))to distribute ('uitdelen'; < dis + tribuo ('uiteen verlenen')), to contribute ('bijdragen'; < con + tribuo ('samen verdelen')), attribute ('kenmerkende eigenschap of voorwerp'; < ad + tribuo ('naar verdelen')), retribution ('vergelding'; < re + tribuo ('terug verlenen'))distribuer ('uitdelen'; < dis + tribuo ('uiteen verlenen')), contribuer ('bijdragen'; < con + tribuo ('samen verdelen')), l'attribut ('kenmerkende eigenschap of voorwerp'; < ad + tribuo ('naar verdelen')), rétribuer ('vergelden'; < re + tribuo ('terug verdelen'))-
tributumtributin.belasting-tribute ('heffing')le tribut ('heffing')-
tribunustribunim.leider (van een tribus), officiertribunaal ('rechtbank')tribunal ('rechtbank')le tribunal ('rechtbank')Tribunal ('rechtbank')
tribunus militum/militaristribuni militum/militarism.officier, krijgstribuunzie tribunuszie tribunuszie tribunuszie tribunus
tribunus plebistribuni plebism.volkstribuunzie tribunuszie tribunuszie tribunuszie tribunus
trististristis, tristeonvriendelijk, nors, droevigtriest-tristetrist
triumphustriumphim.zegetochttriomf, troef (< Fr. triomphe ('kaart van de hoogste kaartkleur'))triumphle triompheTriumph, Trumpf (< Fr. triomphe ('kaart van de hoogste kaartkleur'))
tujij, u----
tuustuijouw, uw----
tueor (tueri)beschouwen, kijken, beschermentutortutor, tuition ('onderwijs')le tuteur, la tutelle ('voogdij')Tutor
intueor (intueri)kijken naarintuïtieintuitionl'intuitionIntuition
tum, tunctoen, op dat ogenblik, vervolgens, verder----
cum ... tumzowel ... als----
tumultustumultusm.rumoer, oproer, rebellietumulttumultla tumulteTumult
turbaturbaef.verwarring, verwarde massaturbulent ('woelig'), troebel (< Oudfr. trouble < Vulg. Lat. *turbulus < Lat. turbidus)turbulent ('woelig'), turbid ('troebel')la tourbe ('menigte'), turbulent ('woelig'), trouble (< Vulg. Lat. *turbulus < Lat. turbidus)turbulent ('woelig')
turbo (turbare)in verwarring brengen, verwarren-to perturb ('verstoren'; < per + turbo ('helemaal verwarren')), to disturb ('verstoren'; < dis + turbo ('uiteen verwarren'))la perturbation ('verstoring'; < per + turbo ('helemaal verwarren'))-
turboturbinisf.draaiing, wervelwindturbineturbinela turbineTurbine
turmaturmaef.ruiterafdeling----
turpisturpis, turpelelijk, schandelijk-turpitude ('schande')la turpitude ('schande')-
turristurrisf.torentoren (< Oudfr. tour < Lat. turris)tower (< Ouden. torr < Lat. turris), turret ('torentje'; < Oudfr. torete (dimin. v. tour) < Lat. turris)la tour ('toren')Turm ('toren')
tusturisn.wierook----
tutustuta, tutumveilig----
tyrannustyrannim.tirantirantyrantle tyranTyrann
uberuberisn.borst, uier, vruchtbaarheid-exuberant ('overvloedig'; < ex + ubero ('uit overvloedig zijn'))--
ubiwaar, zodra, wanneer----
ubi gentium?waar ter wereld?zie ubizie ubizie ubizie ubi
ubi primumzodra alszie ubizie ubizie ubizie ubi
ubiqueoveralzie ubizie ubizie ubizie ubi
udusuda, udumnat----
ullusulliusulla, ullumenig, iemand----
ulmusulmif.olmolm ('iep')elm ('iep')l'orme ('iep')Ulme ('iep')
ulteriorulteriorisulterior, ulteriusaan de andere kant gelegen, verder weg liggend----
ultimusultima, ultimumuiterste, laatsteultiemultimateultime-
ultra (bijw.)verder, langerultra-ultra-outre ('behalve')ultra-
ultra (bijv. nw.)aan gene zijde van, over, meer danzie ultra (bijw.)zie ultra (bijw.)zie ultra (bijw.)
