simpele weergave

LatijnBetekenisEtymologie NLEtymologie ENG
a(b)van(af), doorabnormaal, abrupt (< ab - rumpo 'af-breken'), abces ('etterbuil'; < ab - cessus < ab - cedere 'weggaan'), abuis ('vergissing'; < ab - uti 'verkeerd- gebruiken'), abstract (< abs - traho 'wegtrekken'), aversie ('afkeer'; < a - verto 'wegdraaien, afwenden'), ablaut, af, abdicatie ('troonsafstand'; < abdicare 'afstand nemen van' < ab - dicare 'plechtig verkondigen'), abject ('verwerpelijk'; < ab - iacere 'weg - werpen'), abominabel ('verschrikkelijk'; < ab-omen-ilis 'weg-voorteken-lijk'), aboriginal (oorspr.e bewoners van Australië; < ab - originale 'vanaf het begin')to abuse, to abalienate ('tot vijand maken'), abduction ('ontvoering'; < ab-ducere 'wegnemen'), aberration ('afwijking'; < ab-errare 'af-dwalen), abiotic ('niet levend'), abnormal, to abolish ('afschaffen'), abomination ('walgelijk iets'), ablative, appeasement
ac, atqueen--
accendo (accendĕre)in brand steken, aanvuren--
incendo (incendĕre)in brand steken-(to) incense (bewieroken)
incendiumbrand-incendiary
acerhevig, fel vurigacetyl ( < acetum (vinum) 'scherpe wijn' < ac-re < acer), acryl ('scherp/bijtend'), ahorn (onzeker), exacerbatie ('verergering van een ziekte'), vinaigrette (vinum aigre > acer)acerbity, exacerbitation, acetic (vinum acetum < acere < acer), acrylic, eager (< Oudfr. aigre < acrem (acc. van acer)), acrid
aciesslag, slaglinie-edge (van stam *ak- > -acg- > egg- > edg-)
acutusscherpacuut, acuïteit ('scherpte')acute, ague ('malaria', betekende eerst letterlijk: 'plotselinge koorts')
adnaar, tot, bijadvent kalender (< adventus < ad - venio 'aankomen'), ad rem, advies (< ad visum), additioneel (< additionem), adequaat (< ad-aequare 'gelijkmaken'), adjectief (< ad-icio 'toevoegen, bijvoegen'), appartement (< ad- parte (abl. van pars)), appél (< ad - pello 'zich richten tot'), assistent (< ad - sisto 'erbij staan'), adoptieto add (< ad-do), advertisement, to addict (< ad-dico), addition (< ad-do), adept (ad - apiscor), adjunct (ad - iungo), to admire (ad - mirus), adult (adultus ppp. van adolesco), adolescent (< adolesco < ad-alesco), advocaat (< ad - voco)
ad + gerundi(v)umom te
adeozo, zozeer--
adipiscor (adipisci)verkrijgenadept ('ingewijde'; < adeptus (ppp. adipiscor)adept (deskundig, bedreven)
administro (administrare)beheren, besturenadministratie, administreren, administrateur, administratiefadministrative, to administrate, administrator, administration, to administer
adolescensjonge manadolescentadolescent
adversus (adj)toegewend, recht tegenover, ongunstig, vijandigavers ('afgunstig'), aversieadversity, adversary, adverse
adversusongunstig, vijandig, toegewend, recht tegenoveravers ('afgunstig'), aversieadversity, adversary, adverse
adversus, adversumtegen(over), jegensavers ('afgunstig'), aversieadversity, adversary, adverse
adulteriumoverspel-adultery, adulterous
aedesvertrek, tempelediel (< aedilis < aedis)edifice ('gebouw'; < aedificum 'gebouw' < aedis)
aegerziek-aegrotat ('bewijs dat een student ziek is'; < aegroto 'ziek zijn' < aeger)
aegremet moeite, ongaarne--
aequo (aequare)evenaren, gelijk makenadequaat ('overeenkomstig'), equalizer, equatie ('verevening'), equator ('verevenaar'), ijken ('waarmerken'), perequatie ('vereffening'), adequatie, adequerenadequate, equalizer, to equalize, equate, equator ('evenaar')
aequenet zo, even--
aequorzee(oppervlak)--
aequusgelijk, vlak, billijk, gunstigegaal (< Fr. égal < aequalis < aequus), equivalent (< equi-valens < equi - valeo 'evenveel - waard zijn'), equinox ('dag en nacht evening'), equipollent ('gelijkwaardig'; < aequi - pollens 'net zo - krachtig'), equiteit, perequatie ('vereffening' < 'gelijk maken'), equaalequal, equable, equation, equilibrium, equanimity, equivocation, equivalent (< equi-valens < equi - valeo 'evenveel - waard zijn')
iniquusongunstig, onrechtvaardiginiquiteit ('ongelijkheid')iniquity ('ongelijkheid')
aër(beneden)luchtmalaria (< mala aria < malus aer 'slechte lucht'), aerodynamisch, aerobics, ariaaer, aerobatics, aerobic, aircraft, aeroplane, aerosol, aerospace, aeration, aerial
aëriusvan -, in de lucht-aerial
aesbrons, geldera (van aera: 'aparte getallen van een rekening' > 'aparte getallen' > 'jaren'), ertsera (van aera: 'aparte getallen van een rekening' > 'aparte getallen' > 'jaren')
aestaszomerestivatie ('zomerslaap/manier waarop de bladeren van een bloemknop elkaar bedekken')to estivate ('de zomer doorbrengen/zomerslaap houden')
aestimo (aestimare)schatten, menen-to estimate, to aim
aestusdeining, hitteeest (smidshaard), estuarium (< aestuarium; riviermond waar eb en vloed sterk merkbaar zijn)estuary (< aestuarium; wijde riviermond), estivate ('de zomer doorbrengen/zomerslaap houden')
aetasleeftijd, leven(stijd), periodeMiddeleeuwen (media-aetas, onzeker (zie ook aevum))age (< Vulg. Lat. aetaticum < acc. aetatem), teenager
aeternuseeuwig-eternity, eternal, sempiternal (< semper-aeternus 'altijd-eeuwig')
aether(boven)lucht, hemeletherether
aevumtijd, leven(sduur)eeuw (niet rechtstreeks afgeleid, slechts verwant (zie ook aestus)), Middeleeuwen (< media-aevum, onzeker)medieval (< medium-aevum), coeval (< co-aevum (met dezelfde leeftijd))
agerakker, veldakker, agrariër (agrarian, agriculture, pilgrim (< Lat. pelegrinus < peregrinus < peregre ('uit het buitenland') < per-agri 'ver/voorbij het land') zo ook: peregrination, acre
agrestistot de akker behorend, onbeschaafdagrest ('nog onrijpe druiven/landelijk')-
aggredior (aggredi)zich wenden tot, ondernemen, beginnen, aanvallenagressie, agressor (iemand die aanvalt/begint met geweld gebruiken)aggressive, aggressor (iem. die begint met geweld gebruiken), agress ('aanval')
digredior (digredi)uiteengaan, afdwalendigressie ('uitweiding')digression ('uitweiding'), to digress
egredior (egredi)weggaanegressief ('gevormd tijdens het uitademen')egress (uitgang, uitweg)
ingredior (ingredi)binnengaan, beginneningrediënt (< ppa. ingrediens), ingressief ('het begin uitdrukkend')ingredient (< ppa. ingrediens), ingress ('ingang, toegangsrecht')
progredior (progredi)voortgaanprogressie, progressief (omschrijving politieke ideologie)progress
gradusstap, trede, rangordegraad (bij schaalverdelingen), gradatie, gradueel, degraderen (< de-gradus 'stap ergens van af'), retrograde ('in omgekeerde richting gaand'), gradiënt, congres (< con-gredi < con-gradus 'samen-komst')grade, gradual, to graduate, degree, congress (< con-gredi < con-gradus 'samen-komst')
ago (agĕre)drijven, (be)handelen, doorbrengenactie (< ppp. actum), agenda (< res agenda: gerundivum van ago 'dingen die gedaan moeten worden'), acteur (< Lat. actor 'iem. die handelt'), agent ('vertegenwoordiger (o.a. van politie)'), akte (< acta 'de behandelde dingen'), navigatie (navis-agere 'schip - leiden'), reageren (< re-agere 'terug - doen'), redactie (action, actor, agility (
age (imper. bij agĕre)vooruit!--
agito (agitare)opjagen, zich bezig houden metagiteren, (vaak gebruikt: geagiteerd 'heftig')to agitate ('prikkelen'), agitation
exagito (exagitare)opjagen, geen rust laten--
exigo (exigĕre)uitdrijven, verjagen, opeisen; volbrengen, doorbrengenexact (< ppp. exactus), essay (< Fr. essai 'poging' < Lat. exagium 'weging' < exigo)exact (< ppp. exactus), essay (< Fr. essai 'poging' < Lat. exagium 'weging' < exigo), exigence
exiguusklein, gering-exiguous ('klein')
cogo (cogĕre)bijeenbrengen, dwingencoactie ('dwang'), klatser ('knoeier'; < Fr. cache < Fr. cachier < Lat. coactare < cogere. in betekenis: klanknabootsing van de zweep (=werk slecht doen) < dwingen < voortdrijven)cogent ('noodzakelijk'), squat ('kolonist'; < Fr. esquatir 'neerhurken' < Vulg. Lat coactire < cogere)
perago (peragĕre)voltooien, behandelen--
subigo (subigĕre)onderwerpen, dwingen--
agmenstoet, kolonne--
agnuslam, jong schaap--
aitzeggen, beweren--
aiuntzeggen, beweren--
alavleugel (van een vogel), vleugel (van een leger)aileron ('rolroer'; < verkleinw. van Fr. aile 'vleugel' < ala),-
alesgevleugeld, vogel--
albuswitalbino ('zonder pigment'), album ('boek met lege bladeren', bijvoorbeeld voor poëzie, foto's of postzegels. Via betekenis 'boek met een verzameling' > 'verzameling' > grammofoonplaat of CD), Alpen (gebergte), aubade ('ochtendhulde met zang'; < auba 'dageraad' < alba), abeel (populiersoort; < Lat. abellus 'witachtig' < albus)albino ('zonder pigment'), album ('boek met lege bladeren', bijvoorbeeld voor poëzie, foto's of postzegels. Via betekenis 'boek met een verzameling' > 'verzameling' > grammofoonplaat of CD), aubade ('ochtendulde met zang' < auba 'dageraad' < alba)
aliquieen (of ander), enig
alioquioverigens--
aliquandoeens, ooit--
aliquisiemand, een of andere-hidalgo ('spaanse edelman'; < Sp. fidalgo < filho de algo
alius(een) anderalias ('bijnaam'), alibi ('bewijs dat men onschuldig is'; < Lat. alibi < alius - ibi ('ergens anders - daar'))alibi ('bewijs dat men ergens anders was' < Lat. alibi < alius-ibi (ergens anders - daar)), alias ('bijnaam')
alius ... aliusde een ... de ander--
alii…aliisommige…andere--
alienusaan een ander toebehorend, vreemd, ongunstiggealiëneerd ('waanzinnig'/'onder de macht van een ander staand')alien (bijv. nw. 'vreemd' of zst. nw. 'buitenaards wezen')
aliterop een andere wijze, anders--
aliter ac/atqueanders dan--
alo (alĕre)voeden, grootbrengenadolescent (< ad-alesco < alo 'iem. die opgroeit'), coalitie ('verbinding van partijen, bijv. in de regering'; < Lat. coalitium < co-alesco 'samengroeien, zich verbinden'), alimentatie ('bedrag dat gescheiden ouders voor hun kinderen moeten betalen'; < Lat. alimentatio < alimentum ('levensonderhoud') < alo)adolescent (< ad-alesco < alo 'iem. die opgroeit'), alimentary (< alimentum ('levensonderhoud') < alo), aliment ('voedsel'; < alimentum ('levensonderhoud') < alo)
almusvoedend, weldadig-Alma Mater ('milde/gevende moeder', naam voor universiteit)
alterde een (c.q. de ander), tweedealternatief (< Lat. alternativus < alternus 'afwisselend' < alter), alterneren ('afwisselen'; < alternus to alter ('veranderen'), to alternate ('afwisselen'), altruism ('het rekening houden met anderen (ethische overtuiging)'),
altushoog, diephobo (blaasinstrument < haut bois 'hoog-hout' (de hobo maakt een hoog geluid)), alt (lage vrouwenstem; oorspr. hoge mannenstem < vox alta 'hoge stem'), oud (onzeker), altimeter ('hoogtemeter')to enhance ('vergroten, versterken'; < anhaunsen < Oudfr. enhaucier < Vulg. Lat. inaltiare < in-altare < altus), old (onzeker), to exalt ('verheffen'; < ex-altare < altus)
altitudohoogte, diepte-altitude ('hoogte')
ambobeide (tezamen)ambidexter ('zowel links als rechtshandig (zijn)'; < ambo-dexter ('beide-handen')), ambivalent ('dubbelzinnig, tegenstrijdig'; < ambi-valens < ambo-valeo 'beide - waard zijn')ambidextrous ('zowel links als rechtshandig (zijn)'; < ambo-dexter ('beide-handen')), ambivalence ('dubbelzinnig, tegenstrijdig'; < ambi-valens < ambo-valeo 'beide - waard zijn')
ambulowandelenambulance ('gaand ziekenhuis, veldziekenhuis'), allure (meestal negatief: 'arrogant' < 'opvallende houding' < 'opvallende manier van lopen'), prealabel ('voorafgaand'; < prae- 'voor' allable < aller < ambuler < ambulare), noctambule ('slaapwandelaar'; < noctis-ambulo (' 's nachts- lopend')), allee (dialect: 'vooruit')alley ('steegje', waar je door kunt lopen), ambulance ('gaand ziekenhuis, veldziekenhuis'), ambulant ('lopend (i.t.t. bedlegerig'))
amnisstroom, rivier--
amo (amare)liefhebben, houden vanamateur ('iem. die iets voor liefhebberij doet'; < amator 'liefhebber, vrouwengek' < amo), aimabel ('lieflijk'; < ama- bilis ('lief - lijk'))amateur ('iem. die iets voor liefhebberij doet'; < amator 'liefhebber, vrouwengek' < amo)
amorliefdeamoureus ('op liefde betrekking hebbend'; < amorosus < amor), Amor (god van de liefde)amourous ('op liefde betrekking hebbend'; < amorosus < amor), paramour ('liefje': < par amour)
amicus/amicavriend/vriendinamicaal ('vriendschappelijk'; < amicabilis), amice ('vriend')amicable ('vriendelijk'; < amicabilis)
amicitiavriendschap-amity ('vriendschap'; < Vulg. Lat amicitatem < amicitas = amicitia)
inimicusvijand(ig)-enemy (< in - amicus 'tegen - vriend' (i.e. geen vriend))
amarusbitter, grievendamper ('ternauwernood'; < 'bitter, wrang, onaangenaam', morel ('kers'; < amarellus < amarus), amarel (soort kersenboom; < amarellus < amarus)morello ('kers'; < amarellus < amarus)
amplector (amplecti)omarmen, omvatten--
complector (complecti)omarmen, (be)grijpencomplex ('samengesteld geheel'; < ppp. complexus 'bij elkaar genomen'), complice ('medeplichtige'; < complexus 'hij die omarmt wordt/hij die volgt')complex ('samengesteld geheel'; < ppp. complexus 'bij elkaar genomen')
complexusomarmingzie complectorzie complector
amplusruim, aanzienlijkampel ('breeduit, genoeg'), amplificatie ('vergroting'; < amplificatio < amplius - ficio 'groter - maken'), amplitude ('schommeling'; < amplitudo < ampl - -tudo 'grote omvang')to amplify ('vergroten'; < amplificare < amplius - ficio 'groter - maken'), ample ('breeduit, genoeg'), amplitude ('schommeling'; < amplitudo < ampl - -tudo 'grote omvang')
anof--
anguisslang--
angustusnauw, eng, beperktangst (< angor 'angst', verwant met angustus)-
animaadem, levensadem, leven, zielreanimatie ('iem. weer tot leven wekken'; < re-animare 'opnieuw - leven inblazen' < animus), animeren ('vermaken'; < animare 'bezielen'), animatie ('vermaking'; < animare 'bezielen')to animate ('vermaken'/'opvrolijken'; < animare 'bezielen'), reanimation ('iem. weer tot leven wekken'; < re-animare 'opnieuw - leven inblazen' < animus)
animadvertereop-/aanmerkingen maken op, straffen-animadversion ('kritiek')
animallevend wezen, dieranimaal ('dierlijk'), mustang ('prairiepaard'; < *mixtanim < Lat. mixta animalia 'loslopende dieren die zich vermengen met de kudde' < misceo 'mengen')animal
animusziel, geest; gemoed; moedanimo ('opgewektheid'; < animus 'stemming/gemoed')animosity ('verbittering, haat'; < animositas 'moed, eerzucht, vijandschap' < animosus 'moedig, trots, hartstochtelijk')
annusjaaranno (vaak bij merken, bijvoorbeeld: anno 1807; lett. 'in het jaar' (gesticht)), decennium (periode van 10 jaar; < decennis 'tienjarig' < decem- annus) zo ook millenium, annuarium ('jaarboek'; < annuarius 'jaarlijks'), annaal ('jaarlijks'), kwartaal ('vierde van een jaar'; < quartus - annus 'een vierde - jaar')decennial ('tienjaarlijks'; < decennis 'tienjarig' < decem- annus), anual ('jaarlijks'), annuity ('geld dat jaarlijks wordt uitgekeerd')
ante, antea (adv.)tevorenantecedent ('waar een relativum op terugslaat'; < ante-cedens < ante- cedo 'voor-gaan'), anticiperen ('vooruitlopen'; < ante-capere 'voor-nemen/van tevoren nemen'), antipasto ('voorgerecht'; < ante-pasto 'voor-voedsel')ancestor ('voorouder'; < antecessor < ante-cedere 'voor-gaan'), antecedent ('waar een relativum op terugslaat'; < ante-cedens < ante- cedo 'voor-gaan'), to anticipate ('vooruitlopen'; < ante-capere 'voor-nemen/van tevoren nemen'), anterior ('eerder'; < ante), ancient ('zeer oud'; < Fr. ancien < Vulg. Lat anteanus < ante), antebellum ('voor de oorlog', vgl. ook interbellum)
ante (prep.)voorzie ante (adv.)zie ante (adv.)
antequamvoordat--
antiquusoudantiek, antiquariaat (winkel waar (zeer) oude boeken verkocht worden)antique
antrumgrot-antrum ('beenderholte' (van een lichaam, dus een 'lichaamsholte' in de anatomieleer)
anxiusbezorgd, angstiganxiolyticum (een angstwerend middel; Lat. anxius- Oudgr. λυτικος (lutikos): 'angst- werend')anxious ('angstig')
aperwild zwijn--
aperio (aperire)openen, onthullenaperitief ('voorafje, drankje voor de maaltijd'; < aperitivus '(de maag) openend (voor de maaltijd)'), apert ('duidelijk'; < apertus 'geopend, open en bloot' (ppp. aperio)), ouverture ('inleidend orkeststuk'; < Fr. ouvrir 'openen' < ovrir < aperio)aperitif ('voorafje, drankje voor de maaltijd'; < aperitivus '(de maag) openend (voor de maaltijd)'), apert ('duidelijk'; < apertus 'geopend, open en bloot' (ppp. aperio)), ouverture ('inleidend orkeststuk'; < Fr. ouvrir 'openen' < ovrir < aperio)
apertusopen, openbaarapert ('duidelijk')apert ('duidelijk')
apisbijapicultuur ('bijenkwekerij'; < apis - cultura 'bijen - (het) kweken'), apitoxine ('bijengif')apiary ('bijenstal')
appareo (apparēre)verschijnen-to appear
apparethet is duidelijk--
appello (appellare)toespreken, roepen, noemenappelleren ('in hoger beroep gaan'), appel ('beroep')appeal ('beroep, appel')
aptusgeschiktattitude ('houding'; < acc. aptidudinem 'geschiktheid/geschikte houding' < aptitudo < aptus), inept ('ongerijmd'; < in-eptus 'niet geschikt/in orde'), adapteren ('aanpassen'; < adaptare 'naartoe-vastmaken' < ad-aptus 'naar-vastgemaakt/geschikt')to adapt ('aanpassen' < ad-apto 'geschikt maken' < ad-aptus ('naar-geschikt (toe)'), inept ('ongerijmd'; < in-eptus 'niet geschikt/in orde')
apudbij--
aquawateraquajogging ('hardlopen in het water'), aquaduct ( < aqua-ductus (ppp. duco) 'water-wordt geleid'), aquarium (eig: 'drinkplaats voor vee', later in de letterlijke betekenis in gebruik genomen: 'waar water vandaan komt'), aquarel ('waterkleur', verfsoort; < diminuatief van aqua)aquatic ('tot het water behorend'), aquarium (eig: 'drinkplaats voor vee', later in de letterlijke betekenis in gebruik genomen: 'waar water vandaan komt'),
araaltaar--
aratrumploeg--
arbitror (arbitrari)menenarbitrair ('willekeurig' < arbitrarius 'van een oordeel afhangend i.e. onzeker'), arbiter ('scheidsrechter' < 'hij die het oordeel geeft')arbitrator ('jurylid' < 'iem. die zijn mening geeft')
arbitratusmenend, in de mening datarbitrair ('willekeurig' < 'onzeker' < 'van een mening afhangend')-
arbitriumoordeel, beslissingvid. evt. arbitrarivid. evt. arbitrari
arborboomarboretum ('bomentuin' < 'beboste plek')arborist ('bomenspecialist'), arboretum ('bomentuin' < 'beboste plek')
arceo (arcēre)weren-arcane ('geheim, mysterieus' < 'geweerd')
coerceo (coercēre)binnen grenzen houden, bedwingen-to coerce ('dwingen, onderdrukken')
arcesso (arcessĕre)ontbieden, laten komen--
arcusboogarcade ('boogstelling'; < arcada 'galerij met bogen'), arco (muziekterm 'met de strijkstok over de snaren van een instrument strijken'; < arco 'boog, strijkstok'), erker ('uitbouw'; < arcuarium 'uitbouwsel voor boogschieters' < arcuarius 'boogschieter')arch ('boog'), archer ('boogschieter')
ardeo (ardēre)branden, branden van verlangenardente (muziekterm 'vurig')ardour ('hitte, vurigheid')
arduussteil, moeilijk-arduous ('moeilijk, steil')
arena/harenazandarenaarena
argentumzilverargument ( < Lat. arguo 'bewijzen, helder maken' < argentum 'het heldere metaal')argent ('zilver(kleur)')
argutusscherp(zinnig)--
aridusdroog, dor-aridity ('droogte'), arid ('dor')
arista(koren)aar--
armawapens, tuigagealarm (< Fr. a l'arme ('te wapen! Grijp de wapens!'), armada ('oorlogsvloot'; < Spaans verleden deelwoord van armar ('bewapenen') < Lat. armo ('bewapenen')),armor ('bescherming'), zie ook armatus
armatusgewapendzie ook armaarmy ('leger'; < Lat. armata 'gewapende expeditie'), zie ook arma
armentumkudde--
arrigo (arrigĕre)opsteken--
arsambacht, techniek, wetenschap, kunstartiest ('beoefenaar van kunsten'; < ars + achtervoegsel ist), artefact ('door mensen gemaakt voorwerp'; < arte-factus), artillerie ('geschut'; < artillum ('uitrusting, apperatuur') dimin. van ars)art, artist ('beoefenaar van kunsten'; < ars + achtervoegsel ist), artifact ('door mensen gemaakt voorwerp'; < arte-factus), artillery ('geschut'; < artillum ('uitrusting, apperatuur') dimin. van ars)
artusledematenartikel (< 'klein onderdeel'; dimin. van artus), exarticulatie ('afzetting van het gewricht'; < ex - articulus (dim. van artus))article (< 'klein onderdeel'; dimin. van artus), articulation ('verbinding, gewricht'; < articulus (dimin. van artus))
arvumbouwland, akker--
arxburcht, citadel--
asperruw, moeilijkspiritus asper ('harde-adem')asperity ('belediging, ruwheid')
astrumster(rebeeld)desastreus ('rampzalig'; < dis + astrum ('slecht ster'), astraal ('de sterren betreffend')disaster ('ramp'; < dis + astrum ('slecht ster'), astral ('de sterren betreffend')
atmaar--
aterzwart--
atroxgrimmig, dreigend-atrocity ('afschuwelijkheid')
atqui(maar) toch--
audeo (audēre)(aan)durven, wagen--
ausus sumik heb gedurfdzie audeozie audeo
audacia(over)moed-audacity ('dapperheid')
audaxmoedig, overmoedig, brutaal-audacious ('dapper')
audio (audire)horenauditie, auditorium ('gehoorzaal'), audiëntie ('ontvangst'; < Lat. audientia ('het aanhoren')), auditeur ('aanklager')audience ('publiek'; < Lat. audientia ('het aanhoren')), audition, audible ('hoorbaar'; < Lat. audibilis < audio), auditorium, auditor ('toehoorder')
augeo (augēre)vergroten, vermeerderen--
auctor(geestelijk) vader, (aan)stichterauteurauthor
auctoritasgezag, besluit (van de senaat)autoriteitauthority
augurziener (van vogeltekens), voorspellerinauguratie ('inwijding')inauguration ('inwijding')
aurawind, bries, luchtaura ('uitstraling')aura ('uitstraling'), to soar ('zweven, opvliegen'; < Oudfr. essorer < Vulg. Lat. exauro < ex + aura ('uit lucht'))
aurumgoud--
aureusgoudenaureool ('stralenkrans'; < aureolus < aureus)aureole ('stralenkrans'; < aureolus < aureus)
aurisoor--
aurorade dageraad, het oosten--
Austerzuidenwind, zuiden--
autof--
autemmaar, echter--
Autumnusherfst-autumn ('herfst')
auxiliumhulp-auxiliary ('behulpzaam')
auxiliahulptroepen (onz meerv.)zie auxiliumzie auxilium
avaritiahebzucht, gierigheid-avarice ('gierigheid')
avidusbegerig naar-avid ('gretig')
avusgrootvader, voorvader--
axisas, hemel(as)asaxis ('as')
barbarusadi. onbeschaafd, ruw; zst.nw. vreemdelingbarbaar, braaf (oorspr. 'dapper', vgl. Engels 'brave'), bravo ('goed gedaan!'; afgel. v. Italiaans bravo 'goede jongen'), barbarisme (leenwoord in strijd met de eigen taalnormen),barbarian, brave (dapper; etymologie onzeker)
beatusgelukkig, gezegendbeatificatie (zaligverklaring door de paus), Beatrix (lett. 'zegenende vrouw')beatific (gelukzalig), to beatify (zalig verklaren), beatitude (gelukzaligheid)
bellumoorloginterbellum, rebel (re-bellare < re-bellum), duel, duelleren (bellum < duellum, betekenisverandering o.i.v. duo)rebel (re-bellare < re-bellum), duel (bellum < duellum, betekenisverandering o.i.v. duo), bellicose (strijdlustig), belligerent (oorlogvoerend)
imbellisweerloos--
bestiabeest, dierbeest, bestialiteit (beestachtigheid)beast, bestial (beestachtig)
bibo (bibĕre)drinkenbier (etym. onz.)beverage (drank), beer (etym. onz.), bibulous (drankzuchtig)
bistweemaalbiseksueel, beschuit (van bis + coctum, 'aan twee kanten gebakken'), balans (< bis + Lat. lanx 'weegschaal'), combineren (lett. 'twee samen brengen')binary (uit twee delen bestaand; < Lat. binarius 'uit twee delen bestaand), balance (afgel. v. bis + Lat. lanx 'weegschaal')
blandusinnemend, lieflijk-bland (vriendelijk, mild), blandishment (vleierij)
bonusgoed, voornaam, pl. n. goederenbonus (financiëel voordeel)bonanza (rijke vindplaats - ook fig.), bounty (gulle gift), beauty (schoonheid)
bonapl. n. goederen, sing: goed--
bonumhet goede, iets goeds--
benegoedbon (oorspr. betekenis: 'goed voor ...'), bonafide (betrouwbaar), benedictijn (monnik van een bepaalde kloosterorde)to benefit (profiteren), benign (goedaardig), benefactor (weldoener)
beneficiumweldaad, dienstbenefiet (voor de liefdadigheid)beneficiary (de begunstigde), beneficial (voordelig)
meliorbetermelioratie (grondverbetering)to meliorate (beter maken)
meliusbeter (onz./bijw.)--
optimusbeste, zeer goed, voortreffelijkoptimaal, optimistoptimum (het beste), optimism
bosrundbiefstuk ('stuk rundvlees'; bief < Fr. boeuf < Lat. bovem), rosbief (lett. 'geroosterd rund' < Eng. roastbief), bugel (soort trompet; < bugle < buculus verkleinw. van bos)beef (rundvlees), bucolic (van een herder)
bracchiumarmbras (scheepstouw)bracelet (armband), to embrace (omhelzen), brace (koppel), brassiere ('de armen omgevend', beha, afk. bra)
breviskortbrief (oorspr. 'kort bericht'), briefen (in het kort voorlichten), brevet (diploma)brief (kort), abbreviation (aforting), briefing (korte voorlichting)
brevi (adv.)(in) korte tijd--
cacumentop, spits--
cado (cadĕre)vallen, sneuvelenkans, kadaver, decadent ('in verval'), kaduuk, cadans (muziekterm), cadens (muziekterm), recidivist ('crimineel die weer in de fout gaat')cascade, to decay ('afnemen'), chance
accido (accidĕre)gebeuren-accident
concido (concidĕre)instorten--
incido (incidĕre)vallen op, terechtkomen in, gebeurenincident, coïncidenteelincident, coïncidental
casusval, voorval, toeval, ongeval-case, casual
occasiogelegenheidoccasion ('koopje'; term uit autoverkoop)occasion ('gelegenheid')
caecusblind-cecum ('blinde darm')
caedo (caedĕre)omhakken, vellen, dodenprecies (< praecisum ('kort samengevat') < ('afgehakt')), cement (''gehakte' steen'), genocideto decide, scissors (< cisor ('snijder')), incision ('insnijding'), suicide, circumcision ('besnijdenis')
caedesslachting, bloedbad--
occido (occidĕre)vallen, sneuvelen-occident ('westelijke wereld', lett. 'bij de ondergaande zon')
caelumhemel, lucht-ceiling ('de hemel verbergend'; < celo, -are ('verbergen'))
caelestishemels, goddelijk, godheid, god-celestial
caeruleusblauw, groen-cerulean ('blauw-groen')
campusveld, vlaktekampioen ('winnaar op het sportveld'), kamperen, campagnecampus (studentenwoningen op universiteitsterrein), camper ('kampeerwagen')
candidusstralend wit, stralendkandidaat (in Rome solliciteerde men in witte toga naar een publiek ambt), kandelaarcandid-camera (niet-in scène gezette filmopnamen), candidate
canishondkanjer (< Oudfr. cagnard ('luiaard'; scheldwoord voor rijke personen > 'voornaam persoon' > 'bijzonder capabel persoon'), kennel ('hondenhuis'; via Fr. chenil), kanarie (vogel v/d Canarische Eilanden ('hondeneilanden'))canine ('hond(s)'), canary