ultrobovendien, sterker nog, uit eigen beweging, ongevraagd----
umbraumbraef.schaduw, schim van de dodesombrero (< Sp. sombra ('schaduw')), lommer ('schaduw van gebladerte'; < Fr. l'ombre ('schaduw'))umbrella (< Laatlat. umbrella < Lat. umbella (dimin. v. umbra))l'ombre ('schaduw'), l'ombrelle ('parasol'; < Laatlat. umbrella < Lat. umbella (dimin. v. umbra))sombrero (< Sp. sombra ('schaduw'))
umerusumerin.schouder----in de biologie, humerus = opperarmbeen
umidusumida, umidumvochtig-humid ('vochtig'; h- o.i.v. humus ('aarde')humide ('vochtig'; h- o.i.v. humus ('aarde')humide ('vochtig')
umquamooit----
numquamnooit----
undaundaef.golf, waterinundatie ('overstroming'); < in + unda ('naar water'))to abound ('overvloedig zijn'; < ab + undo ('weg stromen')), to surround ('omringen'; < super + undo ('boven stromen')), redundant ('overbodig'; < re + undo ('opnieuw stromen')), inundation ('overstroming'); < in + unda ('naar water'))l'onde ('golf'), abondant ('overvloedig'; < ab + undo ('weg stromen')), redondant ('overbodig'; < re + undo ('opnieuw stromen')),l'inondation ('overstroming'); < in + unda ('naar water'))-
undewaarvandaan----
undiqueoveral vandaan, aan alle kanten----
universusuniversa, universumgeheel, alle tezamenuniverseel ('algemeen'), universum, universiteituniversal ('algemeen'), universe, universityuniversel ('algemeen'), l'univers, l'universitéuniversal ('algemeen'), Universum, Universität
unusuniusuna, unumeen, (als) enige, alleen-unionun, l'unionUnion
unategelijkertijd, samen----
unicusunica, unicumenig, uniekuniekuniqueuniqueunikal
unus ex + abl.één vanzie unuszie unuszie unuszie unus
urbsurbisf.stad-suburb ('buitenwijk'; < sub + urbs ('onder stad')--
urbanusurbana, urbanumvan de stad, verfijnd, beschaafd-urbanurbainurban
urgeo (urgere)dringen, in het nauw brengenurgent ('dringend')urgent ('dringend'), to urge ('aansporen')urgent ('dringend')urgent ('dringend')
urg(u)o (urg(u)ĕre)ursiin het nauw drijven, met kracht betogen----
uro (urĕre)ussi, ustumverbranden, verteren, kwellen-combustion ('verbranding'; < cum + uro ('met verbranden'))la combustion ('verbranding'; < cum + uro ('met verbranden'))-
usquamergens----
nusquamnergens----
usquehelemaal----
usque ad + acc.tot aanzie usquezie usquezie usquezie usque
ut + ind.zoals, zodra----
ut+ coni.opdat, om te, zodat----
ut primum + ind. pf.zodra (als)----
uterqueutriusqueutraque, utrumquebeide(n)----
utrum (... an)(inleiding van een tweeledige vraag)----
utor (uti)usus sumgebruiken, hebben----
usususa, usumgebruikend (ptc. pf. van utor)-to useuser-
ususususm.gebruik, praktijk; nut-usage ('gebruik'), usualles us ('gebruiken'), l'usage ('gebruik'), usuelusuell
utilisutilis, utilenuttig, geschikt-utile ('nuttig')utile ('nuttig')-
utilitasutilitatisf.nut, voordeel, belang-utilityl'utilité-
utinam(inleiding van wenszin)----
utiquehoe dan ook, tenminste----
uvauvaef.druif----
uxoruxorisf.echtgenote----
vaco (vacare)vrij zijn vanvakantie, vacant ('onbezet')vacation, vacant ('onbezet')vaquer ('leeg zijn'), la vacance, vacant ('onbezet')Vakanz, vakant ('onbezet')