cano (canĕre)(be)zingen, voorspellenal in de klassieke tijd vervangen door 'cantare', zie daaral in de klassieke tijd vervangen door 'cantare', zie daar
canto (cantare)zingenaccent (< ad + canere ('muziek bij de spraak')), chantage ('afpersing', lett. 'iemand laten zingen')accent, charm ('toverspreuk')
cantuslied, gezangchant ('a capella gezang')
carmenlied, gedicht, toverspreukcharmantcharm (lett. 'toverspreuk', ook 'charme'), charming
capio (capĕre)pakken, nemen, innemenkabel, anticiperen ('ergens op voorbereid zijn'), kapen, capsule, inkapselencapable ('in staat tot (be)grijpen'), to participate (samenst. met pars), catering (< Eng. to cater ('voedsel verzorgen') < Oudfr. achater ('kopen ter dienstverlening'))
accipio (accipĕre)ontvangen, krijgenaccepteren, acceptatieto accept
captivuskrijgsgevangene-captive
concipio (concipĕre)opnemen, zich voorstellenconcept ('idee', 'voorlopige opzet'), conceptie ('bevruchting')to conceive ('zwanger worden', 'bedenken'), conceivable ('voorstelbaar'), concept ('idee')
excipio (excipĕre)uitnemen, uitzonderen, opnemen; opvangen-except, exception
incipio (incipĕre)beginnen-inception
inceptumbegin, onderneming--
percipio (percipĕre)in zich opnemen, waarnemen, begrijpenperceptie ('waarneming')perception ('waarneming'), perceptible
praecipio (praecipĕre)van te voren nemen, voorschrijven--
praeceptumvoorschrift-precept ('voorschrift'), preceptor ('leermeester')
recipio (recipĕre)terugnemen, terugtrekken, opnemen, ontvangen; (met se) zich herstellenreceptie ('gastenbalie / borrel na afloop'), recept, recipiërenreception, recipe
me recipio (se recipĕre)zich herstellen, (zonder se) terugnemen, terugtrekken; opnemen, ontvangen--
suscipio (suscipĕre)op zich nemen, ondernemen-susceptible ('gevoelig')
caputhoofd, monding, leider, hoofdstadkapitein (staat "aan het hoofd"), biceps (spier met "twee hoofden"), kaap ('in zee uitstekende landpunt'), recapituleren ('samenvattend herhalen')capital ('hoofdstad'), to decapitate ('onthoofden'), chief (< Oudfr. chief < Ital. capo), chapter ('hoofdstuk')
capillushaarcapillair ('haarvat', dun bloedvaatje)to dishevel (< dis + capillus ('er slordig bij laten hangen')), capillary ('haarvat', dun bloedvaatje)
praeceps, -ipitishals over kop omlaag, overhaastprecipitatie ('neerslag'; scheikundige/weerkundige term)precipitate ('neerslag'), precipitate ('overhaast'), to precipitate ('voorover vallen'), precipice ('steile rotswand', 'afgrond')
careo (carēre)missen, niet hebbencariës (gaatje in de tanden)caret (leeg gelaten plek in een boek), caries (gaatje in de tanden)
carinakiel, schip-to careen ('een schip overhellen')
carpo (carpĕre)plukkenherfst (oorspr. 'oogstmaand', vgl. Eng. harvest), schaars (< Lat. excarpsus ('weinig voorhanden'))excerpt ('uittreksel', 'fragment'), harvest ('oogst'), carpet ('tapijt')
carusduur, geliefd-charity ('liefdadigheid'), to cherish ('koesteren')
castrakamp--
castellumfortkasteel, kastelein (oorspr. 'kasteelbeheerder')castle, castellated ('met kantelen versterkt')
castuskuis, rechtschapenkastijding (< castigare ('tot rechtschapenheid dwingen')), kaste (naam voor de bevolkingsklassen in India)chastity ('kuisheid'), to castigate ('tot rechtschapenheid dwingen'), caste (naam voor de bevolkingsklassen in India)
incestusonkuis, onreinincest ('seks tussen bloedverwanten')incest ('seks tussen bloedverwanten')
causazaak, proces, reden, oorzaakcausaal ('oorzakelijk'), zich excuseren (< Lat. ex + causa ('aan de rechtszaak onttrekken')), liefkozen (< lief + kozen ('spreken') < ('als (rechts)zaak bespreken'))cause ('oorzaak'), to accuse (< Lat. ad + causa ('voor het gerecht slepen')), to excuse (< ex + causa ('aan de rechtszaak onttrekken'))
causa (postpostie + gen.)omwille van--
caveo (cavēre)oppassen (voor)caveat (bericht dat iemand moet oppassen)caution ('voorzichtigheid'), caveat (bericht dat iemand moet oppassen, inspraak)
cavusholkabinet (< Ital. gabinetto < Lat. cavea ('(holle) dierenkooi')), caverne ('holle ruimte')cave ('grot'), cabinet ('geheime voorraadruimte'), to excavate ('uithollen'), cavern ('holle ruimte')
cedo (cedĕre)(weg)gaan, wijken (voor)precedent ('eerder plaats gevonden hebbend geval'), antecedent (woordgroep die een betrekkelijke bijzin inleidt), cessie ('overdracht van een recht')necessary ('noodzakelijk'< 'niet te ontwijken'), ancestor ('voorouder'; < Lat. ante + cedere)
accedo (accedĕre)naderen, erbij komenaccessoire ('hulpmiddel', 'toebehoren')access ('toegang'), accessory ('medeplichtige', 'hulpmiddel')
concedo (concedĕre)wijken, weggaan, zwichten, toestaanconcessie ('tegemoetkoming')concession ('verlening van een vergunning', 'tegemoetkoming')
decedo (decedĕre)weggaan--
discedo (discedĕre)uiteengaan, weggaan--
excedo (excedĕre)uit-, weggaan, overschrijdenexcessief ('overmatig'), exces ('een geval van overmaat')excess ('overmaat'), excessive ('overmatig')
incedo (incedĕre)voortgaan, binnengaan--
procedo (procedĕre)voortgaanproces ('rechtszaak', 'voortgang'), procedure ('gang van zaken'), processor ('computeronderdeel'), processie ('optocht')process ('rechtszaak', 'voortgang'), procession ('optocht'), processor ('computeronderdeel')
recedo (recedĕre)teruggaan, weggaanreces ('vakantie'), recessie ('economische achteruitgang'), recessief ('latent'; biologische term)recess ('uithoek'), recess ('vakantie'), recession ('economische achteruitgang'), recessive ('latent'; biologische term)
succedo (succedĕre)gaan onder, naderen, opvolgensucces ('welslagen'), successie ('opvolging'), successievelijk ('achtereenvolgens')successful ('voorspoedig'), succession ('reeks', 'opvolging')
cesso (cessare)onbenut blijven, dralensussen ('tot rust brengen')cease ('ophouden'), incessant ('onophoudelijk')
celebro (celebrare)vereren, vieren-celebrity ('beroemdheid')
celer, -issnelaccelereren ('versnellen')to accelerate ('versnellen')
celo (celare)verbergencel (< Lat. cella ('kamer'))to conceal ('verbergen'), ceiling (lett. 'de hemel verbergend'; o.i.v. Lat. caelum)
celsushoogexcellent ('uitstekend')excellent ('uitstekend')
cenamaaltijdcenakel (zaal van het Laatste Avondmaal, ook 'literaire kring')cenacle (zaal van het Laatste Avondmaal, ook 'literaire kring')
censeo (censēre)denken, vinden, besluitenrecensie ('boekbespreking'), census ('volkstelling')recension ('herziening van een boek')
censorcensorcensuur (bemoeienis van de overheid met de publicatie en/of inhoud van boeken, cd's, films etc.)censorship ('censuur')
centumhonderdcent (lett. 'honderdste deel (van een euro)'), procent ('honderdste deel'), centimeter ('honderdste deel van een meter')century ('eeuw', 'honderd jaar'), cent (lett. 'honderdste deel (van een dollar)'), percent ('procent')
centuriocenturio (officier aan het hoofd van een centuria, een afdeling van honderd man)--
ducenti, -ae, -atweehonderd--
cerawas, schrijftafeltjekerosine ('brandstof', lett. 'aardwas')sincere ('oprecht', lett. '(als honing) zonder was', etym. onz.)
cerno (cernĕre)onderscheiden, zienkrijt (< Lat. terra creta ('gezuiverde aarde')), concern ('groot bedrijf'), discreet ('onopvallend', 'bescheiden')concern ('zorg'), secret ('geheim'; < Lat. secernere ('afzonderen')), to concern ('betrekking hebben op')
certe (adv)zeker, tenminste, althans--
certuszeker, vastcertificaat ('diploma')certain ('zeker'), certificate ('diploma')
crimenbeschuldiging, aanklacht; misdaad, vergrijpcrimineel ('misdadiger'), criminaliteit ('georganiseerde misdaad'), zich incrimineren ('zichzelf beschuldigen')crime ('misdaad'), criminal ('misdadiger'), to incriminate ('beschuldigen'), to recriminate ('een tegenbeschuldiging inbrengen')
decerno (decernĕre)vaststellen, besluiten; toekennen-
decretumbesluitdecreet ('besluit', 'verordening')decree ('besluit', 'verordening')
discrimenonderscheid, kritiek moment, gevaardiscrimineren (mensen niet gelijk behandelen op grond van bepaalde niet ter zake doende kenmerken)to discriminate (mensen niet gelijk behandelen op grond van bepaalde niet ter zake doende kenmerken)
incertusonzeker--
certamenwedijver, gevecht--
certo (certare)strijden, wedijverenconcert (oorspr. muziekstuk waarin tussen solo-instrument en orkest gewedijverd wordt)concert (oorspr. muziekstuk waarin tussen solo-instrument en orkest gewedijverd wordt)
cervixnek-cervix ('baarmoederhals')
cervushertcerviduct ('viaduct voor overstekend wild')-
ceterusoverig--
ceterioverige(n), andere(n)--
ceterade overige/andere dingenet cetera ('enzovoort')et cetera ('enzovoort')
ceterum (adv)overigens, verder, maar, echter--
ceuzoals--
cibusvoedsel--
cieo (ciēre)in beweging brengenciteren ('iemands woorden aanhalen' < 'voor het gerecht slepen'), sollicitatie ('om een baan vragen'; < Lat. sollicitare ('opwinden, zich inspannen voor'))exciting ('opwindend'), to solicit ('tippelen')
cingo (cingĕre)omringensingel ('omringende gracht'), ceintuur ('siergordel')succinct ('kort, bondig'; lett. 'strak omringd'), precinct ('gebied afgebakend voor overheidsgebruik'; < praecingo ('omheinen'))
cinisas-to cinder ('verbranden')
circa, circum (prep.)rondom, in de buurt vancirca ('ongeveer')circa ('ongeveer')
circa, circum (adv.)rondom, er omheencirkel ('rond figuur'), circus (oorspr. 'ronde renbaan'), circulatie ('omloop', 'kringloop')circle ('rond figuur'), circus (oorspr. 'ronde renbaan'), to circle ('rondcirkelen')
citussnel--
cito (adv.)snel--
civisburger--
civilisburger-, openbaarciviel ('van de burgers'), civilisatie ('beschaving')civil ('van de burgers'), civilisation ('beschaving')
civitasburgerij, staat, burgerrecht-city ('stad'), citizen ('burger')
cladesnederlaag, ramp--
clamo (clamare)schreeuwen, roepenreclame ('openbare aanprijzing'), claim ('aanspraak'), declamatie ('voordracht')to acclaim ('toejuichen'), claim ('aanspraak')
clamor(ge)schreeuw--
exclamo (exclamare)uitschreeuwen, uitroepen-exclamation mark ('uitroepteken'), to exclaim ('het uitschreeuwen', 'tekeer gaan')
clarushelder, duidelijk; beroemddeclareren (oorspr. 'duidelijk maken'), klaar ('duidelijk')clear ('duidelijk', 'helder'), to declare ('verklaren', 'aankondigen'), to clarify ('ophelderen')
praeclarusschitterend, voortreffelijk--
classisvlootklas ('groep op school'), klasse ('categorie', 'rang'), classificeren ('indelen in groepen'), klassiek ('antiek', 'monumentaal')class ('groep op school', 'categorie', 'rang'), classic ('antiek', 'monumentaal')
claudo (claudĕre)(af)sluitenkluis ('afsluitbare kast'), sluis (< 'buitengesloten water' < Lat. aqua exclusa), claustrofobie ('opsluitingsangst')to close ('sluiten'), closet ('kast' < 'afgesloten ruimte')
includo (includĕre)in-, opsluiteninclusief ('ergens bij inbegrepen')to include ('bevatten')
clementiamildheid, vriendelijkheid, genadeclementie (in machtsuitoefening vertoonde mildheid)clemency (in machtsuitoefening vertoonde mildheid)
cliensclient (beschermeling, afhankelijk van een patronus), vazalcliënt (beklaagde die door een advocaat wordt bijgestaan), clientèle ('het geheel van vaste klanten')client (beklaagde die door een advocaat wordt bijgestaan), clientele ('het geheel van vaste klanten')
clivushelling-proclivity ('neiging'), declivity ('aflopende helling'), acclivity ('opwaartse helling')
coepisse, coeptus sumbeginnen--
cogito (cogitare)(be)denken, zinnen op-to cogitate ('nadenken', 'overwegen')
cogitatiooverweging-cogitation ('overweging')
cognitiokennis, inzicht, onderzoekincognito ('onherkenbaar'), cognitie ('proces van kennisverwerving')to recognize ('herkennen'), acquaintance ('vriend', 'kennis'), cognition ('proces kennisverwerving')
cohorscohort, (leger)afdeling-court ('rechtbank', 'koninklijk hof', '(tennis)baan'), courtesy ('hoffelijkheid', 'beleefdheid')
collisheuvelkolom (< Lat. columna ('zuil')), kolonel ('militaire rang'), colonne ('troep soldaten'), column ('kort, opiniërend stukje in de krant')column ('zuil', 'kolom', 'kort, opiniërend stukje in de krant'), colonel ('militaire rang')
collumnekdécolleté ('ontbloot gedeelte onder de hals'), kolder ('bovendeel van het harnas'), accolade ('verbindingshaakje: {...}' (vanwege de uitgebeelde omhelzing))collar ('halsband'), décolleté ('met laag uitgesneden hals')
colo (colĕre)verzorgen, (ver)eren-domicile ('woonplaats')
agricolaboeragricultuur ('landbouw')agriculture ('landbouw')
coloniavestiging in den vreemde, provinciestadkoloniecolony
colonuskolonistkolonistcolonist
cultusverering, verzorging, levenswijzecultuur ('beschaving', dat wat volkeren verschillend maakt), cultus ('geheel van rituelen ter verering van een godheid'), cultiveren ('geschikt maken voor landbouw')culture ('beschaving', dat wat volkeren verschillend maakt), cult ('geheel van rituelen ter verering van een godheid'), to cultivate ('geschikt maken voor landbouw')
incolo (incolĕre)bewonen--
colorkleur, tintkleurcolour ('kleur')
coma(hoofd)haar--
comesmetgezel, vriend, volgeling-constable ('politieagent'; < Lat. comes stabuli ('stalmeester'))
comitor (comitari)vergezellen, begeleiden-concomitant ('begeleidend', 'bijkomend')
commeatuskonvooi, (aanvoer van) proviand-congee ('afscheid', 'ontslag')
communisgemeenschappelijkcommunicatie (lett. 'iets gemeenschappelijk maken'), communisme ('ideologie van gelijkheid en gemeenschappelijkheid')common ('gemeenschappelijk', 'algemeen'), community ('gemeenschap'), communication (lett. 'iets gemeenschappelijk maken')
comprehendo (comprehendĕre)(be)grijpen-to comprehend ('begrijpen')
deprehendo (deprehendĕre)grijpen, betrappen--
conciliumvergaderingconcilie ('kerkvergadering')council ('vergadering', 'beraadslaging'), to conciliate ('weer bij elkaar brengen', 'verzoenen')
condiciovoorwaarde, toestand, lotconditie ('voorwaarde', 'lichamelijke gesteldheid')condition ('voorwaarde', 'lichamelijke gesteldheid')
conor (conari)trachten-conation ('streving')
conor si...proberen of...--
consuetudogewoonte, vertrouwelijke omgang-customary ('gebruikelijk')
consuesco (consuescĕre)zich gewennenkostuum ( < Ital. costume ('gewoonte', 'klederdracht'))le costume ( < Ital. costume ('gewoonte', 'klederdracht'))
consulo (consulĕre)beraadslagen, raadplegen; zorgen voorconsulente (adviesbureau), consult (medisch/financiëel advies)consultant (adviseur)
consiliumoverleg, beleid; besluit, plan-counsellor ('advocaat', 'raadsman'), counsel ('raad', 'advies')
consulconsulconsul ('hoofd van de ambassade')consul ('hoofd van de ambassade')
consularistot de consul behorend, oud-consulconsulair ('tot de consul behorend')consular ('tot de consul behorend')
consulatushet ambt van consulconsulaat ('ambassade')consulate ('ambassade')
contemno (contemnĕre)verachten, van geen belang vinden-contempt ('minachting')
contra (adv.)er tegenover, daarentegen, anderzijdscontrast ('tegenstelling'; < Lat. contra + stare), controversiëel ('hevig bediscussiëerd', 'taboe'), controleren ('inspecteren en op orde houden'; < Lat. contra + rotulus ('boekrol, register'): men hield in de Middeleeuwen boekhoudingen op orde door er een "tegenkopie" op na te houden)country ( < Vulg. Lat. (terra) contrata ('tegenoverliggend, uitgestrekt land')), contraband ('smokkelwaar'; < Ital. bando ('afkondiging')), counterfeit ('vervalsing'; < Lat. contrafacio ('als kopie vervaardigen'))
contra (prep.)tegenover, tegencontra (adv.) zie daarcontra (adv.) zie daar
contrariustegenovergesteldcontrair ('onderling strijdig', 'tegenovergesteld')contrary ('tegenovergesteld')
contumeliabeschimping-contumely ('vernedering', 'minachting'), contumelious ('schaamteloos')
convello (convellĕre)losscheuren, aan het wankelen brengen-to convulse ('in rep en roer brengen'), convulsion ('stuiptrekking')
conviviummaaltijd-convivial ('van het feestmaal')
corhartakkoord ('overeenstemming'; < ad + cordare ('de harten in overeenstemming brengen')), kordaat ('ferm'; < cordatus ('verstandig'): het hart als zetel van het verstand), record ( < Lat. recordari ('zich herinneren' > 'de meest memorabele prestatie')core ('kern'), according to ('volgens', 'in overeenstemming met'; < ad + cordare ('de harten in overeenstemming brengen')), record ('opname'; < Lat. recordari ('zich herinneren')), courage ('moed')
concordiaeendrachtconcordaat ('verdrag tussen staten'), concordantie ('woordenregister')concord ('overeenkomst', 'verdrag'), concordance ('harmonie', 'woordenregister')
discordiaonenigheid-discord ('onenigheid'), to discord ('van mening verschillen', 'afwijken')
cornuvleugel (van een leger), hoorn, hoekhoorn ('muziekinstrument'), kornuit ('kameraad'; oorspr. < Lat. cornutus (iemand bij wie 'de horens opgezet zijn', d.i. wiens vrouw is vreemdgegaan))corner ('hoek', 'hoekschop'), horn ('hoorn'), scorn ('hoon', 'smaad'; < Lat. excornare (lett. 'iemands horens afbreken'))
coronakranskroon, kruin ('bovenste deel van het hoofd'), corona ('kransslagader')crown ('kroon'), coronation ('kroning')
corpuslichaam, lijkincorporeren ('opnemen', 'inlijven'), corporatie ('vereniging van bedrijven'), corpulent ('dik'), corps ('studentenvereniging'), korps ('groep'; van bijv. politieagenten)corpse ('lijk'), corporation ('vereniging van bedrijven'), corps ('korps'), to incorporate ('opnemen', 'inlijven')
cortexbast, schilschors ( < Lat. scortum ('huid') + cortex ('bast')), kurk ( < Latijn via Arab. qurq ('kurk'))cork ('kurk'), cortex ('schors'), to scorch ('verschroeien'; < Lat. excorticare ('ontkurken'), etym. onz.)
crebertalrijk--
credo (credĕre)geloven, vertrouwen, toevertrouwenkrediet ( < creditum (lett. 'het toevertrouwde')), accreditatie ('bewijs van vertrouwen'), credo (christelijke geloofsbelijdenis)credit ( < creditum (lett. 'het toevertrouwde')), incredible ('ongelooflijk'), grant ('schenking'; < Oudfr. granter < Oudfr. créanter ('toewijzen'))
creo (creare)scheppen, kiezencreatie ('schepping'), creatief ('vindingrijk', 'met artistieke aanleg'), recreatie ('het herstellen', lett. 'opnieuw scheppen van de geest')to create ('scheppen'), creature ('wezen'), to procreate ('zich voortplanten', 'verwekken'), creative ('vindingrijk', 'met artistieke aanleg'), recreation ('het herstellen', lett. 'opnieuw scheppen van de geest')
cresco (crescĕre)groeienrekruteren ('soldaten ronselen', lett. 'de oogst binnenhalen'; < Fr. le récru ('het jaarlijkse groeisel, oogst')), concreet ('duidelijk', 'als vorm herkenbaar'; < Lat. concretum (lett. 'samengegroeid'))concrete ('beton'; < Lat. concretum (lett. 'samengegroeid, verdicht')), crew ('groep samenwerkende mensen')
crineshaar--
crudeliswreed-cruel ('wreed')
crudelitaswreedheid-cruelty ('wreedheid')
cruorbloed--
cruentusmet bloed bevlekt--
cubilerustplaats, bed--
culpaschuldreprimande ('berisping'; < Fr. reprimande < Lat. culpa reprimenda ('schuld die teruggedrongen moet worden'))culpable ('afkeurenswaardig'), culprit ('beklaagde', 'schuldige')
cum (prep.)metin samenstellingen als con-, bijv. concurrent (iemand met wie je concurreert), compositie ('samenstelling'), collecte ('inzameling')in samenstellingen als con-, bijv. continuous ('aanhoudend'), composition ('samenstelling'), collective ('verzamelde groep mensen')
cum (voegwoord) + ind.toen, wanneer--
cum (voegwoord) + coni.toen, omdat; hoewel, tenzij--
cum ... tumzowel ... als--
cunctor (cunctari)talmen, aarzelen--
cupio (cupĕre)begeren-concupiscence ('hevig verlangen'), to covet ('hunkeren naar')
cupidobegeerte, verlangenCupido (of Amor, god van de liefde)Cupid (of Amor, god van de liefde)
cupidusbegerig naar--
cupiditasbegeerte, verlangen-cupidity ('begerigheid', 'hebzucht')
curwaarom--
curiasenaatsgebouwcurie (regering van de paus)curia (regering van de paus)
curo (curare)verzorgen, zorgen voor, latencurator (beheerder van een museumcollectie)to cure ('genezen'), manicure ('handverzorging')
curazorgkuuroord ('wellness-centrum'), manicure ('handverzorging'), sinecure (klus die zonder zorg en aandacht kan), curieus ('de aandacht grijpend', 'opvallend')security ('veiligheid', lett. 'het vrij zijn van zorgen'), cure ('mogelijkheid tot genezing'), curious ('nieuwsgierig', oorspr. 'vol zorg', 'aandacht')
curro (currĕre)rennenkoerier ('bezorger', oorspr. 'ijlbode'), curriculum ('loopbaan', oorspr. 'renbaan'), cursief ('schuinschrift'; < Lat. scripta cursiva (lett. 'lopend schrift')), cursor (een muis op een beeldscherm, oorspr. 'ijlbode')currency ('stroom', 'valuta'), precursor ('voorganger'), current ('momenteel', 'huidig')
concurro (concurrĕre)te hoop lopen, op elkaar instormenconcurrent (lett. 'iemand die meedoet in de race')concourse ('toeloop', 'massa'), concurrence ('overeenstemming', 'samenvallen')
curruswagen--
cursushet hardlopen, loopbaan; koerskoers, cursus ('lesprogramma')course ('koers/cursus')
decurro (decurrĕre)omlaag rennendecursus ('verloop van een ziekte')-
occurro (occurrĕre)tegemoet komen, tegengaan, opkomen bij-to occur ('gebeuren')
curvuskrom, gebogencurve ('bocht')curve ('bocht')
custodio (custodire)bewaken, passen op--
custodiabewaking, hechtenis, gevangenis-custody ('bewaring', 'gevangenschap')
custosbewakerkoster ('kerkbeheerder')-
damno (damnare)veroordelen-damn
damnumschade, verlies-damage
condemno (condemnare)veroordelen-to condemn ('veroordelen')
dapesoffermaal, feestmaal--
devanaf, overde-cadent (< de-cadere ('neervallen')), de-gradatie, de-legeren (< de-legere ('verdelen over')), de-pressie (< de-pressare, ('neer-drukken')), debakelde-cadent (< de-cadere ('neervallen')), de-cease (< de-cedere ('z. ergens van scheiden')), de-cision (< de-caedo ('doorhakken'))
decemtiendecember (lett. 'de tiende maand'), decaan (oorspr. hoofdman van tien), decennium (< decem + annum ('jaar'))december (lett. 'de tiende maand')
decimustiendedecimaal, decimeren ('elke tiende man afmaken')dime ('duppie'), decimal
decethet past--
decuseer, sieraaddecor, decoratiedecent, to decorate
defendo (defendĕre)verdedigendefensieto defend
defendithij verdedigt; hij heeft verdedigdzie ook defendozie ook defendo
deindevervolgens--
delecto (delectare)vermaken-delight ('verrukking'; < Oudfr. delit ('vermaak') < delitier ('vermaken') < delectare (freq. van delicere))
deleo (delēre)vernietigen, verwoesten-to delete ('verwijderen')
delictumovertreding, wandaaddelict ('misdrijf')delict ('misdrijf')
demumtenslotte, pas--
deniquetenslotte, kortom--
denstandtandtooth, dentist ('tandarts'), dental ('van/voor tanden')
densusdicht opeencondenseren (overgaan van gasvorm tot vloeistof, i.e. 'dichter worden')dense ('dicht, bondig'), density ('dichtheid'), to condense ('verdichten')
descendo (descendĕre)afdalen-to descend ('afdalen')
desero (deserĕre)verlaten, in de steek latendeserteren ('weglopen uit (militaire) dienst')desert ('woestijn', lett. 'verlaten plaats'), to desert ('weglopen uit (militaire) dienst')
dissero (disserĕre)uiteenzettendissertatie ('uiteenzetting, proefschrift')dissertation ('uiteenzetting, proefschrift')
desidero (desiderare)missen; verlangen-to desire ('verlangen')
desideriumverlangen-desire ('verlangen')
destino (destinare)vaststellen, aanstellen-destiny (datgene dat vaststaat, i.e. 'lot'), destination ('bestemming')
deusgodajuus (< Fr. adieu < ad deus; vgl. Eng. goodbye < god by you < god be with you)deity ('goddelijkheid'), deify ('tot god maken'; < deus+facere ('god + maken'))
deagodin--
divinusgoddelijk-divine ('goddelijk')
divusgoddelijkdiva (lett. 'gevierde zangeres')diva (lett. 'gevierde zangeres')
dexterrechterambidexter (< ambo-dexter, lett. '(met) twee rechterhanden'), dextrose (< dextrum + suffix voor suiker: -ose; zo genoemd omdat deze glucosevorm licht naar rechts polariseert in spectroscopie)dexterity ('gereedheid', 'behendigheid'; in de antieke tijd werd rechts als goed en links als slecht gezien, zie sinister), ambidextrous (< ambo-dexter, lett. '(met) twee rechterhanden'), dextrose (
a dextera (parte)aan de rechterkantzie ook dexterzie ook dexter
dext(e)ra (manus)rechterhandzie ook dexterzie ook dexter
dico (dicĕre)zeggen, sprekendicterento dictate
dictatordictatordictatordictator
dictumwoorddictee, dictiedictionary, diction
edictumverordening, edictedictedict
indiciumteken, aanwijzing, aangifte--
diesdag, termijnmeridiaan (cirkel op het aardoppervlak; < meridianus < meridies ('middag') < medius+dies ('midden+dag'))diary (< diarius ('dagelijks')
cotidiedagelijks-quotidian ('dagelijks')
digitusvingerdigitaaldigit (nummer onder 10), digital
dignuswaard, geschiktdédain ('minachting'; < de-dignus)dainty ('elegantie, excellentie')
dignitaswaardigheid-dignity ('waardigheid')
indignusonwaardig, niet waard-indignity ('onwaardigheid')
diligo (diligĕre)houden vandiligent ('ijverig')diligence ('ijver'), dildo (verbastering van Ital. deletto ('verrukking'))
dilectusrecrutering, keuze--
dimico (dimicare)strijden--
dirusonheilspellend; gruwelijk, verschrikkelijk-dire ('verschrikkelijk')
disco (discĕre)leren, vernemendiscipel ('leerling')disciple ('leerling')
diulang(durig)--
diversustegengesteld, uiteenlopenddiversdiverse
divesrijk--
divitiaerijkdom--
divido (dividĕre)scheiden, verdelendivisie ('verdeling'), individu, dividend ('winstuitkering'), devies ('zinspreuk'; < Fr. deviser ('keuvelen') < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden'))division ('verdeling'), individual, dividend ('winstuitkering'), devise ('zinspreuk'; < Fr. deviser ('keuvelen') < Vulg. Lat. devisare ('onderscheiden'))
do (dare)gevendatum, data (lett. 'gegeven zaken'), datief, dateren(to) date, data ('gegeven zaken'), dative
abdo (abdĕre)verbergen--
addo (addĕre)toevoegenaddenda ('bijvoegsels', lett. 'de dingen die toegevoegd moeten worden')to add, addition, addenda ('bijvoegsels', lett. 'die dingen die toegevoegd moeten worden')
circumdo (circumdare)omgeven--
condo (condĕre)stichten, opbergen-to abscond ('onderduiken'), scoundrel ('schurk'; < Oudfr. escondre < excondere (etym. onz.))
dedo (dedĕre)overgeven, uitleveren--
deditioovergave--
dono (donare)gevendoneren ('geven'), donordonor, donation
donumgeschenk--
edo (edĕre)etenobesitas (< ob-edere ('over-eten'))edible (eetbaar), obesity (
prodo (prodĕre)tonen, openbaar maken, verraden--
reddo (reddĕre)(terug)geven, makenrente ('teruggave'; < Vulg. Lat. rendere)to render ('geven'; < Vulg. Lat. rendere)
trado (tradĕre)overdragen, overgeventraditie (datgene wat overgeleverd wordt), treiteren (lett. 'overdragen')tradition (datgene wat overgeleverd wordt) traitor ('verrader' lett. 'degene die overlevert')
doceo (docēre)onderwijzen, uiteenzettendocent, doceren, doctor, doctrine ('leer')docent, doctor, doctrine ('leer')
doctusgeleerd, kundig--
doleo (dolēre)pijn hebben, (be)treurencondoleren (< cum-dolere ('samen rouwen'))to condole ('condoleren'; < cum-dolere ('samen rouwen'))
dolorpijn, verdriet, wrok--
doluslist, bedrog--
domo (domare)temmen, bedwingendompteur ('dierentemmer'; < domitare (intens. domare))indomitable ('ontembaar')
dominor (dominari)meester zijndomineren, dominantdominate, dominant
dominatiomaatschappij, tiranniedominaatdomination
domushuis, woonplaatsdom ('kerk')dome ('koepel')
domesticusvan het huis, binnenlandsdomesticeren ('tot huisdier maken')domestic
domithuis--
dominusheer des huizes, heerserdomineedon (
domovan huis--
domumnaar huis--
doneczolang als, totdat--
dormio (dormire)slapendormitorium ('slaapzaal')dorm(itory) ('slaapzaal')
dubito (dubitare)onzeker zijn, aarzelen-to doubt
dubiumtwijfeluitdrukking: in dubio zijndoubt
dubiusaarzelend, onzekerdubieusdubious
duco (ducĕre)leiden, doorbrengen; achten, beschouwen alsintroduceren (lett. 'naar binnen leiden'), produceren (lett. 'voortbrengen'), aquaduct ('waterleiding'), viaduct ('wegleiding')to introduce (lett. 'naar binnen leiden'), to produce (lett. 'voortbrengen'), aquaduct ('waterleiding'), viaduct ('wegleiding')
adduco (adducĕre)brengen naar, brengen tot-to adduce
deduco (deducĕre)(omlaag) brengen, meenemendeducerento deduce
ducidat. van dux; inf prae. pass. van ducozie ook duxzie ook dux
ducat(hij, zij, het) leidt/brengt (conj. prae.)zie ook ducozie ook duco
ducet(hij, zij, het) zal leiden/brengen (fut.)zie ook ducozie ook duco
ducit(hij, zij, het) leidt/brengt (ind. prae.)zie ook ducozie ook duco
duxleiderdukaat (munt met de beeltenis van een hertog erop)duke
educo (educĕre)naar buiten leideneducatie ('opvoeding'; < educare ('opvoeden'))to educate ('opvoeden'; < educare ('opvoeden'))
induco (inducĕre)brengen naar, tot iets bewegeninductieto induce, induction
perduco (perducĕre)brengen door, - tot--
reduco (reducĕre)terugvoerenreducerento reduce
dulciszoet, lieflijk--
dumterwijl, zolang als; totdat; (+ coni.) mits, als maar--
duotweeduet, dualisme (< dualis ('van twee')), dubbel (< duplex), dobbelen ('met twee dobbelstenen gooien'; < duplex)duet, dualism (< dualis ('van twee')), double (< duplex)
duro (durare)hard maken, uithouden; (intr.) voortdurendurento endure ('ondergaan' < in-durare ('hard worden')), durable ('duurzaam'), during
durushard; onbeschaafddurum (harde tarwesoort, niet te verwarren met Turks dürüm ('opgerold'))durum (harde tarwesoort, niet te verwarren met Turks dürüm ('opgerold'))
eamhaar; deze (acc. vrl. van is)zie is, ea, idzie is, ea, id
ecce, enkijk!--
ego (egĕre)missen, behoefte hebben aan-indigence ('behoeftigheid'; < Lat. ptc. indigentem < indu + egĕre ('nodig hebben'))
egoikegocentrisch, egoïsmeegocentric
equidemstellig, ik voor mij--
egregiusuitstekend, voortreffelijk-egregious ('kolossaal, opmerkelijk')
ei(aan) hem, (aan haar), eraan; aan deze; zij, dezen (nom. mv. mnl.)zie is, ea, idzie is, ea, id
eiuszijn, van hem; (van) haar; van het, zijn, ervan; van deze (gen. van is)zie is, ea, idzie is, ea, id
emo (emĕre)kopenemption ('aankoop'), redemption ('bevrijding'; < redimere < re + emere ('terugkopen')), to redeem ('vrijkopen, verlossen')
adimo (adimĕre)ontnemen--
demo (demĕre)afnemen--
eximo (eximĕre)ontnemen-exemption ('vrijstelling'; < Lat. ptc. exemptum ('ontnomen')), exempt ('vrijstelling')
exemplumvoorbeeld, precedentexemplaar, exemplarisch ('bij wijze van voorbeeld')example ('voorbeeld'), exemplification ('verklaring'; < Lat. exemplificatio < exemplum + facere ('doen, maken'))
praemiumbeloningpremie ('prijs')premium ('beloning')
enimimmers, want--
ensiszwaard--
eo (ire)gaan--
abeo (abire)weggaan--
adeo (adire)gaan naar, zich wenden tot--
aditustoegang-adit ('toegang')
ambitiopolitieke campagneambitie, ambitieus (< Lat. ambo ('rond') + ire ('gaan'))ambition (< Lat. ambo ('rond') + ire ('gaan'))
coetusbijeenkomst, vergaderingcoïtus ('geslachtsgemeenschap'; < Laatlat. coitus < Lat. coetus ('vergadering, samenzijn'))coitus ('geslachtsgemeenschap'; < Laatlat. coitus < Lat. coetus ('vergadering, samenzijn'))
eat(hij, zij, het) gaat (conj. prae)--
exeo (exire)uitgaan, weggaan--
exitiumondergang, verderf--
exitushet uitgaan, uitgang, afloop, einde-exit ('uitgang'), issue ('uitgave, resultaat'; < Fr. isser < Lat. exire))
ibat(hij, zij, het) ging (impf.)--
ierat(hij, zij, het) was gegaan (pqpf.)--
ierit(hij, zij, het) ging, is gegaan (pf.); (hij, zij, het) ging, is gegaan (conj. pf.)--
iit/it(hij, zij, het) ging, is gegaan (pf.)--
ineo (inire)binnengaanzie initiumzie initium
initiumbegininitiatief ('begin, aanzet'), initiaal ('beginletter'), initiëren ('inwijden')initial (adi. 'eerste', subst. 'initiaal')
intereo (interire)te gronde gaan, sterven--
interitusondergang, dood--
iret(hij, zij, het) ging (conj. impf)--
isset(hij, zij, het) was gegaan (conj. pqpf.)--
it(hij, zij, het) gaat--
obeo (obire)tegemoet gaanobituarium ('lijst van overledenen'; < Mdd. Lat. obituarius ('betrekking hebbend op de dood') < Lat. obitum ('gestorven'))obituary ('overlijdensbericht' < Mdd. Lat. obituarius ('betrekking hebbend op de dood') < Lat. obitum ('gestorven'))
pereo perire)te gronde gaan-to perish ('vergaan'), perishable ('vergankelijk')
praetereo (praeterire)voorbijgaan--
praetorpraetor (magistraat, voornamelijk belast met de rechtspraak)--
redeo (redire)teruggaan, -komen, terecht komen--
reditusterugkeerreditie ('herhaling')-
subeo (subire)naderen, in gedachten komen--
subitoplotselingzie subituszie subitus
subitusplotseling, onverwachtsubiet ('direct')sudden ('plotseling'; < Oudfr. subdain < Lat. subitaneus < subitus)
transeo (transire)overgaan, overtrekken, voorbijtrekken; voorbijgaantransitief ('overgankelijk), trance ('toestand van gewijzigd bewustzijn')transition ('overgang'), transit ('reis'), trance ('toestand van gewijzigd bewustzijn')
eodaarheen, hierom; des te--
eorumvan hen, hun; van deze (gen. van is)zie is, ea, idzie is, ea, id
eoshen; dezen (acc. mnl. van is)zie is, ea, idzie is, ea, id
epistulabriefepistel ('brief')epistolary novel ('brievenroman'; populair genre in 18e en 19e eeuw)
epulaemaaltijd, feest--
equuspaard--
equesruiter, ridder-equestrian ('ruiter')
equitatusruiterij--
ergodus, dan--
erro (errare)dwalen, zich vergissenaberratie ('afwijking'; < ab + erratum), erratum ('drukfout'), armoede ('gebrek'; < Ned. uitdrukking 'in arren moede' (spijtig) < Middelned. 'in erren moede' < Middelned. 'erre' (in de war, boos, spijtig) < Lat. errare)to err ('dwalen'), aberration ('afwijking'; < ab + erratum)
errorzwerftocht, dwaling, misvatting-error ('fout')
eten, ook, zelfs--
et ... etniet alleeen .. maar ook; zowel .. als--
etiamook, zelfs--
etiamsiook als--
etsihoewel--
eumhem, deze (acc. mnl. van is)zie is, ea, idzie is, ea, id
Eurus(zuid)oostenwind--
evado (evadĕre)te voorschijn komen, ontsnappenevasie ('ontwijking')to evade ('ontwijken'), evasion ('ontwijking')
invado (invadĕre)aanvallen, binnendringeninvasie ('vijandelijke inval')invasion ('vijandelijke inval'), to invade ('vijandelijk gebied invallen')
vadumondiepte, waterwad ('doorwaadbare plaats')to wade ('doorheen waden'; < Lat. vadere), bilbo ('Spaanse degen' < Eng. Bilboa (stad) < Sp. Bilbao < Lat. Bellum Vadum ('mooi wad') (de stad ligt aan de rivier de Nervión))
ex, euit, sinds; ten gevolge van, op grond van
excito (excitare)in beweging brengen, opjagenexciteren ('opwekken')to excite ('opjagen'), excited ('opgewonden')
incito (incitare)aansporenincitatie ('aansporing')to incite ('aansporen')
exerceo (exercēre)intensief bezig houden, afmattenexercitie ('militaire oefening'; < exercitium ('training') < exercitare (freq. v. exercere)), exerceren ('manoeuvreren')exercise ('oefening'; < exercitium ('training') < exercitare (freq. v. exercere))
exercitusleger--
existimo (existimare)oordelen, menen--
expedio (expedire)losmaken, bevrijdenexpeditie ('onderzoekingstocht' < expeditionem < expeditum), expediënt ('redmiddel' < ptc. expediens)expedition ('militaire campagne' < subst. expeditionem < ppp. expeditum)
expedithet is dienstig, bruikbaar--
expeditusonbelemmerd, slagvaardig, lichtgewapendexpediet ('voortvarend')expeditious ('onbelemmerd')
impedimentumbelemmering, pl.: bagage--
impedio (impedire)belemmerenimpediëren ('verhinderen')impediment ('belemmering'; < Lat. impedimentem < impedire < in + pedes ('voor de voeten'))
experior (experiri)beproeven, proberen, ervaren, ondervindenexpert ('deskundige'; < expertus), experiment ('proef'; < experimentum < ppp v. experiri)expert ('deskundige'; < expertus), experience ('ervaring'; < experientia), experiment ('proef'; < experimentum < ppp v. experiri)
comperio (comperire)te weten komen, ontdekken--
expers, -tisgeen deel hebbend aan, zonder--
explico (explicare)uitleggenexpliciet ('uitdrukkelijk'; < explicitus), explicatie ('uitleg')explication ('uitleg'; < explicationem), explicit ('uitdrukkelijk'; modern: 'pornografisch' < explicatus), exploit ('heldendaad, wapenfeit'; < Fr. esploit < Lat. explicitum 'uitgelegd, voltooid ding')
exploro (explorare)onderzoekenexploreren ('verkennen'; < Lat. jachtterm: ex + plorare 'schreeuwen')to explore ('verkennen'; < Lat. jachtterm: ex + plorare 'schreeuwen'), exploration ('onderzoek')
ex(s)iliumballingschap, verbanning-exile ('verbanning' of 'banneling')
exstinguo (exstinguĕre)uitblussen, vernietigenexstinctie ('doving'; < exstinctio)to extinguish ('blussen'), extinct ('uitgestorven'; < exstinctio)
extemploterstond--
exterus, exteriorzich buiten bevindendexterieur ('buitenkant'; < exterior)exterior ('buitenkant')
externusuitwendig, uitheemsextern ('buiten iets liggend')external ('buiten iets liggend')
extrabuitenextra ('buitengewoon'), extravagant ('ongewoon uitbundig'; < extra + vagari ('dwalen'))extra ('bijzonder'), strange ('vreemd' < Fr. étranger ('buitenlands') < Lat. extraneus ('buiten liggend) < extra), extravagant ('uitzinnig'; < extra + vagari ('dwalen')), extraordinary ('buitengewoon'; < extraordinarius < extra + ordo ('rij, orde'))
extremussuperl.: buitenste, uiterste, laatsteextreem ('uiterst'), extremiteit ('uitersten')extreme ('uiterst')
fabulaverhaal, toneelstukfabelfable
facio (facĕre)maken, doen; +2 acc maken totfactor, infectie (< in + facio), chauffeur (< Fr. chauffer < Vulg. Lat. calefacio ('warm maken')), certificaat (< certus ('zeker') + facio), benefiet ('voorstelling of wedstrijd ten bate van een goed doel'; < bene ('goed') + factum)factor, faction, feature (< factura), benefactor ('weldoener'; < bene + facio)
affectusgemoedsgesteldheid, stemmingaffectie ('aandoening, genegenheid, neiging')to affect ('beïnvloeden')
afficio (afficĕre)iemand iets aandoenaffectie ('aandoening, genegenheid, neiging')to affect ('beïnvloeden'), affection ('aandoening, genegenheid, neiging')
conficio (conficĕre)afmaken, vernietigenconfetti (< Ital. confetto (snoep dat met carnaval werd uitgedeeld)), konfijten ('in suiker inleggen', < confire (Fr.) < conficio (Lat.)), confectie ('in voorraad gemaakte kleding'; oorspr. 'een (met suiker of stroop) gemaakte artsenij')to discomfit ('verwarren, in verlegenheid brengen'; wrsch. door betekenisverwarring met to discomfort), confection ('maken uit ingrediënten'; van snoep en medicijnen), confectionery ('zoetigheden, snoep')
deficio (deficĕre)afvallen, in de steek laten; oprakendefect, deficiëntie ('tekort, tekortkoming')defect, deficit ('tekort, nadelig saldo, gebrek'), defective ('onvolledig'), deficient ('incompleet, onvolledig'), defector ('overloper, afvallige')
difficilismoeilijk-difficult, difficulty
efficio (efficĕre)tot stand brengen, bewerkeneffect, efficiënt ('doelmatig')effect, effective, efficient, efficacy ('werkzaamheid, doeltreffendheid')
faciesgedaante, uiterlijk, gezichtfacet ('vlak van een veelvlakkig voorwerp; kant, aspect'; < Fr. facette < Vulg. Lat. facia), façade ('voorgevel van een gebouw'; < Ital. facciate < Vulg. Lat. facia), interface ('verbinding tussen twee systemen'; < inter + Eng. face)face, superficial ('oppervlakkig'), to efface ('uitwissen'), to deface ('beschadigen, verminken'), surface ('oppervlakte')
facilisgemakkelijkfaciliteit ('hulpmiddel, voorziening'), faculteit ('hoofdafdeling van een universiteit of hogeschool')facile ('makkelijk'), facility ('hulpmiddel, voorziening'), faculty ('hoofdafdeling van een universiteit of hogeschool; bepaalde wiskundige functie')
facinusdaad, wandaad--
factiogroep, groepsvormingfatsoenfaction ('(pressie)groep, partijruzie'), fashion
factumdaad, feitfeitfact, artifact (< ars ('kunst') + factum ('daad')), feat ('daad'), forfeit ('boete, straf'; < foris ('buiten') + factum)
factum esthet is gemaakt, het is gedaan; het is gebeurdzie factumzie factum
officio (officĕre)hinderen, afbreuk doen--
officiumtaak, plichtakkefietje ('onaangename taak; kleinigheid'; ofwel < aqua + vitae 'water + leven', ofwel < officium door volksetymologie), officieel, officier, officieus ('zogenaamd officieel')official, office, officer, to officiate ('officieel optreden')
interficio (interficĕre)doden--
patefacio (patefacĕre)openmaken, openbaar maken--
perficio (perficĕre)voltooienperfectperfect
praefectusopzichter, aanvoerderprefect, prefectuurprefect
proficio (proficĕre)vorderen; batenprofijt ('voordeel'), proficiatproficient ('vakkundig, bekwaam'), profit ('winst')
reficio (reficĕre)vernieuwen, herstellenrefter ('eetzaal in een klooster of school' (Be.); < refectorium (Kerklat.))refectory ('eetzaal in een klooster of school' (Be.); < refectorium (Kerklat.))
sufficio (sufficĕre)voldoende zijn, genoeg zijn-sufficient ('voldoende'), to suffice ('voldoende zijn')
fallo (fallĕre)ontgaan, misleidenfailliet ('bankroet', < Ital. fallito), falento fail, fallacy ('vergissing, bedrog')
falsusongegrond, onwaarfout (< Fr. faute < Vulg. Lat. fallita), vals, falsificatie ('vervalsing')fault, false
fama(wat men zegt), gerucht, reputatieban ('straf, in het bijzonder verbanning, betovering'), faam ('reputatie; roem')fame, infamy ('schanddaad')
fameshonger-famine ('hongersnood, tekort'), famished ('uitgehongerd')
familiahuishouden, (slaven) personeelfamiliefamily
familiaris(tot het huis behorend), goede vriendfamiliair ('vertrouwelijk, gemeenzaam; vrijpostig')familiar ('vertrouwelijk, gemeenzaam; vrijpostig')
fas(goddelijk) recht--
fas esthet is geoorloofd--
fatum(nood) lotfee (< fée (Fr.) < fata ('fee, godin van het lot'), fataal ('noodlottig'), fata morgana ('luchtspiegeling, waanvoorstelling', fata + morgana 'fee Morgana')fate, fatal ('noodlottig')
for (fari)sprekenfaam ('reputatie; roem')infant ('kind'; < in + fans 'niet sprekend'), preface ('voorwoord'), affable ('vriendelijk, innemend'; lett. 'aanspreekbaar')
nefaszonde-nefarious ('misdadig, schandelijk')
fateor (fateri)bekennenprofessioneel (< professio < pro + fateor ('openlijk verkondigen, doceren')), confessie ('(geloofs)belijdenis'; < confessus, ppp. van con + fateor ('toegeven, openbaren, belijden'))profession (< professio < pro + fateor ('openlijk verkondigen, doceren')), to confess ('toegeven, openbaren, belijden'; < con + fateor ('toegeven, openbaren, belijden'))
fatigo (fatigare)vermoeien-fatigue ('vermoeidheid'), indefatigable ('onvermoeibaar')
fauceskeel-faucet ('kraan'), suffocation ('verstikking')
fax, facisfakkelfakkel (< facula, dimin. van fax)-
felixgelukkig, welvarendzie felicitaszie felicitas
felicitasgelukfeliciteren (< felicito ('gelukkig maken'))to felicitate (< felicito ('gelukkig maken')), felicity ('geluk')
infelixongelukkig-infelicity  ('ongeluk')
feminavrouwfeminisme ('vrouwenbeweging')female (< femella, dimin. van femina), feminine ('vrouwelijk'), effeminate ('verwijfd'; < ex + femina)
fere, fermeongeveer, bijna (altijd)--
ferio (ferire)slaaninterferentie ('het op elkaar inwerken; < inter ('onderling') + ferio)to interfere ('op elkaar inwerken, hinderen'; < inter ('onderling') + ferio)
fero (ferre)dragen, brengen, zeggenlucifer (< lux ('licht') + fero), conifeer ('kegeldragende naaldboom'; < conus ('kegel') + fero)legislation ('wetgeving', lex + fero 'wet brengen'), vociferous ('lawaaierig, luidruchtig', < vox + fero 'stem dragen'), somniferous ('slaapverwekkend', < somnum + fero 'slaap brengen'), pestiferous ('schadelijk, verderfelijk, vervelend', < pestis + fero 'ziekte dragen')
affero (afferre)ergens heen brengen, melden; veroorzaken--
aufero (auferre)wegnemen, ontnemen-ablation ('verwijdering')
bellum inferreiemand de oorlog aandoenzie bellum & inferozie bellum & infero
confero (conferre)bijeenbrengen, vergelijken; (zich) begevenconferentie ('bijeenkomst, vergadering')conference ('bijeenkomst, vergadering'), to confer ('beraadslagen, verlenen')
(se-) confero (conferre)zich begeven, bijeenbrengen; vergelijkenzie conferozie confero
defero (deferre)(omlaag) brengen, aanbrengen; (pass.) belandendeferentie ('eerbied, achting')to defer ('zich onderwerpen, uitstellen')
differo (differre)verspreiden, verschillen; uitstellendifferentiëren ('zich verschillend ontwikkelen, onderscheid maken; zekere wiskundige bepaling uitvoeren')different, indifferent ('onverschillig')
effero (efferre)naar buiten dragen, uitspreken; verheffen-to elate ('verrukken, in vervoering brengen')
infero (inferre)brengen naar, bezorgeninfereren ('afleiden')to infer ('concluderen, impliceren, inhouden'), inference ('gevolgtrekking')
offero (offerre)tonen, (aan)biedenofferen, offerte ('prijsopgave')to offer
perfero (perferre)overbrengen, verdragen--
praefero (praeferre)verkiezen bovenprefereren ('de voorkeur geven aan'), prelaat ('kerkvorst')to prefer ('de voorkeur geven aan'), prelate ('kerkvorst')
profero (proferre)te voorschijn brengen-to profer ('uitbrengen, uiten, uitspreken')
refero (referre)(terug)brengen, berichten, rapporteren; (met se) terugkerenrelatie ('verhouding'), refereren ('verwijzen'), referaat ('voordracht, verslag'), referendum ('volksstemming'; lett. 'dat wat gerapporteerd moet worden')to relate ('in verband staan met, verhalen, berichten, in verband brengen'), to refer ('verwijzen, terugvoeren tot'), referendum ('volksstemming'; lett. 'dat wat gerapporteerd moet worden')
me refero (se referre)terugkeren, (zonder se) (terug)brengen; berichten, rapporterenzie referozie refero
referthet is van belangzie referozie refero
transfero (transferre)overbrengentransfereren ('overdragen, overbrengen')to transfer ('overdragen, overbrengen'), to translate ('vertalen, interpreteren, omzetten')
ferrumijzer, zwaard-ferrous ('van ijzer')
fertilisvruchtbaarfertiel ('vruchtbaar')fertile ('vruchtbaar, overvloedig'), infertile ('onvruchtbaar')
feruswild, ruwfier ('zelfbewust, trots'; < Fr. fier ('wild, woest, ongetemd')), zebra (< Port. evra < Vulg. Lat. equiferus (< equus ('paard') + ferus))fierce ('zelfbewust, trots'; < Fr. fier ('wild, woest, ongetemd'), zebra (< Port. evra < Vulg. Lat. equiferus (< equus ('paard') + ferus)), feral ('wild')
ferawild dierzie feruszie ferus
feroxwild, strijdlustig, hooghartig-ferocity ('woestheid, gewelddadigheid')
fessusmoe, uitgeput--
festino (festinare)zich haasten--
festusfeestelijkfeest, vieren (< Mdd. Lat. feriare ('feesten') < Lat. feriae ('feestdagen'), verw. m. festus), festival (< festivus ( 'feestelijk')), festiviteit ('openbare feestelijkheid'; < festivitas ('feestvreugde'))feast, festive ('feestelijk'; < festivus 'feestelijk'), fair ('markt, beurs'; < Oudfr. feire < Lat. feriae ('feestdagen'), verw. m. festus)
fidesvertrouwen, betrouwbaarheid; trouw; beschermingfideel ('vertrouwelijk, vrolijk'; < fidelis ('trouw, betrouwbaar')), bonafide ('te goeder trouw'), malafide ('onbetrouwbaar'), op de bonnefooi ('op goed geluk', ofwel < Fr. de bonne foi < Lat. bona fide ('met goed vertrouwen'), ofwel < Fr. bonne voie ('goede weg'))faith, fidelity ('trouw'; < fidelitas ('trouw, betrouwbaarheid')), bona fide ('te goeder trouw')
confido (confidĕre)vertrouwenconfidentie ('vertrouwelijke mededeling')confidence ('vertrouwen'), confidant ('vertrouweling'), to confide ('toevertrouwen')
fidustrouw, betrouwbaarzie fideszie fides, to defy ('uitdagen, trotseren'; < Oudfr. desfier < Lat. dis ('ont-') + fidus)
perfidiatrouweloosheidperfide ('trouweloos, verraderlijk')perfidious ('trouweloos, verraderlijk')
figo (figĕre)vasthechten, doorborenfiksen (< fixum, ppp. van figo), fiks ('krachtig, flink'; < fixum, ppp. van figo), fiche ('speelpenning, archiefkaart'; < Fr. fiche (oorspr. 'doorn, stekel)), affiche ('aanplakbiljet'), fixeren ('doen vastzitten')to fix (< fixum, ppp. van figo), to crucify ('kruisigen'; < crux ('kruis') + figo), suffix ('achtervoegsel'), prefix ('voorvoegsel'), to affix ('toevoegen, aanhechten, vastmaken')
figuravorm, gedaantefiguur, figurant ('onbelangrijk persoon'; < figuro 'vormgeven'), configuratie ('groepering, formatie')figure, figurative ('figuurlijk'; < figuro 'vormgeven'), to disfigure ('veranderen, vernietigen')
filiuszoon-filial ('kinder-'), affiliation ('band, verwantschap')
filiadochterfiliaal ('bijkantoor, depotwinkel' < lett. 'dochtervestiging')zie filius
fingo (fingĕre)vormen, verzinnenfictie ('verzinsel'; < fictum, ppp. van fingo), fingeren ('verzinnen, voorwenden'), veinzen ('huichelen, voorwenden'; < Mdd. Ned. vensen < Lat. pf. finxi)fiction ('verzinsel'; < fictum, ppp. van fingo), to feign ('huichelen, voorwenden'; < Fr. feindre ('doen alsof, voorwenden'))
finio (finire)(be)eindigen, begrenzenfinanciën ('geldzaken'; < Mdd. Lat. fino, 'geld betalen'), definiëren ('betekenis omschrijven, grenzen bepalen')to finish, finite ('eindig, begrensd, beperkt'; < finitum, ppp. van finio), to define ('betekenis omschrijven, grenzen bepalen')
finiseind, doel, grens; (pl) gebiedfijn (o.i.v. Midd. Lat. finus, 'verfijnd'), finish, finale (< Lat. finalis ('laatste'))fine (o.i.v. Midd. Lat. finus, 'verfijnd'), final (< Lat. finalis ('laatste'))
finitimusnaburig, omwonend--
fio (fieri)(gemaakt) worden, gebeurenfiat ('goedkeuring'; lett. 'laat het gebeuren', conj. adhort.)fiat ('goedkeuring'; lett. 'laat het gebeuren', conj. adhort.)