vacuusvacua, vacuumonbezet, leeg, vrij vanvacuüm, evacueren ('ontruimen'; < ex + vacuo ('uit leeg maken'))vacuum, evacuate ('ontruimen'; < ex + vacuo ('uit leeg maken'))la vacuité, évacuer ('ontruimen'; < ex + vacuo ('uit leeg maken'))Vakuun
vagusvaga, vagumzwervend, onbestendigvaagvague, vagabond ('zwerver')vague, vagabond ('zwerver')Vagabund ('zwerver')
valdeerg, zeer----
valeo (valēre)valuigezond, krachtig zijn, in staat zijn; waard zijnvalentie ('bindingswaarde'), ambivalent ('tweestrijdig'; < ambi + valeo ('van beide kanten gelden')), equivalent ('gelijkwaardig'; < aequus + valeo ('gelijk gelden')), evalueren ('beoordelen'; < Fr. avaluer < a value ('op waarde') < valoir < Lat. valeo), valuta ('munteenheid'; < It. valuta < Lat. valeo)value ('waarde'), to prevail ('gelden'; < prae + valeo ('voor gelden')), valor ('dapperheid'), valence ('bindingswaarde'), ambivalence ('tweestrijdigheid'; < ambi + valeo ('van beide kanten gelden')), equivalence ('gelijkwaardigheid'; < aequus + valeo ('gelijk gelden'))valoir ('gelden'), ambivalent ('tweestrijdig'; < ambi + valeo ('van beide kanten gelden')), equivalent ('gelijkwaardig'; < aequus + valeo ('gelijk gelden')), évaluer ('beoordelen'; < Fr. avaluer < a value ('op waarde') < valoir < Lat. valeo)revalidieren ('herstellen')
valegegroet (bij afscheid)----carnaval (< carne + vale ('gegroet vlees'; na carnaval begon de vastingstijd))
valetudovaletudinisf.gezondheid, ziekte----
validusvalida, validumkrachtigvalide, invalidevalid, invalidvalide, invalidevalide, Invalide
vallisvallisf.dalvalleivale, valleyle val-
vallumvallin.walwalwall-Wall
intervallumintervallin.tussenruimteintervalintervall'intervalleIntervall
vanusvana, vanumleeg; onbetekenend, bedrieglijk-vain ('leeg', 'ijdel'), to vanish ('verdwijnen'), vanity ('ijdelheid')vain ('leeg', 'ijdel'), s'évanouir ('verdwijnen'), la vanité ('ijdelheid')-
variusvaria, variumafwisselendvariërenvariety, to varyvarier, la variétévariieren, Variationvariabele (in de wiskunde) is wat kan variëren in de vergelijking
vasto (vastare)verwoesten-to waste, devastation ('vernietiging'; < de + vasto ('weg verwoesten'))dévaster ('vernietiging'; < de + vasto ('weg verwoesten'))-
vastusvasta, vastumwoest, verlaten; wijd, ontzaglijk-waste ('wijd')vaste ('wijd')-
vatesvatism./f.waarzegger; dichter----
-veof----
veho (vehĕre)vexi, vectumvervoeren; varen, rijdenvehikelvehiclela voiture, le véhiculeVehikel
vehemensvehementisvehemens, vehemensonstuimig, heftig-vehementvéhémentvehement
velof; (bij superlativus ter versterking)----
vel ... vel(of) ... of----
velo (velare)bedekken-to veil ('bedekken'), to reveal (< re + velo ('terug bedekken'))voiler ('bedekken'), révéler (< re + velo ('terug bedekken'))-
veloxvelocitasvelox, veloxsnel-velocity ('snelheid')la vélocité ('snelheid'), le vélo ('fiets')Velo ('fiets')
velumvelin.zeil-veil ('sluier')la voile ('sluier')-
velutzoals; alsof, als het ware----
venavenaef.ader-veinla veineVene
venenumvenenin.vergifvenijn ('gif', 'boosaardigheid')venomle venin ('gif', 'venijn')-
venio (venire)veni, ventumkomeninterveniëren ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen tussen')to intervene ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen tussen'), to prevent ('voorkomen'; < prae + venio ('voor komen'))venir, intervenir ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen tussen')intervenieren ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen tussen')
circumvenio (circumvenire)circumveni, circumventumomsingelen-to circumvent ('ontwijken')-
contiocontionisf.bijeenkomst---
convenio (convenire)conveni, conventumsamenkomen, overeenkomenconventie ('overeenkomst', 'vergadering'), convent ('klooster')convention ('overeenkomst', 'vergadering'), convent ('klooster')la convention ('overeenkomst')Konvention ('overeenkomst', 'vergadering'), Konvent ('klooster')
evenio (evenire)eveni, eventumgebeurenevenement ('gebeurtenis'), eventueelevent ('gebeurtenis'), eventuall'événement ('gebeurtenis'), éventueleventuell
invenio (invenire)inveni, inventumvinden, ontdekkeninventie ('uitvinding'), inventaristo invent ('uitvinden')l'invention ('uitvinding')Invention ('uitvinding')
pervenio (pervenire)perveni, perventumaankomenparvenu ('opgeklommen persoon'; < Fr. parvenu < Lat. pervenio)parvenu ('opgeklommen persoon'; < Fr. parvenu < Lat. pervenio)le parvenu ('opgeklommen persoon')Parvenü ('opgeklommen persoon'; < Fr. parvenu < Lat. pervenio)
subvenio (subvenire)subveni, subventumte hulp komensouvenir ('aandenken'; < 'invallen (van gedachten)' < 'te hulp komen')souvenir ('aandenken'; < 'invallen (van gedachten)' < 'te hulp komen')le souvenir ('aandenken'; < 'invallen (van gedachten)' < 'te hulp komen'), subvenir ('voorzien in')Souvenir ('aandenken'; < 'invallen (van gedachten)' < 'te hulp komen')
venithij komt; hij is gekomen/kwamzie veniozie veniozie veniozie venio
adventusadventusm.aantocht, aankomstavontuur (< Vulg. Lat. adventura)adventure (< Vulg. Lat. adventura)l'aventure (< Vulg. Lat. adventura)Abenteuer (< Vulg. Lat. adventura)
venterventrism.buik-ventriloqui ('buikspreken'; < venter + loquor ('buik spreken'))le ventre ('buik')-
ventusventim.windventilator (< ventus + latus (ppp. v. fero) ('windbrenger'))to ventilate (< ventus + latus (ppp. v. fero) ('windbrengen'))le vent, le ventilateur (< ventus + latus (ppp. v. fero) ('windbrenger'))Ventilator (< ventus + latus (ppp. v. fero) ('windbrenger'))
VenusVenerisf.(godin van de) liefde; schoonheid, charme-veneration ('verering')--
ververisn.lente----
verbumverbin.woordverbaalverb, verballe verbe, verbalverbal
vereor (vereri)veritus sumvrezenreverentie ('eerbied')reverence ('eerbied')la révérence ('eerbied', 'buiging')-
vereor ne + conj.ik ben bang dat ...zie vereorzie vereorzie vereorzie vereor
veritusuit vrees, vrezend----
verto (vertĕre)vertidraaien, veranderen, wenden; (pass.) zich bevindenversie, extravert ('naar buiten gekeerd'), introvert ('naar binnen gekeerd'), inversie ('omkering'; < in + verto ('draaien naar'))version, extrovert ('naar buiten gekeerd'), introvert ('naar binnen gekeerd'), inversion ('omkering'; < in + verto ('draaien naar'))la version, l'inversion ('omkering'; < in + verto ('draaien naar')), la perversion ('verdorvenheid'; < per + verto ('draaien door')Version