factusptc. pf. pass. van facio; ptc. pf. van fierizie faciozie facio
firmusstevig, sterkferm ('flink, standvastig, stevig'), firma ('handelszaak, bedrijf'; < firmo ('vestigen')), firmament ('hemelgewelf'; < firmo ('bevestigen'))firm ('flink, standvastig, stevig'), farm ('boerderij'; < Oudfr. ferme ('huur') < Lat. firmo ('vestigen')), to affirm ('bevestigen, beamen'), firm ('handelszaak, bedrijf'; < firmo ('vestigen')), firmament ('hemelgewelf'; < firmo ('bevestigen'))
confirmo (confirmare)versterken, bevestigenconfirmeren ('bevestigen')to confirm ('bevestigen')
flagitiumschanddaad, wandaad-flagitious ('schandelijk')
flammavlamvlam, flamberen ('een gerecht overgieten met een sterk alcoholhoudende drank en deze aansteken'; < Fr. flamber < Lat. flammula ('vlammetje')), flamingo (< Sp. flamenco ('vleeskleurig'))flame, flammable ('brandbaar'), to inflame ('opwinden, kwaad maken')
flavusgoudgeel, blondblauw (etym. onz., uit Proto-Indo-Europees *bhle-)blue (etym. onz., uit Proto-Indo-Europees *bhle-)
flecto (flectĕre)buigen, veranderenreflex ('onwillekeurige reactie'; < re ('terug') + flecto), flexibel ('buigzaam'), circumflex ('samentrekkingsteken (^), dakje'; < circum ('rondom') + flecto)flexible ('buigzaam'), reflection ('weerspiegeling, overdenking'), to deflect ('(doen) afbuigen'), circumflex ('samentrekkingsteken (^), dakje'; < circum ('rondom') + flecto)
fleo (flēre)(be)wenen-feeble ('zwak'; < flebilis ('betreurenswaardig')), to bleat ('blaten')
fletusgeween, tranen--
flosbloem, bloeibloeien (verw. m. floro ('bloeien'), stam *blo-), bloemkool (< Lat. flos + caulis ('kool')), flora ('plantenleven')flower, to flourish ('gedijen, bloeien'; < floro ('bloeien'))
fluctusgolffluctueren ('veranderlijk zijn, schommelen'; < fluctuo)fluctuation ('golfbeweging, schommeling'; < fluctuo)
fluo (fluĕre)(voort)stromen-fluid ('vloeibaar'; < fluidus ('stromend')), fluent ('vloeiend'), influence ('invloed'), superfluous ('overbodig'; < super ('eroverheen') + fluo), affluent ('rijk, welvarend')
flumenrivier--
fluviusrivier--
foedusverdrag, verbondfederatie ('bondgenootschap'; < foedero 'verbinden')federation ('bondgenootschap'; < foedero ('verbinden'))
foedusafschuwelijk, schandelijk--
foliumbladfolie ('dun bladmetaal of vellen van kunststof'), portefeuille ('mapje voor papieren'; < porto ('dragen') + folium), portfolio ('map met tekeningen/foto's'; < porto ('dragen') + folium), kamperfoelie ('geslacht van heesters en slingerplanten'; < caper ('geit') + folium)foil ('folie'), foliage ('gebladerte'), portfolio ('map met tekeningen/foto's'; < porto ('dragen') + folium)
fonsbronfontein (< fontanus ('bij een bron behorend'))fountain (< fontanus ('bij een bron behorend'))
foresdeurforens ('persoon die niet woont in de stad waar hij werkt', < Mdd. Lat. forensis < Lat. foris ('buiten'))-
formavorm, uiterlijk, schoonheidvorm, formeel ('vormelijk'), formule ('vaste regel'; < formula 'vormpje'), formulier (< formula 'vormpje'), conform ('in overeenstemming met'; < cum + forma), informeren (< in + forma, lett. 'de vorm (voor iemand) duidelijk maken'), uniform ('eenvormig'; < unus + forma)form, formal ('vormelijk'), formula ('vaste regel', < formula 'vormpje'), to inform (< in + forma, lett. 'de vorm (voor iemand) duidelijk maken'), uniform ('eenvormig', < unus + forma 'één vorm')
formidoangstformidabel ('geweldig'; < formidabilis ('angstwekkend'))formidable ('geweldig'; < formidabilis ('angstwekkend'))
forslot, toeval--
fortassemisschien--
fortetoevallig--
fortunalot, toeval, geluk, (pl.) fortuin, bezitfortuin ('lot, kapitaal')fortune ('lot, geluk, rijkdom')
fortuitustoevallig(e)-fortuitious ('toevallig')
fortisdapper, sterk, krachtigfors, fort, forceren ('doordrijven, openbreken'; < Vulg. Lat. fortio < Laatlat. fortia ('geweld')), comfort ('materieel gemak'; < Oudfr. confort ('moed') < Lat. cum + fortis)force, fortress ('fort'), effort ('inspanning', < ex + fortis 'uit sterk'), to comfort ('troosten, bemoedigen', < cum + fortis 'met sterk'), to fortify ('versterken, verstevigen', < fortis + facio 'sterk maken')
fortiteradv. van fortiszie fortiszie fortis
forummarkt, plein, het openbare levenforum ('groep discussiërende deskundigen, website om op te discussiëren'), forensisch ('gerechtelijk'; < forensis 'tot het forum/de gerechtsplaats behorend')forum ('groep discussiërende deskundigen, website om op te discussiëren'), forensic ('gerechtelijk'; < forensis 'tot het forum/de gerechtsplaats behorend')
foveo (fovēre)warmen, koesteren, steunen--
frango (frangĕre)breken, vernietigenfractie ('gedeelte'; < fractum, ppp. van frango), fragment ('deel'; < fragmentum ('afgebroken stuk')), fractuur ('botbreuk'), refrein (< Oudfr. refraindre ('breken, verzachten, moduleren') < Lat. refringere ('breken'))fragment ('deel'; < fragmentum ('afgebroken stuk')), fracture ('botbreuk'), fraction ('breuk, gedeelte'; < fractum, ppp. van frango), refrain ('refrein; < Oudfr. refraindre ('breken, verzachten, moduleren') < Lat. refringere ('breken')), to infringe ('schenden, overtreden, inbreuk maken'), to defray ('financieren, betalen'; < Fr. defraier < Lat. defrango)
fragilisbreekbaar, teerfragiel ('breekbaar')fragile ('breekbaar'), frail ('breekbaar, zwak, teer'; < Oudfr. fraile < Lat. fragilis)
fraterbroerbroer, frater ('lid van een geestelijke orde'), confrater ('ambtgenoot')brother, friar ('monnik, broeder'), fraternity ('broederschap'), fratricide ('broedermoord'; < frater + caedo ('doden'))
frausbedrog, misleidingfraude ('valsheid in geschrifte'), frauduleus ('oneerlijk, bedrieglijk')fraud ('valsheid in geschrifte')
fremo (fremĕre)(een dof) geluid maken, mompelen--
fremitus(dof) geluid, gemompel--
frenumbit, teugel-to refrain ('zich onthouden van'; < re ('terug') + frenum)
frequenstalrijk, regelmatig (voor)komendfrequent ('herhaaldelijk')frequent ('herhaaldelijk'), infrequent ('zeldzaam')
fretumzee(straat)--
friguskou, koelheid-fridge (afk. v. refrigerator ('koelkast')), refrigeration ('afkoeling, invriezing')
frigiduskoud, koelfrigide ('koud, koel, seksueel ongevoelig')frigid ('koud, koel, onvriendelijk')
fronsloof, bladeren--
fronsvoorhoofd, gezicht, voorzijdefront ('voorzijde'), confronteren ('met iets onaangenaams in aanraking brengen'; lett. 'naar iemands voorhoofd brengen')front ('voorzijde'), to confront ('confronteren, het hoofd bieden aan'; lett. 'voorhoofden samen brengen'), effrontery ('brutaliteit'; lett. 'het voorhoofd naar voren brengen'), to affront ('beledigen'; lett. 'naar iemands voorhoofd brengen')
fruor (frui)genieten-fruition ('vervulling, realisatie')
fructusvruchtvrucht, fruit (< Fr. fruit < fructus)fruit (< Fr. fruit < fructus)
frumentumkoren, voedsel--
frux(veld)vrucht-frugal ('zuinig, kaal, somber')
frustratevergeefs, zonder redenfrustreren ('dwarsbomen, belemmeren'; < Lat. frustro ('misleiden, teleurstellen'))to frustrate ('dwarsbomen, belemmeren'; < Lat. frustro ('misleiden, teleurstellen'))
fugo (fugare)op de vlucht jagen--
fugavlucht, verbanning--
effugio (effugĕre)wegvluchten, ontlopenzie fugiozie fugio
fugio (fugĕre)vluchtencentrifuge ('wasdroger', lett. 'toestel met middelpuntvliedende beweging')fugitive ('vluchteling'), refuge ('toevluchtsoord')
profugo (profugĕre)vluchtenzie fugiozie fugio
fulgeo (fulgēre)schitteren, blinkenzie fulmenzie fulmen
fulmenbliksemfulmineren ('heftig uitvaren, foeteren'; < fulmino ('bliksemen'))to fulminate ('heftig uitvaren, foeteren'; < fulmino ('bliksemen'))
fundo (fundĕre)gieten, storten, uiteenslaanfusie ('ineensmelting'; < fusum, ppp. van fundo), diffuus ('verspreid, vaag, onscherp'; < dis ('uiteen') + fundo), fondue (< Fr. fondre ('gieten') < fundo)fusion ('ineensmelting'; < fusum, ppp. van fundo), diffusion ('verspreiding, diffusie'; < dis ('uiteen') + fundo), to refund ('terugbetalen'), to confound ('verbazen, verwarren'; lett. 'samengieten' -> 'onoverzichtelijk maken')
circumfundo (circumfundĕre)omringen--
effundo (effundĕre)uitgieten, uitstorten-effusion ('ontboezeming, uitstroming')
infundo (infundĕre)gieten in/opinfuus ('vloeistof bestemd om in de aderen te brengen')to infuse ('ingieten, bezielen')
profundusdiep-profound ('wijs, diepgaand, grondig')
fungor (fungi)vervullenfunctie (< functum, ppp. van fungor), fungeren ('een ambt uitoefenen, dienen')function (< functum, ppp. van fungor), perfunctory ('plichtmatig'), defunct ('verdwenen, in onbruik')
funusdood, begrafenisfunest ('noodlottig, verderfelijk'), funerair ('betreffende een begrafenis')funeral ('begrafenis')
furo (furĕre)bezeten zijnzie furorzie furor
furorrazernij, hartstochtfurie ('razende woede'), furore ('grote opgang, succes'; < Ital. furore)fury ('razende woede')
gaudeo (gaudēre)blij zijn-to rejoice ('verheugen' < Oudfr. rejoiss- < rejoir < re + joir < gaudere), to enjoy ('vermaken' < Oudfr. enjoir < en + joir < gaudere)
gaudiumblijdschapjoyeus ('vrolijk'; < Fr. joyeux ('blij') < Lat. gaudia)joy ('vreugde'; < Oudfr. joie < Lat. gaudia)
gavisuszich verheugend--
gavisus sumik heb me verheugd--
gelidusijskoudgelei ('ingekookt sap'; < Oudfr. gelée < Lat. gelu ('kou'))jelly ('gelei'; < Oudfr. gelée < Lat. gelu ('kou')), to congeal ('bevriezen'; < Fr. congeler < Lat. congelare ('bevriezen') < con + gelare < gelu ('kou'))
geminustweeling-, dubbel, twee-geminate ('dubbel')
gemo (gemĕre)zuchten, kermen--
gemitusgezucht, gekerm--
gero (gerĕre)dragen, doen, zich gedragen; (met se); zich gedragensuggestie ('voorstel'; < Fr. suggestion < Lat. suggestionem < suggerere ('onder iets brengen, aanbieden') < sub + gerere), congestie ('ophoping'; < Fr. congestion < Lat. congestio < congerere 'bijeenbrengen' < con + gerere), gesticuleren ('gebaren maken'; < Fr. gesticuler < Lat. gesticulari 'gebaren maken' < gesticulus (dimin.) < gestus 'beweging' < gerere)gest ('verhaal, beroemde daad'; < Fr. geste < Lat. gestum), to congest ('bij elkaar brengen'; < Lat. congerere ('samenbrengen') < cum + gerere), register ('register' < Mdd. Lat. registrum < regesta ('opgetekende dingen') < regerere 'terugbrengen, noteren' < re + gerere)
bellum gerooorlog voeren--
res gestae(krijgs)daden--
gigno (gignĕre)voortbrengengenitaliën ('voortplantingsorganen'; < Lat. geno (parallelvorm v. gigno), genitief ('betrekking hebbend op afkomst'; < ppp. genitus)genitals ('voortplantingsorganen'; < Lat. geno (parallelvorm v. gigno), genitive ('betrekking hebbend op afkomst'; < ppp. genitus)
benignuswelwillendbenigne ('goedaardig')benign ('goedaardig')
generschoonzoon--
genitorvader--
gensgeslacht, volk, land-gentle ('goedgeboren', i.e. uit een goed geslacht; < Oudfr. gentil ('nobel'))
genusafkomst, geslacht, soortgeneraal ('algemeen'; < Lat. generalis ('met betrekking tot allen', itt. specialis) < gen. generis), generiek ('eigen aan de soort'; < gen. generis), genereus ('vrijgevig'; < Midfr. généreux ('nobel') < generis + osus ('vol van'))generic ('behorend tot een grote groep objecten'; < gen. generis), general ('algemeen';
ingeniumaanleg, karakter, talentingenieus ('vernuftig'), ingenieur ('afgestudeerde aan een hogere technische school')ingenious ('vernuftig'), engineer ('afgestudeerde aan een hogere technische school')
glaciesijsgletsjer (glacier ('gletsjer'; < Fr. glacier ('gletsjer'))
gladiuszwaardgladiator ('zwaardvechter'; gladiator ('zwaardvechter';
glaebakluit, aarde--
gloriaroemglorie ('roem'), glorieus ('roemrijk'; glory ('roem'), glorious ('roemrijk';
Graecus (bijv. nw.)GrieksGrieks, grecisme ('ontleend aan het Grieks')Greek, grecism ('ontleend aan het Grieks')
Graecus (zst. nw.)GriekGriekGreek
gramenkruid, grasgraminologie ('grassenkunde')-
grandisgrootgrandeur ('glans, luister'; grand ('groot'; in verschillende dialecten, veelal vervangen door 'big')
gratiagunst, charme, dank; (+ gen.) omwille vangratie ('gunst'), gratis (< gratiis ('voor dank')), gracieus ('bevallig'; grace ('gunst'), gracious ('bevallig';
gratia (+gen).omwille van--
gratusdankbaar, aangenaam--
ingratusondankbaar--
graviszwaar, ernstiggrief ('klacht'; gravity ('zwaarte(kracht)'; < Lat. gravitas), grief ('verdriet';
grexkudde, groepsegregatie ('afzondering'; to segregate ('isoleren';
gurgesdraaikolkverw. met gorgel ('strottenhoofd'; gorge ('keel';
habenateugel--
habeo (habēre)hebben, houden, beschouwenrehabilitatie ('eerherstel'), melaats ('aan lepra lijdend'; verbastering v. Fr. malade < male-habitum ('er slecht aan toe' > 'ziek'))able ('in staat'; < habilis ('in staat tot hanteren', 'geschikt')), inhibition ('officiëel verbod')
adhibeo (adhibēre)er bij halen, aanwenden, gebruiken--
cohibeo (cohibēre)vasthouden, in bedwang houden--
debeo (debēre)verschuldigd zijn, moetendebet ('financiële schuld')debt ('schuld'), due ('verplicht'), duty ('verplichting'), to endeavour ('doorzetten'; < Fr. mettre en dever ('iets in het moeten plaatsen' > 'zich tot iets verplichten'))
habito (habitare)wonen, bewonenhabitat ('leefomgeving van een dier'), cohabiteren ('geslachtsgemeenschap hebben')habitat ('leefomgeving van een dier'), inhabitant ('inwoner'), cohabitation ('geslachtsgemeenschap')
habitustoestand, houding, kledinghabijt ('monniksgewaad')habit ('gewoonte')
praebeo (praebēre)aanbieden, (met se) zich betonenprebende ('kerkelijke functie waar men salaris voor krijgt'; < praebenda ('dingen die gegeven moeten worden'))-
prohibeo (prohibēre)afhouden van, verhinderenprohibitiestelsel ('beleid tegen het invoeren van buitenlandse producten')to prohibit ('verbieden'), Prohibition ('verbod op alcohol begin 20e eeuw in de Verenigde Staten')
haecnom. ev. vrl. van hic 'deze'; nom./acc. mv. onz. van hic 'deze'--
haereo (haerĕre)vast blijven zittencoherent ('samenhangend'), cohesie ('onderlinge aantrekkingskracht van moleculen')coherent ('samenhangend'), cohesion ('samenhang', 'onderlinge aantrekkingskracht van moleculen')
haudniet--
haurio (haurire)leegscheppen, doorborenexhaustief ('uitputtend', 'compleet')exhausted ('uitgeput')
hederaklimop--
herbagras, kruidherbivoor ('planteneter'), salade (< Lat. herba salata ('gezouten groente'))herb ('kruid'), salad (< Lat. herba salata ('gezouten groente')), herbicide ('onkruidverdelgingsmiddel')
hercules/herclebij Hercules! (uitroep)--
herosheldheroïsch ('heldhaftig')hero ('held')
hic, haec, hocdeze, ditad hoc ('voor een specifiek geval'), hocus-pocus (verbastering van Kerklat. hoc est corpus ('dit is het lichaam (van Christus)'))ad hoc ('voor een specifiek geval'), hocus-pocus (verbastering van Kerklat. hoc est corpus ('dit is het lichaam (van Christus)'))
adhuctot nu toe, nog--
hic (bijw.)hier-hic et nunc ('hier en nu')
hinchiervandaan, hierdoor-encore ('nog'; < Vulg. Lat. hinc ad horam ('vanaf hier tot aan het (juiste) moment'))
huchierheen--
huiusmodivan deze aard, dergelijke--
hiemswinter, storm-hiemal ('winters')
hibernawinterkamphiberneren ('overwinteren'), hibernakel ('winterverblijf')hibernal ('winters'), hibernation ('het de winter doorkomen')
hocnom./acc./abl. ev. onz. van hic 'deze'; abl. ev. mnl. van hic 'deze'--
homomens, manhommage ('eerbetoon'; i/d Middeleeuwen had "man" specifiek de betekenis "leenheer")homage ('eerbetoon'; i/d Middeleeuwen had "man" specifiek de betekenis "leenheer")
humanusmenselijk, beschaafd, ontwikkeldhumaan ('menswaardig')human ('menselijk'), humane ('menswaardig'), humanity ('de mensheid')
honoreer, aanzien, hoger ambthonorabel ('eerbiedwaardig'), honorarium ('salaris'), honoreren ('belonen', 'goedkeuren')honour ('eer'), honoree ('geëerde'), honourable ('eerbiedwaardig')
honestumhet eervolle, het moreel goedezie honestuszie honestus
honestuseervol-honest ('eerlijk')
horauur, seizoenuur, horloge ('klokje'; < hora + Gr. lego ('vertellen')), horoscoop (uit de stand van de sterren tijdens jouw geboorte-uur afgeleide toekomstvoorspelling)hour ('uur'), year ('jaar'; oorspr. 'ieder terugkerend tijdstip' > 'jaar', 'seizoen', 'uur')
horridusruw, huiveringwekkendhorror ('iets huiveringwekkends')horrid ('huiveringwekkend'), ordure ('smerigheid')
hortor (hortari)aansporen-exhortation ('aansporing')
cohortor (cohortari)aansporen--
horumgen. mnl./onz. mv. van hic 'deze'--
hospesgastheer, gasthospitaal ('ziekenhuis'; < oorspr. 'gastenverblijf'), hospita ('gastvrouw bij wie een student inwoont'), hotel (< Fr. hôtel ('gastenverblijf'))hospitality ('gastvrijheid'), hospital ('ziekenhuis'; < oorspr. 'gastenverblijf'), host ('gastheer')
hostis(staats)vijandhostiel ('vijandig')hostile ('vijandig')
huiusgen./dat. ev. mnl./onz. van hic 'deze'--
humus f.grondhumus (bepaald bodemtype, veel in de tropen gevonden), postuum ('na iemands dood', lett. 'na de grond' > 'na de begrafenis')inhumation ('begrafenis'; lett. 'in de grond stoppen')
humilislaag, onaanzienlijk-to humiliate ('vernederen'), humble ('bescheiden')
iaceo (iacēre)liggen-gist ('hoofdgedachte', 'essentie', 'kern'; < Oudfr. gist ('het ligt') < Lat. iacet), adjacent ('nabijliggend', 'aangrenzend'), joist ('steunbalk'; < Oudfr. giste < Oudfr. gesir < Lat. iaceo)
iacio (iacĕre)werpen, gooientraject (< trans ('over') + iacio), injectie ('inspuiting'), ejaculeren ('zaad uitstorten'; < e + iacio 'uit gooien'), abject ('laag, verachtelijk'; < ab ('weg') + iacio)to reject ('afwijzen, verwerpen'; < re ('terug') + iacio), to inject ('injecteren, inbrengen'), to eject ('uitwerpen'), interjection ('tussenwerpsel, kreet'), trajectory ('baan (van projectielen)'; < trans ('over') + iacio)
adicio (adicĕre)toevoegen-adjective ('bijvoeglijk naamwoord'; < ad ('bij') + iacio)
conicio (conicĕre)werpen, drijven, gissen-conjecture ('schatting, gissing')
deicio (deicĕre)omlaag werpen-to deject ('omlaag werpen')
iacto (iactare)werpen, slingeren, pochen opjet ('straalvliegtuig'; < Fr. jeter < iacto)jet ('straalvliegtuig'; < Fr. jeter < iacto)
obicio (obicĕre)voor iemand (iets) neergooien, verwijtenobject (< ob ('tegemoet') + iacio)object (< ob ('tegemoet') + iacio)
proicio (proicĕre)(naar voren) werpenproject (< pro ('voor') + iacio)project (< pro ('voor') + iacio)
subicio (subicĕre)brengen onder, in de plaats stellen van; onderwerpensubject (< sub ('onder') + iacio)subject (< sub ('onder') + iacio)
iamreeds, al, weldra--
ianuadeur-janitor ('portier, conciërge'; < Lat. ianitor)
ibidaar--
ictusstoot, slag--
ideodaarom--
idoneusgeschikt--
igiturdus--
ignavialafheid, slapheid--
ignavusslap, laf--
ignisvuur-to ignite ('ontbranden, aansteken')
illedie--
illicdaar--
illucdaarheen--
imagobeeld, gestalteimago ('beeld van iets of iemand in de publieke opinie'), imaginair ('denkbeeldig')image ('beeld, reputatie')
imberregen(bui)--
imitor (imitari)nabootsenimiteren ('nabootsen, namaken')to imitate ('nabootsen, namaken')
immanisontzaglijk--
immensusonmetelijkimmens ('onmetelijk, ontzaglijk')immense ('onmetelijk, ontzaglijk')
immineo (imminēre)zich verheffen boven, bedreigenimminent ('dreigend, op handen zijnd')imminent ('dreigend, op handen zijnd')
immointegendeel, liever gezegd, sterker nog--
impero (imperare)bevelen-imperative ('noodzakelijk, dwingend, autoritair'; < imperatus, ppp. van impero)
imperatoropperbevelhebber, keizer-emperor ('keizer')
imperiumheerschappij, opperbevel; rijkimperium ('groot rijk')empire ('groot rijk')
impleo (implēre)(ver)vullen-to implement ('toepassen, verwezenlijken')
compleo (complēre)(ver)vullencompleet (< completus, ppp. van compleo), compliment (< Oudsp. complimiento ('plichtsvervulling, beleefdheid')), complement ('aanvulling')complete (< completus, ppp. van compleo), compliment (< Oudsp. complimiento ('plichtsvervulling, beleefdheid')), to accomplish ('vervullen'), to comply ('gehoorzamen'), complement ('aanvulling')
expleo (explēre)vullen, voltooien-expletive ('vloek, verwensing')
improvisusonvoorzienimproviseren ('onvoorbereid bedenken en uitvoeren')to improvise ('onvoorbereid bedenken en uitvoeren')
impune (adv.)ongestraft--
in+ abl.: in, op, + acc.: naar; jegensin, inbeelden, incident ('storend voorval'; < in + cadere ('vallen')), infuus ('vloeistof bestemd om in de aderen te brengen'; < in + fundo ('gieten')), inheems ('binnenlands')in, to insert ('invoegen'; < in + sero ('verbinden')), to infuse ('ingieten, bezielen'; < in + fundo ('gieten')), investigation ('onderzoek'; < in + vestigo ('zoeken'))
interiormeer naar binneninterieur ('binnenkant')interior ('binnenste')
intusbinnenintiem (< intimus; superlat. van intus)intimate ('intiem'; < intimus, superlat. van intus)
inanisleeg, ijdel-inane ('leeg, zinloos')
incolumisongedeerd--
incumbo (incumbĕre)gaan liggen op, zich toeleggen op-incumbent ('zittend, in functie zijnd')
indedaarvandaan, daarna, ten gevolge daarvan--
inerstraag, zwakinert ('traag')inert ('traag')
inferiorlager, minderinferieur ('lager')inferior ('lager')
inferibewoners van de onderwereldzie inferiorzie inferior
ingensreusachtig--
inquam, inquitik zeg, hij zegt, - zei--
insidio (insidĕre)zitten op, -in, bezet houden-insidious ('verraderlijk, geniepig')
insulaeiland-isle ('eiland'), isolated ('geïsoleerd', < Ital. isolato < Lat. insulatus ('tot een eiland gemaakt')), peninsula ('schiereiland'; < Lat. paene insula 'bijna een eiland')
intertussen, tijdensintern ('inwendig, inwonend'), introduceren ('invoeren'; < inter + duco ('leiden'))to intervene ('tussenbeide komen'; < inter + venio ('komen')), interlude ('pauze, tussenspel'; < inter + ludo ('spelen'))
inter seonderling, (met) elkaar--
interdumsoms--
intereaintussen--
interimintusseninterim ('tussentijds, tijdelijk')interim ('tussentijds, tijdelijk')
intrabinnenzie introzie intro
intro (intrare)binnenkomenentree, enteren ('een vijandig schip aanklampen'; < Sp. entrar ('binnenvallen, veroveren') < intro)to enter
invitusniet willend--
invito (invitare)uitnodigeninviteren ('uitnodigen')to invite ('uitnodigen')
inultusongewroken, ongestraft--
iocusgrapjokken ('liegen'), joker (< En. to joke) < Lat. iocari), juweel (< Oudfr. juël < Oudfr. jeu), jongleren ('behendigheidskunsten doen'; < Fr. jongler < Lat. ioculari < ioculus dimin. v. iocus), jojo (< Fr. joujou ('speeltje') < Fr. jouer ('spelen') < Lat. iocari)joke, jeopardy ('gevaar'; < Oudfr. jeu parti ('spel met gelijke kansen') < iocus
irawoede--
irascor (irasci)boos worden/zijn-irascible ('prikkelbaar'; < Laatlat. irascibilis < Lat. irascor)
iratusboos-irate ('boos')
is, ea, iddeze, dit, hij, zij, het--
idemdezelfdeidentiteit (< Laatlat. identitas < Lat. identidem ('steeds weer') < idem et idem)identity (< Laatlat. identitas < Lat. identidem ('steeds weer') < idem et idem)
idem ac/atquedezelfde alszie idemzie idem
ipsezelf, juist, precies--
iste, ista, istuddie, dat--
itazo--
itaque(en) daarom, dus--
itemop dezelfde wijzeitem ('programmapunt'; in Mdd. Lat. en Mdd. Ned. gebruikt in opsommingen, vanuit En. betekenis 'programmapunt')item ('programmapunt'; adj. gebruikt in opsommingen en zo betekenisverschuiving naar 'punt uit een opsomming')