averto (avertere)averti, aversumafwendenadvertentie (< Mdd. Lat. advertentia ('aanmerking')), aversie ('afkeer')advertisement (< Mdd. Lat. advertentia ('aanmerking'))l'avertissement ('waarschuwing'; < Mdd. Lat. advertentia ('aanmerking')), l'aversion ('afkeer')Aversion ('afkeer')
converto (convertĕre)converti, conversum(om)draaien, veranderenconverteren ('omzetten')to convert ('omzetten')convertir ('omzetten')konvertieren ('omzetten')
me vertozich omdraaienzie vertozie vertozie vertozie verto
verso (versare)wentelen; behandelen, bezig zijn-versed ('geoefend')verser ('gieten'), versant ('kant', 'helling')-
versor (versari)zich bevinden; zich bezig houden metconversatie (< con + versari ('samen zich bezig houden met'))conversation (< con + versari ('samen zich bezig houden met'))la conversation (< con + versari ('samen zich bezig houden met'))Konversation (< con + versari ('samen zich bezig houden met'))
revertor (reverti)reversus sum en revertiterugkeren----
versusversusm.(vers)regelversversele versVersion
vertexverticisf.draaikolk; kruin, topverticaalverticalverticalvertikal
verusvera, verumwaar, werkelijk; juist, behoorlijkverifiëren ('op juistheid onderzoeken'; < Mdd. Lat. verificare < Lat. verus + facere ('waar maken'))to verify ('op juistheid onderzoeken'; < Mdd. Lat. verificare < Lat. verus + facere ('waar maken'))la vérité ('waarheid'), verifiér ('op juistheid onderzoeken'; < Mdd. Lat. verificare < Lat. verus + facere ('waar maken')) verifizieren ('op juistheid onderzoeken'; < Mdd. Lat. verificare < Lat. verus + facere ('waar maken'))
verowerkelijk, inderdaad; echterzie veruszie veruszie veruszie verus
verum (voegw.) maarzie veruszie veruszie veruszie verus
vestigiumvestigiin.(voet)spoor-investigation ('onderzoek'; < in vestigium ('in voetsporen'))le vestige ('spoor'), l'investigation ('onderzoek'; < in vestigium ('in voetsporen'))-
vestisvestisf.kledingstuk, kleedvestvest ('hemd')la veste ('jasje') Weste ('vest')
veto (vetare)vetui, vetitumverbiedenveto ('verbod')veto ('verbod')le veto ('verbod')Veto ('verbod')
vetusveterisvetus, vetusoudveteraanveteranvieux, le vétéranVeteran
vestustiorvetustiorisvetustior, vetustiusouderzie vetuszie vetuszie vetuszie vetus
vexo (vexare)teisteren, kwellen-vexation ('kwelling')la vexation ('belediging')-
viaviaef.weg, straat; reis; methodevia, deviatie ('afwijking'; < de + via ('uit weg'))via, deviation ('afwijking'; < de + via ('uit weg'))la voie ('weg'), la déviation ('afwijking'; < de + via ('uit weg'))via
obviusobvia, obviumtegemoet (adj.)-obvious ('duidelijk')--
obviamtegemoet (adv.)zie obviuszie obviuszie obviuszie obvius
vicinusvicina, vicinumnaburig-vicinity ('buurt')le voisin ('buurman'), vicinal ('lokaal')-
vicisvicisf.afwisseling, beurt; positie, rol--la fois ('beurt')-
in vicemop mijn beurt; beurtelingszie viciszie viciszie viciszie vicis
victimavictimaef.offerdier, slachtoffer-victim--
video (vidēre)vidi, visumzien; erop toezienvideo, evident ('duidelijk'), visumvideo, to review ('herzien'; < re + video ('opnieuw zien')), evident ('duidelijk'), visa ('visum')voir, visa ('visum')Video, Visum