ItaliaItaliëItaliëItaly
iter, itinerisreis, mars, weg, route-itinerant ('rondreizend'; < Laatlat. itinero ('rondreizen' < iter)
iterumweer-to reiterate ('herhalen'; < re + iterare ('weer herhalen')
iubeo (iubēre)bevelen--
iussumbevel, dat wat bevolen is--
iucundusaangenaam, aantrekkelijk--
iugumjuk, bergrugjuk ('tuig van trekdieren, last')subjugation ('onderwerping'; < subiugo < sub + iugum ('onder juk'))
iungo (iungĕre)verbindenjoint ('hasjsigaret'; oorsp. 'geheime samenkomst', betekenisverandering door associatie met roken van opium), junta ('besturend comité'; < iuncta ppp. van iungo ('samenkomst'))to join (< Oudfr. joindre < iungo), juncture ('toestand'; < iunctura pfa. van iungo), junction ('verbinding, knooppunt'), joint ('verbinding, hasjsigaret'; oorsp. 'geheime samenkomst', betekenisverandering door associatie met roken van opium), junta ('besturend comité'; < iuncta ppp. van iungo ('samenkomst'))
adiungo (adiungĕre)toevoegenadjunct ('toegevoegd ambtenaar'; < adiunctum ppp. van adiungo)-
cunctialle(n)
cunctaalles
coniugiumverbintenis, huwelijk--
coniungo (coniungĕre)verbindenconjunctivus ('aanvoegende wijs')conjunctive ('aanvoegende wijs')
coniunxechtgenoot, echtgenote--
IuppiterJuppiterjoviaal ('hartelijk'; < iovialis ('betreffende Jupiter')jovial ('hartelijk'; < iovialis ('betreffende Jupiter')
iusrechtjury (< Oudfr. jurer < Lat. iuro ('zweren')), juridisch ('rechtskundig'; < iuridicus < ius + dico ('recht spreken')), jurisprudentie ('rechtsopvatting'; < ius + prudentia ('recht kennis'))jury (< Oudfr. jurer < Lat. iuro ('zweren')), jurisdiction ('rechtspraak, rechtsbevoegdheid'; < ius + dico ('recht spreken')), juridical ('rechtskundig'; < iuridicus < ius + dico ('recht spreken'))
iniuriaonrecht-injury ('verwonding')
iudexrechter--
iudico (iudicare)oordelen-to judge ('oordelen'; < Oudfr. juger < Lat. iudico)
iudiciumproces, oordeel; vonnisjudicieel ('rechtelijk')prejudice ('vooroordeel'; < prae + iudicium ('voortijdig oordeel'), judicial ('rechtelijk')
iuremet recht, terecht--
iusiurandumeed--
iustusrechtvaardigjuist (< Fr. juste < iustus), justitie ('rechterlijke macht'; < justitia ('rechtvaardigheid'))just (< Fr. juste < iustus), justice ('rechtvaardigheid'; < justitia), to justify ('rechtvaardigen'; < iustus + facio ('rechtvaardig maken'))
iuvencusjong(e stier)--
iuventusjeugd, jonge mensen--
iuvenisjonge man (tussen 20 en 40 jaar)junior (comp. van iuvenis)juvenile ('jeugdig'), junior (comp. van iuvenis)
iuvo (iuvare)helpen--
adiuvo (adiuvare)helpenadjudant ('onderofficier'; < Sp. ayudar < Lat. adiuto freq. van adiuvo)aid (< Oudfr. aide < adiuta ppp. van adiuvo), adjutant ('onderofficier'; < adiuto freq. van adiuvo)
iuvat meik heb plezier in--
iuxta (prep)naast, (adv.) op dezelfde wijze-to juxtapose ('naast elkaar zetten'; < iuxta + pono ('plaatsen naast')), to joust ('een steekspel houden'; < Oudfr. joster < Vulg. Lat. iuxto ('naderen'))
iuxta (adv)op dezelfde wijze , (prep.) naast--
labor (labi)(weg)glijden, instortenlabiel ('met onevenwichtige persoonlijkheid'), lawine ('vallende sneeuw'; < Laatlat. labina ('het uitglijden, val'))to collapse ('vallen', 'uitglijden'), to elapse (verstrijken')
dilabor (dilabi)uiteenvallen, uiteengaan--
laborinspanning, beproeving-labour ('arbeid'), elaborate ('in detail uitgewerkt')
laboro (laborare)zich inspannen, het zwaar te verduren hebbenlaboratorium (lett. 'werkplaats'), collaboratie ('samenwerking met de vijand')laboratory (lett. 'werkplaats')
lacmelklactose ('melksuiker')lactation ('het geven van borstvoeding'), lactic ('melk-'), lactose ('melksuiker')
lacero (lacerare)verscheuren-to lacerate ('aan stukken scheuren')
lacesso (lacessĕre)uitdagen--
lacrimo (lacrimare)huilen-lachrymator ('traangas')
lacrimatraanlachrymose ('huilerig', 'droevig')
lacusmeerlacune ('leegte'; < Laatlat. lacuna ('waterreservoir, kuil'))lacuna ('leegte'; < Laatlat. lacuna ('waterreservoir, kuil'))
laedo (laedĕre)kwetsen, beledigendwarslaesie ('kwetsuur aan de rugzenuwbaan'), elisie ('uitstoting'; < elido < Lat. e(x) + laedere)to collide ('botsen'), lesion ('kwetsuur', 'verwonding')
laetusvrolijk, glanzend--
laevuslinkerlaevulose ('vruchtensuiker'; zo genoemd omdat de stof i.t.t. dextrose linksdraaiend is)-
lanawol--
languidusloom-languid ('loom')
lapissteenlapidair ('kort en krachtig'; vanwege de bondige taal van inscripties in steen)lapidation ('steniging')
largusovervloedig-large ('groot', 'enorm')
lateo (latēre)verborgen zijnlatent ('verborgen', 'onderhuids aanwezig')latent ('verborgen', 'onderhuids aanwezig')
latuszijde, zijkantbilateraal ('van twee kanten')collateral ('onderpand'; oorspr. 'van dezelfde kant', d.w.z. 'deel van dezelfde ruil'), bilateraal ('van twee kanten')
latusbreed, ruim, uitgestrektlatifundiaat ('grootgrondbezit'; < latus ('breed') + fundus ('bodem'))latitude ('breedtegraad')
latewijd en zijd, breed--
laudo (laudare)prijzen--
laus, laudislof, roemcum laude ('met lof')cum laude ('met lof')
legatiogezantschap; het ambt van legatuslegaat ('testamentaire nalatenschap')legacy ('nalatenschap')
legatusonderbevelhebber, gezant; gouverneurdelegeren ('uitbesteden', lett. 'iemand op pad sturen'), delegatie ('gezantschap'), legaat ('afgezant')legate ('afgezant'), delegate ('vertegenwoordiger')
legiolegioenlegioen ('legerafdeling'), legio ('in groten getale'; door de assocatie met een leger ontstaan)legion ('groot aantal', 'legioen')
lego (legĕre)verzamelen, (uit)kiezen; lezenselecteren, lectuur, legende ('sage', lett. 'dat wat gelezen moet worden'), les (< Fr. la leçon)lesson ('les'; < Lat. lectionem 'voorlezing'), to select, legend ('sage', lett. 'dat wat gelezen moet worden'), lecture ('lezing')
colligo (colligĕre)verzamelencollectie ('verzameling'), collecte ('inzameling')collection ('verzameling')
deligo (deligĕre)(uit)kiezen--
eligo (eligĕre)uitkiezenelite ('bovenlaag van de bevolking'; < Fr. élit < Lat. electum ('uitgekozen')), electoraat ('kiezers')elections ('verkiezingen')
intellego (intellegĕre)bemerken, begrijpenintelligent ('slim'), intellect ('verstand')intelligence, intellectual
neglego (neglegĕre)verwaarlozen-negligence ('verwaarlozing'), to neglect ('verwaarlozing')
lentuslangzaam, traag, soepel-to relent ('minder streng worden', lett. 'weer soepel worden')
leoleeuwleeuw, luipaard (< Lat. leo + pardus ('panter'))lion, leopard ('luipaard'; < Lat. leo + pardus ('panter'))
leposcharme--
letum(gewelddadige) dood-lethal ('dodelijk')
levislicht, gering (NB: levis (met lange e) = glad)levitatie ('het zich buiten de zwaartekracht bevinden')relief ('opluchting', 'verlichting')
levo (levare)oprichten, ondersteunen, verlichten, verminderenrelevant ('belangrijk', lett. 'zich verheffend'), reliëf ('zich verheffend patroon'; < Lat. relevare ('zichzelf lichter maken'))relevant ('belangrijk', lett. 'zich verheffend'), elevator ('lift', lett. 'verlichter', 'optiller'), Carnival ('carnaval'; eig. vleesvrije vooravond van de vastperiode < carne ('vlees') + levare ('verwijderen'))
lexwet(svoorstel), voorschrift, regel; voorwaardelegaal ('volgens de wet toegestaan'), loyaal ('trouw'; oorspr. 'wettig' > 'trouw aan de wet'), legitiem ('wettig'), privilege ('bijzonder voorrecht'; < privus ('op zichzelf staand') + lex ('wet'))legal ('volgens de wet toegestaan'), loyal ('trouw'; oorspr. 'wettig' > 'trouw aan de wet'), legitimate ('wettig')
libo (libare)plengen, offeren-libation ('plengoffer')
libentergraag--
libervrijliberalisme (politieke stroming die zo veel mogelijk vrijheid voor het individu voorstaat)liberalism (politieke stroming die zo veel mogelijk vrijheid voor het individu voorstaat)
libero (liberare)bevrijdenleveren ('verschaffen'; < Laatl. liberare ('bevrijden van schulden/lasten') > ('verschaffen'))to deliver ('verschaffen'; < Laatl. liberare ('bevrijden van schulden/lasten') > ('verschaffen')), to liberate ('bevrijden')
libertasvrijheid-liberty ('vrijheid')
libertusvrijgelaten slaaflibertijn ('vrijdenker')libertine ('vrijdenker')
liberboek-library ('bibliotheek')
liberikinderen--
libetgraag willen--
libidobegeerte, willekeurlibido ('geslachtsdrift')libido ('geslachtsdrift')
licethet is geoorloofd, het is mogelijk-illicit ('verboden'; < Lat. in- ('on-') + licet ('(het is) geoorloofd'))
licentia(onbeperkte) vrijheidlicentie ('toestemming voor gebruik')licence ('toestemming voor gebruik')
licuit, licet--
licet (voegwoord)ook al--
lictordienaar van een (hoge) magistraat, drager van de fasces--
lignumhout--
limendrempelelimineren ('verwijderen'; < ex + limen lett. ('de drempel af-, de deur uitzetten')), subliminaal (('onderbewust'); eig. ('onder de bewustzijnsdrempel'))to eliminate ('verwijderen'; < ex + limen lett. ('de drempel af-, de deur uitzetten'))
linguatong, taallinguïstiek ('taalkunde')language ('taal')
linquo (linquĕre)(achter)laten, verlatendelict ('strafbaar feit'; < Lat. de + linquo ('verkeerd achterlaten')), delinquent ('schuldige aan een strafbaar feit')delinquent ('schuldige aan een strafbaar feit'; < Lat. de + linquo ('verkeerd achterlaten'))
relinquo (relinquĕre)achterlatenrelict ('overblijfsel van een heilige')to relinquish ('verlaten'), relic ('overblijfsel van een heilige')
reliquusover(gebleven), overigrelikwie ('antiek overblijfsel'; < Lat. reliquium ('het achtergelatene'))-
liquidusvloeibaar, helderlikeur ('sterke drank'; < Fr. liqueur ('sterke drank') < Lat. liquor ('vocht')), liquideren ('vermoorden'; lett. ('vloeibaar maken'))liquor ('sterke drank'; < Lat. liquor ('vocht')), liquid ('vloeibaar, vloeistof')
lisstrijd, proceslitigieus ('waar een proces over wordt gevoerd'; < Fr. litigieux)to litigate ('procederen')
litteraletter, pl.: brief, pl.: wetenschap, literatuurletter, literatuur, alliteratie ('stafrijm'; meerdere woorden met dezelfde beginletter na elkaar)letter ('letter'), letter ('brief'), to obliterate ('uitwissen, doen verdwijnen'; < lett. ('een letter doorstrepen'))
litterae (plur.)pl. wetenschap, literatuur, pl.: brief; sing: letterbelletrie ('literatuur'; lett. ('de mooie letteren'))-
litusstrand, kust-littoral ('aan een kust gelegen')
locusplaats, positie, toestand; gelegenheid, ruimtelokaal ('plaatselijk'), lokaal ('ruimte'), loco- ('in plaats van, vervangend')local ('plaatselijk')
colloco (collocare)plaatsenkoest ('rustig!'; < Fr. couche toi ('ga liggen') < Lat. colloca te), collocatie ('gedwongen opname van patiënten')couch ('bank'; < Fr. coucher ('neerleggen') < Lat. collocare)
loco (locare)plaatsenlocatie ('plek')location ('plek')
longuslanglang, prolongeren ('verlengen')long, longitude ('lengtegraad')
longever, lang, + superl.: verreweg--
longe + superl.verreweg--
navis longaoorlogschip--
loquor (loqui)spreken, noemen-soliloquy ('monoloog'), ventriloquist ('buikspreker')
colloquiumonderhoud, gesprekcolloquiaal ('tot spreektaal behorend'), colloquium ('geleerde bijeenkomst')colloquial ('tot spreektaal behorend'), colloquium ('geleerde bijeenkomst')
eloquentiawelsprekendheideloquent ('welsprekend')eloquence ('welsprekendheid')
lucrumwinstlucratief ('winstgevend')lucrative ('winstgevend')
luctusrouw(klacht)--
lucus(heilig) woud--
ludo (ludĕre)spelen, zich amuserenillusie ('waanbeeld'; < illudo ('bespotten, voor de gek houden')), allusie ('verwijzing, zinspeling')illusie ('waanbeeld'; < illudo ('bespotten, voor de gek houden')), ludicrous ('bespottelijk')
ludusspelprélude ('inleiding op een muziekstuk'; < lett. ('voorspel')), interlude ('tussendeel in een muziekstuk')prelude ('inleiding op een muziekstuk'; < lett. ('voorspel')), interlude ('tussendeel in een muziekstuk')
lugeo (lugēre)(be)treurenluguber ('somber, akelig, doods')lugubrious ('somber, akelig, doods')
lumenlicht, ooglumineus ('schitterend, briljant')illumination ('geestelijke verlichting')
luxlicht, levenlucifer (lett. 'lichtbrenger')lucid ('helder, duidelijk')
lunamaan-lunatic ('gek'; lett. ('maanbewoner'))
lupuswolf--
lustro (lustrare)verlichten, inspecteren; doorkruisenluister ('licht'; in de uitdrukking 'iets luister bijzetten' < Fr. lustre ('goede reputatie'))-
illustrishelder, stralend, vooraanstaandillustratie ('tekening'; lett. ('verlichting, toelichting')), illuster ('beroemd')illustrious ('beroemd'), illustration ('tekening'; lett. ('verlichting, toelichting'))
luxuria(zucht naar) weeldeluxe ('weelde')luxury ('weelde')
lymphawaterlymfe ('weefselvocht')limpid ('glashelder'), lymph ('weefselvocht')
maereo (maerēre)(be)treuren--
maestusbedroefd--
magister(leer)meestermagistraal ('meesterlijk'), meester (mister (afgezwakte vorm v. master), mistral ('wind in het zuiden van Frankrijk';
magistratusambt, magistraatmagistraatmagistrate
magnusgroot, belangrijkmagnaat ('iemand met veel invloed'), meier ('rentmeester'; mayor ('burgermeester';
magismeer--
magnitudogrootte, omvangmagnitude ('omvang')magnitude ('omvang')
maiestasgezag, aanzienmajesteitmajesty
maior (maximus) natuouder, oudstGebruikt om onderscheid te maken tussen verschillende personen met dezelfde naam, bijv. Plinius maior en Plinius minor.Gebruikt om onderscheid te maken tussen verschillende personen met dezelfde naam, bijv. Plinius maior en Plinius minor.
maioresvoorouders--
maximevooral, het meest--
maximusgrootste, zeer grootmaximum ('het uiterste'), maximaalmaximum ('het uiterste')
malusslechtmalaria ('moeraskoorts'; < It. mala + aria ('lucht') < Lat. mala + aer), malaise ('gedruktheid'; < Fr. mal + aise ('gemak, welbehagen')),malice ('boosaardigheid'; < Oudfr. malice ('zondigheid')), malaria ('moeraskoorts'; < It. mala + aria ('lucht') < Lat. mala + aer),
maleslechtmaligne ('kwaadaardig'; < Lat. malignus < male + gignere ('voortbrengen'))te vinden in samenstellingen als mal-, bijv. malfunction ('storing')
malumslechte daad, ramp--
peiorslechterpejoratief ('een ongunstige betekenis hebbend')pejorative ('een ongunstige betekenis hebbend')
pessimusslechtste, zeer slechtpessimist ('iemand die altijd het slechtst mogelijke verwacht')pessimist ('iemand die altijd het slechtst mogelijke verwacht')
mano (manare)stromenemaneren ('uitvloeien'; < ex + manare)-
mando (mandare)opdragen, gelasten, toevertrouwen-mandatory ('verplicht'), to demand ('eisen'; < Fr. demander < Vulg. Lat. demandare ('vragen'))
mandatum (meestal pl.)opdracht, bevelmandaatmandate
maneo (manēre)blijven, voortduren, te wachten staanpermanent ('blijvend'; < per ('gedurende') + manere)manor ('landhuis'; < Zelfst. Nw. van Oudeng./Oudfr. maneir ('wonen')), permanent ('blijvend'; < per ('gedurende') + manere), to remain ('overblijven'; < Lat. remanere ('achterblijven'))
maneszielen van de overledenen, schimmenmanisme ('verering van de gestorvenen')-
manifestustastbaar, duidelijkmanifest ('zich duidelijk vertonend'), manifesteren ('openbaren')manifest ('zich duidelijk vertonend')
infestusvijandig, dreigend-to infest ('onveilig maken')
manushand, bendemanuscript ('handschrift'; < manus + scriptus ('geschreven')), manicure ('verzorger van handen en nagels'; < manus + cura ('zorg')), manier ('wijze'; < Fr. manière < manier ('(be)handelen')), manoeuvre ('handgreep'; < Mdd. Lat. manuopera ('herendienst'))manuscript ('handschrift'; < manus + scriptus ('geschreven')), manual ('gebruiksaanwijzing, handboek'; adj. 'handmatig'), manicure ('verzorger van handen en nagels'; < manus + cura ('zorg')), to maintain ('onderhouden'; < Lat. manu tenere ('in de hand houden')
marezeemarinier ('zeesoldaat'; < Lat. marinus ('van de zee')), maritiem ('van de zee')marine ('behorend tot de zee'; < Lat. marinus ('van de zee')), maritime ('van de zee')
maritusechtgenootmaritaal ('van de echtgenoot')to marry ('trouwen'; < Fr. marier ('trouwen') < Lat. maritare ('huwen')), marital ('van de echtgenoot')
matermoederalma mater ('eretitel voor hogescholen'), matriarchaat ('rechtstoestand via de vrouwelijke lijn'; < Lat. mater/Oudgr. μήτηρ + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))maternal ('moederlijk'; < Vulg. Lat. *maternalis < Lat. maternus), maternity leave ('zwangerschapsverlof'), matrimony ('huwelijk')
matrona(getrouwde) vrouw--
materia/materiesmaterie, materiaalmaterie ('grondstof'), materialist ('iemand die waarde hecht aan fysieke zaken'), materiaalmatter ('grondstof')
maturusrijp, (vroeg)tijdigprematuur ('voortijdig'; < pre ('voor') + maturus)mature ('volwassen'), premature ('voortijdig'; < pre ('voor') + maturus), immature ('onvolwassen'; < in ('on') + maturus)
memij (acc./abl.)zie ook 'ego'zie ook 'ego'
mecummet mij--
medicusdoktermedicijn, medicinaal ('geneeskundig')medication ('medicijnen'), medicine ('medicijn')
mediusin het middenintermediair ('tussenliggend'), mediaan ('zwaartelijn van een driehoek'), medio ('in het midden van'), mediterraan ('m.b.t. de Middellandse Zee'), milieu ('omgeving'; < medius locus ('middenpunt'))medieval ('middeleeuws'; < Neolat. mediaevus < medius + aevus ('eeuw')), mediocre ('middelmatig'; < Lat. mediocritas ('matigheid')), medium ('middelgroot'), intermediate ('tussenliggend'), Mediterranean ('m.b.t. de Middellandse Zee')
mediumopenbaarheidmedia ('communicatiemiddelen')media ('communicatiemiddelen')
meditor (meditari)overwegen, uitdenkenmediteren ('peinzen')meditate ('peinzen')
meivan mij (gen. van ego); gen. mnl./onz. ev. van meus 'mijn'; nom. mnl. mv. van meus 'mijn'zie ook 'ego'zie ook 'ego'
mel, mellishoningmelasse ('suikerhoudende massa'), mousse (< Lat. mulsum ('met honing gemengde wijn'))mellifluous ('zoet, aangenaam'; < Lat. melli + fluus ('stromend'))
membrumlichaamsdeelmembraan ('vlies'; i.e. dat wat de leden bedekt)member ('lid van een groep'; oorspr. voortplantingsorgaan; < membrum virilis), membrane ('vlies'; i.e. dat wat de leden bedekt)
memini (meminisse)zich herinneren--
memordenkend aanmemorabel ('herinneringswaardig')memorable ('herinneringswaardig')
memoro (memorare)melding maken vanmemo (afk. v. memorandum ('datgene dat herinnerd/gemeld moet worden')), verw. m. mijmerenremember ('z. herinneren'), memo (afk. v. memorandum ('datgene dat herinnerd/gemeld moet worden'))
memoriageheugen, herinnering; tijd die men zich kan herinnerenmemoires ('levensherinneringen')memory, memorial ('gedachtenisplechtigheid')
mensgeest, verstand, gedachtementaal ('geestelijk'), mentaliteit ('houding'), dement ('zwakzinnig'; < de ('weg van') + mens)mental ('geestelijk'), verw. m. mind ('geest')
mensatafelmensa ('eetzaal van een universiteit')-
mensismaandmenstruatie (< Lat. menstruus ('maandelijks')), semester ('half jaar'; < Lat. sex menses ('zes maanden'))semester ('half jaar'; < Lat. sex menses ('zes maanden')), menstrual ('maandelijks'; < Lat. menstruus ('maandelijks'))
mercatorhandelaar--
mercesloon, betalingmarkt (< Lat. mercatus)mercenary ('huurling'), mercy ('genade'; < Oudfr. merci(t) ('beloning')), commerce ('handel'; < cum ('samen') + merces), market (< Lat. mercatus)
mereo (merēre)verdienen, dienenemeritus ('zijn ambt neergelegd hebbend'; < Lat. ex ('helemaal uit') + merere)emeritus ('zijn ambt neergelegd hebbend'; < Lat. ex ('helemaal uit') + merere)
mererizich verdienstelijk makenzie ook 'mereo'zie ook 'mereo'
meritoterecht--
meritumverdienste-merit ('verdienste')
metakeerpunt, eindpuntmeet ('streep, honk')-
metuo (metuĕre)bang zijn, vrezen--
metuo ne + conj.ik ben bang dat..--
metusangstmeticuleus ('nauwgezet'; < Fr. méticuleux ('angstvallig, nauwgezet') < Lat. metus + osus ('vol van'))meticulous ('nauwgezet'; < Fr. méticuleux ('angstvallig, nauwgezet') < Lat. metus + osus ('vol van'))
meusmijn, van mij--
mihi(aan) mij (dat.)zie ook 'ego'zie ook 'ego'
milessoldaat--
militariskrijgs-, soldaten-militairmilitary
militiakrijgsdienstmilitie ('krijgsmacht')militia ('systeem van militaire discipline')
milleduizendmillennium ('periode van duizend jaar'; < Lat. mille + annus ('jaar')), miljoen (< It. mi(l)lione, comp. v. mille) samenstellingen met 'mili-'millennium ('periode van duizend jaar'; < Lat. mille + annus ('jaar')), million ('miljoen'; < It. mi(l)lione, comp. v. mille) samenstellingen met 'milli-'
miliaduizend (onz. meerv.)mijl ('lengtemaat van duizend passen'; < milia passuum)mile ('lengtemaat van duizend passen'; < milia passuum)
minor (minari)(be)dreigenpromenade ('brede weg waarover oorspr. ossen geleid werden'; o.i.v. Vulg. Lat. *minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)'))promenade ('brede weg waarover oorspr. ossen geleid werden'; o.i.v. Vulg. Lat. *minare ('onder dreiging leiden (v. ossen)'))
minae(be)dreigingvervangen door minacia, zie ook minaxvervangen door minacia, zie ook minax
minaxdreigend-menace ('bedreiging'; < Oudfr. menace < Vulg. Lat. minacia), minacious ('dreigend')
minuo (minuĕre)verminderenminuut (verkorting van Mdd. Lat. minuta pars ('klein deel')), diminutief ('verkleinwoord'; < Lat. diminuere ('verminderen')), minutieus ('zeer nauwkeurig'; < Fr. minutieux < Lat. minutia ('kleinheid, detail') + osus ('vol van'))minute (verkorting van Mdd. Lat. minuta pars ('klein deel')), to diminish ('verminderen'; < Lat. diminuere ('verminderen'))
miror (mirari)zich verwonderen, bewonderenmirakel ('wonder'), miraculeus ('wonderbaarlijk'; < Fr. miraculeux < Lat. miracula ('wonder') + osus ('vol van'))mirror (< Vulg. Lat. *mirare ('kijken naar')), miracle ('wonder')
admiror (admirari)bewonderen, zich verwonderen over-to admire ('bewonderen')
(ad)mirabiliswonderbaarlijkadmiratie ('bewondering')admiration ('bewondering')
misceo (miscēre)door elkaar mengen, in beroering brengenmixen (< Eng. to mix < Fr. mixte < Lat. mixtum), promiscue ('vrij door elkaar'; < Lat. pro ('door elkaar') + miscere)to mix (< Fr. mixte < Lat. mixtum), miscellaneous ('gemengd'), to meddle ('mengen'; < Oudfr. mesler < Vulg. Lat. *misculare), promiscuous ('vrij door elkaar'; < Lat. pro ('door elkaar') + miscere)
miserongelukkigmiezerig (oorspr. 'regenachtig', o.i.v. Lat. miser ook 'nietig')-
miseror (miserari)beklagenmiserabel ('ellendig'; < Lat. miserabilis (lett. 'beklaagbaar'))miserable ('ellendig'; < Lat. miserabilis (lett. 'beklaagbaar'))
miseriaellendemisère ('ellende')misery ('ellende')
misericordiamedelijden--
mitiszachtmitigeren ('lenigen'; < Lat. mitigare ('zacht maken')),to mitigate ('pijn verzachten'; < Lat. mitigare ('verzachten'))
mitto (mittĕre)werpen, zenden, laten gaanmissie ('zending'), missionaris ('zendeling')mission ('zending'), missile ('werptuig'), message ('bericht')
admitto (admittĕre)toelaten, toestaanadmissie ('toelating')to admit ('toegeven')
amitto (amittĕre)verliezen--
committo (committĕre)(gevecht) aangaan, begaan; toevertrouwencommissaris ('gevolmachtigde'), commissie ('toevertrouwde opdracht')to commit ('aangaan, toevertrouwen')
demitto (demittĕre)laten vallen, naar beneden sturendemissionair ('aftredend')demise ('overlijden')
dimitto (dimittĕre)uiteenzenden, laten gaan-to dismiss ('wegzenden')
emitto (emittĕre)laten weggaan, loslatenemissie ('uitgifte (van obligaties)')to emit ('uitgeven')
immitto (immittĕre)erop afsturen, laten gaan--
mittathij zendt, stuurt (conj. prae.)zie ook 'mitto'zie ook 'mitto'
mittethij zal zenden, sturen (fut.)zie ook 'mitto'zie ook 'mitto'
mittithij zendt, stuurt (indic. prae.)zie ook 'mitto'zie ook 'mitto'
omitto (omittĕre)terzijde leggen, achterwege latenomissie ('verzuim')to omit ('weglaten')
permitto (permittĕre)toevertrouwen, toestaanpermissie ('toestemming'), permitteren ('veroorloven')to permit ('toestemming geven'), permission ('toestemming')
promissumdat wat beloofd is, belofte-promise
promitto (promittĕre)beloven-to promise
remitto (remittĕre)terugsturen, doen verslappenremise ('gelijkspel'; de partij moet opnieuw worden gespeeld, de spelers worden teruggezonden)to remit ('vergeven')
modusmaat, maniermode ('trend'), grosso modo ('ruw geschat'; dat. van grossus ('dik, ruw') modus), mal/model (< Fr. moule/modèle < Lat. modulus (dimin. v. modus))mode ('manier, trend'), to modify ('veranderen'; < Lat. modus + facere), model/mould ('mal/model'; < Fr. moule/modèle < Lat. modulus (dimin. v. modus)), moderate ('binnen de grenzen')
commodumgemak, voordeel--
commoduspassend, gunstigcommode ('latafel')commode ('latafel')
modestiagematigheid, zelfbeheersing(im)modest ('(on)bescheiden')(im)modest ('(on)bescheiden')
modicusmatig, gematigd--
modo (adv.)slechts, zoëven; (voegw): mitsmodern ('tot de nieuwe tijd behorend'; < Laatlat. modernus ('nieuw'))modern ('tot de nieuwe tijd behorend'; < Laatlat. modernus ('nieuw'))
modo ... modonu eens ... dan weer--
modo (voegw + coni.)mits, (adv): slechts, zoëven--
moenia(stads)murenmunitie ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen')ammunition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen')
molesgrote last, moeite, groot voorwerp, massamolecuul (< Laatlat. molecula, dimin. v. moles), molesteren ('kwellen')molecule (< Laatlat. molecula, dimin. v. moles), to molest ('kwellen'),
molior (moliri)ondernemen-to demolish ('vernietigen'; < de ('naar beneden') + moliri)
molliszacht, buigzaammol (muziekterm), mollig ('dikkig'), miss. verw. m. mal ('zot')to mollify ('verzachten'; < mollis + facere)
moneo (monēre)herinneren aan, waarschuwenmonitor (< Eng. monitor < Lat. monitor ('waarschuwer, adviseur'))monitor (< Lat. monitor ('waarschuwer, adviseur')), to summon ('oproepen'; < Mdd. Lat. summonere ('opweken, oproepen'))
admoneo (admonēre)wijzen op, aansporen-to admonish ('vermanen')
monsbergmonteren ('in elkaar zetten'; < Fr. monter ('bestijgen, inrichten'))mountain ('berg'; < Oudfr. montaigne < Vulg. Lat. *montanea ('berg(rug)')), to mount ('bestijgen'; < Fr. monter ('bestijgen, inrichten')), promontory ('voorgebergte')
monstrumwonderlijk verschijnselmonstermonster
monumentummonument, gedenktekenmonumentmonument
morbusziektemorbide ('ziekelijk')morbid ('ziekelijk')
moror (morari)vertragen, ophouden, talmen, treuzelen--
moravertraging, uitstel--
morsdood-to mortify ('vernederen'; < mortis + facere)
immortalisbijv. nw. onsterfelijk; zst. nw. goden-immortal ('onsterfelijk')
morior (mori)sterven--
mortalissterfelijk, stervelingmortaliteit ('sterftecijfer')mortal ('sterfelijk')
mortuusdoodmortuarium ('rouwcentrum')mortuary ('rouwcentrum')
moszede, gewoontemoraal ('zedenleer')moral ('zedenleer')
moreskarakter, levenswijze, gedragiem. mores leren ('iem. een lesje leren')-
moveo (movēre)bewegen (ook overdrachtelijk!)motor ('machine die beweegkracht levert'), moven ('wegwezen'; < Eng. to move), promoveren ('bevorderen'; < Lat. pro ('voor') + movere), meute ('mensenmassa'; < Mdd. Lat. meuta, mota, mueta < motare, intens. v. movere)to move ('bewegen'), movement ('beweging'), motor ('machine die beweegkracht levert'), to promote ('bevorderen')
admoveo (admovēre)ergens heen brengen/voeren--
mobilisbeweeglijkmobiel ('beweeglijk'), meubel ('beweegbaar object in het huis'; < Fr. le meuble), perpetuum mobile ('toestel dat, in beweging gezet, eeuwig blijft bewegen'; < perpetuus ('eeuwig') + mobile)mobile ('beweeglijk')
motusbewegingmotie ('uitspraak in een vergadering'), motief ('beweegreden'), commotie ('opschudding')motive ('beweegreden'), motion ('beweging'), commotion ('opschudding')
permoveo (permovēre)tot iets bewegen--
removeo (removēre)verwijderen-to remove ('verwijderen')
moxspoedig--
muliervrouw--
multusveelte vinden in samenstellingen als multi-, bijv. multinationaalto multiply ('vermenigvuldigen') multiple ('verscheidene'), te vinden in samenstellingen als multi-, bijv. multinational
compluresverscheidene, heel wat--
multivele(n)zie ook 'multus'zie ook 'multus'
multitudomenigte-multitude ('menigte')
multoveel (bijw.)--
multumzeer, erg, veel (bijw.)--
pleriquede meesten, zeer velen--
plerumquemeestal--
pluresmeer, meerdere(n)pluraliteit ('verscheidenheid'), pluriform ('veelvormig')plural ('meervoud'), plurality ('meervoudigheid')
plurimusmeest, (zeer) veel--
plus + geneen grotere hoeveelheid, meerplusplus
plus (bijw)meer--
munduswereldmondiaal ('wereld-'; < Fr. mondiale < Lat. mundialis), mondain ('werelds'; < Fr. mondain < Lat. mundanus)mundane ('werelds'; < Fr. mondain < Lat. mundanus)
municipiumprovinciestad-municipal ('gemeentelijk'; < Lat. municipalis)
munio (munire)versterkenmunitie ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen')ammunition ('schietbenodigdheden'; < munitio ('het versterken van wallen')
munustaak, geschenk--
murmurgeluidonomatopee, vgl. Ned. morrenonomatopee, vgl. Eng. to mutter
murusmuurmuraal ('m.b.t. de wand')mural ('wandschilderij')
musamuzemosaiek (< musaicum opus ('werk van de muzen')), museum (< Oudgr. μουσεῖον, ('huis der muzen')), muziek (< ars musica ('muzenkunst'))mosaic (< musaicum opus ('werk van de muzen')), museum (< Oudgr. μουσεῖον, ('huis der muzen')), music (< ars musica ('muzenkunst'))
muto (mutare)veranderen, verwisselenmutatie ('verandering'), muitenmutation ('verandering')
commuto (commutare)verwisselen, veranderencommutatief ('verwisselbaar')to commute ('veranderen')
mutusgeluidloos, stom-mute ('geluidloos'), to mute ('stil maken')
mutuuswederkerig-mutual ('gemeenschappelijk')
nam, namquewant--
nanciscor (nancisci)(ver)krijgengenoeg (< Mdd. Ned. 'genoech' < 'ge' + 'nah'; vgl. 'nactus')enough ('voldoende' < Oud. Eng. 'genog' < 'ge' + 'nah'; vgl. nactus en 'genoeg')
narro (narrare)vertellennarratief ('verhalend' < Fr. narratif < Lat. adi. narrativus < ptc. narratum)to narrate ('vertellen'), narrator ('verteller' < Lat. narrator), narration ('vertelling' < Lat. narratio), narrative ('verhalend' < Lat. adi. narrativus < ptc. narratum)
nascor (nasci)geboren wordennataal ('geboorte-' < Lat. adi. natalis 'van de geboorte' < ptc. natus), prenataal ('voor de geboorte' < Lat. natus + prae 'voor'), natie ('staat' < Fr. la nation < Lat. subst. natio 'stam, volk' < adi. natus), naïef ('onnozel' < Fr. naïf 'natuurlijk, onnozel' < Lat. adi. nativus 'geboren, aangeboren' < ptc. natus), renaissance ('wedergeboorte' < Fr. la renaissance < Lat. renasci < re 'weder' + nasci),nation ('staat' < Fr. la nation < Lat. subst. natio 'stam, volk' < adi. natus), Noel ('kerst' < Fr. la noël < nael < Lat. subst. natalis 'geboortedag' < ptc. natus), Renaissance ('renaissance' < Fr. la renaissance < Lat. renasci < re 'weder' + nasci)
natiostam, volknatie ('staat' < Fr. la nation < Lat. subst. natio 'stam, volk' < adi. natus), 'nationaal' ('volks, staats' < Fr. national < Lat. natio)nation ('staat')
naturanatuur, aardnatuur, natuurlijk, naturaliseren ('opnemen als staatsburger'), naturelnature ('natuur'), natural ('natuurlijk'), supernatural ('bovennatuurlijk' , Lat. supra + natura)
natuszoon--
natusgeboorte, leeftijdnataal ('geboorte-' < Lat. adi. natalis 'van de geboorte' < natus), prenataal ('voor de geboorte' < Lat. natus + prae 'voor')Noel ('kerst' < Fr. la noël < nael < Lat. subst. natalis 'geboortedag' < natus)
navisschipnavigeren (< Fr. naviguer 'zeilen' < Lat. navigare 'zeilen' < navis + agere 'drijven'), navaal ('scheeps-' < Fr. naval < Lat. navis)nave ('naaf, schip (deel v/e kerk)'), naval ('scheeps-'), navigation ('navigatie' < Fr. naviguer 'zeilen' < Lat. navigare 'zeilen' < navis + agere 'drijven')
nautazeemanZie overigZie overig
-nesoms?, (in afh. vraag) of--
neniet (ontkenning bij imerativi, conj. prohibitivus en optativus)nihil ('niets' < ne + hilum 'iets kleins')nihilism ('nihilisme' < Lat. nihil < ne + hilum 'iets kleins')
ne + conj.opdat niet, om niet--
ne ... quidemzelfs niet, niet eens, ook niet--
nec, nequeen niet, nochnegotie ('koopwaar' < nec + otium 'vrije tijd')negotiation ('zakendoen' < nec + otium 'vrije tijd')
nec ... necnoch ... noch, en niet ... en ook niet--
nihilnietsnihil ('niets' < ne + hilum 'iets kleins')nihilism ('nihilisme' < Lat. nihil < ne + hilum 'iets kleins')
nequeen niet, ook niet, noch--
neque ... nequenoch ... noch, en niet ... en ook niet--
nisi, nials niet, behalve--
necessenodignecessiteit ('noodzakelijkheid' < Fr. nécessité < Lat. subst. necessitas)necessary ('noodzakelijk' < Lat. adi. necessarius), necessity ('noodzakelijkheid' < Lat. necessitas)
necessariusnoodzakelijk, onvermijdelijk-necessary ('noodzakelijk' < Lat. adi. necessarius)
necessitasnoodzaak, dwangnecessiteit ('noodzakelijkheid' < Fr. nécessité < Lat. subst. necessitas)necessity ('noodzakelijkheid')
neco (necare)doden-internecine ('dodelijk' < adi. internecinus < inter (werkt versterkend) + necare)
nex, necismoord, dood--
perniciesondergang-pernicious ('verderfelijk' < Lat. per + necis),
necto (nectĕre)knopen, verbindenconnectie ('verbinding' < Lat. cum + nectere), annexeren ('inlijven' < Lat. ad + nectere), nexus ('samenhang')connection ('verbinding' < Lat. cum + nectere), nexus ('verbinding'), to annex ('inlijven' < Lat. ad +nectere)
nego (negare)ontkennen, weigerennegeren, negatie ('ontkenning' < Lat. ptc. negatum), negatief ('ontkennend' < Lat. adi. negativus < ptc. negatum)to negate ('ontkennen'), negation ('ontkenning'), negative ('ontkennend' < Lat. adi. negativus < ptc. negatum), to deny ('weigeren' < Fr. denoiir 'weigeren' < Lat. de + negare)
nemoniemand--
nemini/neminem/nullodat./acc./abl. van nemo--
nemusbos, woud--
neposkleinzoonnepotisme ('begunstigingen van familieleden'), neef (< Fr. neveu 'neef' < Lat. nepos)nepotism ('begunstiging van familieleden'), nephew ('neef' < Fr. neveu < Lat. nepos), niece ('nicht' < Eng. niepce < Lat. neptia < neptis 'kleindochter' < nepos)
nequeo (nequire)niet in staat zijn--
nequiquamtevergeefs--
nervuspeesnerf ('zenuw' < Fr. nerf < nervus), nerveus ('zenuwachtig' , Lat. nervosus 'pezig'), enerveren ('op de zenuwen werken' < Lat. enervare < ex + nervare 'verlammen, pezen doorsnijden')nerve ('zenuw'), nervous ('zenuwachtig'), enervation ('verzwakking' < Lat. enervare 'pezen doorsnijden')
neve, neuen niet--
nidusnestnis ('uitholling' < Fr. niche < nicher < Vulg. Lat. nidicare < nidus)niche ('nis' < Fr. niche < nicher < Vulg. Lat. nidicare < nidus)
nigerzwartneger ('persoon met donkere huidskleur'), denigrerend ('kleinerend' < Lat. denigrare 'zwart maken, bezoedelen' < de + nigrare)Negro ('persoon met donkere huidskleur'), to denigrate ('beschamen, bezoedelen' < Lat. denigrare < de + nigrare), necromancy ('dodenbezwering' < Mdd. Lat. nigromantia < Lat. necromantia < Gr. νεκρόν 'dode' + μαντεία 'toverkunst')
nimbusregenbui, wolknimbostratus ('wolkenformatie' < Lat. nimbus + stratum 'deken')nimbostratus ('wolkenformatie' < Lat. nimbus +stratum 'deken')
nimis, nimiumte, te veel-nimiety ('overvloed' < Lat. nimietas < nimius < nimis)
nimiumal te zeer (bijw.)-nimiety ('overvloed' < Lat. nimietas < nimius < nimis)
nimiuste veel, te groot-nimiety ('overvloed' < Lat. nimietas < nimius < nimis)
nitor (niti)steunen op (+ abl.), zich inspannen--
nitidusglanzend, schitterendnet ('keurig' < Fr. net < Lat. nitidus)neat ('schoon' < Fr. net < Lat. nitidus)
niveussneeuwwit--
nobilisaanzienlijk, beroemdnobel ('edel' < Fr. noble < Lat. nobilis)noble ('edel')
nobilitasadel-nobility ('adelstand')
nobiscum(samen) met ons--
noceo (nocēre)schaden, benadelen-innocent ('onschuldig' < Lat. innocens < in + nocere), nuisance ('schade' < Fr. nuire < nocere)
nomennaam, titelnaam (heeft een gemeenschappelijke stam met Lat. nomen), pronomen ('voornaamwoord' < Lat. pro + nomen)name ('naam', heeft een gemeenschappelijke stam), noun ('zelfstandig naamwoord' < Fr. nom 'naam' < Lat. nomen),
nomino (nominare)benoemennominatie ('benoeming' < Lat. ptc. nominatus), renommee ('vermaardheid' < Fr. renomée < re + nomer < Lat. nominare)nomination ('benoeming' < Lat. ptc. nominatus < nominare 'benoemen'), renown ('naamsbekendheid' < Fr. renoun < re + nomer < Lat. nominare)
nonnietnon- (in samenstellingen, zoals non-actief, non-conform, non-verbaal), nonchalant ('achteloos' < Fr. nonchaloir, 'niet warm zijn' < Lat. non + calere 'warm zijn'), nonsens ('onzin' < Lat. non + sensus 'waarneming, verstand')non- (in samenstelling, zoals non-existent 'niet bestaand', non-fiction 'geen fictie', non-violent 'geweldloos'), none ('geen enkele'), nonchalant ('achteloos' < Fr. nonchaloir 'niet warm zijn' < Lat. non + calere 'warm hebben')
non iamniet meer, niet langer--
non modo ... sed etiamniet alleen ... maar ook--
non solum ... sed etiamniet alleen ... maar ook--
nondumnog niet--
nonne ... ?toch wel? (bevestigend antwoord wordt verwacht)--
noswijons (bezit eenzelfde talige stam als nos)-
nosteronze--
nosco (noscĕre)leren kennennotie ('besef' < Fr. notion < Lat. notionem kennismneming < notus), notitie ('aantekening' < Lat. notitia < notus), notaris ('ambtenaar' < Med. Lat. notarius < Lat. notare) annotatie ('aantekening' < Lat. annatatio < annotare < ad + notare (vgl. notus))notice ('informatie' < Lat. notitia < notus), notion ('idee' < Lat. notionem < notus), notorious ('berucht' < Lat. notorius 'nogal bekend' < notus)
agnosco (agnoscĕre)herkennen, inzien, erkennenagnitie ('erkenning' < Lat. agnitio < agnitum)-
cognosco (cognoscĕre)leren kennen, onderzoeken, vernemenconnaisseur ('kenner' < Fr. connaître < Lat. cognoscere), cognitie ('herkenning' < Lat. cogintio < cognitum), incognito ('onherkenbaar' < Lat incognitus < in + cognitus)cognition ('begrip' < Lat. cognitio < cognitum), to recognize ('herkennen' < Fr. recognizance < Lat. recognoscere < re + cognoscere), incognito ('onherkenbaar' < Lat. incognitus < in + cognitus), connoisseur ('kenner' < Fr. connoisseur < Lat. cognoscere), quaint ('oubollig, raar' < Fr. cointe 'herkenbaar' < cognitus)
cognovi (cognovisse)kennen--
ignarusonwetendignorant ('onwetend')ignorant ('onwetend')
ignoro (ignorare)niet weten, niet kennenignorant ('onwetend')ignorant ('onwetend')
ignosco (ignoscĕre)vergeven + dat--
ignotusonbekend--
notusbekendnotie ('besef' < Fr. notion < Lat. notionem kennismneming < notus), notitie ('aantekening' < Lat. notitia < notus), annotatie ('aantekening' < Lat. annatatio < annotare < ad + notare (vgl. notus)), connotatie ('bijbetekenis' < Lat. connotatio < cum + notatio)notice ('informatie' < Lat. notitia < notus), notion ('idee' < Lat. notionem < notus), notorious ('berucht' < Lat. notorius 'nogal bekend' < notus)
novi (novisse)kennen, weten--
novusnieuwnieuw (deelt een gemeenschappelijke stam met Latijnse novus), nova ('ster' < Lat. nova [stella] 'nieuwe ster' (fautief, zou novae stella moeten zijn)), novelle ('kort prozaverhaal' < Lat. novella 'nieuwe dingen' < novellus = verkleinwoord novus), novice ('nieuweling in het klooster' < Lat. novicius < novus), noviteit ('nieuwigheid' < Lat. novitas), renoveren ('vernieuwen' < Lat. renovare)to innovate ('vernieuwen' < Lat. innnovare < in + novare), renovation ('vernieuwing' < Lat. renovare < re + novare), novel ('roman' < Lat. novella 'nieuwe dingen' < novellus = verkleinwoord novus)
res novaerevolutie--
novissimuslaatste, achterste--
nox, noctisnachtnoctambule ('slaapwandelaar' < Fr. noctambule < nox + ambulare)-
nocte, noctu's nachts--
nocturnusnachtelijknocturne ('bepaald type muziekstuk'), noctuarium ('verblijf voor nachtdieren'), nuchter ('niet gedronken hebbend')nocturnal ('nachtelijk'), nocturne ('bepaald type muziekstuk')
nubeswolknuance ('schakering' < Fr. nuance < nue 'wolk' < Lat. nubes)nuance ('schakering' < Fr. nuance < nue 'wolk' < Lat. nubes)
nubo (nubĕre)trouwennubiel ('huwbaar' < Lat. nubilis < nubere)nubile ('huwbaar' < Lat. nubilis)
conubiumhuwelijkconnubium ('echtelijke samenleving')connubial ('echtelijk' < Lat. con + nubere)
nudo (nudare)ontbloten-to denude ('ontbloten' < Fr. dénuder < Lat. de + nudare)
nudusnaaktnudisme ('recreëren zonder kleding'), nudist ('naaktloper')nude ('naakt'), nudity ('naaktheid' < Fr. nudité)
nullusgeennul ('niets'), annuleren ('vernietigen' < Lat. annulare < ad + nullus), nullificeren ('teniet doen' < Lat. nullificare < nullus + facere)null ('niets'), to nullify ('teniet doen' < Lat. nullificare < nullus + facere)
nonnullisommige(n)--
nonnullusenige--
nulliusgen. ev. van nullus; gen. van nemozie nulluszie nullus
numtoch niet? (ontkennend antwoord wordt verwacht)--
numengoddelijke krachtnumineus ('goddelijk')numinous ('goddelijk')
numero (numerare)tellennumereren ('tellen', later ingekort tot nummeren), enumeratie ('opsomming' < Fr. énumeration < Lat. enumeratio < ex + numerare)to numerate ('tellen'), numerator ('noemer' < Lat. numeratus) innumerable ('ontelbaar' < Lat. in + numerabilis < numerare)
numerusgetal, aantalnummer, numeriek ('door getallen uitgedrukt' < Fr. numérique < Lat. numerus)number ('getal' < Fr. nombre < Lat. numerus), No. (afkorting 'getal' < Lat. abl. numero)
nuncnunu (heeft een gemeenschappelijke stam met nunc)now (Oud-Engels: nu, heeft een gemeenschappelijke stam met nunc)
nuntio (nuntiare)berichtenannonceren ('aankondigen' < Fr. annoncer < Lat. annuntiare), denonceren ('aangeven' < Fr. dénoncer < Lat. denuntiare), prononceren ('uitspreken' < Fr. prononcer < Lat. pronuntiare), renonceren ('afstand doen van' < Fr. renoncer < Lat. renuntiare)to announce ('verkondigen' < Lat. annuntiare < ad + nuntiare), to denounce ('afkondigen' < Lat. denuntiare), to pronounce ('uitspreken' < Lat. pronuntiare), to renounce ('opgeven' < Lat. renuntiare)
nuntiuskoerier, berichtzie nuntiozie nuntio
nuperniet lang geleden--
nuptiaehuwelijknuptiaal- ('huwelijks-' < Lat. nuptialis)nuptial ('huwelijks-' < Lat. nuptialis)
nymphanimf--
obvoor, wegens, omwille vanobstakel ('hinderpaal' < Lat. obstaculum < obstare 'in de weg staan'), obesitas ('overgewicht' < Lat. obesus 'volgegeten' < obedere), obscuur ('duister' < Lat. obscurus), observeren ('waarnemen' < Lat. observare < ob + servare 'in het oog houden'), obstinaat ('koppig' < Lat. obstinatus < obstinare 'vastbesloten zijn'), obligaat ('verplicht' < Lat. obligatus < obligare 'vastleggen, verbinden' < ob + ligare 'binden'), occasion ('koopje' < Lat. occasionem < occadere 'naar toe vallen' < ob + cadere), offeren ('a/e godheid schenken' < Lat offere < ob + ferre), voorwerp ('zaak', directe ontlening aan Lat. obiectum < ob + iacere 'werpen')obvious ('duidelijk zichtbaar' < obvius < ob + via 'weg'), to obey ('gehoorzamen'< Lat. obedire < ob + audire 'luisteren'), obesity ('overgewicht' < Lat. obesitas 'volgegeten' < obedere < ob + edere 'eten'), object ('voorwerp' < Lat. obiectum < ob + iacere), obituary (obituary ('overlijdensbericht' < Mdd. Lat. obituarius 'betrekking hebbend op de dood' < Lat. obitum 'gestorven' < obire), obscene ('beledigend' < Lat. obscenus < ob + caenum 'viezigheid' (onzeker)), obsession ('abnormale belangstelling' < Lat. obsessus < obsidere 'belegeren, bezetten')
quam ob rem ?waarom?--
obliquusscheef-oblique ('schuin')
obliviscor (oblivisci)vergeten-oblivion ('vergetelheid' < Lat. oblivionem < oblitus)
oblitus + genvergetend, niet denkend aan--
obscurusduisterobscuurobscure
obstupesco (obstupescĕre)verbaasd worden--
occulto (occultare)verbergen--
occultusverborgenoccultoccult
occupo (occupare)in bezit nemenoccupatie ('bezetting')to occupy ('bezetten')
oceanusoceaanoceaanocean
oculusoogocel ('puntoog van insecten'), binocle ('verrekijker' < Fr. < Lat. bis 'dubbel' + oculus)binocle ('verrekijker' < Fr. < Lat. bis 'dubbel' + oculus)
odi (odisse)haten--
odiumhaat--
odorgeurdeodorant ('ontgeuringsmiddel' < Lat. de + odor)odor
olimvroeger, later--
omenvoortekenabominabel ('afschuwelijk' < Lat. abominabilis < ab 'weg van' + omen), omineus ('een boos voorteken inhoudend')omen, abomination ('walgelijk iets' < Lat. abominabilis < ab 'weg van' + omen)
omnisieder, elk (meervoud: alle)omnibus ('bundelboek', betekent lett. 'voor allen'), omnivoor ('alleseter' < Lat. omnis + vorare 'eten')omnipotent ('almachtig' < Lat. omnis + potentia 'macht'), omniscience ('alwetendheid' < Lat. omnis + scientia 'kennis'), omnibus ('voertuig' < Lat. omnibus (voor allen)
omnesalle(n) (mv.)zie omniszie omnis
omniaalle(s) (mv. onz.)zie omniszie omnis
omninovolkomen, beslist, in totaal--
onero (onerare)(be)laden-to exonerate ('vrijstellen')
onuslast--
opacusbeschaduwd, duisteropaciteit ('doorschijnendheid')opacity ('doorschijnendheid')
operamoeite, inspanning--
operaook: nom./acc. mv. van opuszie opuszie opus
operam dozich moeite geven om, zich inspannen om--
opuswerk, moeite, verschansingopera ('muziekstuk'), opereren ('te werk gaan'), coöperatie ('samenwerking' < Lat. cooperatio < cum + operatio), manoeuvre ('handgreep' < Mdd. Lat. manuopera < manus 'hand' + opera), oeuvre ('gezamenlijk werk' < Fr. oevre < Lat. opera)operation ('taak' < Lat. operationis < opera), corvee ('onbetaalde taak' < Mdd. Lat. corrogata [opera] < corrogare 'vragen')
opus est (+abl.)het is nodig, er is behoefte aan--
opiniomening, naam, reputatieopinie ('mening')opinion ('mening')
oportethet behoort--
opperior (opperiri)wachten--
oppidumstad--
opportunusgunstigopportuun ('van pas'), opportunisme ('slechts rekening houden met omstandigheden')oppurtunity ('mogelijkheid'), oppurtune ('geschikt'), opportunism ('slechts rekening houden met omstandigheden')
ops, opishulp, (pl.) hulpmiddelen, rijkdom, machtkopie ('afschrift' < Fr. copie < Lat. copia 'voorraad'< cum + ops), copieus ('overvloedig' < Lat. copiosus < copia 'voorraad' < cum + ops), opulent ('zeer rijk' < Lat. opulentus 'rijk' < ops)-
copiavoorraad, overvloed, gelegenheid; (pl.) troepenkopie ('afschrift' < Fr. copie < Lat. copia), copieus ('overvloedig' < Lat. copiosus < copia)copy ('kopie' < Fr. copie < Lat. copia), copious ('overvloedig' < Lat. copiosus 'voorradig')
copiae (pl.)(pl.) troepen--
inopiagebrek, armoede--