invideo (invidēre)invidi, invisumjaloers zijn, misgunnen-to envy ('benijden')envier ('benijden')-
invidiainvidiaef.afgunst, haat-envy ('jaloezie'; < Fr. envie < Lat. invidia)l'envie ('neiging', 'jaloezie')-
invisusinvisa, invisumgehaat--envieux ('jaloers')-
provideo (providēre)providi, provisumvoorzien, zorgen voorprovisie ('voorraad', 'voorzorg')to provide ('voorzien van')la provision ('voorraad')Provision ('provisie')
videor (videri)(visus sum)schijnen; goed toeschijnen---
visusvisusm.het zien; verschijning, gestaltevisie, revisie ('herziening'; < re + video ('opnieuw zien')), visueel, visitevision, visual, to visitla vision, visuel, la visiteVision, visuell, Visitation
vigeo (vigēre)viguikrachtig zijn-vigor ('kracht')la vigueur ('kracht')-
vigilo (vigilare)wakker, waakzaam zijnsurveilleren (< Fr. surveiller < Lat. super + vigilo ('boven wakker zijn'))surveillance (< Fr. surveiller < Lat. super + vigilo ('boven wakker zijn')), vigilant ('waakzaam')veiller ('wakker zijn'), vigilant ('waakzaam'), réveiller ('wakker maken'; < re + vigilo ('weer wakker zijn'))-
vigiliavigiliaef.het wakker zijn; waakzaam nachtwaken-vigil ('wake')--
vigintitwintig--vingt ('twintig')-
vilisvilis, vilegoedkoop-vile ('walgelijk')vil ('laag')-
villavillaef.hoeve, landgoedvillavilla, village (< Oudfr. vilage < Lat. villaticum ('land rondom een villa') < villa), villain ('slechterik'; < Oudfr. vilain ('boer') < Lat. villanus < villa)la ville ('stad'), la village (< Oudfr. vilage < Lat. villaticum ('land rondom een villa') < villa), vilain ('gemeen'; < Oudfr. vilain ('boers') < Lat. villanus ('tot de villa behorend') < villa), la villaVilla, Weiler ('gehucht')
vincio (vincire)vinxi, vinctumbinden, ontwikkelen----
vinculumvinculin.hand, boei----
vinco (vincĕre)vici, victusoverwinnen-invincible ('onverslaanbaar'; < invincibilis), to convince ('overtuigen'; < con + vinco ('bijeen overwinnen'))vaincre ('overwinnen'), convaincre ('overtuigen'; < con + vinco ('bijeen overwinnen'))-
victorvictorism.overwinnaar, overwinnend----
victoriavictoriaef.overwinningvictorievictoryla victoireViktoria
vindico (vindicare)afspraak maken op; straffen, wreken; beschermenrevanche ('vergelding'; < Oudfr. revengier < vengier < Lat. vindico)to revenge ('wreken'; < Oudfr. revengier < vengier < Lat. vindico), vengeance ('wraak'; < Oudfr. vengeance < vengier < Lat. vindico), to avenge ('wreken'; < Oudfr. avengier < ad + vindico ('wreken naar')), vindicative ('wraakzuchtig')venger ('wreken'), la vengeance ('wraak'; < Oudfr. vengeance < vengier < Lat. vindico), vindicatif ('wraakzuchtig')Revanche ('vergelding'; < Oudfr. revengier < vengier < Lat. vindico)
vinumvinin.wijnwijnwine, vinegar ('azijn'; < Fr. vinaigre ('zure wijn') < Lat. vinum acetum), vine ('wijnstok'; < vinea < vinum)le vin, le vinaigre ('azijn'; < Fr. vinaigre ('zure wijn') < Lat. vinum acetum), la vigne ('wijnstok'; < vinea < vinum)Wein
violo (violare)geweld aandoen-violence, to violatele viol ('schending'), violer ('geweld aandoen'), la violation ('schending')-
virvirim.manviriel ('mannelijk')virile ('mannelijk')viril ('mannelijk')viril ('mannelijk')