opemet behulp van, door middel van--
opes (pl.)hulpmiddelen, rijkdom, macht, (sg.) hulpzie opszie ops
opto (optare)wensenoptie ('mogelijkheid' < Lat. optio), adoptie ('aannemen als kind' < Lat. adoptio < ad + optare)option ('mogelijkheid' < Lat. optio), to opt ('kiezen'), adoption ('aanneming (v/e kind)' < Lat. adoptionem < ad + optare), optative ('gewensd' < Lat. optativus)
opulentusrijk, machtigopulent ('rijk')opulent ('rijk')
orakust, rand--
oratiotaal, redevoeringoratie, proza ('ongebonden stijl' < Lat. prosa 'rechttoe' < afkorting van oratio prosa)oration, prose ('verhaal' < Lat. prosa 'rechttoe' < afkorting van oratio prosa)
oratorredenaar; woordvoerderoratororator
oro (orare)(be)pleiten, smekenoreren, orakel ('godsspraak' < Lat. oraculum 'goddelijk zegsel' < orare + instrumenteel suffix -culu-)to orate ('spreken'), to adore ('aanbidden' < Laatlat. adorare 'aanbidden' < Klas. Lat. adorare 'formeel aanspreken' < ad + orare), oracle ('orakel' < Lat. oraculum 'goddelijk zegsel' < orare + instrumenteel suffix - culu-)
orbiskring, cirkelexorbitant ('buitensporig' < Lat. exorbitans < ex + orbita 'wagenspoor' < orbis)orb ('rond voorwerp'), orbit ('baan' < Lat. orbita 'wagenspoor' < orbis)
orbis terrarumwereld--
ordo(volg)orde, orde, geld; rang, klasseorde, coördinatie ('onderlinge afstemming' < Lat. coordinatio < cum + ordinatio 'regeling'), ordinair ('gewoon' < Lat. ordinarius 'regelmatig')order ('orde'), ordinal ('regulier' < Lat. ordinalis < ordo), coordination ('onderlinge afstemming' < Lat. coordinatio < cum + ordinatio 'regeling' < ordo), ordinary ('regulier, gewoon' < Lat. ordinarius 'gebruikelijk')
origooorsprongAboriginals ('oorspronkelijke inwoners van Australië' < Lat. aboriginalis < ab + origo), origine (origin, original
orior (oriri)ontstaan, opkomenabortus ('ontijdige geboorte' < Lat. abortus < ab + ortus)abortion ('ontijdige geboorte' < Lat. abortus < ab + oriri)
coorior (cooriri)ontstaan--
orienshet oostenoriëntaal ('oostelijk' < Lat oriens 'oosten, lett.: oprijzend' (zon komt in oosten op))Orient ('het Oosten' < Lat oriens 'oosten, lett.: oprijzend' (zon komt in oosten op))
os, orismond, gezicht, uiterlijkoraal ('mondeling')oral ('mondeling')
os, ossisbot--
osculumkus-to osculate ('kussen' < Lat. osculatus < osculari 'kussen')
otiumvrije tijd, rust-otiose ('overbodig')
negotiumbezigheid, zaak, moeilijkheid, moeitenegotie ('koopwaar')negotiation ('zakendoen')
ovisschaapooi ('vrouwtjesschaap', heeft gemeenschappelijke stam met ovis)ovine ('schaaps-')
pabulumvoedsel, voer--
paenebijnapetinentie ('boete'; < paenitet ('het berouwt') < paene (nevenbet. 'met moeite'))penitence ('boete'; < paenitet ('het berouwt') < paene (nevenbet. 'met moeite'))
palma(hand)palm, zegepalmpalm, palmares ('lijst met zegevieders'; zegevierders kregen traditioneel een palmtak aangereikt)palm
palusmoeras--
pando (pandĕre)uitspreidenexpansief ('betrekking hebbend op uitbreiding'; < ex ('uit') + pandere)to expand ('uitbreiden'; < ex ('uit') + pandere)
pargelijk aan, opgewassen tegen; billijkpaar ('stel'; elkaars gelijke), umpire ('scheidsrechter'; < Eng. umpire < Fr. nounpere < Lat. non par)pair ('stel'; elkaars gelijke), peer ('gelijke in rang') umpire ('scheidsrechter'; < Fr. nounpere < Lat. non par)
paritergelijk; evenzeer; tegelijk--
parco (parcĕre)sparen--
pareo (parēre)gehoorzamen--
pario (parĕre)voortbrengen, verwerventransparant ('doorschijnend'; < Fr. paraître ('verschijnen'))to appear ('verschijnen'), viper ('adder'; vivus ('levend') + parere; men dacht dat de adder geen eieren legde, i.e. zijn jongen levend baarde)
parensouder (subst.)-parent
reperio (reperire)vinden, te weten komenrepertoire ('lijst met stukken van kunstenaars'; < Fr. répertoire)repertoire ('lijst met stukken van kunstenaars'; < Fr. répertoire)
paro (parare)voorbereiden, voorbereidingen treffenprepareren ('voorbereiden'; < prae ('voor') + parare), repareren ('herstellen'; < re ('opnieuw') + parare), apparaat (< ad ('naar ... toe') + parare)to prepare ('voorbereiden'; < prae ('voor') + parare), to repair ('repareren'; < re ('opnieuw') + parare), apparatus (< ad ('naar ... toe') + parare)
comparo (comparare)vergelijken, verwervencomparatief ('vergelijkend')to compare ('vergelijken')
paratusvoorbereid, gereedparaat, parade ('vertoon, schouwspel')parade ('vertoon, schouwspel')
parsdeel, kant; partij (meestal mv.)part ('deel'), portie, partieel ('deels'), partikel ('deeltje'), participeren ('deelnemen'; < pars + cipare (nevenv. v. capere))part ('deel'), portion ('portie'), partial ('partijdig'), particle ('deeltje')
partimdeels--
parvusklein--
minimeallerminst (bijw.)--
minimushet kleinst, zeer kleinminiem, minimaalminimum
minorminder-minority ('minderheid')
minusminder (onz. bijw.)min, minuscuul ('zeer klein'; < minusculus, dimin. minus)minus, minuscule ('zeer klein')
parumniet genoeg--
pasco (pascĕre)laten grazen, voeden-pasture ('weide'; datgene wat gevoed wordt)
passimwijd en zijd--
passuspas (± 1.50 m)pas ('schrede')pace ('tempo')
pastorherderpastoor, pastorale ('herderslied')pastoral ('herderlijk')
pateo (patēre)openstaanpatio ('open terras'), patent ('octrooi'; < Fr. (lettre) patente ('privilegebrief', eig. 'open brief'))patio ('open terras'), patent ('octrooi'; < Fr. (lettre) patente ('privilegebrief', eig. 'open brief'))
patervader; (plur.) senatorenpatronage ('bescherming')patronage ('bescherming')
paternus(voor)vaderlijk-paternity ('vaderschap')
patresook: senatorenpatriciër ('aanzienlijke')patrician ('aanzienlijke')
patriavaderlandpatriot ('iemand die zijn vaderland mint')patriot ('iemand die zijn vaderland mint'), expat ('iemand die buiten zijn vaderland opgroeit'; < ex ('uit') + patria)
patriusvan de vader, traditioneelpatriarchaat ('rechtstoestand via de mannelijke lijn'; < Lat. pater + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))patriarchate ('rechtstoestand via de mannelijke lijn'; < Lat. pater + Oudgr. αρχή ('heerschappij'))
patior (pati)verdragen, toestaanpatient ('lijdende'; < ppa patiens), passie ('hartstocht, lijden'; < ppp. passus), passief ('verdragend')patient ('lijdende'; < ppa patiens), passion ('hartstocht, lijden'; < ppp. passus), passive ('verdragend')
patientiageduld, volharding-patience ('geduld')
patro (patrare)tot stand brengen, voltooien--
pauciweinigen--
paulumweinig, een beetje--
paulatimlangzamerhand--
pauloweinig, een beetje (bijw.)--
paulo postkorte tijd later--
paulo antekorte tijd eerder, kort geleden--
pauperarmpover ('arm'; < Fr. pauvre), verpauperen ('arm worden')poor ('arm'; < Fr. pauvre)
paupertasarmoede-poverty ('armoede')
paveo (pavēre)angstig zijn--
pavorangst--
pax, pacisvredepacificeren ('vrede herstellen'; < pax + facere), pacifist ('iemand die vrede wil')peace, to pacify ('vrede herstellen'; < pax + facere), pacifist ('iemand die vrede wil')
pace tua (eius etc)met jouw (zijn, etc.) goedvinden, vrede--
pecco (peccare)een fout makenpecadille ('kleine zonde'; < Sp. pecadillo, dimin. v. peccado < Lat. peccatum ('zonde'))pecadillo ('kleine zonde'; < Sp. pecadillo, dimin. v. peccado < Lat. peccatum ('zonde'))
pectusborst, inborst, hartpectoraal ('borst-')pectoral ('borst-')
pecusvee-peculiar ('eigen aan bep. persoon'; < peculiaris ('van iemands eigendom'))
pecuniageld--
pecusbeest--
pelaguszee--
pello (pellĕre)voortdrijven, verdrijvenpropeller ('voortduwer'; < pro ('voor') + pellere) pols ('kloppen van slagaders'; < ppp. pulsum), pulseren ('kloppen'; < Lat. pulsare, intens. v. pellere)propeller ('voortduwer'; < pro ('voor') + pellere), pulse ('klopping, hartslag'; < ppp. pulsum), to repel ('wegdrijven'; < re ('terug') + pellere)
depello (depellĕre)verdrijven--
expello (expellĕre)uitdrijven, verdrijvenexpulsie ('uitdrijving')to expel ('verdrijven')
impello (impellĕre)in beweging brengenimpuls ('prikkel'; < ppp. impulsum)to impel ('aanzetten'), impulse ('prikkel'; < ppp. impulsum)
penateshuisgoden, staatsgoden--
pendeo (pendēre)(af) hangen (van), in spanning verkeren
penetro (penetrare)(diep) doordringen
penitusdiep
pennaveer, vleugel
perdoor (... heen), gedurende; door middel van
percello (percellĕre)verpletteren, verbijsteren
perdo (perdĕre)te gronde richten, verliezen
pergo (pergĕre)(voort)gaan
periculumgevaar
perpetuusononderbroken
persuadeo (persuadēre)overtuigen, overreden
pesvoet
pedesinfanterist, voetsoldaat
pestisdodelijke ziekte
peto (petĕre)trachten te bereiken, trachten te verkrijgen; + abl vragen aan
appeto (appetĕre)streven naar, begeren
repeto (repetĕre)terugverlangen
impetusaanval, aandrang, opwelling
pharetrapijlkoker
philosophiafilosofie
pietasvroomheid, plichtsbetrachting; liefde
impiusgoddeloos
piusvroom, plichtsgetrouw, liefdevol
pignusonderpand, bewijs
pinguisvet
pinuspijnboom
piscisvis
placeo (placēre)bevallen
placethet behaagt, men besluit
placidusvredig, kalm
plebsde gewone mensen
plenusvol
poculumbeker
poenagenoegdoening, boete
poetadichter
polliceor (polliceri)beloven
polus(hemel)pool
pondusgewicht
pono (ponĕre)leggen, plaatsen, neerleggen
appono (apponĕre)zetten bij, - op
compono (componĕre)bij elkaar plaatsen, schrijven; tot rust brengen
depono (deponĕre)neerleggen, deponeren
dispono (disponĕre)verspreid opstellen, ordenen
expono (exponĕre)eruit zetten, uiteenzetten
impono (imponĕre)plaatsen op, -in, opleggen
propono (proponĕre)openbaar maken, voor ogen stellen
propositumvoornemen
repono (reponĕre)terugzetten, weer plaatsen, wegzetten
ponsbrug
pontifexpriester
pontuszee
populusvolk
popularisvan, voor het volk, van hetzelfde volk
porrigo (porrigĕre)uitstrekken
portapoort
porto (portare)dragen
portushaven
posco (poscĕre)eisen, vragen
postulo (postulare)eisen
possideo (possidēre)bezitten
possum (posse)kunnen
posset(hij, zij, het) kon (conj. impf.)
possit(hij, zij, het) kan (conj. prae.)
potensmachtig
potentiamacht, invloed
poterat(hij, zij, het) kon (impf.)
potest(hij, zij, het) kan
potestasmacht, bevoegdheid, gelegenheid
potuerat(hij, zij, het) had gekund (pqpf.)
potuerit(hij, zij, het) kon, heeft gekund (conj. pf.); (hij, zij, het) zal gekund hebben (fut. ex.)
potuissete hebben gekund (inf. pf.)
potuisset(hij, zij, het) had gekund (conj. pqpf.)
potuit(hij, zij, het) kon, heeft gekund (pf.)
impotensonbeheerst, hartstochtelijk
post, posteadaarna, later
post (prep)achter, na
posterinakomelingen
posteriorlater
posterusvolgend, later
postquamnadat
postisdeur(post)
postremotenslotte (bijw.)
potiorliever, verkieslijker
poto (potare)drinken
praevoor; wegens, door
praedabuit
praesertimvooral
praestathet verdient de voorkeur
praetervoorbij, behalve
praetereabovendien
pratumweide
precor (precari)bidden, smeken
precessmeekbede
premo (premĕre)drukken
exprimo (exprimĕre)uitdrukken, afpersen
opprimo (opprimĕre)neerdrukken, overweldigen
pretiumbetaling, prijs, waarde
primuseerste
imprimisvooral, bij uitstek
primo (adv.)eerst
primum (bijw.)eerst, voor het eerst
princepseerste, voornaamste, keizer
principatuseerste plaats, keizerschap
principiumbegin
prioreerder, beter
priscusuit oude tijden
pristinusvroeger
priuseerder, vroeger, tevoren; liever (onz./bijw.)
priusquamvoordat
privatusvan een gewoon burger, particulier
provóór, in de plaats van, als; in verhouding tot
probo (probare)goedkeuren, aannemelijk maken
improbusslecht
proculop enige afstand
proeliumgevecht
proficiscor (proficisci)vertrekken
proindenet zo, daarom
prolesnageslacht
promptusopenbaar, beschikbaar; snel; geneigd tot
pronusvoorover, geneigd tot
prope (adv)dichtbij, bijna
prope (prep)dichtbij
propinquusnabij
propiordichterbij
propero (properare)zich haasten, haastig doen
properehaastig
propriuseigen
propterwegens
proptereadaarom
prorsushelemaal (adv.)
prosperusvoorspoedig, gunstig
protinusdirect (adv.)
provinciaambtsterrein, provincie
proximusnaaste, dichtstbij
proximi (mv.)naaste verwanten
prudensop de hoogte, verstandig
pubesvolwassenheid
publicusvan het volk, openbaar
pudorschaamte, eergevoel
pudet meik schaam mij
pudicuskuis, ingetogen
puellameisje
puerjongen
pueritiakinderjaren
pugnagevecht
expugno (expugnare)veroveren
oppugno (oppugnare)aanvallen, bestormen
pugno (pugnare)vechten
pulchermooi
pulvisstof
purpureuspurperen
puruszuiver
puto (putare)menen
reputo (reputare)overdenken
quawaar (langs)qua ('in de hoedanigheid van')qua ('zoals')
quaero (quaerĕre)zoeken, vrageninquisitie ('kerkelijke rechtbank' < Lat. in + quaesitum), kwestie ('vraag' < Lat. quaesitum), enquête ('onderzoek' < Fr. < Lat. in + quaesitum), exquis ('voortreffelijk' < Fr. exquis < Lat. ex + quaesitum)question ('vraag'), to require ('verlangen' < Lat. re + quaerere), quest ('zoektocht'), to inquire ('vragen naar' < Lat. in + quaerere)
exquiro (exquirĕre)opsporen, onderzoekenexquis ('voortreffelijk')exquisite ('voortreffelijk')
quaesozo vraag ik--
quaestioonderzoek, rechtbankquestionaire ('vragenlijst' < Fr. < Lat. quaestionem), kwestiequestion ('vraag')
quaestorquaestor (magistraat voornamelijk belast met financiële zaken)--
requiro (requirĕre)opzoeken, verlangen, eisenrekwisiet ('benodigdheid' < Lat. requisita)to require, request, requisite
qualishoedanig?, zodanig alskwalificatie ('toekenning v/e eigenschap' < Lat. qualificatio < qualis + facere), kwaliteitto qualify ('kwalificeren' < Lat. qualificatio < qualis + facere), quality ('kwaliteit')
quamhoe(zeer), zoals; (na compar.) dan--
quamquamhoewel--
quamvis (adv.)hoe ... ook , hoewel (voegw.)--
quamvis (voewg.)hoewel , hoe ... ook (adv.)--
quandowanneer?, eens, ooit; omdatcue ('aanwijzing voor acteur' < Eng. cue = q < Lat. quando)cue ('aanwijzing voor acteurs' < afkorting quando)
quantushoe groot?, zo groot alskwantum ('hoeveelheid'), kwantiteit ('hoeveelheid'), kwantificeren ('hoeveelheid aangeven' < Lat. quantus + facere)quantum ('aantal'), to quantify ('hoeveelheid vaststellen' < Lat. quantus + facere), quantity ('hoeveelheid')
quantohoeveel, hoezeer--
quanto ... tantohoe ... des te--
quantum (bijw.)hoeveel, hoezeerzie quantuszie quantus
quarewaarom?--
quasialsofquasi ('zogenaamd')quasi- ('soort van'), as if! (uitdrukking, letterlijke vertaling quasi)
quatio (quatĕre)doen trillen, beukendiscuteren ('van gedachten wisselen' < Lat. discutere 'uiteenslaan' < dis + quatere), squash ('balspel' < Fr. esquasser < Lat ex + quatere)to discuss ('van gedachten wisselen' < Lat. discutere < di + quatere), to quash ('verwijderen'), rescue ('redding' < Fr. recourre 'redden' < re + escourre < Lat. ex + quatere), concussion ('(hersen-)schudding' < Lat. concussionem < cum + quatere)
concutio (concutĕre)hevig schudden, schokken-concussion ('hersenschudding')
excutio (excutĕre)afstoten, afschudden--
quattuor (onverbuigbaar)vierkwadraat ('vierkant' < Lat. quadratum 'vierkant' < quattuor), katern ('deel v/e boek' < Lat. quaterni 'telkens vier', vellen papier werden viermaal gevouwen i/d M.E.), kader ('lijst' < It. quadro < Lat. quadrum 'vierkant' < quattuor)quad- ('vier-'), quatrain ('vierregelig stanza'), quadrant ('zes uur' < Lat. quadrans < quattuor)
quartusvierdekwart ('één vierde'), kwartaal ('drie maanden'), kwartetquarter ('één vierde'), quartet ('muzikaal ensemble')
-queen--
quemadmodumhoe?; zoals--
queor (queri)klagen--
querelaklachtkrakeel ('ruzie met rumoer' < Fr. querele < Lat. querela)quarrel ('ruzie' < Fr. querele < Lat. querela)
qui, quae, quod (pron. interr.)welke, (pron. relativum) die, dat--
qui, quae, quod (pron. rel.)die, dat, (pron. interrogativum) welke--
quiaomdat--
quicumque, quaecumque, quodcumqueieder(e) willekeurige, wie ook maar, wat ook maar--
quidam (zelfst.)iemand, een zekere--
quidam (bijv.)zekere; enkele, enige--
quidem(benadrukt voorgaand woord), althans--
quidem ... sedweliswaar ... maar--
quiesrust, slaap-quiescent ('rustig'), tranquility ('kalmte' < Lat. tranquilitas < trans + quies)
quietusrustigkwijt ('verloren hebbend' < Fr. quitte 'vrij van' < Lat. quietus)quiet ('stil')
requiesco (requiescĕre)rusten, tot rust komenrequiem ('dodenmis')-
quin + conj.waarom niet?, (na ontkennende hoofdzin) dat, of; die niet--
quin etiamja zelfs--
quinquevijfkwintet ('muzikaal ensemble')quintet ('muzikaal ensemble')
quippeimmers-quip ('geestigheid' < ironisch gebruik van quippe)
queo (quire)kunnen--
quis, quid (zst.)wie, wat, welke, na si, nisi, num, ne: = aliquiskwibus ('dwaas' < Lat. quibus), quiz ('vragenspel' < Eng. < Lat. quis es)quiz ('vragenspel' < Lat quis es)
qui, qua/quae, quod (bijvoegl.)een (of ander), enig--
quis?wie?, wat?--
quid?wat?; waarom?-quidnunc ('roddelaar' < Lat. quid + nunc (iemand die steeds 'wat nu' vraagt))
qui? (bijvoegl.)welke?--
quisquam, quicquamiets (met nadruk, in negatieve zin); ook: et quis--
(unus)quisque (zst.)ieder(een), (+ superl) juist--
(unus)quisque + superlativusjuist--
quisque (bijvoegl.)ieder, elk--
quisquis, quidquidwillekeurig wie, wie ook maar--
quiviseen willekeurig iemand--
quowaarheen, naarmate; +coni.: opdat (daardoor)--
quo +coni.:opdat (daardoor), (zonder coni.) waarheen; naarmate--
quod (voegw.)omdat, dat--
non est quod + coni.er is geen reden om--
quomodohoe; zoals--
quondameens--
quoniamaangezien, omdat--
quoqueook--
quot (onverbuigbaar)hoeveel?; zoveel alsquota ('aandeel'), quotatie ('aanhaling' < Mdd. Lat. quatatio 'cijfers i/d rand v/e boek aanbrengen')quote ('aanhaling' < Mdd. Lat. quotatio 'nummers aanbrengen i/d kantlijn v/e boek')
quotienshoe vaak?, zo vaak alsquotiënt ('uitkomst v/e som')quotient ('uitkomst v/e som')
rabiesrazernijrage ('tijdelijke hevige mode, bevlieging'; < Fr. rage) < Vulg. Lat. rabia (nevenvorm v. rabies)), rabiës ('hondsdolheid')rage ('woede'; < Fr. rage < Vulg. Lat. rabia (nevenvorm v. rabies)), rabid ('woest, dol'; < Lat. rabidus ('razend')), to enrage ('woedend maken'; < Oudfr. enragier < in + rabies ('naar woede')), rabies ('hondsdolheid')
radiusspaak, straalradio, radioactief (< Fr. radioactif), radius ('straal'), radiateur ('afkoeltoestel'; < Lat. radiatio ('straling'))ray ('straal'), radio, radioactive (< Fr. radioactif), radius ('straal'), radiation ('straling'; < Lat. radiatio)
ramustak--
rapio (rapĕre)meesleuren, rovenravijn (< Fr. ravin ('bergkloof') < Fr. ravine ('bergkloofbeek') < Oudfr. raviner ('zich neerstorten') < Oudfr. ravine ('gewelddadige gebeurtenis') < Lat. rapina ('roof')), ravage ('verwoesting'; < Fr. ravir < Vulg. Lat. rapio (v. rapire))to rape, rapacity ('roofzucht'; < Lat. rapax ('roofzuchtig')), surreptitious ('stiekem'; < sub + rapio ('van onderen roven'))
arripio (arripĕre)aangrijpen--
corripio (corripĕre)(haastig) vastgrijpen, wegslepen, vernietigen--
diripio (diripĕre)verscheuren, plunderen--
eripio (eripĕre)wegrukken, ontroven--
rapidusmeesleurend, snel-rapid ('snel')
rarusverspreid, zeldzaam, schaarsraar, rariteit ('zeldzaamheid'; < Lat. raritas)rare ('zeldzaam'), rarity ('zeldzaamheid'; < Lat. raritas)
ratio(be)rekening, verantwoording; verstand; planratio ('rede'), rantsoen ('portie voor één persoon')ratio ('rede'), ration ('rantsoen'), rational ('rationeel')
ratisvlot, schip--
recensvers, nieuwrecentrecent, to rinse ('uitspoelen'; < Oudfr. reincier < Vulg. Lat. recentio ('vers maken')
rego (regĕre)regeren, leiden, sturenregeren, regel (< regula < rego), regime ('regeringsstelsel'; < Lat. regimen < rego), regiment ('legerafdeling'; < Fr. régiment < Lat. regimentum ('bestuur'))rule (< regula ('regel') < rego), regent, rail ('balk'; < Oudfr. reille < Lat. regula ('maatstaf') < rego), regiment ('legerafdeling'; < Fr. régiment < Lat. regimentum ('bestuur')), regime ('regeringsstelsel'; < Lat. regimen < rego)
rectorleider, stuurmanrectorrector
rectusrecht, goed, juistrecht, rectificeren ('rechtzetten'; < rectus + facio ('recht zetten'))to rectify ('rechtzetten'; < rectus + facio ('recht zetten'))
regat(hij, zij, het) leidt/regeert (conj. prae.)zie regozie rego
reget(hij, zij, het) zal leiden/regeren (fut.)zie regozie rego
regidat. enk. van rex; inf. prae. pass. van regozie rexzie rex
reginakoningin--
regit(hij, zij, het) leidt/regeert (ind. prae.)zie regozie rego
regiuskoninklijk--
regno (regnare)koning zijn, heersen-to reign, regnant ('heersend')
regnumkoningschap, koninkrijk-reign
rex, regiskoning-regal ('koninklijk')
surgo (surgĕre)zich oprichten, opstaan-to surge ('golven, dringen, opwellen'), source ('bron')
regiorichting, streekregioregion
religiogeloof, bijgeloofreligiereligion
remedium(genees)middelremedieremedy
renideo (renidēre)stralen, glanzen--
repenteplotseling--
reor (reri)menen--
irritusongeldig, vergeefs--
ratus + A.C.I.in de mening dat ...--
reszaak, gebeurtenis; ding, gevalreëel, rebusreal, rebus
res adversaetegenspoed--
res gestaedaden, maatregelen, krijgsdaden--
res novaerevolutie, omwenteling--
res publicastaatrepubliekrepublic
res secundaevoorspoed--
re verain werkelijkheid, echt--
respondeo (respondēre)antwoorden, beantwoorden, vergeldenrespons ('reactie'), correspondentie ('briefwisseling'; < con + respondeo ('met antwoorden'))response ('reactie'), responsible ('verantwoordelijk'), correspond ('overeenkomen, corresponderen'; < con + respondeo ('met antwoorden'))
retroachteruit, terugretro ('nostalgische stijl')retroversion ('terugwending'; < retro + verto ('terug draaien')), to retrospect ('terugblikken'; < retro + specto ('terug kijken'))
reusaangeklaagde, schuldige--
rideo (ridēre)lachenriant ('aantrekkelijk, ruim'; < Fr. riant ('bekoorlijk') < Fr. rire ('lachen') < Lat. rideo)ridiculous ('lachwekkend'; < Lat. ridiculosus), derision ('spot'; > de + rideo ('omlaag lachen'))
ripaoeverrivier (> Vulg. Lat. riparia ('gebied langs een waterloop') > riparius ('bij de oever gelegen') < ripa), arriveren ('aankomen'; > Oudfr. ariver ('aan land gaan') > Vulg. Lat. arripo > ad + ripa ('naar oever'))to arrive ('aankomen'; > Oudfr. ariver ('aan land gaan') > Vulg. Lat. arripo > ad + ripa ('naar oever'))
ritevolgens (godsdienstig) gebruik, naar behoren--
rivusbeekrivaal (> rivalis ('medeminnaar, iemand die een beek deelt met een ander')), derivaat ('afgeleide'; < de + rivus ('uit beek'))rival (> rivalis ('medeminnaar, iemand die een beek deelt met een ander')), to derive ('afleiden'; < de + rivus ('uit beek'))
roburhard hout, kracht; het sterkste deelrobuust ('stevig'; > Lat. robustus > robur)to corroborate ('verstevigen'; > con + robur ('samen kracht')), robust ('stevig'; > Lat. robustus > robur)
rogo (rogare)vragenarrogant (> ad + rogo ('erbij vragen')), karwei (> Fr. corvée > Lat. corrogata ppp. v. corrogo > con + rogo ('samen vragen')), corvee (> Fr. corvée > Lat. corrogata ppp. v. corrogo > con + rogo ('samen vragen')), surrogaat ('vervangingsmiddel'; > sub + rogo ('onder vragen'))arrogant (> ad + rogo ('erbij vragen')), corvee (> Fr. corvée > Lat. corrogata ppp. v. corrogo > con + rogo ('samen vragen')), surrogate ('vervangingsmiddel'; > sub + rogo ('onder vragen'))