virtusvirtutisf.moed, voortreffelijkheid; deugd-virtue ('deugd')la vertu ('deugd')-
virgovirginisf.maagd, meisje-virgin ('maagd')la vierge ('maagd')-
vis(afwijkende verbuiging)f.geweld, kracht; macht, invloed; menigte----
viridisviridis, viridegroen, jeugdig-verdant ('groen'; < Mdd. Fr. virdeant < Oudfr. verdeiier ('groen worden') < Vulg. Lat. viridio < Lat. viridis) vert ('groen')-
visceraviscerumn.ingewanden, vlees-visceral ('inwendig')viscéral ('inwendig')-
viso (visĕre)visibezoekenvisite (< visito < viso)to visit (< visito < viso)la visite (< visito < viso)Visite (< visito < viso)
vito (vitare)vermijden-inevitable ('onvermijdelijk'; < inevitabilis < in + ex + vito ('niet uit vermijden'))éviter ('vermijden'; < ex + vito ('uit vermijden')), inévitable ('onvermijdelijk'; < inevitabilis < in + ex + vito ('niet uit vermijden'))-
vitisvitisf.wijnstok----
vitiumvitiin.ondeugd; vergrijp, fout, gebrekvicieus ('gebrekkig'; < Fr. vicieux < Lat. vitiosus < vitium)vice ('ondeugd'), vicieus ('wreed'; < Fr. vicieux < Lat. vitiosus < vitium)le vice ('ondeugd'), vicieux ('gebrekkig'; < vitiosus < vitium)vitiös ('gebrekkig'; < Fr. vicieux < Lat. vitiosus < vitium)
vito (vitare)vermijden-inevitable ('onvermijdelijk'; < inevitabilis < in + ex + vito ('niet uit vermijden)éviter ('vermijden'; < ex + vito ('uit vermijden')), inévitable ('onvermijdelijk'; < inevitabilis < in + ex + vito ('niet uit vermijden)-
vitulusvitulim.kalf-veal ('kalfsvlees'; Oudfr. veel < vedel < Lat. vitellus < vitulus)--
vivo (vivĕre)vixi, victumlevenvijver (< vivarium ('plaats waar levende dieren gehouden worden') < vivo)to revive ('doen herleven'; < re + vivo ('opnieuw leven')), to survive ('overleven'; < super + vivo ('boven leven'))vivre, la viande ('vlees'; < vivanda ('levensmiddelen') < vivo)), revivre ('herleven'; < re + vivo ('opnieuw leven')), survivre ('overleven'; < super + vivo ('boven leven'))-
victusvictusm.levensonderhoud; levenswijze-victuals ('levensmiddelen')les victuailles ('proviand')-
vitavitaef.levenvitaal ('levendig'), vitamine (< vita + amine (men dacht dat het bestond uit aminozuren))vital ('essentieel', 'levendig'), vitamin (< vita + amine (men dacht dat het bestond uit aminozuren))la vie, vital ('levendig'), la vitamine (< vita + amine (men dacht dat het bestond uit aminozuren))vital ('levendig'), Vitamin (< vita + amine (men dacht dat het bestond uit aminozuren))
vivusviva, vivumlevendvief ('levendig')vivid ('levendig'; < vividus < vivus)vif ('levendig'), vivace ('levendig'), vivifier ('tot leven wekken'; < vivus facio ('levend maken'))-
vixnauwelijks----
vobiscum(samen) met julliezie voszie voszie voszie vos
voco (vocare)roepen, noemenadvocaat (< ad + voco ('bij roepen'))vocation ('roeping'), advocate (< ad + voco ('bij roepen')), to invoke ('aanroepen'; < Mdd. Fr. invoquer < Lat. in + voco ('bij roepen'))la vocation ('roeping'), l'avocat (< ad + voco ('bij roepen')), invoquer ('aanroepen'; < Mdd. Fr. invoquer < Lat. in + voco ('bij roepen'))-vocativus = aanspreekvorm
convoco (convocare)bijeenroepenconvocatie ('samenroeping'; < con + voco ('bijeen roepen'))convocation ('samenroeping'; < con + voco ('bijeen roepen'))la convocation ('samenroeping'; < con + voco ('bijeen roepen'))-