interrogo (interrogare)(onder)vragen-interrogation ('ondervraging')
rogatio(wets)voorstel aan de volksvergadering--
Romamnaar Rome (bij ww. van gaan)--
Romaete Rome--
Romanus (bijv. nw.)RomeinsRomeins, Romaans, roman (< Oudfr. romanz > Vulg. Lat. romanice scribo ('in het Latijn schrijven') < Lat. romanicus < Romanus)Roman, romance (< Oudfr. romanz > Vulg. Lat. romanice scribo ('in het Latijn schrijven') < Lat. romanicus < Romanus)
Romanus (zst. nw.)RomeinRomeinRoman
ros, rorisdauwrozemarijn (> ros marinus ('zeedauw'))rosemary (> ros marinus ('zeedauw'))
rotawielrond (< Oudfr. reont < Lat. rotundus < rota), rol (< Oudfr. rolle < Mdd. Lat. rotulus dimin. v. rota), rollen (< Oudfr. roele ('schijfje') < Laatlat. rotella dimin. v. rota), roteren ('ronddraaien'), controle (< Mdd. Fr. contre-rôle ('tegenrol ter controle') < Lat. contra + rotulus dimin. v. rota), pirouette ('draai op één voet'; < Fr. pirouelle ('tol') < *pir ('as') + rouelle ('wieltje') < Lat. rotella dimin. v. rota)round (< Oudfr. reont < Lat. rotundus < rota), roll (< Oudfr. rolle < Mdd. Lat. rotulus dimin. v. rota), to roll (< Oudfr. roele ('schijfje') < Laatlat. rotella dimin. v. rota), to control (< Mdd. Fr. contre-rôle ('tegenrol ter controle') < Lat. contra + rotulus dimin. v. rota)
rumorgerucht, gepraatrumoerrumor
rumpo (rumpĕre)brekenabrupt ('opeens'; < abruptum ppp. v. abrumpo < ab + rumpo ('weg breken')), route (< Fr. rute <* Lat. via rupta ('gebaande weg')), ruiter (< Oudfr. rotier ('struikrover') < rote ('kleine groep krijgslieden') < Mdd. Lat. rupta ('struikroverbende') < ruptum ppp. v. rumpo), interrumperen ('onderbreken'; < inter + rumpo ('tussen breken')), bankroet ('failliet'; < Fr. banqueroute < It. banca rotta < ruptum ppp. v. rumpo)abrupt ('opeens'; < abruptum ppp. v. abrumpo < ab + rumpo ('weg breken')), route (< Fr. rute <* Lat. via rupta ('gebaande weg')), to interrupt ('onderbreken'; < inter + rumpo ('tussen breken')), bankrupt ('failliet'; < Fr. banqueroute < It. banca rotta < ruptum ppp. v. rumpo), rupture ('breuk'), to disrupt ('verscheuren, verstoren'; < dis + rumpo ('uiteen breken'))
corrumpo (corrumpĕre)vernielen, bederven, omkopencorrumperen ('bederven')to corrupt ('bederven')
erumpo (erumpĕre)(laten) uitbrekeneruptie ('uitbarsting'; < eruptum ppp. v. erumpo)eruption ('uitbarsting'; < eruptum ppp. v. erumpo)
rupesrots--
ruo (ruĕre)instorten, zich in iets storten--
obruo (obruĕre)begraven, bedelven--
ruinainstorting, val, ondergangruïne ('bouwval'; < ruina ('neervallen van een bouwwerk') < ruo)ruin ('bouwval'; < ruina ('neervallen van een bouwwerk') < ruo)
rursusopnieuw, terug (adv.)--
rus, rurislandrustiek ('landelijk'; < rusticus < rus)rustic ('landelijk'; < rusticus < rus), rural ('landelijk')
sacerheilig, gewijdsacraal ('heilig'), sacrament ('wijding')sacred ('heilig'), sacrilege ('heiligschennis' < Lat. sacer + legere 'stelen'), to sacrifice ('offeren' < Lat. sacer + facere)
sacerdospriestersacerdotaal ('priesterlijk')sacerdotal ('priesterlijk')
sacramentumeed van trouwsacrament ('wijding')sacrament ('wijding')
saeculumgeneratie, tijdperk, eeuwseculair ('wereldlijk')secular ('wereldlijk')
saepedikwijls--
saevio (saevire)woedend zijn, razen--
saevitiawreedheid, woestheid--
saevuswoest, hardvochtig--
sagittapijl--
salsuszoutsaus, saucijs ('worst' < Lat. salsica 'gezout iets')sauce ('saus'), sausage ('worst' < Lat. salsicus 'gezout iets')
saltusbergwoud, bergpas--
salusbehoud, gezondheidsalubriteit ('gezondheid')salubrious ('gezond'), salutary ('gunstig')
saluto (salutare)begroeten (als)saluerento salute ('groeten'), salute ('groet')
sanctusonschendbaar, eerbiedwaardigsint ('heilige'), sanctificatie ('heiligmaking' < Lat. sanctus + facere)saint ('heilige'), to sanctify ('heiligmaken' < Lat. sanctus + facere), sanctuary ('heiligdom' < Lat. sanctus + area 'binnenplaats')
sanezeker, inderdaad--
sanguisbloedpur sang ('van zuiver ras' < Lat. purus & sanguis)sanguine ('bloedrood'), sanguinary ('bloederig')
sapienswijs, verstandig-sapient ('wijs')
sapientiawijsheid-sapience ('wijsheid')
satisgenoeg, nogal, tamelijkzat ('genoeg')to satisfy ('voldoen' < Lat. satis + facere)
satio (satiare)verzadigen-to satiate ('voldoen')
saxumrots(blok)--
scelusmisdaad--
scelestusmisdadig--
scilicetvanzelfsprekend, zeker--
scio (scire)weten--
conscientiamedeplichtigheid, bewustzijn-conscience ('geweten')
consciusmedewetend, betrokken bij, zich bewust vankuis ('ingetogen')conscious ('bewust')
scientiakennis-science ('wetenschap'), scientist ('wetenschapper')
nescio (nescire)niet weten-nescient ('onwetend' < Lat. ptc. nesciens)
nesciusniet wetend-nice ('aardig' < Fr. nice 'simpel, zwak, zorgeloos' < Lat. nescius)
scopulusklip, rotspunt--
scribo (scribĕre)schrijvenschrijven, scribent ('schrijver'), script ('film-manuscript'), inscriptie ('opschrift' < Lat. inscribere 'opschrijven' < in + scribere), manuscript ('handschrift' < Lat. manus + scribere), postscriptum ('naschrift' < Lat. post + scribere), proscriptie ('vogelvrijverklaring' < Lat. proscriptio 'openlijk te koop aanbieden van veroordeeld persoon')to scribble ('pennen'), scribe ('schrijver'), script ('geschreven stuk'), description ('beschrijving' < Lat. de + scribere), inscription ('opschrijving' < Lat. inscribere 'opschrijven'), prescription ('recept, voorschrift' < Lat. praescribere 'vooraf schrijven')
conscribeo (conscribĕre)inschrijven, recruteren, beschrijvenconscriptie ('inschrijving voor militaire dienst')conscription ('dienstplicht')
seco (secare)snijdensectie ('indeling, afdeling'), sector ('afdeling'), sekte ('religieuze aanhangers'), set ('stel, tennisterm' < Fr. sette < Lat. sectus), bissectrice ('lijn die hoe in tweeën deelt' < Lat. bis 'dubbel' + sectare), risico ('gevaar' < Lat. resecare 'afsnijden'), insect (< Lat. insectare 'insnijden', vanwege gescheiden delen van insectenlichaam)section ('afdeling'), intersection ('kruising' < Lat. inter 'tussen, over' + sectus), dissection ('ontleding' < Lat. di 'uiteen' + sectare), insect (< Lat. insectare 'insnijden'', vanwege gescheiden delen insectenlichaam')
secretusafgezonderdsecretaris ('griffier' < Lat. secretarius 'geheimschrijver')secret ('geheim')
securuszonder zorg, onbezorgdzeker, secuur ('zorgvuldig')secure ('veilig'), sure ('zeker'), to assure ('zeker maken' < Fr. assurer < Vulg. Lat. assecurar < ad + securus)
sedmaar--
sedeo (sedēre)zittensessie ('zitting'), séance ('spirituele bijeenkomst' < Fr.), sediment ('bezinksel < Fr.')session ('zitting'), sedentary ('zittend')
assiduusonafgebroken-assidiuous ('onafgebroken')
consido (considĕre)gaan zitten--
insidiaehinderlaag-insidious ('verraderlijk')
obsesgijzelaar--
obsideo (obsidēre)belegeren, bezet houdenobsessieobsession
possideo (possidere)bezittenpossessivumto possess ('bezitten'), possession ('bezit'), possessive ('bezittelijk')
praesidiumbescherming, bezetting, garnizoen--
sedes(zit)plaats, zetelzadelseat ('stoel, zitplaats'), sedan ('draagstoel'), saddle ('zadel')
seditioopstand-sedition ('opstand')
subsidiumhulp, versterking, reservesubsidie ('financiële hulp')subsidy ('financiële hulp)
segesgewas--
semeleenmaal--
singulieen voor een, afzonderlijksingulier ('afzonderlijk'), single ('alleenstaand)single ('alleenstaand')
semperaltijd--
senexoud, oude manseniel ('oud, afgetakeld')senile ('oud'), senior ('oudere' < Lat. comp.)
senatorsenatorsenatorsenator
senectusouderdom--
senatus(toegang tot de) senaatsenaatsenate
sentio (sentire)waarnemen, merken; oordelen
consensuseenstemmigheid, overeenstemming
sensuswaarnemingsvermogen, gevoel
sententiamening
sepelio (sepelire)begraven
sepulchrumgraf
septemzeven
sequor (sequi)volgen, najagen
secundusvolgende, tweede, gunstig
assequor (assequi)bereiken, verkrijgen
consequor (consequi)volgen, bereiken, inhalen
exsequor (exsequi)volgen, nastreven, ten uitvoer brengen
insequor (insequi)volgen
persequor (persequi)volgen
sermogesprek, (spreek)taal
sero (serĕre)zaaien, planten, verwekken
semenzaad
sertumbloemenkrans
seruslaat
servo (servare)bewaren, behouden, redden; in het oog houden
servusslaaf
servaslavin
servio (servire)slaaf zijn, dienen
servitiumslavernij, de slaven
servitusslavernij, onderworpenheid
sexzes
sivoor het geval dat, als, of (misschien)
seu, siveof, hetzij
sin (voegw.)maar als
siveof, hetzij
sive ... sive(hetzij) ... hetzij, (of) ... of
siczo
sicut(net) zo als
siccusdroog
sidusster, sterrebeeld
signumteken, veldteken; beeld
insignisopvallend, bekend
silentiumstilte
silvabos
silvestrisvan het bos, bosrijk
similisgelijk, gelijkend
simul (adv.)tegelijk, (voegw.) zodra
simul (voegw.)zodra, (adv.) tegelijk
simulacrumbeeld, afbeelding
simulo (simulare)doen alsof
dissimulo (dissimulare)doen alsof niet, verbergen
sinezonder
sino (sinĕre)(toe)laten
desino (desinĕre)ophouden
sinisterlinker, ongunstig
sinuswelving, boezem (kleed), binnenste; baai
sitisdorst
situsgeplaatst, gelegen, NB situs, -us = ligging
situsligging, NB situs ook ppp. van sinere
sociusbondgenoot, deelgenoot
socordiazorgeloosheid, achteloosheid
sodaliskameraad
solzon
solaciumtroost
soleo (solēre)gewoon zijn
solitus sumik heb de gewoonte gehad, ik deed gewoonlijk (pf.)
solidusstevig, vast
sollicitudoongerustheid
sollicitusverontrust, bezorgd
solusalleen
non solum ... sed etiamniet alleen ... maar ook
solum(adv.) slechts, alleen
solumbodem, grond
solvo (solvĕre)losmaken, betalen
resolvo (resolvĕre)losmaken, verzwakken
somnusslaap
somniumdroom
sono (sonare)geluid geven, klinken
resono (resonare)(doen) weerklinken
sonitusklank, geluid
sonusklank, geluid
sordidussmerig, verachtelijk
sororzuster
sorslot, orakel
spargo (spargĕre)(be)strooien
dispergo (dispergĕre)verspreiden
spatiumruimte, afstand; tijdsduur
specto (spectare)(be)kijken, het oog hebben op, beogen
auspicium(waarneming van) vogeltekens, opperbevel
aspicio (aspicĕre)aanschouwen
conspectusaanblik, gezicht
conspicio (conspicĕre)ontwaren
exspecto (exspectare)afwachten, verwachten
prospicio (prospicĕre)in de verte kijken, - zien, voorzien; voorzieningen treffen
respicio (respicĕre)omkijken naar, zorgen voor
speciesaanblik, schijn
spectaculumschouwspel
suspicioverdenking, wantrouwen
sperno (spernĕre)verachten
aspernor (aspernari)afwijzen
speshoop
spero (sperare)hopen
spiro (spirare)blazen, ademen
spiritusadem, geest; hoogmoed
sponteuit eigen beweging
spumo (spumare)schuimen
stabulumstal
statuastandbeeld
statuo (statuĕre)plaatsen, vaststellen; besluiten
constituo (constituĕre)opstellen, vaststellen, bepalen
instituo (instituĕre)instellen, oprichten, beginnen; onderwijzen
institutumgebruik
restituo (restituĕre)herstellen, teruggeven
stellaster
sterno (sternĕre)uitspreiden, ter aarde werpen, effenen
stipendiumbelasting, loon, soldij; diensttijd
sto (stare)staan, blijven bij
adsto (adstare)erbij staan
statiowachtpost
constathet staat vast + A.C.I.
insto (instare)op de hielen zitten, aandringen
obsto (obstare)staan voor, hinderen
praestathet is beter
praesto (praestare)uitblinken, aan de dag leggen
consisto (consistĕre)gaan staan, blijven staan
exsisto (exsistĕre)te voorschijn komen
resisto (resistĕre)stil staan, weerstand bieden
statimmeteen, direct
stirpsoorsprong, stam
strenuusflink
strepituslawaai
strideo (stridēre)een scherp geluid maken
struo (struĕre)bouwen, opstellen; in elkaar zetten
instruo (instruĕre)ordenen, voorzien van
studiuminzet, ijver, streven, toewijding, sympathie
studeo (studēre)aandacht wijden aan, steunen
stultusdom
stuprumontucht
suadeo (suadēre)aanraden, (ervan) overtuigen
sub + abl.onder, aan de voet van, tijdens
sub + acc.onder, kort voor of na
sublimishoog, verheven
sui, sibi, sezichzelf
sezich, hem, haar, hen; in A.c.I.: hij, zij (enk.), zij (mv.); abl. ev./mv. van se
secumis: cum se
sibidat. enk./mv. van se
suuszijn, haar, hun eigen
suide zijnen (hunnen), zijn (hun) verwanten, aanhangers
sum (esse)bestaan, zijn (als koppelww)
absum (abesse)afwezig -, verwijderd zijn
adsum (adesse)aanwezig zijn, steunen, bijstaan
desum (deesse)ontbreken, te kort schieten
erat(hij, zij, het) was
erant(zij) waren (impf.)
erit(hij, zij, het) zal zijn
esset(hij, zij, het) was (conj. impf.)
est(hij, zij, het) is
forete zullen zijn (= futurum esse)
fuerat(hij, zij, het) was geweest (pqpf.)
fuerit(hij, zij, het) is geweest, was (conj. pf.); (hij, zij, het) zal zijn geweest (fut. ex.)
fuissete zijn geweest (inf. pf.)
fuisset(hij, zij, het) was geweest (conj. pqpf.)
fuit(hij, zij, het) is geweest, was (pf.)
futurusptc. fut. van esse
futurum essete zullen zijn
insum (inesse)zijn in, - op
intersum (interesse)liggen tussen, verschillen, aanwezig zijn
interesthet maakt verschil, het is van belang
praesum (praeesse)de leiding hebben
praesensaanwezig, tegenwoordig
prosum (prodesse)voordelig zijn
sit(hij, zij, het) is (conj. prae.)
supersum (superesse)over blijven
summusgrootste, hoogste
summahoofdzaak, totaal
sumo (sumĕre)nemen
consumo (consumĕre)verbruiken, opmaken, besteden
super (adv)(er)boven
super (prep)boven (op), behalve
supero (superare)overtreffen, overwinnen, overblijven
superbiatrots, overmoed
superbushoogmoedig, tiranniek
superi(hemel)goden
superuszich bevindend boven, zich boven bevindend
superiorhoger, vroeger, beter
supra(er)boven (bijw. en bijv. nw.)
supremuslaatst
supplexsmekend, nederig
suppliciumsmeekbede, (dood)straf
tabulaschrijfplankje, registertafel, tabel, tablet (< Fr. tablette dimin. v. table < Lat. tabula), tafereel ('gebeurtenis'; < Mdd. Fr. tablel dimin. v. table < Lat. tabula)table, tablet
taceo (tacēre)zwijgen--
tacituszwijgend, verzwegen, onbesproken-tacit ('stil')
talisdergelijke, zulke--
talis ... qualiszo(danig) ... als--
tamzo (zeer)--
tametsihoewel--
tamentoch, echter--
tamquamzoals, alsof, als het ware--
tandemtenslotte, (uit)eindelijktandem ('tweepersoonsfiets'; betekenisverandering 'eindelijk' > 'lange rij' > 'achter elkaar')tandem ('tweepersoonsfiets'; betekenisverandering 'eindelijk' > 'lange rij' > 'achter elkaar')
tango (tangĕre)aanrakentact (< tactum ppp. v. tango), intact ('onbeschadigd'; < in + tactum ('niet aangeraakt'))tact (< tactum ppp. v. tango), intact ('onbeschadigd'; < in + tactum ('niet aangeraakt')), tactile ('tastbaar')
attingo (attingĕre)aanraken-to attain ('bereiken'; < Oudfr. attaindre < Lat. attingo)
contingo (contingĕre)aanrakencontact (< contactum ppp. v. contingo), contingent ('legergroep')contact (< contactum ppp. v. contingo)
contingithet valt te beurt, het overkomt--
tantuszo groot, zo veel--
tantumzoveel--
tantum ... quantumzoveel ... als--
tantummodoalleen maar, slechts--
tantus ... quantuszo groot ... als--
tarduslangzaam-tardy ('traag')
taurusstier--
tejou, u--
tecumis: cum te--
tego (tegĕre)bedekken, verbergen, beschermentegel, detecteren ('opsporen'; < detego < de + tego ('uit verbergen'))tile ('tegel'), to detect ('opsporen'; < detego < de + tego ('uit verbergen')), to protect ('beschermen'; < protego < pro + tego ('voor beschermen'))
integerniet aangeraakt, ongedeerd, onvermoeid, frisinteger ('rechtschapen')integer ('geheel getal'), entire ('geheel')
tectumdaktectyl ('antiroestmiddel')-
tellusaarde--
telumwerptuig, speer--
temerezo maar, doelloos--
temeritasroekeloosheid-temerity ('roekeloosheid')
tempero (temperare)in de juiste verhouding brengen, regelen, maat houden, zich matigen
templumgewijd domein, tempel
temporaslapen
tempto (temptare)onderzoeken, proberen, aanvallen
tempustijd, situatie, omstandigheden
tempestastijd, weer, storm
tendo (tendĕre)spannen, uitstrekken, streven
contendo (contendĕre)zich inspannen, zich haasten; strijden
intendo (intendĕre)spannen, richten
intentus(in)gespannen, in gespannen verwachting, oplettend
ostendo (ostendĕre)tonen, onder ogen brengen
tenebraeduisternis
teneo (tenēre)vasthouden
abstineo (abstinēre)afhouden van
contentustevreden
contineo (continēre)(bijeen) houden
obtineo (obtinēre)bezet -, vast houden, in bezit nemen
pertineo (pertinēre)zich uitstrekken, betrekking hebben op, van belang zijn voor
retineo (retinēre)tegenhouden, vasthouden
sustineo (sustinēre)(om)hoog houden, uithouden, verdragen
tenerfijn, teer
tenuisdun, fijn, nietig, armzalig
terdriemaal
tero (terĕre)wrijven, verslijten
tergumrug
terraland, aarde; grond
terreo (terrēre)bang maken
exterreo (exterrēre)schrik aanjagen
terribilisverschrikkelijk
terrorangst
testor (testari)getuige zijn, verklaren, als getuige aanroepen
testisgetuige
thalamusslaapkamer, huwelijk
tibi(aan) jou, (aan) u (dat.)
tibiafluit
tigristijger
timeo (timēre)bang zijn, bezorgd zijn voor
timeo ne + conj.vrezen, bang zijn (voor)
timidusangstig, schuchter
timorangst
tingo (tingĕre)bevochtigen
tollo (tollĕre)opheffen, wegnemen; beëindigen
extollo (extollĕre)opheffen, oprichten, ophemelen, prijzen
tolero (tolerare)verdragen
torqueo (torquēre)draaien, slingeren; martelen, kwellen
tormentumpijnbank, foltering, geschut
torreo (torrēre)roosteren
totzoveel
totusgeheel
trabsbalk, boom
traho (trahĕre)trekken, rekken
contraho (contrahere)sametrekken, verenigen
detraho (detrahere)er van afrukken, wegnemen
tracto (tractare)behandelen
tremo (tremĕre)trillen
trepido (trepidare)angstig, gejaagd zijn
trepidusangstig, zenuwachtig
tresdrie
tertiusderde
triduumeen drietal dagen
trigintadertig
tribuo (tribuĕre)verlenen, toekennen
tributumbelasting
tribunusleider (van een tribus), officier
tribunus militum/militarisofficier, krijgstribuun
tribunus plebisvolkstribuun
tristisonvriendelijk, nors, droevig
triumphuszegetocht
tujij, u
tuusjouw, uw
tueor (tueri)beschouwen, kijken, beschermen
intueor (intueri)kijken naar
tum, tunctoen, op dat ogenblik, vervolgens, verder
cum ... tumzowel ... als
tumultusrumoer, oproer, rebellie
turbaverwarring, verwarde massa
turbo (turbare)in verwarring brengen, verwarren
turbodraaiing, wervelwind
turmaruiterafdeling
turpislelijk, schandelijk
turristoren
tuswierook
tutusveilig
tyrannustiran
uberborst, uier, vruchtbaarheid
ubiwaar, zodra, wanneer
ubi gentium?waar ter wereld?
ubi primumzodra als
ubiqueoveral
udusnat
ullusenig, iemand
ulmusolm
ulterioraan de andere kant gelegen, verder weg liggend
ultimusuiterste, laatste
ultra (bijw.)verder, langer
ultra (bijv. nw.)aan gene zijde van, over, meer dan
ultrobovendien, sterker nog, uit eigen beweging, ongevraagd
umbraschaduw, schim van de dode
umerusschouder
umidusvochtig
umquamooit
numquamnooit
undagolf, water
undewaarvandaan
undiqueoveral vandaan, aan alle kanten
universusgeheel, alle tezamen
unuseen, (als) enige, alleen
unategelijkertijd, samen
unicusenig, uniek
unus ex + abl.één van
urbsstad
urbanusvan de stad, verfijnd, beschaafd
urgeo (urgere)dringen, in het nauw brengen
urg(u)o (urg(u)ĕre)in het nauw drijven, met kracht betogen
uro (urĕre)verbranden, verteren, kwellen
usquamergens
nusquamnergens
usquehelemaal
usque ad + acc.tot aan
ut + ind.zoals, zodra
ut+ coni.opdat, om te, zodat
ut primum + ind. pf.zodra (als)
uterquebeide(n)
utrum (... an)(inleiding van een tweeledige vraag)
utor (uti)gebruiken, hebben
ususgebruikend (ptc. pf. van utor)
ususgebruik, praktijk; nut
utilisnuttig, geschikt
utilitasnut, voordeel, belang
utinam(inleiding van wenszin)
utiquehoe dan ook, tenminste
uvadruif
uxorechtgenote
vaco (vacare)vrij zijn van
vacuusonbezet, leeg, vrij van
vaguszwervend, onbestendig
valdeerg, zeer
valeo (valēre)gezond, krachtig zijn, in staat zijn; waard zijn
valegegroet (bij afscheid)
valetudogezondheid, ziekte
validuskrachtig
vallisdal
vallumwal
intervallumtussenruimte
vanusleeg; onbetekenend, bedrieglijk
variusafwisselend
vasto (vastare)verwoesten
vastuswoest, verlaten; wijd, ontzaglijk
vateswaarzegger; dichter
-veof
veho (vehĕre)vervoeren; varen, rijden
vehemensonstuimig, heftig
velof; (bij superlativus ter versterking)
vel ... vel(of) ... of
velo (velare)bedekken
veloxsnel
velumzeil
velutzoals; alsof, als het ware
venaader
venenumvergif
venio (venire)komen
circumvenio (circumvenire)omsingelen
contiobijeenkomst
convenio (convenire)samenkomen, overeenkomen
evenio (evenire)gebeuren
invenio (invenire)vinden, ontdekken
pervenio (pervenire)aankomen
subvenio (subvenire)te hulp komen
venithij komt; hij is gekomen/kwam
adventusaantocht, aankomst
venterbuik
ventuswind
Venus(godin van de) liefde; schoonheid, charme
verlente
verbumwoord
vereor (vereri)vrezen
vereor ne + conj.ik ben bang dat ...
veritusuit vrees, vrezend
verto (vertĕre)draaien, veranderen, wenden; (pass.) zich bevinden
averto (avertere)afwenden
converto (convertĕre)(om)draaien, veranderen
me vertozich omdraaien
verso (versare)wentelen; behandelen, bezig zijn
versor (versari)zich bevinden; zich bezig houden met
revertor (reverti)terugkeren
versus(vers)regel
vertexdraaikolk; kruin, top
veruswaar, werkelijk; juist, behoorlijk
verowerkelijk, inderdaad; echter
verum(voegw.) maar
vestigium(voet)spoor
vestiskledingstuk, kleed
veto (vetare)verbieden
vetusoud
vestustiorouder
vexo (vexare)teisteren, kwellen
viaweg, straat; reis; methode
obviustegemoet (adj.)
obviamtegemoet (adv.)
vicinusnaburig
vicisafwisseling, beurt; positie, rol
in vicemop mijn beurt; beurtelings
victimaofferdier, slachtoffer
video (vidēre)zien; erop toezien
invideo (invidēre)jaloers zijn, misgunnen
invidiaafgunst, haat
invisusgehaat
provideo (providēre)voorzien, zorgen voor
videor (videri)schijnen; goed toeschijnen
visushet zien; verschijning, gestalte
vigeo (vigēre)krachtig zijn
vigilo (vigilare)wakker, waakzaam zijn
vigiliahet wakker zijn; waakzaam nachtwaken
vigintitwintig
vilisgoedkoop
villahoeve, landgoed
vincio (vincire)binden, ontwikkelen
vinculumhand, boei
vinco (vincĕre)overwinnen
victoroverwinnaar, overwinnend
victoriaoverwinning
vindico (vindicare)afspraak maken op; straffen, wreken; beschermen
vinumwijn
violo (violare)geweld aandoen
virman
virtusmoet, voortreffelijkheid; deugd
virgomaagd, meisje
visgeweld, kracht; macht, invloed; menigte
viridisgroen, jeugdig
visceraingewanden, vlees
viso (visĕre)bezoeken
vito (vitare)vermijden
vitiswijnstok
vitiumondeugd; vergrijp, fout, gebrek
vito (vitare)vermijden
vituluskalf
vivo (vivĕre)leven
victuslevensonderhoud; levenswijze
vitaleven
vivuslevend
vixnauwelijks
vobiscum(samen) met jullie
voco (vocare)roepen, noemen
convoco (convocare)bijeenroepen
revoco (revocare)terugroepen
vox, vocisstem; woord, uitlating
volo (velle)willen
malo (malle)liever willen
nolo (nolle)niet willen
volunt(zij) willen
voluntaswil; gezindheid
vult(hij, zij) wil
volo (volare)vliegen
volucervliegend, gevleugeld; vlug
voluptaslust, genoegen
volvo (volvĕre)wentelen; overwegen
vosjullie, u
vesteruw, jullie
votumgelofte; gebed, wens
vulgo (vulgare)algemeen maken; bekend maken
vulgushet vol, de mensen
vulnero (vulnerare)verwonden
vulnuswond; schade, ongeluk
vultusgezicht, gelaatstrekken
zephyruswestenwind, wind