revoco (revocare)terugroepen-to revoke ('terugroepen'; < Oudfr. revoquer < Lat. revoco)révoquer ('terugroepen'; < Oudfr. revoquer < Lat. revoco)-
vox, vocisvocisf.stem; woord, uitlatingvocaalvoice, vocalla voix, vocalvokal
volo (velle)volo, voluiwillen-benevolence ('welwillendheid'; < bene + volens (ppa. v. volo; 'goed willend')), malevolence ('kwaadwillendheid'; < male + volens (ppa. v. volo; 'slecht willend'))vouloir, bénévole ('welwillend'; < bene + volens (ppa. v. volo; 'goed willend')), malévole ('kwaadwillend'; < male + volens (ppa. v. volo; 'slecht willend'))-
malo (malle)liever willen----
nolo (nolle)nolo, noluiniet willen----
volunt(zij) willenzie volozie volozie volozie volo
voluntasvoluntatisf.wil; gezindheid-voluntary ('vrijwillig')la volonté ('wil')-
vult(hij, zij) wilzie volozie volozie volozie volo
volo (volare)vliegenvolleybal (< Mdd. Fr. volee ('vlucht') < volo), volière ('vogelkooi')volleyball (< Mdd. Fr. volee ('vlucht') < volo), volley ('salvo'; < Mdd. Fr. volee ('vlucht') < volo), volatile ('vluchtig')voler ('vliegen'), le vol ('vlucht'), la volière ('vogelkooi')Volley (< Mdd. Fr. volee ('vlucht') < volo), Voliere ('vogelkooi')
volucervolucris, volucrevliegend, gevleugeld; vlug----
voluptasvoluptatisf.lust, genoegenvoluptueus ('sensueel')voluptuous ('sensueel')voluptueux ('sensueel')voluptös ('sensueel')
volvo (volvĕre)volvi, volutumwentelen; overwegenevolutie ('ontwikkeling'; < e + volvo ('rollen uit')), revolutie ('omwenteling'; < re + volvo ('opnieuw rollen')), volte ('wending'), volume ('inhoud'; < volumen ('boekrol') < volvo)evolution ('ontwikkeling'; < e + volvo ('rollen uit')), revolution ('omwenteling'; < re + volvo ('opnieuw rollen')), volume ('boekdeel'; < volumen ('boekrol') < volvo), vault ('gewelf'; < Oudfr. voute < Vulg. Lat. volvita < volutus (ppp. v. volvo))l'évolution ('ontwikkeling'; < e + volvo ('rollen uit')), la révolution ('omwenteling'; < re + volvo ('opnieuw rollen')), le volume ('boekdeel'; < volumen ('boekrol') < volvo)Evolution ('ontwikkeling'; < e + volvo ('rollen uit')), Revolution ('omwenteling'; < re + volvo ('opnieuw rollen')), Volumen ('boekdeel'; < volumen ('boekrol') < volvo)
vosjullie, u--vous-
vestervestra, vestrumuw, jullie--votre-
votumvotin.gelofte; gebed, wensvotief ('van een gelofte')to vote ('stemmen'), to vow ('zweren'; < Oudfr. voe < Lat. votum), devotion ('trouw')le voeu ('gelofte', 'wens'), votif ('van een gelofte'), la dévotion ('trouw'), vouer ('beloven'; < voto < votum), voter ('stemmen'; < Eng. to vote)-
vulgo (vulgare)algemeen maken; bekend maken-to divulge ('openbaar maken'; < dis + vulgo ('uiteen openbaar maken'))divulguer ('openbaar maken'; < dis + vulgo ('uiteen openbaar maken'))-Vulgata = de eerste Bijbelvertaling naar het Latijn
vulgusvulgin.het volk, de mensenvulgair ('lomp')vulgar ('lomp')vulgaire ('lomp')vulgär ('lomp')
vulnero (vulnerare)verwonden-vulnerable ('kwetsbaar')--
vulnusvulnerisn.wond; schade, ongeluk----
vultusvultusm.gezicht, gelaatstrekken----
zephyrusZephyrim.westenwind, wind----